Gedichten

door Joop Leibbrand (1943-2015)

Vakantie

Wij waren weer terug uit het andere land.

Weiden zagen we, klavers en honing,
watervallen, bedden van het zachtste mos. 
Jij wilde geisers en rotsen.

Wij hoorden het lied van lijster en riet, 
snoven de geuren van wikke en winde.
De hars op je handen wilde je niet.

Wij dwaalden door bossen zagen faunen
en nimfen verbeeld in de tuinen.
Maar jij daalde in steengroeven af.

Dagelijks beklommen wij de gelaagde terrassen, 
of lagen in vruchtbare bedding beschut.
Het was een woestijn die jij doortrok.

We overbrugden een kloof
die we niet wilden dichten,
namen de douche van elkanders oase voor lief.

Medusa

Vandaag alleen naar het strand geweest.
Een harde wind joeg schuim
in mijn gezicht, op het water
een schittering die haast verblindde.

Ik gooide stenen naar een paal,
trapte een fles kapot, de scherven
als een boodschap in het zand.

De slaaf die voor mij kruipt
zal zich gemeen verwonden,
de held die voor mij valt
wordt pijnlijk afgeschrikt.

Aan mijn triade doen er twee 
niet mee. Wat is er toch gebeurd
dat ik ineens gedichten schrijf,
de haren uit mijn hoofd?

Portret

Nimmer blijer een prins
gezien dan die engel
zoals hij stralend
te laat komt, de faun
die maar doorlacht, als page
toch geen meesters dient.

Hoe hij ons met zijn
verlegen onschuld om
de vinger windt, het kind
dat zijn plaats zo
schaamteloos kent.

Vroeger of later

Nog even over de tijd,
waarom die niet verdwijnt
uit mijn gedachten, mij
bezighoudt bij wat ik laat of doe.

Het is dat tijd niet over zijn
hart strijkt maar over het mijne.

Dat snoeien altijd moet in groei
en ongemoeid blijft de molm.

Het oog op de tak die zal botten.
Bast tussen schors en spint.

Het mooiste van Den Helder

Het mooiste van Den Helder
is het kerkje van Den Hoorn

als je in het late ochtendlicht
alleen staat op de dijk

en vanaf deze overkant
de zee voorzichtig deint

naar het nabije land dat over
verre horizon getild zal wijken.

Het is daar dezelfde hemel
niet die je hier ziet.

Stroom

Het was een vakantie van niets
doen, van overgave aan zon,
zee en wind, we gaven ons bloot
waar we konden, we verschoten ervan.

We lazen ons bij, boekten opgelucht
tijdwinst op wat nog zou komen,
voelden eigen natuur, een herkenbare
toon die ons niet had ontluisterd.

We liepen veel samen, waadden nooit
dieper dan buiten de stroom.

Boven ons hoofd speelden gierende
vliegers, we vreesden hun val.

Vloek

Ik zat thuis ik was vrijwel
alleen ik moest uit mijn hoofd

veel kon ik niet verder
verdragen bijna niets

ons was een vloek waar
geen verbond tegenop kon

nooit was ik verder van huis
zoveel onrust ik kon daar niet bij.

Licht

Zoals je omdat je jezelf niet vertrouwt
terugkomt op een goed besluit

spijt krijg van je gelijk en ongelijk
zo houd je soms van iemand om

wie hij had kunnen zijn als hij niet was
wie hij werd zonder jou. En met.

Je kent de plaats van aarde en zon
weet bloedrood de maan maar blijft

blind in de mist en de wolken.
Later zie je de beelden die anderen

maakten, ze zijn je vertrouwd als
een afstand die je dagelijks aflegt.

In mei 2000 kreeg ik een e-mailbericht van Joop. Dat was niet ongewoon – het meeste redactiewerk voor Meander werd via de mail gedaan. Dit bericht was anders: het bevatte een *Liechtensteiner sonnet, bedacht en kort ervoor in Meander geïntroduceerd door Chris Coolsma. Joop had zich uitgedaagd gevoeld, een ‘Liechtensteiner’ geschreven en die aan Chris gestuurd, met een kopie aan mij. Ik liet me op mijn beurt uitdagen en mailde er een aan beide heren. Nadat zich in Ans Wijnstroot een derde adept had aangediend, stuurden we elkaar gevieren binnen zes weken meer dan honderd spotsonnetten toe. Er volgde een ontmoeting, we luidden in Meander het jaar 2000 uit met Liechtensteiners en gaven een bundel uit.
Joop schreef meestal gedichten in vrije vorm die je niet bepaald onder de noemer ‘light verse’ kon brengen. De Liechtensteiners waren Spielerei in een strakke jas. Maar ook die jas paste hem.
Edith de Gilde

Zondigheid

Van zeven zonden is er één
die mij het meeste tegenstaat.
Onkuisheid niet, die doet geen kwaad
en gulzigheid straft zelf meteen.

Uit gramschap vallen wij uiteen
en nijd betaalt terug met haat;
de gierigheid brengt niemand baat,
om hovaardij lacht iedereen.

Maar traagheid zoals die verschijnt
in vormen van lamlendigheid,
in luiheid die om uit- en afstel dreint,

is iets dat alles ondermijnt.
De lijders dienen gekastijd
met lat en zweep, op ’t weke achtereind.

*In het Liechtensteiner sonnet bevatten de meeste regels vier jamben. Alleen de laatste regels van de beide terzinen tellen er vijf. Het rijmschema is abba/abba/cdc/cdc. In het octaaf wordt een ‘rekening’ gepresenteerd die in het sextet met rente (vandaar die extra ‘voet’) wordt voldaan.

De gedichten werden geselecteerd door: Yvonne Broekmans, Edith de Gilde, Hans Puper, Lennert Ras en Antoinette Sisto. Achtergrondfoto’s: Antoinette Sisto. Foto Joop Leibbrand: Jasper Leibbrand.

‘Vakantie’ en ‘Medusa’ komen uit:
Frieda SnelWacht maar
Bellevue, Noordwijk, 2001
‘Portret’ en ‘Vroeger of later’ komen uit:
Joop LeibbrandVroeger of later
Bellevue, Noordwijk, 2003
‘Het mooiste van Den Helder’ en ‘Stroom’ komen uit:
Joop LeibbrandWaterpas. Helderse gedichten
HDC Media, 2010
De gedichten uit deze bundel verschenen eerder in de Helderse Courant
‘Vloek’ en ‘Licht’ komen uit:
Frieda SnelKruisgang
De Manke God Uitgeefhuis, 2013
‘Zondigheid’ komt uit:
Chris Coolsma, Edith de Gilde, Joop J. Leibbrand en Ans Wijnstroot -
Mogen we even afrekenen? 52 Liechtensteiners
Servo, Assen, 2001
Recensie van Zo word je een geweldige dichter - Ellen Deckwitz

Het perspectief van een brievenbus

Ellen Deckwitz
Zo word je een geweldige dichter
Uitgever: Atlas Contact
2015
ISBN 9789045706078
€ 12,99
128 blz.


Zelf schrijver worden
, Dichten doe je zo, Zo schrijf je een kinderboek, Het grote schrijf-doe-boek, het zijn slechts enkele titels uit De Schrijfbibliotheek, een serie van inmiddels 36 boekjes over de kunst van creatief schrijven, nauw gelieerd aan Schrijven Magazine en Schrijven Online.  

De reeks is succesvol; kennelijk hebben de vele schrijfamateurs die Nederland rijk is, een grote behoefte aan informatie en sturing en delen ze een onverwoestbaar geloof in de leerbaarheid van talent. Voor het nieuwste deeltje, Zo word je een geweldige dichter, tekende dichter, literatuurwetenschapper en schrijfdocent Ellen Deckwitz., die niet alleen de titel met een knipoog gaf, maar het hele boekje door met plezierige nuchterheid schrijft. Maar ze wil haar ‘cursisten’ zeker wat leren en als om haar autoriteit extra te benadrukken, meldt ze in haar inleiding dat ze jaarlijks rond de honderd poëzieworkshops geeft, dat al tien jaar doet en in die periode honderden leerlingen heeft gehad. Ik denk dat Deckwitz hier wat slordig met cijfers is, want hieruit valt slechts te concluderen dat ze er vaak alleen voorstond…

In vier delen van in totaal 28 korte hoofdstukjes, met daarin een kleine dertig omkaderde tekstblokjes met schrijftips en opdrachten (‘Aan de slag’) en allerlei nuttige informatie, verkent Deckwitz de mogelijkheden die er voor de beginnende en misschien ook wel iets gevorderde dichter zijn om het goede werk dat hij hopelijk altijd al schreef nog iets te verbeteren. Uitgangspunt is de vraag hoe je aan goede ideeën komt en hoe je ze vervolgens uitwerkt. Een schrijfgids over dichtvormen en verstechniek wil dit boekje niet zijn, al komen zaken als metrum en enjambement wel aan de orde. In de vele voorbeelden die ze geeft, put ze ruim uit eigen werk, maar die prominente aanwezigheid is niet storend.

Deckwitz richt zich sterk op het ambachtelijke karakter van het schrijven en wordt niet moe erop te wijzen dat je schrijven leert door te schrijven, iedere dag, vasthoudend en gedisciplineerd, een training die je jezelf moet opleggen; die ene procent inspiratie is niets als er geen 99% transpiratie tegenover staat. Toch is originaliteit natuurlijk wel een voorwaarde, en daarom is het noodzakelijk veel gelezen te hebben; als je het werk van anderen niet kent, kun je de waarde van je eigen werk – waar je als een buitenstaander naar moet leren kijken – nooit beoordelen.

Ik neem aan dat Deckwitz alle schrijfoefeningen die ze geeft in de praktijk getoetst heeft, dus ook ‘Aan de slag 13′, dat leert werken met personificaties: ‘Schrijf eens een gedicht vanuit het perspectief van een brievenbus, of van een wasmachine. Of vertel hoe een tosti-ijzer zich voelt wanneer het weer eens boterhammen moet roosteren. Of ga na wat de conflicten zijn tussen een struikje en een boom.’ Dergelijke opdrachten geeft ze vaker. Wie zich daar manmoedig doorheen slaat, verdient het dichterschap, zoveel is zeker.

In de informatie die ze geeft vond ik een slordigheid. Dat Chrétien Breukers inmiddels met Contrabas gestopt is, kon ze nog niet weten, maar Poëzierapport zou daar nog deel van hebben uitgemaakt. Poëzierapport hield echter al in 2012 op te bestaan en presenteerde zeker geen ‘nieuwtjes’, maar bood uitsluitend recensies.

Zo word je een geweldige dichter kan voor serieuze, trouwhartige amateurs een plezierige gids zijn. Ook de cynici onder hen komen aan hun trekken, bijvoorbeeld bij een van de tips bij een writer’s block: ‘Schrijf een poosje niet, om de druk van de ketel te halen.’ Verstandige raad.

***
Ellen Deckwitz (1982) is dichter, literatuurwetenschapper en schrijfdocent. In 2009 won ze de Meander Dichtprijs en het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. Ze maakte deel uit van de jury van de Nationale Gedichtenwedstrijd 2010-2011 en won de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van 2011-2012 voor De steen vreest mij (2011). In 2012 verscheen Hoi feest, waarvoor ze het C.C.S. Crone-stipendium kreeg toegekend. Begin 2015 verscheen De blanke gave.

Recensie van Hans Faverey en de liefde - Jan Oegema

Meedogenloze schoonheid

Jan Oegema
Hans Faverey en de liefde
Uitgever: Vantilt
2015
ISBN 978949460042041
€ 19,95
248 blz.


Essayist Jan Oegema (1963), onder meer de auteur van Lucebert, mysticus (1999), schreef met Hans Faverey en de liefde een prikkelend boek over de poëzie van Hans Faverey (1933-1990). De grote verdienste ervan is dat Oegema’s sterk persoonlijke invalshoek (het is ook zijn eigen Werdegang die beschreven wordt) en zijn aandacht voor de biografie van de dichter – wie was Hans Faverey buiten zijn poëzie? – volledig in dienst staan van het doordringen in en ontsluieren van dit unieke dichterschap, dat in een superieure artistieke Alleingang de wereld ogenschijnlijk reduceerde tot taal en niets dan taal, maar daarbij een oeuvre opbouwde dat, hoe vormbewust en gedisciplineerd ook, tot de meest intieme van de Nederlandstalige literatuur behoort.

Faverey was, zoals Oegema stelt, vanaf het begin een dichter met een missie, die zich ten doel stelde een volledig eigen poëtische dictie te verwerven, een medium waarbinnen hij zijn intuïties omtrent het absolute kon verkennen en tot wasdom kon laten komen. Maar Oegema stelt het algemene en door de dichter ook zelf uitgedragen beeld bij als zou diens poëzie niet anders zijn dan permanente taalfilosofie-in-actie en de biografische invalshoek zich zou beperken tot zijn fascinatie voor stilstand, leegte, tijd en dood. In Favereys poëzie gaat het, zo weet Oegema overtuigend aannemelijk te maken, óók en misschien wel in de eerste plaats om de omgang met en de verwoording van de liefde. Een onverwachte invalshoek, omdat ‘het verhaal van Hans Faverey en de liefde’ altijd onbesproken is gebleven. Toch kunnen van de 471 gedichten die Faverey tijdens zijn leven publiceerde, er zeker 75 als liefdesgedicht gekwalificeerd worden. Een verrassend hoge score voor een thema dat niet in zijn ‘systeem‘ lijkt te passen, maar Oegema maakt duidelijk hoe gaandeweg Favereys dichterschap diens fascinatie voor leegte en zijn intellectuele gevoeligheid voor het fenomeen liefde parallel lopen en hoe de metafysicus in Faverey uiteindelijk samenvalt met de mysticus voor wie eenwording met de leegte ten diepste vervulling is door liefde – de liefde als de meest verbluffende verschijningsvorm van het niet-zijnde.

Voor hij tot die conclusie komt, heeft Oegema een groot aantal van Favereys gedichten behandeld. Om de lezer optimaal bij zijn verkenningen te betrekken, start hij met een bloemlezing van vijftien gedichten waarbij hij korte, sturende leesimpressies schrijft en later bespreekt hij een serie van zeven gedichten uitvoeriger. In totaal citeert hij uit 127 gedichten waarvan hij er zo’n veertig volledig opneemt. Een ware onderdompeling dus.

Rob Schouten schreef ooit over Favereys poëzie ‘je verstand staat er graag bij stil’ en Oegema brengt dat in praktijk. Centraal staat de zoektocht naar wat Oegema Favereys ‘daimoon‘ noemt: het dwingende van zijn eigen aard, de innerlijke stem waaraan hij heeft te gehoorzamen. Deze vindt hij in Favereys drang tot ‘vernietigen’, het te willen doordringen in het gebied waar taal en denken geen toegang hebben.

Oegema beschrijft de invloed van de pre-socratici Parmenides en Heraclitus, gaat in op Meister Eckhart, legt relaties met de Zen-boeddhistische mystiek én met Surinaamse folklore, toont hoe Faverey zich gespiegeld heeft aan de modernisten als Mallarmé en Celan, welke overeenkomsten er zijn met Lucebert en Simone Weil en hoe dicht hij bij Hadewijch komt. Op een bepaald moment vraagt hij de lezer ‘Is dit te volgen?’ Het antwoord is ‘ja!’, want hij leidt deze spannende exercitie met vaste hand. De culminatie ligt in de behandeling van Favereys ‘famous last poem‘:

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.


Hoewel Jan Oegema zich met Hans Faverey en de liefde ten doel stelde een van de opmerkelijkste dichters uit de Nederlandstalige literatuur een nieuw lezerspubliek te bezorgen, lezers die zijn poëzie onbevangen en onbekommerd tegemoet treden en hem bevrijden uit de specialistische inkapseling door de beroepslezers, zal dit boek natuurlijk toch vooral degenen bedienen die min of meer met Favereys werk vertrouwd zijn. Zij worden door Oegema meegenomen op een literaire ontdekkingsreis door werk dat je dacht te kennen, maar dat zich nu op een verrassend nieuwe manier openstelt. Een heerlijk boek, en wat veel waard is: zeer toegankelijk geschreven. Oegema legt vanaf de beginpagina’s contact met de lezer en weet dat met dank aan Favereys fascinerende poëzie te behouden. Zeer aanbevolen dus!

Recensie van Is het werkelijk? Verkenningen van dichters - Dirk Kroon

Een hartversterkertje voor de lezer

Dirk Kroon
Is het werkelijk? Verkenningen van dichters
Uitgever: Liverse
2015
ISBN 978949103454
€ 19,95
364 blz.


Dirk Kroon
(1946) publiceert poëzie sinds 1968, toen hij debuteerde met
Materiaal voor morgen. Inmiddels staat de teller op achttien bundels, waarvan de laatste twee verschenen bij uitgeverij Liverse: Bijna oud, gedichten van een babyboomer (2011) en Dagelijks despoot, de jaren van een babyboomer (2013).

Kroon is al heel veel jaren ook een verdienstelijk schrijver óver poëzie en zijn nieuwe uitgever bood hem de gelegenheid met Is het werkelijk? een bundel samen te stellen uit de bijdragen die hij in de loop der tijd leverde aan o.a. Bzzlletin, Achterbergkroniek, Ons Erfdeel, De parelduiker en Poëziekrant. Kroon koos achttien essays en nam die zoals hij in het Vooraf schrijft ín wezenlijke zin’ onveranderd op, al werden ze wel ‘aangepast, aangevuld, geactualiseerd en van oneffenheden ontdaan.’
Merkwaardig is dat bij geen enkele tekst – sommige artikelen zijn meer dan dertig jaar oud – vermeld wordt waar en wanneer deze verschenen is; iedere verantwoording daarvan ontbreekt. De alfabetische ordening op dichter is daarbij wat ongelukkig gekozen. Bloem komt zo tussen Andreus en Eijckmans te staan, Herzberg tussen Hamelink en Leopold, Tellegen tussen Mok en Vasalis. Het wekt de indruk van een grabbelton en geeft zeker geen beeld van Kroons ontwikkeling als essayist. Waarom het boek twee delen kent, ontgaat me. Deel I sluit af met Leopold, deel II opent met Lodeizen, maar van enig verschil in aanpak of thematische gerichtheid is geen sprake.

En het actualiseren? Hier en daar werd een enkele noot toegevoegd, daarmee houdt het op.

Over Kroons taalgebruik zijn ook wel wat opmerkingen te plaatsen. Het is vaak wat stijfjes en formeel (‘Ik vertrouw een en ander graag als proeve van interpretatie aan publiek papier toe, omdat mijn zienswijze…’), duidelijk gedateerd (”Bovendien is bekend dat hij genoegen kon scheppen in het nuttigen van edele spiritualiën en victualiën…’) of bepaald oubollig (‘De lezer die tot zover met mij is meegegaan, mag ik wel een hartversterkertje aanbieden.’)
Maar goed, dat is voornamelijk een kwestie van appreciatie, hij schrijft in het algemeen degelijk. Waarom dan toch een zin laten staan als ‘De vogels delen alle een onderkomen, alleen de ik en jij moeten die missen.’? Of: ‘Alle inspanningen die hij al dichtend levert, zullen vergeefs zijn en spreekt hij over…’ Of: ‘Samen maakten zij vele reizen en heel vaak verbleven zij voor korte of langere tijd in kloosters en maakten zij talloze wandelingen door de natuur vaak.’ Of, laatste voorbeeld: ‘De dagtekening van veel teksten doet de lezer realiseren, dat …’
Het zijn slordigheden die met een betere redactie gemakkelijk voorkomen hadden kunnen worden.

Het geheel van zijn essays overziende wijst Kroon zelf als zijn centrale drijfveer aan het proberen te achterhalen hoe dichters omgaan met de verbeelding van de werkelijkheid. Het is een conclusie die hij achteraf trekt, en waarvan hij in de korte inleiding vreemd genoeg beweert daar eerder zelf geen vermoeden van te hebben gehad. Gaat het daar bij het schrijven over dichters en hun poëzie dan niet altijd over?

De bundel opent met ‘De dichter en de stad’, het enige artikel dat niet aan één dichter gewijd is. In dertien bladzijden onderzoekt hij hoe vanaf de Grieken en Romeinen via ‘hebban olla vogala’, Poot, Marsman, Van Ostaijen, Slauerhoff, Bloem, Nijhoff, Achterberg, Lucebert, Kouwenaar, Warmond en Martin Veldman – wie kent hem nog? – dichters de stad wel of niet als plaats van geborgenheid zagen. De aanpak is min of meer kenmerkend voor de hele bundel: Kroon neemt grote sprongen, stelt snel weer iets nieuws aan de orde en laat vooral veel citaten spreken. Opvallend in dit vermoedelijk in 1986 geschreven stuk is dat hij besluit met een eigen gedicht. Alsof hij zichzelf een plaatst toekent in het genoemde rijtje dichters.

‘Achterberg, Hoornik, de dood’ is ook een oud artikel; het is terug te vinden in de Achterbergkroniek van november 1987. Het refereert aan een tv-uitzending van 1963 waar zeker twee nieuwe generaties geen weet meer van hebben. Wat meer informatie was op zijn plaats geweest. Ook nu een stortvloed van citaten, zowel veel losse regels die steeds behendig in het betoog gevlochten worden, als hele gedichten. Voor Kroon pleit dat hij steeds de gedichten centraal stelt en de lezer vervolgens niet al te nadrukkelijk voor de voeten loopt.

Uit dezelfde tijd zal ‘Gerrit Achterberg en Maurits Mok op de kermis’ stammen. Het is nog altijd een prima stuk, maar je vraagt je net als bij zoveel andere teksten wel af wat de urgentie er nu nog van is. En had niet even kunnen worden toegevoegd dat Mok hier dan nog wel een ‘overlevende’ is, maar in 1989 overleed?

De bespreking van de uitgave van Hans Andreus’ Verzamelde gedichten (1983) moet nog ouder zijn. Het is interessant vanwege de parallellen die Kroon aanwijst met Achterberg, maar de slotalinea’s met mededelingen over de uitvoering van het boek en de typografie van Kees Nieuwenhuizen hadden natuurlijk geschrapt moeten worden.

Tussen alle oudere teksten (de bespreking van Toon Tellegens De werkelijkheid is het enige andere echt recente stuk) valt dan ineens de bespreking van Mieke Koenens vorig jaar verschenen biografie van Ida Gerhardt op. Kroon gebruikt die als kapstok om in vogelvlucht Gerhardts leven en werk nog eens door te nemen en daaraan merk je dat hij een vaardig en vlijtig samenvatter is. Hij is lovend over Koenens werk, zij het met enige terughouding, die zich misschien laat verklaren uit het feit dat hij zelf ooit in een korte briefwisseling contact met Gerhardt heeft gehad. Dat betrof zijn essay ‘Reiziger doet Cheops’ waarin hij ‘een andere kijk op Leopold en zijn gedicht’ verwoordde, waarmee Gerhardt kon instemmen. Het is, ook geschreven in 1983, nog altijd een boeiende exercitie.

Naast het Leopoldartikel zijn er nog twee langere stukken: over de drie bij leven verschenen bundels van Vasalis en over Van Vriesland, die door Kroon als zijn leermeester wordt beschouwd. Beide goed leesbaar.

Kroon is er goed in aan de hand van citaten een samenhangend beeld van een dichterschap te geven, hij is een prima schrijver van overzichten. Vooral samenvattend is hij goed en wat hij schrijft, lijkt altijd zonder meer waar te zijn. Veel passages zouden zo hun plaats kunnen vinden in handboeken of tenminste toch in schoolboeken. Hij is zeker geen Gerbrandy, maar ik denk dat dat zijn ambitie ook niet is. In het scherp analyseren en het diep graven in de taal ligt niet zijn grootste kracht; liever kiest hij met een veelheid aan citaten voor een psychologiserende aanpak, wat met name bij Lodeizen en Mok goed uitpakt.

Blijft eerlijk gezegd de vraag wie er op deze bundeling zat te wachten. Kroon is ondanks zijn imposante oeuvre een relatief onbekende gebleven. Een noeste werker, maar zonder de brille die maakt dat je hem om hemzelf leest. Maar wie het om informatie over een dichterschap te doen is, kan uitstekend bij hem terecht.

Recensie van 'O, gouden, stralenshelle fantazie!' Bloemlezing uit de poëzie van Louis Couperus - Frans van der Linden

Illuzie is behaagziek als een vrouw

Frans van der Linden
'O, gouden, stralenshelle fantazie!' Bloemlezing uit de poëzie van Louis Couperus
Uitgever: Prominent
2015
ISBN 9789079272624
€ 19,95
196 blz.


Louis Couperus (1863-1923) leeft voort als een van onze grootste romanciers, maar hij had gedurende een groot deel van zijn literaire carrière ook de ambitie als dichter te slagen. Relatief lang voor de verschijning van zijn eerste grote romans (
Eline Vere, 1889, Noodlot, 1890) publiceerde hij lyrisch werk: Een lent van vaerzen, 1884, Orchideeën, 1886 en daartussen schreef hij nog de kinderoperette De schoone slaapster in het bosch. In 1895 verscheen als laatste bundel Williswinde, met werk van voor 1891, maar na een periode van ‘zwijgen’ die alles te maken gehad zal hebben gehad met het uitblijven van algemene erkenning – vooral van zijn generatiegenoten de Tachtigers en dan met name van Kloos, die sprak van ‘literaire trash’ – schreef en publiceerde hij vanaf 1903 in het tijdschrift Groot Nederland toch weer poëzie. Hij had zelfs het ambitieuze plan voor een episch-lyrische sonnettencyclus, Endymion, van 250 gedichten. Hij realiseerde er uiteindelijk 54.

Dat hele dichterlijke oeuvre leidde tot voor kort een verborgen bestaan. Komrij nam in zijn grote bloemlezing één gedicht van hem op, ‘Baadster’ uit Een lent van vaerzen:

BAADSTER

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen ‘t blonde hair, dat druipend-nat
Nog van den amber der violen geurde.

Hoe ‘t rozig-blond van ‘t blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaes met gouden veile omwonden.


Warren en Molegraaf kozen voor de zevende editie (2005) van Spiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst voor ‘Nachtbloesems I’, ook uit Een lent van vaerzen, terwijl hun voorganger Victor van Vriesland het vijftig jaar eerder ook al bij één gedicht liet, een van de sonnetten uit de reeks Dionysos-studiën. Bij het aantreden in 1960 van Paul Rodenko als samensteller van de bekende bloemlezing Dichters van deze tijd werd Couperus daaruit geschrapt, bijna definitief uit de tijd geplaatst dus. Wel verscheen nog in 1964 de door Marc Galle samengestelde bloemlezing Schimmen van Glans, maar die is sinds lang onvindbaar.

Als deel 24 van de PROMINENT-reeks van de Baarnse uitgeverij TIEM is nu de uitgebreide bloemlezing ‘O, gouden, stralenshelle fantazie!’ verschenen, bezorgd door Couperuskenner Frans van der Linden, die een informatieve inleiding schreef en de gekozen gedichten, waaronder vrij veel van het ongebundeld gebleven werk, vooraf laat gaan door inleidend en toelichtend commentaar.

Het feit dat het nodig is een vier bladzijden tellende woordenlijst toe te voegen, is een indicatie dat Couperus met zijn in zeker opzicht archaïsche taalgebruik inmiddels ver van ons afstaat. Hij is een ‘mooischrijver’, een estheet pur sang, maar ik denk dat eerder de sterke invloed van de klassieken en vooral de vele verwijzingen naar de Romeinse godenwereld hem voor de moderne lezer moeilijk maken. Waar hij daarmee aan de ene kant voor ons te ernstig is, kan hij in andere gedichten weer heel simpel zijn, bijna kinderlijk, zoals in het sentimentele en uiteindelijk best grappige gedicht dat Warren en Molegraaf kozen. Van der Linden selecteerde het niet.

NACHTBLOESEMS

I

In dons van wolkjens glijdt ginds
   De zilveren sikkel der maan;
Die schijnt een gondel, een bootjen,
   Dat vaart op de blauwende baan.

De wolkjens schijnen de golven,
   Witgekuifd, met luchtende tint,
En de starren zijn zoo schoone leliën
   Als niemand op aarde vindt.

Was die gondel mijn levensbootjen,
   Ik nam je, mijn lieve, er in meê,
En wij zwierven daar hoog in den hooge,
   Alleen op de onmeetlijke zee.

En had ik genoeg van je zoentjens,
   Genoeg woordjens van liefde gehoord,
Ik nam je, een, twee, drie, in mijn armen,
   En…gooide je over boord!


Duidelijk is dat Couperus ook als dichter een vakman was en als zodanig eigenlijk best eerherstel verdient. Zijn vormbeheersing is groot, de sonnetten schrijft hij schijnbaar moeiteloos, zijn taal is virtuoos, al zal het etiket ‘al te precieus’ altijd aan hem blijven kleven, zijn fantasie lijkt onuitputtelijk en als ‘verteller’ weet hij regelmatig zo te boeien dat je het gekunstelde van zijn taal voor lief neemt, ja zelfs gaat waarderen, omdat het zo authentiek is. Neem dit gedicht uit de Endymion-reeks:

XI

Toen Lysia twaalf was, is zij plots verdwenen,
En ‘k vroeg mijn ouders: ‘komt zij niet weêrom?’
Inias, dertien, op de punt der teenen,
Verdween in dicht gedrang en menschendrom.

‘k Bleef een paar dagen om mijn zusjes weenen;
Mijn ouders troostten mij, zeiden: ‘Kom, kom!’
Zij wisten wel, waar beiden waren henen.
Ik was nog heel klein, en ik was nog dom.

Voor Lysia kregen dertig ptolomeeën
Mijn ouders en zij waren heel tevreeën;
‘k Geloof, zij kregen niets voor Inias;
Die was gevlucht; zij deed haar eigen zaken;
Mijn ouders zeiden: goed zoû zij ‘t niet maken,
Omdat zij een ontaarde dochter was.


De cyclus Nachten uit 1908 zou de laatste poëzie kunnen zijn die Couperus geschreven heeft. In zijn toelichting wijst Van der Linden op het sombere karakter ervan, maar hij gaat niet in Bastets veronderstelling mee dat daaraan een depressie ten grondslag lag. De ontgoocheling waarvan sprake is, zou eerder ‘gewoon’ het literaire thema zijn van de onverenigbaarheid van droom en werkelijkheid, van waarheid en illusie. Dat is van alle tijden, en daarom is dit, hoe gedateerd ook, uiteindelijk gewoon een modern gedicht:

NACHTEN

III

Wij, armen, late’ ons weêr en weêr bedriegen;
Illuzie is behaagziek als een vrouw;
Heur sluier veegt de wolken weg tot blauw
Het Niets weêr glimlacht, en de starren liegen.

Hoop blijft verlokkend ons met liedjes wiegen;
Verdwaasde minnaars, blijven wij haar trouw;
Onze ijdle ziel bindt zich na iedre rouw
Wieken weêr aan om ‘t drogbeeld toe te vliegen.

En wreede goden achter heemlenwelf
Spelen hun gruwzaam spel, wijl we ons verbeelden,
Tot ‘t Einde toe, dat ze als hun blanke beelden

Zoo goed en schoon zijn: beelden, die wijzelv’
Eéns dachten, bootsten, beitelden, en die
Onze eigen schoonheid zijn en vroom genie.


Niemand verwacht dat poëzieminnend Nederland nu en masse naar de boekhandel rent om de bloemlezing aan te schaffen. Zo realistisch zal de uitgever ook wel zijn. Maar wie de stap wel zet, zal zich beloond zien met een heuse ontdekking. Die van de interessante, verrassend goed leesbare dichter Couperus – mits je je aan zijn taal gewonnen geeft.

***
Frans van der Linden (1940) is medewerker van het Louis Couperus Museum. Hij bezorgde eerder de Prominentdeeltjes Herinneringen van een oude vader van John Ricus Couperus (deel 1) en Hofstad van Joh. W. Broedelet (deel 7), een sleutelroman die zich in Haagse kringen afspeelt en waarin Couperus onder de naam Poepjes een belangrijke rol speelt.