December 2015

Poëzie kort

 

Nicole Teunissen, En als je dan

 En als je dan is het debuut van Nicole Teunissen. Op het eerste gezicht doet hij luchtig aan: speels, humoristisch, gevarieerd. Ze relativeert daarmee de elementen die een hoofdrol spelen: het besef van vergankelijkheid, de dood, verloren liefdes en een enkele keer een schijn van doodsverlangen. De bundel bevat gedichten en daarnaast zeer korte verhalen of, zo je wilt, prozagedichten: ze staan in een dichtbundel en daarom lees je ze in ieder geval zeer aandachtig. De dichter hanteert daarin regelmatig een vermakelijke logica waar geen speld tussen te krijgen is. Zo vertelt ze wat haar juf in haar laatste kleuterrapport schreef: “ ‘Ze kan lezen en schrijven’. Het klonk alsof ik dat niet mocht lezen, maar ook weer wel, omdat er stond dat ik dat kon en dat was ook zo, maar ze schreef het niet aan mij en dat hoefde ook niet, want ik wist het al.”

 Het gedicht ‘Ik zal nog eens ergens een punt achter zetten’ is representatief voor haar werkwijze:

Ik kwam niet meer buiten. Omdat alles troebel was,
waren komma’s kikkervisjes en het ging toch al meer
over sloten dan over wat ik besloten had.

Iemand die niet wist dat ik op een flat woonde,
deed mij een boek over vijvers cadeau.
Er stond in hoe je een natuurlijke omgeving
kon scheppen. In het drassige gebied tussen
beschermd en bedreigd voelde dat natuurlijk
heel anders.

Aan de hand van bepaalde bronnen bepaalde ik
dat niet gescheiden, niet alleen
voor land en water steeds de beste optie was,
zodat je ten slotte opnieuw kon beginnen

De titel kun je lezen als een verzuchting of een boze uitroep: ‘Ik zal nog eens een keer zo gek zijn om een eind te maken aan mijn relatie, wat een ellende.’ Of: ‘Ik zal opnieuw ergens mee stoppen.’ Of: ‘Het zal er wel eens van komen dat ik …’. Maar het kan ook een technische overweging zijn: de laatste regel van het gedicht kan misschien ook nog wel een punt gebruiken.
Ze speelt met water: tranen maken dat komma’s eruitzien als kikkervisjes, sloten zijn grote hoeveelheden tranen, er zijn vijvers en bronnen, er is drassig gebied en water.

Mooi allemaal, maar ze gaat over het randje met: ‘het ging toch al meer / over sloten dan over wat ik besloten had.’ Ze laat zich te vaak verleiden tot taalspelletjes; op een gegeven moment zijn die uitgewerkt. Een paar voorbeelden: ‘( … ) Toch is er geen grond voor / angst, wij staan erop.’ ‘ik zou vooral bang geweest zijn, ben ik bang’. En, in het gedicht met de titel ‘Spreekstaljuffrouw’, waarin een ‘jij’ besluit met de ‘ik’ mee te gaan: ‘Je hebt het hele circus je rug toegekeerd. ( … ) Ik heb je uit de tent gelokt. ( … ) ‘En je zegt: ‘Ironisch dat mijn maag / vandaag besluit om acrobaat te worden.’ ( … ) Je trekt je jas uit en zegt: ‘Ach, wij hebben allen zaagsel in ons hoofd.’ ’

Het zij haar vergeven. Teunissen heeft de beschikking over een groot taalregister, dat zij met een aanstekelijk plezier hanteert. Ik kijk uit naar haar volgende bundels.

Nicole Teunissen (2015). En als je dan. Voetnoot, 47 blz. € 16,-

 

Martín Gambarotta, Punctum

Martín Gambarotta zet in zijn bundel Punctum hoog in. De flaptekst: ‘Corruptie, economische ongelijkheid en een vuile oorlog die zo snel mogelijk moet worden vergeten: Martín Gambarotta schetst in negenendertig fragmenten een rauw beeld van het Argentinië van na de dictatuur (1976 – 1983). In deze underground-klassieker van de Argentijnse literatuur zoekt hij op de ruïnes van de geschiedenis naar een taal die het verleden recht kan doen. Punctum is een mengsel van persoonlijke herinneringen, popliedjes en politieke leuzen dat de lezer een gebroken maatschappelijke spiegel voorhoudt.’
Die fragmenten noemt hij regelmatig scènes – het lijkt alsof er een film speelt op tv, er wordt in ieder geval regelmatig naar verwezen; soms is er niets meer te zien: het scherm is ‘besneeuwd’ en de geest ook. Een tv als oog op de wereld: tot de werkelijkheid dring je nauwelijks door. Alleen een nieuwe taal biedt die mogelijkheid; in Europa zagen we dezelfde behoefte na de Eerste en Tweede Wereldoorlog. De nood is hoog:

Drooglegging
in een bezopen land. Gelatineuze
vrede in een bankroet land.
Drooglegging in een bezopen land, naast het bed
de resten, de schubben op het bord, graten
in de keel, het vlies
dat de executiemachine bedekt
die werkt in een taal zonder ruggengraat.

Hoe ziet zo’n taal er dan uit? Die moet in ieder geval vuur aanwakkeren, licht geven in de duisternis. Het bliksemt en dondert vaak in de bundel: de taal en haar effect. De dichter laat in een ironische context terloops de naam Heraclitus vallen. Vuur is bij hem de oerenergie, waaruit alles voortkomt en ook weer terugkeert. Dat is de taal die Gambarotta zoekt.
Ook het bovenstaande gedicht krijgt met Heraclitus in het achterhoofd meer betekenis: edel is het vuur, onedel het water. Een bezopen land is een nat land.

Of de dichter slaagt in zijn pogingen laat hij in het midden. Terecht: laat de lezer dat maar bepalen, the proof of the pudding is the eating. Neem die bundel tot u; u zult dan tevens ervaren hoe natuurlijk de vertaling van Bodil Kok aandoet.

 Martín Gambarotta (2015). Punctum. Vert. Bodil Kok. Uitgeverij Perdu, ca. 120 blz. € 19,95

 

 Geert Jan Beeckman, Bloedgroepen

Beeckman is een van de vele dichters die schrijven over het verglijden van de tijd. Goede poëzie kan een middel zijn om dat te overwinnen, alleen met een goed gedicht kan er iets bewaard blijven ‘dat niet sterft op papier’, ‘voor de dichter / die zijn ziel ruilt voor wat eeuwigheid.’
Maar hoe doe je dat? Je hebt er in ieder geval woorden buiten ‘de gewone zegbaarheid’ voor nodig. Dat lukt vaak niet: de taal schiet tekort, het is een gebrekkig instrument – ook een veelbeschreven thema.

Het onzegbare kun je benaderen met symboliek. Beeckman maakt het de lezers daar niet te moeilijk mee, want de belangrijkste interne – dus zelfgeschapen – symbolen die hij gebruikt legt hij uit: ‘Een huis is een geheel van een mens / opgevat als wonen is de inboedel / van een oog een eigen dak boven het hoofd.’ Ook symboolwoorden als, ‘huid’ en ‘sneeuw’ en ‘straat’ – eenrichtingsverkeer met aan het einde de dood – zijn makkelijk op te maken uit het zinsverband. Hij gebruikt die symbolen echter zo vaak, dat ze hun werking verliezen en soms zelfs irritatie opwekken.
Datzelfde geldt voor het weglaten van leestekens zoals in het bovenstaande citaat. Dat is functioneel als een zin of strofe daardoor meerdere betekenissen krijgt of als de aandacht naar de taal zelf wordt getrokken – in verschillende gedichten gebeurt dat ook. In het bovenstaande citaat levert het echter alleen wat puzzelen op, een toegevoegde waarde heeft het niet. Dat gebeurt te vaak.
Daarnaast gebruikt Beeckman soms eigenaardige beelden: ‘En kijk je goed wij hebben de jaren / tot waar wij dan zijn met de ingang / van een deur die groeit uit ons lijf.’ Een ingang die uit je lijf groeit?

Jammer allemaal, want sommige gedichten zijn de moeite waard, zoals dat voor de schilder Schiele. Helaas zijn ze in de minderheid.

 ‘Endraum

 Voor Egon Schiele

Het is de vraag waar de ogen
de stem en het hart naartoe gaan
maar toch vooral de ogen

die blijven nauwer als iemand verdwijnt.
Het geloof zegt aan wit word je gelijk
het raam werpt zich van de overkant
en het wordt zo koud dat alle warmte afvalt.

Daar lig je dan zo oud als de stilte zelf
en soms of het lijkt dat er vol dood
nog gekeken wordt.’

 Geert Jan Beeckman (2015). Bloedgroepen. Uitgeverij P, 61 blz. € 16, –

 

Peter M. van der Linden, Brommers zongen onder spijkergoed

Het voorplat van de bundel Brommers zongen onder spijkergoed doet sterk denken aan de stoere, iconische foto op het voorplat van de ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer: Cremer zit op een Harley Davidson met pet, motorbril, leren handschoenen en het juiste spijkerjack (dat luistert heel nauw), Van der Linden op een wat lullige buikschuiver zonder Cremers attributen en in een spijkerjack van onduidelijke herkomst. Van der Linden is niet gespeend van zelfspot en dat pleit voor hem.
Hij noemt zich de officieuze stadsdichter van Dordrecht en doet daarmee denken aan die andere dichter met een officieuze functie: Jules Deelder, nachtburgemeester van Rotterdam. Ook hun passie voor voetbal delen zij: respectievelijk voor Sparta en F.C. Dordrecht.
Met die verwijzingen is niets mis, zolang je jezelf maar niet te serieus neemt en dat doet Van der Linden niet. De verwantschap met Cremer zie je in zijn bravoure en vrouwenverhalen. Een zweem van Deelders absurdisme ontbreekt ook niet: in ‘Kalm worden’ voert de dichter vogels, nodigt hij een mooi meisje uit en, om indruk op haar te maken, roept hij: ‘kijk knapperd al die dieren zijn mijn vrienden! // kijk daar vliegt Pietje de schele meeuw!’ Het meisje kan gevaarlijk zijn, niet alleen voor de vogels, maar ook voor de dichter. Ze heeft iets van een kat: ‘mocht het meisje een gevaarlijke gek met groene ogen zijn / die het op je hart heeft voorzien dan moet je schreeuwen // dat je Elvis zag drijven met een dooie paling in zijn bek / als ze dan nog blijft staan, dan is zij de ware.’
Ondanks de humor, het aantrekkelijke vitalisme en de variatie in de vorm is Brommers zongen onder spijkergoed geen sterke bundel. Er komen teveel zinnen in voor waarin hij het zich verstechnisch wel erg makkelijk maakt: ‘Op de ranke bank schreeuwt de licht getinte sprinter’ of: ‘Dordrecht heeft van verre een sterk kenmerk / en dat is natuurlijk de ongelooflijk Grote Kerk’. Dat is Sinterklaaspoëzie, hoe lollig ook bedoeld. En soms bestaat zijn humor uit hopeloze woordspelletjes. In een eerbetoon aan Buddingh’ – qua opzet heel aardig – geeft hij drie pagina’s lang mogelijkheden om de naam van Buddingh’ te behouden. Je zou die bijvoorbeeld kunnen verbinden aan ‘een But-dingh’ / dit is geen But-dingh’ dit is een Puddingh’ ’. Maar Van der Linden is ook een gewaardeerd slammer; op een podium komt dit soort poëzie waarschijnlijk beter tot zijn recht.

Ondanks de tekortkomingen is de bundel niet vervelend. Van der Linden mag dan de officieuze stadsdichter van Dordrecht zijn, maar hij stijgt wel boven zijn stad uit, waardoor de bundel ook in Leeuwarden, Maastricht of Antwerpen kan worden gelezen. Dat is een pluspunt.

Peter M. van der Linden (2015). Brommers zongen onder spijkergoed. Liverse, 78 blz. € 21,95

Gedichten

dordrecht

vroeger vond ik dat een geheimzinnige stad
met het r.k ziekenhuis en poorten eromheen
waar ik met moeder en de pont aankwam
vanuit zwijndrecht als ik ziek was aan mijn oren

ik fietste in die tijd ook wel eens naar r.c.d
met mijn voetbalvriendjes van vv. zwijndrecht d3
en meerdere malen naar dfc waar we tot de c1
kansloos van de mat werden getikt

als puber leerde ik flipperen als tommy
in de muizenval drinken in het dolhuys
en geniepig klaverjassen in vissers
zaken die ik nog steeds goed beheers

later ging ik er ook maar wonen en leerde
de muzikanten en de geveltjes kennen
en hoe mooi die geveltjes ook zijn
je hebt er ‘s nachts niks aan

maar het is al snel boeiender dan zwijndrecht
waar nu alleen nog mijn vergeetachtige moeder
rondloopt tussen de vergetenen en verder
de school staat daar niet meer, niet het huis
niet meer de ruimte achter de perenbomen
de tuinderijen langs de rotterdamseweg

ik heb er weinig meer van zwijndrecht te vinden
in dordt ligt altijd nog te wachten
in van alles ben ik inmiddels opgenomen
als een fragment in haar legpuzzel
van monumenten, water en sfeer

het is de sfeer die bij mijn lopen past
en het licht dat hier schijnt blijkt anders
maar dat zag ik ook pas na vele schoenen
goed kijken is lang stilstaan

hoe dordt je ook stilzet in de tijd
het blijft wiebelen tussen stad en dorp
net iets te iel voor rock-‘n-roll

dit eiland is tokkeltje blues door klassiek
met een gezicht veel knapper dan zijn volk
het volk dat verknocht is aan het hof
waar holland werd geboren, aan scheffer
en de grote kerk met zijn scheve nek

en zo werd ik ook dordts volk
een beetje verkneukeld kan ik er thuiskomen
wetend dat het er weer hetzelfde werd
na een stedentrip of een wereldreis
is het de kunst de voorstraat-kitsch te mijden
een lichtvoetig laveren te verkiezen

vanaf de grote kerk de nieuwe haven
van de hondjes en de jachten volgen
de kuipershaven door
de damiatenbrug voorbij
een bankje pikken om twee uur ‘s nachts,
op de gevoelige plek
waar dordt de blues herbergt

in slome duwbak op rood kadelicht
witte plukken nachtmeeuw
bij wonderwolken op drie rauwe rivier
is er altijd wel een solo bij bankje vier
over soms gelukkig in het grote niets
als sterren in het groothoofd wateren


kunstenmakers

mijn eerste wannabe-meester was de
che-guevara -look-a-like kunstschilder
die zich begin jaren negentig
door de bulgaarse maffia een raambruidje
plus drugssmokkelroute in zijn maag liet splitsen
hij stierf als een rugloze mug
in zijn eigen jeroen bosch-schilderij

ik ontmoette de collega-dichter
met het absolute zwart in zijn ogen
zijn favoriete boek was de wolk in broek
van Majakovski met de M van
mysterieus uit het alfabet van morfine

er is nog immer de collega-dichter
die spermavlekken op zijn wiebelend voordraagpapier
wegmoffelt met kruidenbotersmoezen
de dichter die de ene na de andere slam wint
slam betekent een wedstrijdje
matige poëzie voordragen voor juryleden
die naar biefstuk ruiken

er was de sloveense straatclown
die workshops hoge fietsen bouwen gaf
in mistige kraakpanden
die met een éénsnarig instrument
het trillingsgetal van de maan wilde kopiëren
en met een hagelnieuw kunstgebit
in een katachtige tumor verdween

er was de stadsdichter met de hoepelrug
die al het onheil en gepeupel overleefde
tot een kleine foute diagnose
zijn favoriete zinnen staan
boven briefhoofden op vuilnisauto’s en in tunnels

er is nog immer de slissende college-dichteres
met de grote oren en assepoestergedachten
die tegenwoordig ieder gedicht begint met er was

er was een man op het dak
er was een dakpan in haar gleuf
er zat een dakpan in haar gleuf klem
en er kwam dan een hele gedachte omheen

en er was dan- dat haar zoveelste vriend
haar nog zo gewaarschuwd had
voor het woord dakpan
en dat zij oester had verstaan
en dat was dan leuk om op te schrijven
dat het echt niet over haar mossel ging
maar om de gedachte van de oester

en dat haar zoveelste vriend dan zei:
ja zo kun je wel alles leuk maken,
je pakt een lelijke kerk
je pist er tegenaan,
hopt weg met een skippybal,
je laat het filmen door een meisje
met het syndroom van down,
je laat er een autist muziek bij maken,
je noemt je film oestrogeennn
en je schrijft daar weer een wazig gedicht over

er was de new-age heks met de kerngezonde mossel
die mij vertelde dat ik een geboren performer was
en dat ik in een kanarie-geel maat-pak
overal mee weg kan komen

er was de twee meter lange dichteres
met vliegende-schotel-ogen en ooievaars-poten
die mij vertelde dat ik een geboren minnaar was
en dat ik ook in een groene string
overal mee weg kan komen

er was de oldskool poetryslammer die jezus herontdekte

er was de snuivende dichter met de sportbakfiets

er was de boerendichter die de regen aantrok

er was de duitse nicht met
droge kamelen in zijn verlopen paspoortgezicht

er was de nachtman die jazz at die jazz had
die jazz las die jazz was die jazz schreef die jazz bleef

er was de manke woorddanser
met de alliteratiemitralleur

er was de dichteres met de tele-tubbie-poezie
er was de dichter die leder was of was hij skai!?

er was de pijprokende dichter met 94 versies
van het lingo-gedicht w-o-o-r-d /woord/

er was en waren er meer en meer als er was
wiebelend op het woordenkoord

ik snurkte ellen ten damme ooit eens uit een hotelbed
maar waar en hoe en met wie ik dan ook sliep
en hoeveel kunst mij dan ook schiep
vooral dichters verbaasden mij ooit met hun portret


alt

sinds mijn moeder over een altzheimer beschikt
draagt ze voortdurend korte gedichten voor
in de steriele gangen van het verzorgingstehuis
en zij draagt wel altijd nieuw werk voor uit haar hoofd

maar moeder kent een ondankbaar publiek
de buren schudden voornamelijk hoofden
in de iets te vriendelijk gekleurde huiskamer

de buurman die vroeger de slager was
is nu 60 kilo ribkarbonade naast het reuzenaquarium

ene zuster zet nog eens een andré van duin
daarna zet andere zuster altijd andré sonneveld

de verwarming staat op zomers, op dertig
de slager zal nooit meer een onsje meer zijn

er zijn mensen die de koran
uit het hoofd kennen ook al zijn ze dement
er zijn mensen die ac/dc zien
als hun grootste hersenput
stel je voor, de hersenen als put

een galmbak met kilometers stroomkabels
tussen zielvezeltjes in een sponsachtig lichaam
dat hele dagen vragen oproept

het is een dansende emmer eigenlijk
een mensenhoofd is lastig gevuld

wie het minste morst heeft de meeste inhoud
zeven miljard dansende emmers
één op zeven is zondagskind

en dan zijn er nog de mannen met kruizenmutsen
die met opgetrokken jurken en pornografisch bestuurbare vingers in smoezelige biechtrooms

zoemende vette hommels met hun vette poten
in vette aarzen van vette boterbloemen vet
en plastic dag-pauw-oog-vlinders aan de muur
van het quick fit bedrijfs restaurant -vet-
maar het leven is de poster boven je bed

een poster van michael jackson
boven het bed van Benno. L

en peter is niet vet
en tevreden met de zon
hij ziet de sterren juichen
in een grote magietron

peter heeft een poster
van een meerkoet boven zijn bed

and bambi @ peter’s
screensaver is still alive!
en het is toch zomaar zendag vandaag
michael jackson is alweer dood
en allah zegt: calimero is groot

en james brown zei:
ac/dc is zo geil als je het zingt in je blootje

er zijn mensen die zich vrijwillig laten koeioneren
omdat het veiliger is om als slachtoffer te leven
omdat een beetje aandacht nu eenmaal
de mensen bevestigt in hun bestaan

moeder moest niks van ac/dc
moeder was altijd gek van schlagers

en nu zit ze weer bij het reuzenaquarium
magistrale gedichten voor te dragen
niemand smijt hier tomaten
iemand gooit er een kwartje in

die buurman die vroeger tuinder was brabbelt
schei nou eens uit met dat gebit mens!
schei nou eens uit met dat gebit

en wat denkt u verder buurman?
gaat u vandaag nog de wc mishandelen
wie maakt die krassen in de blauwe lucht

ja die foto dat ben ik ook moeder
kom nou maar hier met dat gebit
andré sonneveld komt zodadelijk weer zingen
en dan woont het dorp weer in je huis

daar zitten drie kinderen uit je klas
alle ruiten ruiken hier naar unox

dus we zijn er nog moeder, nog thuis, moeder
we zijn nog thuis

Uit: Zendag, 2009, Uitgeverij De Contrabas

NB: Het gedicht ‘alt’ is een slamversie van het oorspronkelijke gedicht ‘vergeten’ uit de bundel Zendag