Recensie van Acedia - Erik Lindner

Dezelfde werkelijkheid / anders

Erik Lindner
Acedia
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023487685
€ 19,90
120 blz.


Acedia
is een keuze uit de gedichten van Erik Lindner en bevat ook een aantal nieuwe. De bundel (uit 2014 en tot nu toe ten onrechte vrijwel onbesproken) toont opnieuw aan dat Lindner een belangrijk dichter is. Taal schiet voor hem tekort: ‘Woorden zijn doof. Stom is hun horen / terwijl onderweg de samenhang ineenvalt’. Veel dichters hebben zich daarover al gebogen, maar het gaat er natuurlijk om wat Lindner ermee doet en dat is niet gering.

Taal legt een raster over de werkelijkheid. We beschrijven onze waarnemingen op een voor ons logische manier, gericht op samenhang. Chronologie en causaliteit spelen daarin een belangrijke rol, maar we veronderstellen die zonder voorbehoud en dat ontneemt ons het zicht op de werkelijkheid.  Lindner ontregelt deze automatismen en construeert andere verbanden, zoals gelijkschakeling, parallellen en geometrische figuren. Hij doet denken aan Polet: ‘Niet een andere werkelijkheid, maar dezelfde werkelijkheid / anders.’ Bij Polet gaat het echter om nieuwe taalverbanden als middel tot anti-kapitalistische bewustwording. Lindner blijft daar verre van: hij verkent de mogelijkheden en grenzen van de waarneming op zich.

Er is verschillende malen gewezen op de overeenkomst van Lindners poëzie en filmkunst. Daar zit wat in. Soms doen gedichten in de rangschikking van de strofes denken aan een documentaire, of liever: een stomme film. In zijn montage schakelt hij beelden vaak gelijk, waardoor er geen sprake is van een tijdsverloop tussen de beelden. In het citybook Charleroi geeft hij onder andere een opsomming van beelden van deze stad die mooi is van lelijkheid: ‘De autobussen, de frietkotten, de karaokebars, de periferie, de patrouillerende politie, houten balkonweringen, les traiteurs chinois, de werkzaamheden, de renovaties, de dichtgetimmerde ramen, de witgeverfde etalages, de steenkoolbergen (… )’

Soms doet hij in zijn montage denken aan Eisenstein die  onderling afwijkende camerastandpunten achter elkaar monteerde, zoals kikker- en vogelperspectief, ooghoogte, veraf en dichtbij – zie bijvoorbeeld de legendarische trappenscène in ‘Pantserkruiser Potjomkin’, die in zijn tijd gold als experimenteel.  Lindner doet het bijvoorbeeld zo: 

geblaf bij de woonboten
kettingen slepen door het grind
 
een regelmatige radslag
hoog in de lucht
 
regenwater staat op het dak
van de vrachtwagen
 
(In: ‘Getuigen op de drempel’, 1) 

De waarnemer is in dit soort gedichten onzichtbaar, personen worden uitsluitend van buitenaf beschreven. Dat veroorzaakt in eerste instantie afstand, vervreemding. Maar het is de dichter die selecteert, monteert en van klank en ritme voorziet. Hij doet daarmee denken aan Flaubert, die vond dat in een goede roman de schrijver als een god boven zijn verhaal moet zweven, nergens zichtbaar, maar overal voelbaar. In gedicht 7 van Charleroi beschrijft Lindner de eindeloze voorsteden met ‘Kerktorens, / elektriciteitspalen, zendmasten / die boven de heuvel uitsteken’, met in de volgende twee strofen de mooie regels: ‘Een rij kleine huizen voor een rij hoge bomen./ Een rij kleine huizen voor de spoorbaan.  // Een paard dat op zijn rug kronkelt, richt zich op / als iemand aan komt lopen.’

Ook met gerommel in de chronologie ontregelt hij automatismen in onze waarneming. Hij heeft zijn gedichten geordend op een manier die voor bloemlezingen ongebruikelijk is: van jong naar oud in plaats van andersom, maar ook die presentatie onderbreekt hij: Charleroi zou op een andere plaats moeten staan.

Als je niet direct naar de verantwoording kijkt (en als je dat wel doet moet je het geconcentreerd doen) komt de volgorde van cycli en losse gedichten over Acedia verwarrend over: ‘Terug naar Acedia’, ‘Acedia II’, ‘Acedia I’, ‘Een lifter naar Acedia’, ‘Naar Acedia’, ‘Terug uit Acedia’,  ‘In Acedia’. Dat zie je ook in afzonderlijke gedichten. Gedicht 3 uit ‘Terug uit Acadia’ bestaat uit een reeks gebeurtenissen, maar de verwachting daarom van doen te hebben met een verhalend gedicht – dus samenhangend – komt niet uit: hij verwisselt een paar strofen.

nadat ze de motor start

een voorwiel van de stoep af rijdt
wrijft ze mascara uit over haar ooglid
 
aan de overkant spuit een jongen
met een tuinslang naar een brommer
water loopt in golfjes over straat
 
een meisje dat touwtje wil springen
komt met te gespreide voeten neer
 
een vrouw houdt een parkeerplaats bezet
en zwaait naar de auto’s die passeren
 
ze legt een landkaart op het dashboard
ze draait de spiegel terug en geeft gas.

 ‘Acedia’ komt regelmatig voor in de bundel. Je kunt de term verbinden met de laatste van de zeven hoofdzonden: gemakzucht, luiheid, traagheid. Van gemakzucht of luiheid is geen sprake, wel van traagheid, gecombineerd met vertwijfeling en de wetenschap dat stoppen geen optie is:

Je zou nooit moeten spreken.
Niet meer verbluffen met retoriek.
De traagheid niet verbloemen,
de vluchtigheid te lijf gaan.
 
Ik kan je niet meer stoppen.
Je kan me niet meer stoppen.
We gaan met nagelvijl en bestek
een boom omkappen.

 Voor het christendom zich de term had toegeëigend, had Acadia een connotatie van melancholie en die vind je in deze bundel ook terug: een onvermijdelijk gevolg van de ontoereikendheid van taal, lijkt me. Je kunt de titel daarom ook associëren met een verlangen naar het utopische Arcadië, waarin woorden niet meer doof zijn. De beschreven wereld komt bovendien soms sinister en onherbergzaam over, maar dreiging is nooit ondubbelzinnig. Een voorbeeld: 

de bal die op het spoor stuitte
houdt het meisje in haar handen terwijl ze kijkt
 
( … )
 
een vrouw met een hand op haar schoudervulling
uit de tunnel klinkt de hoefslag van de trein.

 Je zou deze strofen met elkaar in verband kunnen brengen, maar dat hoeft in dit gedicht niet per se. En staat dat meisje wel op het spoor? In eerste instantie denk je dat zij de bal van het spoor heeft gepakt en daar nog staat. Maar ze kan inmiddels ook weer elders staan: tussen de verleden tijd ‘stuitte’ en tegenwoordige tijd ‘houdt’ kan enig tijdsverloop zitten. Je komt er niet achter, maar de gedachte aan dreigend onheil is in ieder geval gewekt.

Antwoorden krijg je niet in deze bundel, maar daar is het ook niet om te doen. De vragen zijn veel interessanter. ‘Wie wat vindt, heeft slecht gezocht’, luidt de aantrekkelijke titel van de derde bundel van Kopland. Het kost tijd om in Lindners wereld door te dringen en van zijn experimenten moet je houden, maar dat Acedia een goede bundel is, staat buiten kijf. Het nadenken over de bundel stopt niet na de lezing ervan.

Gedichten

De zee is paars bij Piraeus.

Een vlag kruipt uit de klokkentoren
als de wind draait.

Een man stapt over een hond.
Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

Op een smalle tak zit een duif
die erafvalt, fladdert en opnieuw gaat zitten
de bes die te ver op het uiteinde van de twijg zit
de tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.

Een meisje stapt in de metro met een bureaula.

Op het dikke zand aan de branding
schuift een visser horizontaal zijn hengel uit
een fiets staat naast hem op de standaard.

Hij staat wijdbeens alsof hij plast.
Vogelpootafdrukken in het zand.
De hengel kromt boven de zee.
 

In de storm van zo straks
raakt de weg onbegaanbaar

versperringen sluiten achter ons
mistlichten dimmen voor ons

een klein dakraam links
op de hoogte van de dijk

de figuur die daar zit
tikt met een vingerhoed op tafel

het kind draait in zijn slaap
de televisie speelt geluidloos

de hoek van de brandtrap
in het achterraam

ze legt de krant in de mand
steunt op de rugleuning

telt de tegels tot aan de mat
de kurkstrip tegen de deurpost

zingt binnensmonds
valt een gat in de sneeuw.
 

Als ik naar zee loop
kan ik twee kanten op

– uiteinden van een regel
leest ze langs haar wijsvinger mee
zie je, er staat best wel wat er staat

twee vingers en een duim strijken
als ik naar zee loop

het bergje in de handpalm
vingertoppen die korrels afnemen
het net aangebraden vlees insmeren

ik moet het in de hand houden
als het uit een potje komt
kan ik het niet voelen

wijst ze de leesrichting
prikt in het vlees

als ik naar zee loop
kan ik twee kanten op
strijken mijn vingers

zeef ik de zee.
 

Erik Lindner:

'Een gedicht maken kan niet altijd'

 

Erik Lindner debuteerde in 1996 met de dichtbundel Tramontane bij uitgeverij Perdu. Zijn tweede bundel Tong en trede verscheen bij De Bezige Bij. Samen met Henk Pröpper stelde hij in 2003 een bloemlezing samen met Nederlandse dichters in Franse vertaling, Le verre est un liquide lent; 33 poètes néerlandais. In november 2004 verscheen de bundel Tafel. Voor deze bundel werd hij genomineerd voor de Hugues C. Pernathprijs. In 2007 verscheen de Franstalige bundel Terrain. Momenteel is hij recensent voor De Groene Amsterdammer en werkt hij aan een nieuwe dichtbundel.

Foto: Ruth Verraes

Hyperalertheid
Hoe het schrijven van gedichten bij hem in zijn werk gaat, daarover vertelt Erik Lindner: ‘Het verschilt per gedicht. Met series kan ik maandenlang bezig zijn. Het begint vaak met registraties, aantekeningen, die als ze een beetje dwingend zijn tot meer regels leiden. Sommige van die regels blijven als ik ze genoteerd heb in mijn kop hangen. Het ritme van het gedicht kan in die ene regel samengevat zijn. Ik heb een tijdje reisbrieven geschreven: stukjes over een stad in het buitenland waar ik was en die ik dan voor de radio doorbelde. Toen ik laatst opnieuw op reis ging en die mogelijkheid bij de radio er niet meer was, merkte ik hoe het voelde om terug te gaan naar het schrijven van een gedicht. Het betekende minder registreren, minder noteren en ook met die notities veel kritischer en zuiniger omspringen. Uitdunnen van teksten, zogezegd. En de klank van de woorden gaat daarbij natuurlijk sterker een rol spelen dan in een reisbrief.’ Als hij een gedicht schrijft wil Erik Lindner gewoon alleen maar een goed gedicht te maken. ‘Van een gedicht schrijven krijg ik energie. Terwijl juist het schrijven van gedichten, als het lukt, een zeer geconcentreerde bezigheid is. Alleen door die concentratie kan ik kiezen welke regels ik wil hebben. Ik verwerp erg veel wat ik verzin. De combinatie van klank, van ritme, van beelden die de woorden samen kunnen genereren – wat altijd mede afhankelijk raakt van de lezer – moet uiteindelijk bepalen wat goed is. Het lijkt soms een hyperalertheid, een bewustheid van de andere woorden in dat gedicht en hun implicaties bij het toevoegen van een regel, of het veranderen van een woord. En die alertheid heb ik maar soms. Een gedicht maken kan niet altijd’, vertelt Lindner.

Rare situatie
Erik Lindner heeft een speciale band met Frankrijk. Zo is er al een bundel van hem in Frankrijk verschenen en verzorgde hij een bloemlezing van Nederlandstalige dichters in het Frans. ‘Ik ben naar Frankrijk gegaan toen ik wegliep van school, op mijn vijftiende. Ik ben later twee jaar in Parijs gaan wonen en heb daar vijf jaar als vrijwilliger literaire avonden georganiseerd in het Institut Néerlandais. Op die avonden lazen, niet altijd maar meestal, zowel Franse als Nederlandse dichters voor. Soms zat er een publiek van Nederlandse expats, andere keren een volle zaal met jongere Fransen die naar poëzie wilden luisteren. Ik heb in die vijf jaar 33 Nederlandse dichters naar Frankrijk gehaald, ze er laten voorlezen en wat van hun werk laten vertalen, dat ik met een overheadprojector op de muur projecteerde. Van die vertalingen zijn er een redelijk aantal verschenen in Franse tijdschriften en bloemlezingen.’ Het heeft zelfs tot een uitzonderlijke situatie geleid. Toen hij ophield met het organiseren van deze literaire avonden, in 2004, mocht hij drie maanden in het Centre International de Poésie Marseille verblijven, mits hij na afloop een manuscript inleverde dat vertaald werd. ‘Dat is mijn eerste eigen Franse boek geworden, Terrain, dat uiteindelijk vorig jaar verscheen, met gedichten uit mijn laatste bundel en gedichten uit mijn komende bundel. Zo zit ik in de rare situatie dat een deel van mijn werk eerder in vertaling is verschenen dan in het origineel’, vertelt Lindner.

Poëzie is niet alleen taal
Er zijn verschillen tussen Nederlandse en Franse poëzie merkt Lindner op: ‘Poëzie is niet alleen de taal waarin die geschreven is, het heeft ook te maken met de traditie van de literatuur ter plekke, ook als de dichter zich daarvan afkeert. Franse bundels zijn veel dikker, en er zijn hele colonnes die elke witregel en afbreking in een gedicht wantrouwen, omdat die artificieel zou zijn. Dat heeft met allerlei dingen te maken die hier te ver voeren, zoals de melodie en de structuur van de Franse taal op zich.’
Dit is ook merkbaar bij de vertaling van zijn eigen gedichten. De gedichten in het Frans zijn iets strakker en daarmee mogelijk ook iets vlakker. ‘Ik bedoel dat niet negatief: ingetogener misschien, minder lyrisch. De vertaler Éric Suchère is een kunstcriticus, hij schrijft ondermeer voor Art presse. Hij gaat op zich van de beelden uit, niet zozeer van de taal. De andere vertaler, Kim Andringa, die volstrekt tweetalig is, doet dat juist weer wel. Belangrijk is dat uiteindelijk de Franse dichter, Éric, mij van haver tot gort kent. En dat hij ook nog de bescheidenheid opbrengt zich door een technische vertaler te laten corrigeren. Met een vertaling schrijf je je ook een andere literatuur in, en die is anders in Frankrijk dan hier. Hoe Kim en Éric daar voor Frankrijk acceptabele poëzie van maken, en toch trouw genoeg blijven aan het origineel, dat is knap’, verklaart Erik Lindner.

Terrein
Momenteel is hij bezig met een nieuwe bundel met de titel Terrein.
‘Elke bundel is een ander project. Ik denk wel dat het registrerend perspectief van mijn vorige bundel Tafel onverminderd terug zal keren in de gedichten, maar wat losser, en ook weer wat woordrijker, iets minder minimalistisch. En met Terrein ga ik naar buiten, net als mijn debuut Tramontane, terwijl Tong en trede en Tafel verstild waren. Er mag wel weer iets meer zwier in, ik mag me toch ondanks dat constante schrappen gewoon wel eens wat meer laten gaan. Toen ik net begon als criticus, afgelopen oktober, las ik voor bij Dichter in huis in Gent. Ik maakte vijf sets van telkens andere gedichten, wat net ging met drie bundels en nieuw werk. En op een gegeven moment luisterde de criticus die ik net geworden was, naar mijn eigen gedichten. En toen hoorde ik op welke punten ik iets niet goed deed. En op dat moment wist ik: ik kan weer door, ik kan iets anders doen dan wat ik deed.’

Ik kan niet alles bespreken wat ik zou willen
Erik Lindner is behalve dichter ook recensent. Hij schrijft sinds enige tijd recensies voor De Groene Amsterdammer. ‘Ik wil recensies maken die een bundel recht doen, in de zin dat ik de lezer informeer over waar de bundel uit bestaat, en niet met mijn kritiek de bundel voorbij hol. Dat is niet altijd makkelijk, want ik vind niet alles even goed. Ik wil proberen iets in de bundel te vinden wat ik goed vind en wat ik niet goed vind en dat beiden uit te schrijven. Daarbij is er bij De Groene de ruimte om wekelijks een bundel te bespreken. Dat betekent dat we niet hoeven te wachten op wie genomineerd is voor de debuutprijs of een andere prijs, dat we zelf kunnen kiezen wat we bespreken. En dan nog is die ruimte beperkt: er zijn wel eens themanummers of andere dingen die zorgen dat er net die week geen poëzierecensie is. Ik kan niet alles bespreken wat ik zou willen.’ Hij wil ook aandacht voor de bundel als geheel, als een door de auteur samengesteld boek. ‘Met voordrachten, festivals, bloemlezingen, komt er veel accent te liggen op het losse gedicht. Juist een bundeling gedichten geeft een achtergrond en meerwaarde aan een gedicht’, vindt Lindner.
Door zijn werk als recensent heeft hij ook een aardig beeld van dichtbundels, die in het Nederlandse taalgebied verschijnen. Hij vertelt wat hem opvalt aan de bundels die verschijnen: ‘Er is meer mogelijk dan voorheen, vermoed ik. Er is een grote variatie. Maar ik denk dat de drempel wat lager is komen te liggen. Er verschijnt heel veel. Daar zitten bijzondere bundels tussen en ook veel minder werk.’ Lindner ziet ook dat er een verschil is tussen Vlaamse en Nederlandse poezie. ‘De Vlaamse poëzie is net weer anders dan de Nederlandse, algemeen gesproken. En ik vind juist dat verschillende van die Vlaamse poëzie een verrijking, en dat zeg ik nadrukkelijk als criticus die al die bundels voorbij ziet komen.’