Recensie van Man met hoed - Lieke Marsman

Tragikomisch wildfilosoferen

Lieke Marsman
Man met hoed
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450892
€ 24,99
192 blz.

In Man met hoed zijn de eerste twee bundels van Lieke Marsman bijeengebracht: Wat ik mijzelf graag voorhoud en De eerste letter. Deze worden bovendien aangevuld met vroeg en minder vroeg werk, en met enkele vertalingen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de grootse entree die Marsman met haar veelom gelauwerde debuut maakte in 2010, door persoonlijke omstandigheden heb gemist. Nu, gelukkig, is daar Man met hoed, een mooie dikke verzamelbundel met harde kaft, om de schade in te halen.

En ja, nu ben ik ook in de ban. Ik bewonder Marsman, die ik sindsdien liever maar meteen tutoyeer en Lieke noem.  In plaats van een recensie wil ik een brief aan haar schrijven beginnend met Lieve Lieke. Het kan geen toeval zijn dat Lieke en like maar één letter van elkaar verschillen. Bijna lig ik er wakker van, of misschien lig ik echt wakker, me afvragend wat het precies is dat mij en vele anderen aan haar lippen doet hangen. Misschien vond ik net een antwoord toen ik zojuist gedachteloos  mijn routinerondjes over het internet surfde. Het besef kwam dat ik niet goed ademhaalde. Daarna ging ik in Man met hoed zitten lezen en ontspande mijn ademhaling zich. Blijkbaar valt er bij het lezen van deze gedichten een hele last van me af.
Ik roep mezelf tot de orde om toch maar een gewone recensie te schrijven, om nader licht te werpen op wat ze nou zo goed doet.

Hoewel de dichteres allerlei thema’s aansnijdt die stof tot nadenken (en navoelen) brengen, zorgt ze er eerst voor dat haar lezer met haar op één lijn komt zitten. Daarna komt ze met gedachtenladders, die kunnen alle kanten op maar beloven hoe dan ook diepgang én amusement. In een enkele zin kan Marsman ogenschijnlijke contradicties verenigen, zoals bijvoorbeeld kwetsbaar en cool. Neem nou bijvoorbeeld de zinnen uit nummer 4 van het titelgedicht van de eerste afdeling, gewijd aan ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ :

Gister bakte ik twee eieren voor mezelf
en gooide de dooiers weg. Ik wilde een gezond persoon zijn.

Ik kwam iemand tegen die zei dat ze in de krant stond.
ik wilde weten waarom, maar eerst wilde ik warme handen.

Kijk, het geschreven ‘ik’ bakte gisteren twee eieren. Dit is iets heel alledaags, dit doen we (bijna) allemaal weleens en daarom zit ik al snel op dezelfde lijn, bijvoorbeeld die van de keukentafel of het aanrecht. Ik kan toekijken hoe ze die dooiers weggooit en ze legt me uit waarom ze dat doet. ‘Ik wilde een gezond persoon zijn.’ De gedachtenladders zijn inmiddels uitgeklapt en ik ben scherp bij de les, omdat ik hier meteen al check dat ik hier  te maken heb met een gelaagde, nadenkende stem. Dit fragment geeft wonderbaarlijk kernachtig weer hoe moeilijk het in deze tijd is om ergens zwart-wit voor te gaan, vanwege de overvloed aan informatie die ons onder andere via de media van alle kanten overspoelt. Het bevredigen van behoeftes naar de behoeftepiramide van Maslow verloopt niet vanzelfsprekend linear. Zo is het mogelijk in een gedicht van Marsman, dat wie probeert in een basisbehoefte te voorzien onderbroken wordt door het gedeelte van het ‘ik’ dat met zelfontplooiing en ethiek bezig is, zoals in de constatering dat het eiergeel blijkbaar niet gezond is. Het klassieke gedachtengoed van de piramide is dat de behoefte naar zelfontplooing pas ontstaat als de ‘lagere’ behoeftes al vervult zijn.

In de tweede strofe gebeurt iets soortgelijks. Warme handen willen hebben is een basisbehoefte die onvervuld afleidt van het vermogen sociaal te kunnen reageren. Zo’n hoofd dat soms als onderdaan van het lichaam, dan weer omgekeerd, dat van de hak op de tak springt, kennen we. Ik word geraakt omdat het zo echt is, zo navolgbaar herkenbaar en toch zo eigenzinnig. Nog nooit was de piramide van Maslow zo schrijnend in het kleine. Want het is niet te vangen, het gaat maar door dat leven, tot het stopt maar ook daarvóór valt er vaak zo weinig te veranderen. 

Een andere rode draad is dat Lieke Marsman al filosoferend speelt met verschillende bewustzijnsniveaus, soms bijna als een stand-up comedian. Zo lijkt de schrijfster zich in de volgende zinnen bewust van het effect dat ze graag op haar lezers of toehoorders zou willen bereiken: ‘Om nonchalant over te komen wilde ik het die avond hebben / over vrienden en wat dies meer zij’.

Er zelf al bij zeggen nonchalant over te willen komen is natuurlijk alles behalve nonchalant. Die zelfspot werkt op de lachspieren en is eveneens een verwelkomende manier om een gedicht te beginnen. ‘Wat dies meer zij is een kloeke manier om te laten zien / dat je best je archaïsche trukendoos beheerst.’ Met deze zin geeft de schrijfster een scherpe, humoristische uitleg.
Verrast word ik vervolgens door de zin die maakt dat je hem niet vanuit betekenis interpreteert, maar vanuit klank en associatie, om precies te zijn door de dubbele betekenis van ‘meer’: ‘Wat dies meer zij bevat een meer / waarin je koele vissen over je kuiten kunt voelen’. Een associatie die een sprookjesachtige sfeer creëert, mét mogelijk de dubbele laag om van het (bewust) wat ongemakkelijk begonnen thema af te leiden. De herhaling werkt vervreemdend, zodat klank en ritme de betekenis overheersen.

De tweede bundel van Marsman, De Eerste Letter, wordt geïntroduceerd met een lange quote van Rilke over angst. Deze quote zet de toon voor het begin van deze bundel. De angst lijkt vaak te groeien, dan weer  beteugeld te worden door de taal. De ik-persoon en de schrijfster lijken zich hier bewust van te zijn en het blijft de vraag of taal een vloek is of een zegen. Na het lezen van deze mysterieuze, surreëel aandoende poëtische uiteenzettingen zou ik met het Duitse ‘mal so mal so’ (de ene keer zus de andere keer zo) willen antwoorden. Waar een schrijfster constateert dat de mooiste mens zonder woorden is, barst een bundel bijna uit zijn voegen aan dramatische lading. ‘De mooiste mens is de mens die niet nadenkt; die / zichzelf genoeg vertrouwt om geen woorden nodig te hebben’.

Wat me verder lezend opvalt zijn Lieke’s sokken, die kwam ik eerder in de bundel ook al tegen. Ze lijken in titelgedicht ‘De eerste letter’ symbool te staan voor een laagje comfort en bescherming, een laagje beschaving.

Ik ben een geit met een navelstreng. Een vlezige lijn
die me bij het jouwe houdt. Jij bent niet de schaar
die me afknipt maar ook niet de wieg
waarin ik geboren word. Ergens
in deze berg moeten mijn sokken
toch liggen, iets zachts
voor mijn voeten, dat ze warm houdt.

Ik word geraakt waar de gedichten van eenvoud getuigen en de vertelstem kwetsbaar en eerlijk klinkt:

Soms ben ik zo open
dat ik mezelf van de randen af duw

Soms zo laag
dat het voelt alsof ik er wortel schiet

Maar ik heb goed gegeten
en het was lekker

Die zelfrelativering werkt ook hier weer humoristisch en tegelijk maakt het ‘stoer doen’ de kwetsbaarheid nog schrijnender.

Het ‘Wiegeliedje voor wie alles moet’ maakt goed dat ik stiekem na een gedicht of twee, drie al vervuld ben en het verder moeten lezen kortsluiting lijkt te veroorzaken in mijn hoofd. De gedichten hebben een zekere dichtheid, een bijzonderheidsfactor.  Stel dat elk gedicht een petit-fourtje is, dan eet je daar toch niet in één keer een hele doos van leeg?  Omdat ik voor het schrijven van deze recensie naar mijn gevoel sneller en meer moet ‘eten’ dan ik wil, ben ik blij met het metaforische fleecedekentje en de druivensap,  zoals ik eerder al was met die sokken. 

Oh, je kunt wel bang worden van een 
te laat betaalde rekening 
maar oh, word maar niet bang van een 
te vroeg uitgesproken verliefdheid 
kom, dan gaan we gezellig 
in een klein karretje door een graslandschap rijden 
en onder aan de heuvel druivensap drinken 

het moeilijke aan ouder worden is niet
dat je steeds verdrietiger wordt
maar dat je steeds meer woorden krijgt
om je verdriet te kunnen beschrijven
en als je het kunt, moet je het doen
dat is waar
maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd
en ik leid je er hand in hand naartoe
en het is hier warm
en je bent hier veilig
oh

Dat deze vrede slechts ogenschijnlijk is blijkt in het slotgedicht van ‘De eerste letter’ dat hierop volgt.

Ik hoef geen deur open te zetten
om haar binnen te laten.

Alleen een raam dicht te doen
dat ze in zal willen slaan.

In ‘Oudere Gedichten’ valt te ontdekken dat de man met hoed Lieke Marsman al sinds 2005 begeleidt. Een mannelijk alter ego blijkt, want ‘als hij zijn hoed af zet ben ik het’. Zo kan een dichter samenvallen met de personages die in de gedichten verschijnen, wat ook gebeurt in het gedicht ‘Bell Jar’ uit 2007. De dichter stelt zich voor wat ze zou doen als Sylvia Plath zou zijn, eindigend met: ‘Zou ik me opsluiten / in de keuken en mijn hoofd in de oven / begraven. Zou ik opnieuw / geboren willen worden?’ Deze laatste regel is een bijzonder fijngevoelige en scherpe kwinkslag. Zo ontstaat een meeslepend drama, als een schrijver die één kan worden met wat of wie hij omschrijft, om vervolgens vanuit een heel eigen perspectief een nieuwe vraag te stellen of een nieuw beeld te schetsen. Marsman heeft een sterk gevoel voor drama, dat soms op het papier spat in vormen die meer dan aan poëzie aan theater doen denken. Zo is het eerste gedicht in de afdeling ‘Nieuwe Gedichten’ een dialoog tussen A en B waarin elk een enkele keer drama-roddelend aan het woord komt.  Ik vind de letterlijke bewoording wat schril afsteken tegen de diepgang van veel van de andere gedichten, maar de afwisseling qua stijl en vorm is ook fascinerend.

De vertaalde gedichten zijn van dichters die in vergelijking tot elkaar, net zoals de gedichten van Marsman zelf,  heel uiteenlopend zijn qua stijl, hoewel ze allemaal wel iets ‘Liekeachtigs’ hebben. Aan de gekozen dichters valt af te zien hoe belezen en gedreven Marsman is als poëzieliefhebber. Ik noem er een paar: Frank ‘O Hara, Matthew Dickman, Brenda Shaughnessy.  Als zuster-poëzieliefhebber ben ik blij met een paar voor mij nieuwe namen om meer van te gaan lezen, zoals Wendy Wilder Larsen. Ik ben verliefd op het door Marsman vertaalde ‘Blauwe lijster in beukenhaag’. Wel vind ik het persoonlijk altijd jammer, wanneer de originele versie niet naast de vertaling gedrukt staat, omdat vertalen een hele kunst is. Zonder origineel kan ik geen inzicht verkrijgen in hoe de vertaling is gedaan.

De bundel sluit krachtig geëngageerd af met het gedicht dat op zichzelf staat, los van de andere afdelingen: ‘Alternatieve vragen en antwoorden’ over onder andere de Amerikaanse politiek, terrorisme en de oorlog daartegen, vluchtelingen en de hypocrisie die voortvloeit uit zowel de wapen- als de oliehandel. Frustratie, angst en ironie klinken door, maar vooral ook de kracht en dapperheid van de schrijfster blijven bij. Zij spreekt zich uit, zij gebruikt deze bladzijden en de positie die ze bereikt heeft om haar stem te laten klinken. Dat is poëzie, niet eens altijd zozeer in vorm of toon, maar altijd qua attitude. Throw poetry, not bombs, zoiets. Wat mij betreft heeft Marsman met deze verzamelbundel haar eigen poëtisch terrorisme (een term van Hakim Bey) verstrooid, ook zonder het gedicht ‘Alternatieve vragen’. Ja, hier barst kunst buiten de kaders en doet wildfilosoferend haar eigen ding.

***
Lieke Marsman (1990) debuteerde als dichter in Tirade. Haar eerste bundel, Wat ik mijzelf graag voorhoud, verscheen in 2010. Ze kreeg daarvoor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de Liegend Konijn Debuutprijs en de C. Buddingh’-prijs. In 2014 verscheen haar tweede bundel, De eerste letter. In juni 2017 debuteerde zij als romanschrijver met Het tegenovergestelde van een mens.

Recensie van De eerste letter - Lieke Marsman

een stem spreekt tegen me

Lieke Marsman
De eerste letter
Uitgever: Van Oorschot
2014
ISBN 9789028260580
€ 14,50
64 blz.

Zelden is de laatste jaren een debuut zo succesvol geweest als dat van Lieke Marsman, die als twintigjarige haar eind 2010 verschenen bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud (3.000 verkochte exemplaren) bekroond zag worden met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Liegend Konijn Debuutprijs 2011 en de Buddingh’-prijs 2011.
‘Lieke Marsman is overduidelijk een groot talent’, schreef Erik Lindner in De Groene Amsterdammer: En Arjan Peters in de Volkskrant: ‘Ze kan het, geen misverstand daarover.’ Ook op de literaire internetsites waren de reacties bijzonder positief. Edwin Fagel prees onder andere Marsmans geheel eigen toon en de preciesheid van haar taal waarmee ze, zo constateerde hij, een wonderlijke spanning wist op te roepen. Bouke Vlierhuis stelde vast dat zij alles mee leek te hebben om ‘een grootheid’ te worden. ‘Als ze de rest van haar leven iedere twee à drie jaar een bundel produceert, zit er een oeuvre van tientallen bundels in. Wat een rijkdom zal dat zijn voor de Nederlandse poëzie’, besloot hij zijn bespreking.

Drie jaar later, keurig op schema dus, is daar met De eerste letter dan Lieke Marsmans tweede bundel en niets wijst erop dat ze door al die hoge verwachtingen van haar stuk gebracht is. Van enige verkramptheid is geen sprake. Natuurlijk is zij nog altijd heel jong, maar de inmiddels tot de redactie van Tirade toegetreden dichteres schrijft met een opmerkelijk zelfvertrouwen, met enig ‘gezag’ zelfs.
De eerste letter is een beheerste, gedisciplineerde, maar ook uitdagende bundel geworden. Alles wat Marsman hier schrijft, ademt niet alleen een grote mate van vanzelfsprekendheid, maar brengt daarbij ook regelmatig een intuïtief te ervaren waarheid aan het licht die de lezer kan betrekken op zichzelf. Er moet bij lezing dus wel iets veroverd worden, en dat geeft het werk ook iets afstandelijks. Het biedt zich aan, maar houdt een element van onbereikbaarheid, alsof de auteur, als het mooiste meisje van de klas, zich onbedoeld en in alle schuchterheid toch superieur weet.

Lieke Marsman laat aan De eerste letter een motto van Rilke voorafgaan, een lang citaat uit diens Het dagboek van Malte Laurids Brigge, een passage waarin zowel het begrip ‘angst’ als de onzegbaarheid van die angst wordt geëvoceerd. Het blijkt – en zo hoort het natuurlijk ook – uitstekend bij de bundel te passen, want angst en onzegbaarheid bepalen in zeker opzicht de grondhouding die erin wordt ingenomen, ook tegenover de andere motieven die dominant zijn: liefde en verlating.

De 39 gedichten zijn verdeeld in vier afdelingen, waarvan de eerste, als enige titelloos, bestaat uit twee cycli. De eerste, ‘Omdat ik een held was’, qua titel bijna ironisch aansluitend bij het angstmotto, telt een viertal haast surrealistische, in ieder geval de werkelijkheid vertekenende prozagedichten, waarin de ik-figuur zich op de een of andere manier wapent, maar tot de volgende conclusie komt:

[…] De mooiste mens
is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen
woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje
thee. Die alles opnieuw leert.

In de vijf gedichten van de tweede cyclus (‘De eerste letter’) wordt de angst verbonden met het bestaan van een ander, een niet nader bepaalde ‘jij’ met wie de ik een kennelijk onzekere relatie onderhoudt: ‘Ik ben een geit met een navelstreng. Een vlezige lijn/ die me bij het jouwe houdt. Jij bent niet de schaar/ die me afknipt maar ook niet de wieg/ waarin ik geboren word.’ In het tweede gedicht wordt die ambivalentie fraai verwoord:

2.

een stem spreekt tegen me en ik moet bepalen
of het een engel is
maar hoe kan ik tot zoiets in staat zijn?

wie angst heeft wil over angst lezen
in een net ontdooide wereld
een knoop van haar lange jas opendoen

en dan

in een nieuw land een winkel beginnen
daar ‘s ochtends de luiken openen
zien dat het lente is

op een manier
dat je je opeens afvraagt
wat het is dat je binnenlaat

Een keuze voor het een houdt het verlies van andere mogelijkheden in, de ik weet dat. Voor J.C. Bloem was het ooit reden om zoals hij in ‘Aanvaarding’ schrijft dan maar niets te kiezen en erin te berusten dat het leven in feite zonder hem voortgaat. Na het binnenlaten van de ander realiseert Marsmans ik zich in het volgende gedicht ‘Ik had door het bos kunnen rennen// Een bouwval kunnen maken/ en af laten breken// De tijd aan mijn zijde hebben’, maar daar zit in tegenstelling tot Bloem geen verlammende inertie in, want zij eindigt met ‘Maar ik heb goed gegeten/ en het was lekker’.

Maar niets blijft bij Marsman eenduidig hetzelfde. Zonder in brave anekdotiek te vervallen, maakt ze duidelijk hoe ze wil uitbreken, uit het hier en nu wil worden getild, al zou ze er bij wijze van spreken naar Novosibirsk voor moeten gaan, of moeten groeien als een knotwilg. In het laatste gedicht van de cyclus gaat het dan weer volop over angst, vooral de angst ‘dat ik opeens zou gaan denken dat alles op mij/ betrekking had’. Het slot is echter positief:

Hier,
sta op, open een raam
met een hand die je voelt, in het zicht
van iemand die je wil voelen, in de weerspiegeling
van het ongeopende raam

Het is een beeld dat later in de bundel nog een extra invulling zal krijgen.

De tweede afdeling – ‘(Intrat koperblazers)’ – handelt over de liefde en heeft als nevenmotief de poëzie. Het eerste, ‘Liefde in tijden van eenzaamheid’ (te lang om hier te citeren) is een van de vele hoogtepunten uit de bundel. Het herneemt de thematiek als volgt: ‘het verschil tussen angst en liefde is geen/ fysiologisch gegeven maar het resultaat van psychologische/ interpretatie, zei mijn vriendin, die in therapie is geweest/ en ik ben een denker, dus ik heb een probleem.’ Zelden heb ik iemand zo zelfbewust en met zoveel beheersing over onzekerheid zien schrijven als Lieke Marsman hier doet. Ze handhaaft dat niveau verder moeiteloos, zoals in ‘Hemel’ bijvoorbeeld, waarin het tekort in de relatie met de ander in de eerste strofe zo wordt weergegeven:

Kijk ik kan je niet de hele tijd
met rubber handschoenen aan
naar een nestje dragen
met een mes zo bot als schapenwol
tegen je ei aan blijven tikken
in de hoop dat je naar buiten komt

Licht bizarre denkpatronen en gedurfde vertekeningen kenmerken veel gedichten in deze afdeling, ook die waarin ze schrijft over poëzie en haar eigen vermogen om die te schrijven. Zo start de beschrijving van een soort writer’s block:

Op het moment voelt het wel
een beetje alsof ik weer achter het
zwembadgebouw een verstopplaats
loop te zoeken ja, een vochtige plek
met plastic bakjes frietbakjes
en bladgroen voor mijn ogen

Indrukwekkend vind ik de zesdelige reeks ‘Palimpsest’. Het woord duidt op hergebruikt perkament waarop nieuwe tekst geschreven is, maar waarbij het met bepaalde technieken toch mogelijk is de letterlijk onderliggende tekst te ontcijferen. Het betreft dus totaal verschillende teksten, en als ik Marsman goed begrijp, wil ze niet dat de gedichten in deze serie metaforisch gelezen worden, maar als een soort dubbele waarheid. Om Nijhoff te variëren: er staat wat er staat en ook wat er niet staat, want dat staat er ook. Mits je beter kijkt, mits je anders kijkt. Het geeft deze gedichten een aantrekkelijke diepgang.

In de derde afdeling, ‘Opdat iemand het vindt’, blijven dezelfde thema’s aan bod komen, al is de toon soms veel directer, confronterender zelfs. In ‘Variaties’ bijvoorbeeld, over het pesterige verbreken van een relatie: ‘Ik had acht maanden een relatie met je, maar ik was al die tijd lesbisch./ Ik bleef in je buurt, want je beste vriendin was zo knap./ Sorry.’
Ook hier weer prachtige gedichten die uitnodigen snel gebloemleesd te worden, zoals het over weggaan handelende ‘Reguliersgracht’: ‘Kijk nog// een laatste keer langs takelrad en/ rookgordijn de grachten op. Het water/ staat laag, waarom bereikt het mijn lippen?’, of ‘Wandeling’, dat eindigt met: ‘Alsof je na in het krijt gestaan te hebben/ nog ergens kunt wandelen/ zonder sporen achter te laten.’
Het zijn niet alleen die laatste woorden die maken dat Marsmans poëzie me regelmatig aan Judith Herzberg doet denken, die even vrij en en onbekommerd kan schrijven en even moeiteloos in dichtstijlen varieert.

‘Aankondigende ochtend’ besluit de bundel. De afdeling opent met opnieuw een cyclus, het overrompelende ‘Een kus’, korte, echt lyrische gedichten vol overgave: ‘Want als je even op me wil gaan liggen,/ ben ik de onderkant van je verlangen.’
In het tedere ‘Wiegeliedje voor wie alles moet’ toont Marsman ook haar bezonnen, rijpe kant:

het moeilijkste aan ouder worden is niet
dat je steeds verdrietiger wordt
maar dat je steeds meer woorden krijgt
om je verdriet te beschrijven
en als je het kunt, moet je het doen
dat is waar
maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd
en ik leid je er hand in hand naar toe
en het is hier warm
en je bent veilig
oh

En zo verovert Marsman de ander, de poëzie, zichzelf en iedere lezing van de bundel levert daarin een andere volgorde op. Het laatste gedicht heet ‘Als worden’, waarbij ‘worden’ de echo krijgt van ‘woorden’. De drie centrale thema’s komen erin samen. Dit zijn de slotregels:

Ik hoef geen deur open te zetten
om haar binnen te laten.

Alleen een raam dicht te doen
dat ze in zal willen slaan.

Lieke Marsman schreef met De eerste letter een formidabele bundel. Het kan niet anders of ze heeft de Nederlandse poëzielezers definitief veroverd. En let op: die gaan haar weer en masse kopen!

Recensie van Wat ik mijzelf graag voorhoud - Lieke Marsman

Er hangt iets heel groots in de lucht

Lieke Marsman
Wat ik mijzelf graag voorhoud
Uitgever: Van Oorschot
2010
ISBN 9789028241534
€ 14,50
56 blz.

Lieke Marsman heeft, zoals veel dichters, een verleden bij Meander. In oktober 2008 stonden er drie gedichten van haar in de rubriek ‘Dichters’. Op basis van die inzending werd ze genomineerd voor de Meander Dichtersprijs 2009. Ze werd tweede. Toen we in 2009 de verzamelbundel Nog een lente gingen samenstellen, was haar naam dan ook bij de eerste die op de lijstjes verschenen. Ondertussen had Marsman ook in de papieren tijdschriften van zich laten horen. ‘Er hangt iets heel groots in de lucht’, dichtte zij in ‘New York’, dat in 2009 in Tirade verscheen. En ze had gelijk. Inmiddels is haar debuut al een tijdje uit en is het in zo’n beetje alle serieuze media besproken. Dat overkomt maar weinig debuterende dichters. Het overgrote deel van die recensies was juichend ook. Een aantal besprekingen ging vergezeld van een grote foto van de dichteres, die met haar tengere maar zelfverzekerde verschijning en haar doordringende blik – door Annaleen Louwes vastgelegd in een indrukwekkend auteursportret, dat ook het achterplat van de bundel siert – waarschijnlijk net zozeer als haar poëzie de aandacht van de redacties heeft getrokken. Ook op het podium maakt ze, met haar rustige, onopgesmukte manier van voorlezen, grote indruk. Lieke Marsman lijkt, kortom, alles mee te hebben om een grootheid te worden.

En dan heb ik het nog niet eens over haar gedichten gehad. Daar is inmiddels dus ook al heel wat over geschreven. En zelfs daarover heeft collega Edwin Fagel van De Recensent al weer iets geschreven.

Wat moet ik dus nog zeggen? Laat ik er gewoon even eentje citeren.

Hoe ver nog naar Tennessee

Zoals je opeens, op een gelukkige vrijdag,
ook met je andere oog kan knipogen: dat
verleer je niet meer, stopt de auto. Kleine Simon
grijpt in de berm naar zijn hoofd, misschien
naar de berm in zijn hoofd en zegt: Het is
die verdomde wurgziekte weer, ik kom er maar
niet vanaf – steeds wanneer niemand mijn hand
vasthoudt, wurg ik mezelf, vanzelf, waar moet ik die
handen anders ook laten. Ik vraag of we wellicht
kunnen vluchten, dus rennen we door de woestijn
naar Memphis. We lijken wel een goedkope hollywood-scène
en zouden nu graag vleugels krijgen, maar krijgen
vermoeide armen en benen.

Of zoals je opeens, uit het niets, twee dagen
op rij deze koortsdroom hebt en niemand
stopt de auto, geeft je een knipoog. Wel legt iemand
een warme kruik naast je neer, dat voelt aan
als een mensje. Ik leg het soms
in de ruimte tussen mijn benen
tegen mijn kruis, dan
begint het mensje te huilen.

Dit is een typisch Lieke Marsman-gedicht. Het voelt als een anekdote – of liever: een aantal aan elkaar gemonteerde anekdotes – maar het is nooit duidelijk waar het precies allemaal naar toe gaat. Het is zinnelijk en fysiek en heeft een sterke band met haar/het vrouwelijk lichaam. Het is, om die andere Marsman er maar even bij te halen, groots en meeslepend, maar refereert ook regelmatig aan de wereld van het kind. Amerika komt als thema vaak terug in deze bundel en geeft vorm aan de grote gedachten en grootse beelden in het hoofd van de dichteres. Maar het gedicht eindigt in de intimiteit van het eigen bed. Amerika kan ook, zoals bijna alles in deze bundel – de dichteres zelf op de eerste plaats, op een ironische sneer rekenen: ‘We lijken wel een goedkope hollywood-scène’. Een sneer die overigens ook weer opgevat kan – en moet – worden als ironisch gebruik van een gemeenplaats. En dan is er het klankspel en het subtiele gebruik van herhaling dat deze gedichten zo geschikt maakt voor het podium: ‘ in de berm naar zijn hoofd, misschien / naar de berm in zijn hoofd’, ‘mezelf, vanzelf’, wellicht – woestijn, ‘vleugels krijgen, maar krijgen / vermoeide’, niemand – iemand, ruimte – kruis – huilen.

De kritiek is makkelijk te formuleren: door hun wat laconieke babbeltoon, hun losse associaties en hun open, breed uitwaaierende structuur zou je deze gedichten voor ‘makkelijk’ of ‘vrijblijvend’ kunnen uitmaken. Toch zou je daarmee wat mij betreft de plank misslaan. Want deze gedichten zijn goed.

Dat heeft, zoals altijd bij goede poëzie, ook met muziek te maken. En met plezier. De gedichten van Marsman lopen, ondanks hun grote hoeveelheid tekst, als popliedjes. Ze lezen dus ook gewoon lekker. Het zijn plezierige gedichten met mooie beelden, een flinke dot puberaal melodrama – afgewisseld met volwassen observaties – en een zangerige, licht ironische toon die duidelijk maakt dat ze ook met plezier geschreven zijn. Bovendien, als een gedicht bij eerste lezing zo gemakkelijk en soepel als het hierboven geciteerde gedicht al zo’n complexe structuur van betekenislagen laat zien, maakt het weinig meer uit of de vorm hier en daar rafeltjes vertoont. Sterker nog, de losse vorm versterkt het gedicht en geeft de lezer ruimte: bladerend door Wat ik mijzelf graag voorhoud kun je makkelijk midden in een gedicht beginnen te lezen en binnen het gedicht een heel nieuw verhaal ontdekken.

Lieke Marsman is twintig. Als ze de rest van haar leven iedere twee à drie jaar een bundel produceert, zit er een oeuvre van tientallen bundels in. Wat een rijkdom zal dat zijn voor de Nederlandse poëzie.

Gedichten

Soms moet dat

Ik sta met mijn open mond vol geluk
te wachten tot iemand het eruit pakt wil je
het geluk uit mijn keel pakken zodat ik er
niet langer over struikel tijdens het praten misschien
zou je kunnen luisteren op de kruk bij mijn knie
kunnen zitten zeggen dat je iets leuks gaat doen
dit weekend dat je van alles van plan bent en
vragen of ik daar de uitvoering van
wil worden misschien
kun je mijn hand vasthouden als we nog eens
samen voor een winkelruit ons af staan te vragen
hoeveel de papieren vogel kost of zou je je wang
in het kuiltje van mijn schouderblad kunnen leggen
tijdens het strijkconcert zoals een egel die zich
met het zachte stukje van zijn bestaan terugtrekt
in de schaduw van twee struiken in juli en meer
nog dan dit zou je de luidspreker uit mijn handen
kunnen trekken als ik weer eens op blote voeten
sta te stampen met al het goede uit een dag
op mijn lippen zou je kunnen zeggen stil maar ook
als je fluistert wordt er naar je geluisterd misschien
zeg ik is er niemand die wil horen wat je zegt
omdat je aan mensen niet iets kunt hangen
zoals jij doet enkel rond
kunt hangen in de zweetlucht van
je jeugd terwijl er nergens iemand klaarstaat
met een zonnige waterspuit nee je moet zelf
door de zomersproeier lopen in je
mickey mouse zwempak
of veertien jaar later
in je supermarktschort en
als men vraagt waarom schrijf je
in hemelsnaam nog gedichten antwoord dan
omdat mensen niet onder mijn tong
blijven liggen omdat je gedichten stil
kunt laten staan als een luisterend oor
tegen je schokkende borstkas omdat poëzie
aan je ribben is gaan rusten en
een verband heeft aangelegd
met jouw verhaal.

Noorwegen

Donkergroen, denk ik. Ja
er zou veel donkergroen zijn. En geschreeuw
zo ver dat het onhoorbaar werd. De wereld
buiten ons zou, op haar beurt, mij eens niet
horen zuchten. Met een mondvol onzichtbare
kakkerlakken op een sofa die de grond heet,
zou je me geen pijn doen met die tong, maar
mijn huid helen. De wijnvlek op mijn enkel
zou je dronken maken – ik zou vragen
niet in de bloemenvaas te kotsen. De hele avond
op slippers door de keuken lopen, Zweden
kunnen zien liggen vanaf een steiger. En denken aan
de chimpansee ergens in de dierentuin
van Buenos Aires die men onze taal leert. Aan hoe
hij het nooit zal begrijpen. Ik zou zeggen:
oh nee, niet nog eens
die jurk.

Enquête

De jongen op straat vraagt
Wat is het mooiste woord
Wat u ooit zei, ik zeg
Heb je even en denk
Aan alles wat ik ooit
Heb gezegd, maar dan
In fragmenten
Stroboscoop
Nachtegaal
Nanoseconde
Ei
Die kleur paars waarvan ik de naam steeds vergeet
Badschuim
Trotseren
Petroleumlamp
Een moment waarop ik niets kan verzinnen
Mag ik even op je blaadje kijken
De vocabulaire hoogtepunten
Van onze medemens
Ik hou van jou
Dat zijn vier woorden
Die streept hij straks weg
En verder
Gezondheid
Baby
Salaris
Liefde
Weekend
Seks
Parterretrap