Gedichten

April

Ik zie onder mijn huid de aders lopen
Als ik mijn hand tegen het licht houd.
Als het december is en ik mijn mouwen opstroop
Zie ik ringen rond mijn onderarm lopen
Ik heb ze geteld, het zijn er drieënveertig links
Tweeëndertig rechts. Vanaf de polsen naar boven.

Er is niemand die me kan vertellen wat het betekent
Maar in de wintermaanden voelt het alsof ik van kwarts ben
Koud, bleek, met als enige kleur die vijfenzeventig ringen.
Drieënveertig links, tweeëndertig rechts.

Ik hou niet van sneeuw, het is koud, bleek en het smelt
Tot een onooglijke platgelopen drab.
Ooit een gelukkige sneeuwpop gezien?

Nu is het goddank april.

Als het lente is lijkt mijn huid minder op het berkenfineer
van mijn bureau. (De nerven zijn zo helder in het kwarts.)
Dan voel ik de zon op mijn huid als een film bijenwas,
en lijk ik van amber, donkerder, warmer.

Jaarringen zeggen iets over hoe een boom leeft.
Bij droogte of koude zijn de ringen dunner
De boom steekt zijn energie in zichzelf levend houden,
Is het warm en vochtig, dan zijn de ringen dikker
En groeit de boom beter.

Ik zou het liefst net als de kat van de buren
Overdag op de warme tegels van het terras gaan liggen
totdat het te warm wordt.
En dan in de schaduw van de boom gaan liggen.

Ze hebben de boom in de tuin omgezaagd,
Niet helemaal, er staat nog een stuk stam.
Ik probeerde de ringen tellen, maar ze waren te dun.

Jaarringen zeggen iets over hoe een boom leeft
Kan je de ringen zien, dan is de boom veelal dood.

Ze hebben de boom in de tuin omgezaagd.
Nu zit er iedere ochtend een verdwaalde duif
Onder mijn raam te koeren. Ik begrijp hem wel,
Maar heb toch liever een wekker die ik uit kan zetten.


Vandaag

Ergens denk ik dat alles wat mij is aangedaan
Met een flinke scheut bleek weg te spoelen is.
En ergens weet ik dat dat niet waar is.

Eergisteren stond er een peuter op mijn stoep.
Hij zij dat hij cupido was.
Ik heb hem aangekeken, een seconde of drie
En daarna de deur dichtgeslagen.

Gisteren tekende ik met lippenstift
Een lach op de badkamerspiegel.
Gewoon.
Om te kijken hoe het eruit zou zien.

Ergens denk ik dat alles wat mij is aangedaan
Met een flinke scheut wodka weg te spoelen is.
En ergens weet ik dat dat niet waar is.

Maar mondje dicht daarover.
Stoppen is mijn enige andere kans,
Dus moet ik ergens mee verder gaan.
Misschien niet met het nu, maar toch.

En om eerlijk te zijn:
Je overvalt me.

Kassabon

Er is geen begin zoals dit,
Verdwaald zonder een kaart waar iets zinnigs op staat
Alleen “U bevindt zich hier” met een stip precies onder je voeten.
En waar hier is weet niemand, misschien de krekels in het gras
Of de cirkels in graan.

Alle begin is klein, is mij gezegd.
Klein. Klein als wat?

Er is niemand die je de weg wijst dus het maakt niet uit
Welke wegen jij ontdekt hebt. Maar geen woord dat je nu nog zegt
Zal met dezelfde liefde ontvangen worden als je eerste.
Geen woord dat je nu nog zegt
Zal met dezelfde oprechtheid gezegd worden als je eerste.

Op een kassabon in mijn portemonnee staan de woorden
Die ik met mijn laatste adem uit wil spreken.