Recensie van Zo andersom is alles misschien - Dirk De Schutter

Verkenningen op het grensvlak poëzie – filosofie

Dirk De Schutter
Zo andersom is alles misschien
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 9789056553470
€ 22,-
130 blz.

Onlangs besprak Ernst Jan Peters de essaybundel Bundels van het nieuwe millennium onder redactie van Jeroen Dera en Carl De Strycker. Hij waardeerde het, ‘dat het niet alleen diepgaande opstellen zijn geworden, maar dat ook de beginnende lezer wordt meegenomen bij de uitleg over het bijzondere van de gekozen bundels.’ Het is mooi als schrijven over poëzie dit oplevert. De essaybundel Zo andersom is alles misschien van Dirk De Schutter heeft een veelbelovende ondertitel: ‘Tussen dichten en denken’. Is ook dit boek een aanrader voor de beginnende lezer?

In tien hoofdstukken worden evenzovele gedichten besproken. Daarna volgen twee epilogen (‘Bij wijze van besluit I’ en ‘Bij wijze van besluit II’) en een verantwoording. De tekst op het achterplat geeft de werkwijze als volgt weer: “De gedichten worden zorgvuldig becommentarieerd: ze worden op zichzelf gelezen; van welke bundel ze deel uitmaken of hoe ze passen in het volledige oeuvre van de dichter in kwestie, is van ondergeschikt belang. Zowel Vlaamse (Jos de Haes) als Nederlandse (Hans Faverey), zowel bekende (Rutger Kopland) als minder bekende (Bart Janssen) dichters komen aan bod.” De ondertitel van elk hoofdstuk luidt telkens ‘Over [naam dichter]’, en niet ‘Over [naam gedicht] van [naam dichter]’. Meestal betrekt De Schutter ook andere gedichten van de dichter bij de interpretatie, in die zin worden de gedichten dus niet ‘op zichzelf’ gelezen, wat ik overigens een goede zaak vind. Aan zowel Hans Faverey als Erik Spinoy worden elk twee hoofdstukken gewijd.
De flaptekst vervolgt: “De ondertitel van het boek is ‘Tussen dichten en denken’. Daarmee geeft de auteur te kennen dat de aandacht voor het literaire en het poëtische in de lectuur gepaard gaat met een filosofische interesse. Lezen speelt zich af tussen dichten en denken, op het kruispunt tussen de literaire zegging en de filosofische waarheid. Op dat kruispunt komt een existentiële ervaring tot stand waarin het vertrouwde vreemd en het vreemde vertrouwd wordt. De verwondering blijft: ontroerd door poëtische woorden en beelden, onderzoekt de auteur hoe zin geboren wordt uit het zintuiglijke en een materiële neerslag vindt in het retorische labyrint van de taal.” De technische analyse van de gedichten komt duidelijk op de tweede plaats. De lezer die Zo andersom is alles misschien in de eerste plaats wil aanschaffen om zich te bekwamen in het lezen en begrijpen van poëzie zal van een koude kermis thuiskomen.

Een belangrijk thema in het boek is ‘het oeroude geschil tussen poëzie en filosofie, waarover Plato het had’ (p.8). De lezer dient daarbij over een sterke maag te beschikken: “Waar de traditionele, door Hegel beheerste metafysica beheerst werd door de wil om zich de waarheid van het poëtische toe te eigenen, daar heeft het post-metafysische, door Martin Heidegger en Jacques Derrida ontwikkelde denken die pretentie afgelegd. Dit post-metafysische denken gaat, lezend en schrijvend, op zoek naar wat de mens in zijn existentie als sprekend, handelend en verlangend wezen drijft.” Deze zoektocht heeft De Schutter als leidraad gediend bij de keuze van bepaalde dichters c.q. gedichten. Ik heb de indruk, dat de gedichten vaak niet meer dan een aanleiding vormen om bepaalde filosofische thema’s aan te snijden.
Daarbij schuwt hij hoogdravend taalgebruik niet: “Als we aannemen dat de werkelijkheid enkel in taal kan verschijnen of dat de taal het huis is van het zijn, dan durven we misschien ook het vermoeden beamen dat de metafoor niet alleen bestaat uit een talige bekenisoverdracht, maar bovendien leidt tot een metamorfose in de werkelijkheid.” (p.19) Dit is een wel erg ingewikkelde manier van vaststellen, dat het lezen van bepaalde poëzie onze latere ervaringen kan kleuren. Bovendien zijn de eerste twee premissen filosofenvoer bij uitstek. Wanneer ik in mijn vingers snijdt, ervaar ik de werkelijkheid geenszins in taal, hoe beeldend ik hier later ook over kan schrijven. Het doet gewoon pijn, en het bloed maakt vlekken op mijn schriftje. Maar misschien werkt dit alles bij filosofen andersom.
De verschillende hoofdstukken zijn goed los van elkaar te lezen. Zes van de tien hoofdstukken verschenen eerder in bijvoorbeeld de Poëziekrant of Dietsche Warande & Belfort. Sommige analyses zijn zeer verhelderend, anderen voegen voor mij weinig meer toe aan de gedichten zelf. Dit geldt met name het korte hoofdstuk over ‘Genesis’ van Ida Gerhardt, en de uitgebreide inleiding die aan het gedicht ‘Enkele andere overwegingen’ van Rutger Kopland is gewijd, het gedicht waar ook de titel van het boek aan ontleend is.

De Schutter bespreekt in deze inleiding naast genoemd gedicht maar liefst drie andere gedichten van Kopland om tot zijn conclusie over de metafoor (hierboven reeds aangehaald) te komen: “De metafoor is de adem en de ziel – ψυχη zegt het Grieks – van de poëzie. Soms is die adem zo bezielend dat hij van de poëtische taal op de werkelijkheid overslaat en die metamorfoseert.” (p.19) Daarbij toont hij zich niet altijd een nauwkeurig lezer. Ik zal dit illustreren aan de hand van zijn opmerkingen over het gedicht ‘Wat is geluk’:

Wat is geluk

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.

Rutger Kopland (1934-2012)

De Schutter schrijft hierover:

“Eén ding is duidelijk: de vraag ‘wat is geluk?’ wordt niet beantwoord. Hoe vaker ‘ik bedoel dit’ herhaald wordt, hoe meer twijfel er ontstaat en hoe meer de ‘bedoelingen’ van het ‘ik’ verwarring zaaien. De vraag ‘wat is geluk?’ wordt niet beantwoord, al was het maar omdat bij elk antwoord ‘het omgekeerde’ gesuggereerd wordt. Met dien verstande, dat compleet in het ongewisse blijft wat ‘het omgekeerde’ zou kunnen zijn. Immers, wat is ‘het omgekeerde’ van de stelling ‘dat wij het geluk zoeken omdat het zich verbergt in onze herinnering’? Dat wij niet het geluk zoeken omdat het zich verbergt in onze herinnering? Dat wij het geluk zoeken omdat het zich niet verbergt in onze herinnering? Waar dienen we dat kleine, maar zo ingrijpende woord ‘niet’ te plaatsen?” (p.13)

Zijn eerste opmerkingen kan ik goed volgen. Maar als de vraag naar ‘het omgekeerde’ van de stelling van Kopland al beantwoord zou moeten worden, denk ik in eerste instantie aan: ‘Het geluk houdt zich voor ons verborgen omdat wij het zoeken.’ Een interpretatie die zeer goed bij het gedachtegoed van Kopland (Wie wat vindt heeft slecht gezocht) past, en ook bij het gedicht ‘Enkele andere overwegingen’ (‘hoe weiden hun vee vinden’) dat De Schutter centraal stelt in deze inleiding. Waarom bijt De Schutter zich zo vast in de plaatsing van het woordje ‘niet’? Het is iets wat vaker in zijn essays gebeurt: hij verliest zich zo in bepaalde redeneringen en verwijzingen, dat hij tot conclusies komt die misschien wel goed passen bij zijn eigen filosofie, maar niet bij die van het besproken gedicht c.q. de besproken dichter.

Het is natuurlijk niet mogelijk of wenselijk op alle essays zo diep in te gaan. Het hoofdstuk ‘Weerhoud uw ziel’ over het gedicht ‘Eros’ van Christine D’haen sprak mij het meest aan. Ook is het verrassend gedichten te lezen van onbekende Vlamingen als Karel Sergen en Bart Janssen. De Schutter zelf is sterk geboeid door de hermetische dichter Hans Faverey en de echo’s van religieuze wortels in het werk van Erik Spinoy. Aan beiden besteedt hij twee hoofdstukken, het laatste hoofdstuk van het boek is zelfs volledig gewijd aan het gebruik van het woord ‘zich’ bij Faverey.

Het moge inmiddels duidelijk zijn: Zo andersom is alles misschien is boeiende lectuur voor lezers die vertrouwd zijn met filosofisch taalgebruik, en het grensvlak poëzie – filosofie willen verkennen. Voor de argeloze poëzieliefhebber bevat het echter te veel obstakels om tot een nader begrip van een vrij exclusieve selectie gedichten te komen.

Recensie van Niemandslandnacht - Annemarie Estor

Een dichtbundel 2.0

Annemarie Estor
Niemandslandnacht
Uitgever: Wereldbibliotheek
2018
ISBN 9789028427471
€ 19,99
80 blz.

De wereld nadert haar perfectie. Tenminste, als je op de goede plek woont. En hoe leefbaar is ‘perfectie’ eigenlijk? De nieuwe bundel van Annemarie Estor staat in de traditie van toekomstbeelden als 1984 van George Orwell en De Cirkel van Dave Eggers. Sinds ik in Dichters van het nieuwe millennium haar gedicht ‘Vuurdoorn me’ heb gelezen, beschouw ik Annemarie Estor als een dichter van de buitencategorie. Ook haar nieuwe bundel Niemandslandnacht is moeilijk in één categorie onder te brengen. Het is geen gedichtenbundel in de gebruikelijke zin des woords, eerder een novelle in gedichten. De uitgever zette het in de markt als ‘crime poem’, wat niet alleen vloeken in de kerk van de Nederlandstalige poëzie is, maar ook niet echt klopt. Niemandslandnacht is geen whodunnit, maar een spannende vertelling in 32 gedichten. De vrijheid die de poëzie biedt, benut de dichter met sterk uiteenlopende vormen, beeldend en soms experimenteel taalgebruik en met de kunst van het weglaten. Dit komt de spanning en sfeertekening zeer ten goede. Toch vrees ik, dat dit crime poem de verkoopcijfers van literaire thrillers waarmee de markt overspoeld wordt bij lange na niet zal halen. Zelfs niet door de inzet van een trailer op YouTube. Ik raad u aan deze eerst te bekijken voor u verder leest.

De citaten uit dit filmpje komen uit de gedichten 5 ‘Sensoren’ en 11 ‘Ondertussen in het niemandsland’. De twee minst poëtische bijdragen uit deze bundel, alsof robots aan het woord zijn. En misschien is dat wel zo. Het gebruikte niet-proportionele lettertype doet denken aan een programmeercode. Niemandslandnacht speelt zich af op de grens van Orb en Grout. Orb is de perfecte maatschappij, Grout een soort archaïsche krottenbuurt waar de bewoners in primitieve armoede leven, maar zonder de dwang die de moderne machinerie de mens oplegt. In het derde gedicht worden beide steden c.q. rijken als volgt voorgesteld:

(…)

Bij de ingekuilde prei staat een petroleumlamp te branden.
Hij bewierookt bonenstaken.
Niemand vraagt zich af
wie die lamp daar heeft gezet
en voorgoed is weggeslopen.

Welkom in Grout, vagebond.

Ze ziet gezinnen achter lappen wonen,
hoort oma’s klagen en moeders bidden boven de schillen.
Bestaan is het kabaal dat zich verstaanbaar maakt
tussen gestoorde radiozenders
en het ratelen van aftandse wasmachines.

Kijk, de magere schim in zijn kleed.
Hij klopt met vlakke handen op de muur,
sleept oud papier onder kramen vandaan.
Zijn kornuiten en hij, ze steken het aan
en hurken bij het vuile vuur.
Soms turen ze wantrouwig
in de richting van de muur.

Orb ligt in het landschap
als een lichtende kroon,
een roemrijke koepel,
mythisch rijk.

Men zegt
dat de mensen er glanzen.
Dat de duiven er worden geruimd
en de wind er wordt geweerd.
Dat er garanties bestaan.
Dat het oog er wordt gecontroleerd.
Dat vaartuigen er guirlandes trekken
door de atmosfeer.
Dat nanodeeltjes goud
er als gondels door bloedbanen varen.

(…)

p.12-13

Hoofdpersoon van het verhaal is een zekere Pili, die, begeleid door haar lerares Valeria, na een bewustzijnsverruimende avond op zoek gaat naar haar afkomst. “’Valeria, hoezo heb ik een moeder? / Niemand heeft een moeder.’ // ‘Welkom, Pili, in de rokerij van je verleden. / De avond is nog niet voorbij,’ / antwoordt zij.” (p.23) Pili stapt in de zijspan van Valeria’s motor: ‘Het wegdek rammelt aan mijn botten. / Buiten Orb is de atmosfeer / karboonduister, bruinkoolsmerig. / Ik deemster door mijn longfossiel. / Het duurt angstjaren, grijze haren, / voor mijn ogen iets van vorm ontwaren. // (…) Verpakt in haar motorbril lijkt mijn docente / als een wesp swift en straf / af te koersen op haar doel.’ (p.24) Het taalgebruik is zeer gevarieerd, de teksten bestaan uit beschrijvingen, dialogen, spreektaal, dialect, neologismen. Tot haar grote verrassing blijkt Pili ook nog een broer te hebben, ergens in een krot in Grout: ‘Steem heb mama kapot lief / Roza steem mama niet goed maakt / van lang tot de einde van de nu! / Nee niet kwalik niet kwalik. / En na tien jaar ik jou al socht, / maar ik was klein hè!’ (p.26, 27) Meer nog dan door beschrijvingen wordt deze Vito door zijn taalgebruik neergezet. De hallucinatoire zoektocht gaat verder: ‘Onder een spaghettiviaduct / nabij controleposten, in een pocket smog, / ligt een tentenkamp, bedolven / onder uitlaatgassen, frackingdampen / en een continue regen van consumptieresten.’ (p.30)

Tot zover de verhaallijn. Teveel voorkennis doet afbreuk aan de leeservaring, dus ik houd me in. Wel kan ik verklappen, dat het plot buitengewoon complex en verrassend is, en dat pas na tweede lezing veel zaken op hun plaats vielen. Het openingsgedicht bijvoorbeeld is zonder de kennis van het hele verhaal niet te begrijpen, maar zet wel direct de toon voor een spannende, absurdistische vertelling. De donkere voorkant van de bundel en het filmpje op YouTube geven de sfeer van Grout goed weer. Het leven in Orb daarentegen is schitterend, maar ook zeer kunstmatig en steriel. Het deed mij sterk denken aan de overgereguleerde campus uit De cirkel, of de allesomvattende staat in Brave new world. Komt ook genetische manipulatie aan de orde? Wie is Todopoderoso, en kunnen we zijn naam vertalen als omnipotens, almachtige? Als al het stof van de verwikkelingen neergedaald is, volgt een raadselachtig einde:

Dona nobis

Geef een staaltje engelbrui
Kweek een taaie ruigpootbruid
Scharrelaar met mensenhaar
Schikgodin met mensendril

Dona nobis motorbril

(p.77)

‘Dona nobis’ lijkt een verwijzing naar ‘Dona nobis pacem’, de laatste woorden uit het Agnus Dei, veelal het laatste gedeelte uit de getoonzette katholieke Mis. Met binnenrijm (geef/kweek, staaltje/taaie), alliteratie (scharrelaar/schikgodin) en eindrijm (engelbrui/ruigpootbruid; mensendril/motorbril) is deze 32e en laatste tekst uit Niemandslandnacht qua klankgebruik één van de rijkste uit de hele bundel, passend bij een nadrukkelijk slotakkoord. Het heeft iets van een toverspreuk, mogelijk van Todopoderoso. De laatste drie woorden laten een flauwe indruk achter. Niemandslandnacht had beter verdiend. Het is bij nader inzien niet zozeer een bundel gedichten waar een verhaallijn in zit, maar eerder een novelle in gedichten. De afzonderlijke gedichten staan niet echt op zichzelf, maar vormen met elkaar een spannend, cultuurkritisch, absurdistisch, onheilspellend (onderstrepen wat gewenst wordt) verhaal, dat uitnodigt tot zorgvuldige lezing en herlezing.

 

Recensie van Ik en het gedicht - Jeanet van Omme

Over beginnen, twijfelen, schrappen en herschrijven

Jeanet van Omme
Ik en het gedicht
Uitgever: Schrijfatelier Uitgeverij
2018
ISBN 9789082292213
€ 24
120 blz.

Jeanet van Omme is schrijfdocent en richtte in 2001 het Schrijfatelier op. In 2014 schreef zij De Aap en het Alfabet, een bundel van 26 columns over de lespraktijk van het Schrijfatelier. Ik en het gedicht is haar tweede uitgave, inmiddels ondergebracht bij Schrijfatelier Uitgeverij, dat zij oprichtte uit de behoefte om haar vakinhoudelijke ervaring vast te leggen en uit te dragen. In de inleiding schrijft ze dat dit boek ‘is geschreven voor alle poëzieliefhebbers’, zowel docenten, dichters als lezers.
Het boek bevat gesprekken met de dichters Sasja Janssen, Floor Buschenhenke en Anne van Amstel, die allen ook als docent betrokken zijn bij het Schrijfatelier. Van Omme legde hen ieder vier vragen voor, waarop zij steeds reageerden met een eigen gedicht. ‘Hoe begin je een gedicht?’, ‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’ en tot slot: ‘Hoe ga je om met reacties uit de buitenwereld?’
Het boek is mooi uitgegeven, met een intrigerende voorkant. De titel ‘Ik en het gedicht’ is ontstaan als stiftgedicht uit de zin ‘Ik begin, twijfel, schrap en herschrijf tot het gedicht af is’. Een leuke binnenkomer. Na een enthousiaste inleiding van Bas Kwakman, directeur Poetry International, volgt een tweede inleiding van Jeanet van Omme zelf. Daarin vertelt ze niet alleen over de achtergrond en opzet van het boek, maar presenteert ze ook de belangrijkste conclusies, gelardeerd met fragmenten uit de gesprekken. Eigenlijk een soort samenvatting vooraf. Dit komt een beetje dubbelop of prematuur over. De stappen die iedere dichter zet om tot een nieuw gedicht te komen zijn: ‘Maak tijd en val stil’, ‘Ontwikkel een schrijversoog’, ‘Zet het gedicht op eigen benen’, ‘Geef taal de hoofdrol’ en ‘Vertrouw de lezer’.
Drie dichters en vier vragen levert dus twaalf hoofdstukken op. Elk hoofdstuk opent met een gedicht van de betreffende dichter, dat bij de vraag betrokken wordt. Opmerkelijk is, dat de dichters telkens zelf het gesprek beginnen. Vervolgens babbelt Van Omme wat mee, stelt wat voorzichtige vragen zonder ooit kritisch te worden. Elk gesprek eindigt met een schrijfopdracht en leestips. De leestips zijn interessant, en laten iets van de bagage van de betrokken dichters zien. De schrijfopdracht is vaak direct uit het gesprek afgeleid, en komt dan neer op ‘probeer wat ik gedaan heb zelf ook een keer te doen’.
Als dichter en lezer was ik het meest geïnteresseerd in het hoofdstuk ‘Herschrijven’. Anne van Amstel kiest voor haar gedicht ‘Hoop’ uit Geef me nu ik wil (2016), en presenteert daarbij een oerversie uit 2010. De twee versies verschillen sterk: geen regel is hetzelfde. Van Amstel had het gedicht terzijde gelegd na kritiek van collega’s. Een paar jaar later blies ze het nieuw leven in, omdat de gedachte over de kwetsbare hertshoornvaren goed paste bij de cyclus in haar nieuwe bundel. In het gesprek gaat ze vooral in op de inhoud van het gedicht, en minder op het specifieke proces van het herschrijven.
Het hoofdstuk van Sasja Janssen over herschrijven is een stuk lastiger. Ze vertelt, dat ze het gedicht ‘Flatterzunge’ schreef toen ze hoorde dat ze kanker had. Van Omme: “Heb je de kanker bewust weer uit het gedicht gehaald?” Janssen: “Ik vind het een mooi woord, kanker. Jammer dat het er niet meer in staat. (…)” Van Omme: “Waarom ging het eruit?” Janssen: “Het gedicht dicteert waar het over gaat. Er komen zinnen en die gaan die kant op. Die volg ik dan. Dan stroomt het. Het ging me niet meer om de ziekte, het ging om het uitverkoren zijn.” Als dichter en lezer heb ik hier heel weinig aan. De volgende vragen/opmerkingen van Van Omme leiden niet echt tot meer duidelijkheid over het schrijven: “Het gedicht heeft de jij-vorm”, “Hoe kwam je op die Flatterzunge?”, “Je legt het nergens uit. Je dóet het gewoon.” Nergens een zweem van kritiek of confrontatie. Terwijl toch de volgende uitspraak van Janssen bij mij veel vragen oproept: “Ik wilde iets doen met het feit dat ik kanker kreeg. Ik begon met het gouden kalf. Via het beeld van een messias kwam ik daarop.” Messias en uitverkoren, die snap ik nog wel. Maar het gouden kalf? Dat is toch een heel ander verhaal? Dat afgodsbeeld uit het Oude Testament heeft niets met uitverkoren zijn te maken, noch met de messias, behalve dat het beide Bijbelse begrippen zijn.
Floor Buschenhenke maakt het nog bonter. Over haar gedicht ‘Niet gebruiken in geval van nood’ zegt ze: “Van gedicht 1 naar gedicht 2 was best een heftige herschrijving. Het moest over geloof in verhalen gaan en het moest eindigen met: iedereen gaat dood. Want dat is nu eenmaal zo. (…) ‘De lift steigert als een angstig paard’ – dat is nogal een beeld. Nu ik het zo overlees, zou ik de lift eruit halen. Ik zou ‘m schrappen.” Van Omme: “Wat moet er dan steigeren als een paard?” FB: “Niks.” Van Omme: “Gewoon het paard zelf?” FB: “Ja. De enige reden dat die lift erin staat, is dat die in de vorige versie stond. (…) Ik vind die lift overbodig. Totaal overbodig.” Van Omme: “Dit wordt heet-van-de-naald-herschrijven!” Ik deel Van Ommes enthousiasme niet. Sterker nog: ik voel me als lezer opgelicht. Het is precies wat ik vaker ervaar bij een bepaald soort moderne associatieve poëzie. Het komt allemaal zo willekeurig over. Blijkbaar is er door de dichter zo slecht nagedacht over dit gedicht, dat alleen al door erover te praten (Van Omme stelt zich geenszins op als kritische redacteur) er bij Buschenhenke de behoefte ontstaat het gedicht volledig op de schop te gooien. Op zich niets mis mee, maar ik begrijp niet waarom je dit gesprek dan toch in het boek opneemt, in plaats van met een beter voorbeeld te komen van een herschrijving.

Met deze kritisch besproken voorbeelden wil ik niet zeggen, dat Ik en het gedicht geen aardig boek is om te lezen. Zeker voor beginnende dichters staan er veel interessante overwegingen en nuttige aanwijzingen in. We krijgen een levendig beeld van het schrijfproces, met soms interessante achtergronden bij de gepresenteerde gedichten. In de gesprekken en tips is weinig aandacht voor techniek (metrum, assonantie, vorm). Misschien hangt dit samen met de keuze van de geïnterviewde dichters, die in de gepresenteerde gedichten alle drie voornamelijk het vrije vers hanteren. Zeker bij de beantwoording van vraag twee en drie (‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’) zou meer aandacht voor de ambachtelijke aspecten van het gedicht op zijn plaats geweest zijn. Verder valt op, dat er in de gesprekken tussen Van Omme en de dichters weinig sprake is van distantie. Het boek heeft een hoog ons-kent-ons gehalte, en dat is jammer wanneer het ook voor lezers buiten de cursisten van het Schrijfatelier bedoeld zou zijn.

Recensie van Het wolkenreparatieatelier - Peter Swanborn

Over neteldrift en perelaar

Peter Swanborn
Het wolkenreparatieatelier
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057599118
€ 17,50
64 blz.

Peter Swanborn (1963) is één van die Nederlandse dichters die in kleine kring bekend is, zonder echt ‘naam’ gemaakt te hebben zoals bijvoorbeeld Heytze, Perquin, Vegter of Wigman. Door critici werden zijn bundels echter wel opgemerkt. Zijn debuut, Bij het zien van zijn lichaam (2007), werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en zijn tweede bundel, Tot ook ik verwaai (2009), werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Als ‘monument voor een dementerende moeder’ trok deze tweede bundel mijn bijzondere aandacht. Na Het huis woont in mij (2013) verschijnt nu zijn vierde bundel: Het wolkenreparatieatelier.
De bundel kent drie afdelingen: ‘Neteldrift’, ‘Het wolkenreparatieatelier’ en ‘Wantsdagen’. De titels zijn ontleend aan gedichten uit de verschillende afdelingen. Inhoudelijk is het onderscheid tussen de verschillende afdelingen niet zo duidelijk. In alle afdelingen zoomt de dichter in op de vaak stadse natuur. Het is af en toe net een raadspelletje voor de lezer: over welk dier of plantje heeft de dichter het deze keer? Daarnaast zijn een aantal gedichten meer introspectief van aard. Het derde gedicht in de bundel is het eerste dat me vol in het gezicht treft:

Waanidee

Zeven uur stipt. Gezicht onder koude kraan. Pil
nummer één. Krant van de mat. Ontbijtgranen tot
op gram gewogen. Pil twee. Koffie straf in vaste kop.

Acht uur dertig precies, eerste poging tot bestaan
vangt aan. Kaken geschoren, hemd gestreken, klaar
om chaos met orde te wreken. Dwangneuroot, systeem-

fetisjist, ik ben de gevangene die blijft als de wacht
is vertrokken. Die grepen telt, ritme slaat, het raadsel
der schepping in zesentwintig letters denkt te vangen.

Opvallend is het woordje ‘ik’ in r.7. Is dit slechts een ‘lyrisch ik’? Het is het enige persoonlijk voornaamwoord in het hele gedicht. Als portret van een dwangneuroot lag ‘hij’ meer voor de hand. In de laatste twee regels is overduidelijk dat het over een dichter gaat. Een dichter die strijdt tegen al te veel dwang: hij breekt een woord af tussen twee strofen, telt ‘grepen’ in plaats van ‘lettergrepen’ en zondigt tegelijkertijd tegen dit tellen met een regellengte die varieert van twaalf tot vijftien lettergrepen. Een echo van dit portret vinden we terug in enkele verspreid over de bundel staande gedichten. In ‘Weerzien’ lezen we: ‘Vijftig plus, nog woon ik in een wezen voor felheid / van leven bevreesd. Ochtend, middag, deur niet uit.’ In ‘Deductie’: ‘Daal af in het kind dat geen woorden kent, alleen / jij kan erbij.’ En in ‘Zelfportret’: ‘Midden op het plein steigert mijn vuist hoog in / de lucht. Ik roep, wijs, takel liters woede uit talige / bron, maar niemand blijft staan, niemand neemt notie.’ De bundel eindigt met ‘Alle begin is moeilijk’, waarvan de laatste regel luidt: ‘Mij vergapen aan moed en kleur en levenslust.’

Zoals gezegd buigt de dichter zich regelmatig over de kleine natuur. In ‘Vandaag gezien’: ‘bleke, spitse bollensnuit stuwt / omhoog’. In ‘Zwiepslag’: ‘Als puntig geklopt eiwit drijven hun achterlijven / kwartslag gekiept, over weglopende rimpelgolven.’ Dat leidt soms tot niet al te opzienbarende conclusies: ‘Het is allemaal gewoon, niets bijzonders. / Toch is het aanwezig. Zo volmaakt als / het alledaagse kan geen wonder zijn.’ Dit zijn de laatste drie regels uit ‘Hier en nu’, een titel die feitelijk boven elk gedicht kan staan. De dichter belicht de strijd tussen cultuur en natuur, bezingt de veerkracht van de natuur, zoals het zaadje in ‘Hoogwerker’ dat zich ‘tegen de donkerbruine gevel van / het negentiende-eeuwse herenhuis’ heeft ‘genesteld en is uitgegroeid tot / composiet, de lange stengel hol en kaal.’

Pomologie

Hoogstambrigade treurt om winstjagend
dempen van oergenenpoel. Via via volgt
tip over halfdode perelaar in aanstonds

te decimeren bogaard. Entmes in weitas
spoeden broeders pomologen op vroege
zondagochtend richting Achterhoek,

treffen Zoete Brederode aan, decennia
verloren gewaand. Kloofhanden tasten
eerbiedig de eens majestueuze stam, als

een mannenstem aanvangt, een tweede
invalt, in zuivere canon: ‘Schurft aan
dwergteelt! Sijsjespeer in erfgoedsfeer!’

Een braaf cultuurkritisch gedicht, met humoristisch einde. Even googelen leert, dat er verspreid over Nederland diverse hoogstambrigades actief zijn, organisaties die zich inspannen voor het behoud van hoogstamfruitboomgaarden. Op de ‘oergenenpoel’ valt natuurlijk af te dingen, de ‘Zoete Brederode’ is een stoofpeer die waarschijnlijk rond 1800 ontstaan is. Zoals het gezegde luidt: God schiep de wereld, maar de Nederlanders maakten hun eigen land. De dichter gebruikt veel jargon (perelaar, entmes, weitas), dat het gedicht de nodige couleur locale verschaft. Het woord decimeren blijft lastig. Het wordt zo vaak verkeerd gebruikt, dat de intuïtieve betekenis van ‘tot een tiende terugbrengen’ nog wel eens in de Dikke Van Dale opgenomen kan worden.

In een van de laatste gedichten uit de bundel, ‘Residu’, lezen we: ‘Als ik de hele dag rondjes door mijn kamer loop, / heb ik dan tegen middernacht de Vierdaagse gehaald?’ En een paar regels later: ‘wat maakt de wolk tot wolk, het gedicht / tot meer dan de nauwkeurige opeenvolging van zijn regels?’ Nu, dat was precies de vraag die bij het lezen van Het wolkenreparatieatelier zich steeds sterker aan mij opdrong. Volgens het achterplat “bezingt Peter Swanborn de vitaliteit van de natuur, in stad en land”. Maar juist die vitaliteit, de urgentie en levenskracht mis ik in veel van deze gedichten. Er wordt netjes gebinnenrijmd, geallitereerd en aan taal geknutseld (met vondsten als ‘mussenhangplek’, ‘dikbevolkte stad’, ‘ratelend rolkoffergevaar’ en natuurlijk ‘wolkenreparatieatelier’). Daarmee geeft de dichter woorden aan opvallende observaties en inzichten, maar vaak komt een en ander als mooischrijverij, of soms nogal uitleggerig over. Een wat persoonlijk gekleurde conclusie misschien. Hopelijk zijn er lezers die zich meer herkennen in de poëzie van Swanborn, of na het lezen van Het wolkenreparatieatelier met andere ogen door de stad lopen.

***

Lees ook de bespreking van het gedicht ‘Deductie’ op ooteoote.nl

 

 

Recensie van Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn - Siel Verhanneman

Uit het hart geschreven

Siel Verhanneman
Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn
Uitgever: Manteau
2018
ISBN 9789022335123
€ 18
96 blz.

Na het overlijden van haar vader in 2013 deelde Siel Verhanneman (1990) korte poëtische teksten rond rouw en verdriet op Instagram via de hashtag #vijftiendeverdieping. In een interview in De Morgen vertelt zij, dat zij op deze manier “mensen die iets gelijkaardigs meemaken het gevoel wil geven dat ze er niet alleen voor staan.” Ze kreeg hiermee duizenden volgers, die niet alleen haar berichten liketen, maar ook hun eigen verlieservaringen met anderen deelden. Die overweldigende respons op de sociale media brachten haar ertoe om een dichtbundel in eigen beheer uit te brengen: Als ik stil ben heb ik een bos in mijn hoofd. Nadat zij in 2016 meer dan vijfhonderd bundels had verkocht, bracht uitgeverij Manteau begin 2017 een nieuwe druk uit. En nu, een goed jaar later, ligt daar al haar tweede bundel: Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn.
We zouden Siel Verhanneman kunnen beschouwen als een exponent van een nieuwe generatie dichters. Dichters die zich eerst via sociale media ontwikkelen, alvorens op papier te landen. Maar is daarmee ook sprake van een nieuwe poëzie, van een ander gebruik van beelden, stijlmiddelen?
Het eerste dat opvalt, is dat de gedichten verluchtigd zijn met illustraties van de hand van Larissa Viaene. Verder hebben de meeste gedichten geen titel, en ontbreekt een inhoudsopgave. Een viertal gedichten heeft wel een titel, dit betreft gedichtenreeksen van twee à zes gedichten. Een enkele maal wordt een zin uit een gedicht gelicht en op een aparte bladzijde groot weergegeven. Zo eindigt de bundel met de indringende in kapitalen afgedrukte vraag ‘wil jij dan stoppen met huilen.’

De bundel opent met twee losse gedichten, gevolgd door de uit zes gedichten bestaande reeks ‘Van die zetel weet hij niks af’. Bij eerste lezing lijkt het een verslag van een moeizame relatie, met scherpe observaties. Laten we het derde gedicht uit de reeks eens nader bekijken:

III

‘Het zet zich soms door. Wist je dat?’

‘Wat? Het geluid? Ze blijven ook weg, toch?’

‘De mensen?’

‘Ja, de mensen.’

We bewegen op het ritme van luide stilte van wat voorgoed
werd kwijtgespeeld.
Je kunt het niet eens vrijen noemen. Je kunt het amper
voorspel noemen. Ik vraag me af hoeveel dichters al ‘luide
stilte’ gebruikten en wie van hen dacht de eerste te zijn.

We zuchten. Hij kreunt. Hij grijpt mijn gezicht tussen zijn
handen en ik weet

dat dit niet de man is die mij zomaar tot een geluid zou
reduceren.

‘Echt, sorry.’

‘Ik weet het.’

In dit fragment spaart de dichter noch zichzelf noch de ander. Vooral de zinnen ‘Je kunt het niet eens vrijen noemen. Je kunt het amper voorspel noemen’ zijn behoorlijk raak en expliciet. Qua stijl valt op, dat het gedicht enerzijds uit een dialoog bestaat, met witregels tussen de verschillende uitingen, en anderzijds uit prozafragmenten waarbij de regeleindes gedicteerd lijken door de bladspiegel in de bundel. Alleen bij de overgang van de twee laatste fragmenten met het enjambement op ‘ik weet’ lijkt sprake van een door de dichter aangebracht regeleinde.
Bij herlezing van deze acht gedichten kantelt het beeld. Misschien ook omdat ik tussendoor het interview met de dichter in De Morgen had gelezen. Daarin komt naar voren, dat zij niet alleen in 2013 haar vader verloor, maar drie jaar later ook haar zus. Door deze kennis lees ik nu meer, hoe het overlijden van met name haar zus de relatie tussen de twee geliefden binnendringt: “‘Ik zie haar overal lopen.’ / Hij reageert niet. Hoe moe is hij ondertussen van het praten over dode mensen.”

Na deze acht gedichten volgen breeduit over twee pagina’s twee losse zinnen, die de essentie uit het tweede gedicht vormen: ‘Het gekke is dat je het veel langer onthoudt. Schudden is een niet aanraken.’ Losse zinnen, als korte Instagram-posts, die de voorgaande emoties nog eens onderstrepen. Geen poëtische techniek in de klassieke zin des woords, maar wel een effectieve werkwijze.
Hierna lijkt het verhaal over de relatie verder te gaan met het tweeluik ‘Jouw afkeuring als vuil onder mijn nagels’. Gaandeweg komen de scènes echter losser te staan, en komt er ruimte voor enkele meer op zichzelf staande gedichten, waaronder het raadselachtige gedicht waar de bundel zijn titel aan ontleent:

daar lag je ook maar
te verdrinken in al dat zwart
en een driehoek wit

nooit nog echt jezelf

ik had al één keer afscheid genomen
maar dit voelde als de auto
op de parking waar de muziek te luid speelt

daar lag je

en het duurde de volle drie seconden
en het zwart
de witte driehoek

zo scherp je kon er ook niet geweest zijn

De bijdragen van Larissa Viaene worden op de achterflap ‘een gevoelsmatige, abstracte weerkaatsing van de tekst’ genoemd. Het is natuurlijk een goede zaak, dat de kunstenaar de gedichten niet letterlijk in een plaatje omzet. Daarom spreekt men ook van ‘bijdragen’ in plaats van ‘illustraties’. In zekere zin werkt het, de afbeeldingen vangen onze blik, en maken extra nieuwsgierig naar de begeleidende tekst. De afbeelding bij het ‘titelgedicht’ toont twee abstracte in zwart gestoken onderarmen en handen, die naar een oog grijpen. Het hoofd boven de armen is een licht gedraaide, witte rechthoek. Een bijzondere artistieke interpretatie van ‘een driehoek wit’. Opvallend vind ik ook, dat juist aan het minst toegankelijke gedicht uit de hele bundel de titel ontleend is. Een titel die mij eerlijk gezegd nogal ontgaat. De herhaalde zin ‘daar lag je’, gevoegd bij het ‘zwart’ en ‘afscheid’ roepen het beeld op van een uitvaart, zeker ook omdat overlijden in de rest van de bundel zo’n belangrijk thema is.
Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn is een bijzondere bundel. Er zit een soort verhaallijn in de gedichten, die tijdens het lezen nieuwsgierig maakt naar het verdere verloop. Rouw en intermenselijke relaties zijn daarbij de belangrijkste thema’s. Er worden weinig traditionele poëtische technieken gebruikt, geen rijm, geen assonantie, geen vaste vormen. Vaak regeleindes die door de bladspiegel gedicteerd worden, en tekstfragmenten waarin soms wel erg veel uitgelegd wordt. Daarbij maakt ze dankbaar gebruik van de vrijheid die de poëtische vorm haar biedt: impressies, herhalingen, en de mogelijkheid om gedachtesprongen en abrupte overgangen tussen situaties toe te laten. Hoewel zij zich in het eerst geciteerde gedicht afvraagt “hoeveel dichters al ‘luide stilte’ gebruikten” maakt de dichter in de bundel een weinig belezen indruk, en zie ik weinig aansluiting bij andere dichters of stijlen. Veeleer lijkt Siel Verhanneman poëzie te schrijven die ‘uit het hart gegrepen’ is, en die juist in haar directheid velen aanspreekt.