Recensie van enkel tegen enkel - Karim Schelkens

Een kleine selectie uitgelezen pralines

Karim Schelkens
enkel tegen enkel
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015878
€ 17,50
40 blz.

Het poëziedebuut van Karim Schelkens is een bundel naar mijn hart. Een bescheiden aantal korte, compacte gedichten, veelzeggend in hun eenvoud. De titel past hier goed bij: enkel tegen enkel. Er zit iets van eenzaamheid in, gedichten worden meestal alleen geschreven en alleen gelezen. De foto op de voorkant is hier een rake en tegelijkertijd vervreemdende illustratie bij. De flaptekst belooft ons ‘bedrieglijk heldere verzen’. Bij de eerste tekst gaat dit al direct mis:

Hoe moeten we deze tekst lezen, horizontaal of verticaal? En waarom die spelfout in de drieledige titel? ‘Sprake’ kan nog wel, wanneer iets ter sprake komt. En ook ter plekke is een staande uitdrukking. Maar schrijven kan niet zonder de eind-n, al spreken we die niet altijd hoorbaar uit. De woorden onder ‘Plekke’ bevatten aanvankelijk inderdaad plaatsnamen, plekken waar c.q. waarover een gedicht geschreven kan zijn. Maar de laatste drie woorden van de kolom kennen een onheilspellende opbouw: tuin – woestijn – bermbom. Het horizontaal lezen van de woorden biedt weinig aanknopingspunten. Verrassend, hoe hier op het laatst de regel van drie woorden per regel doorbroken wordt, eerst voorzichtig met het tweedelige post-it, en dan dwars tegen alle eenvoud in: ‘volle witte lijn’. De teksten op de volgende bladzijden zijn een stuk helderder, maar vaak inderdaad ‘bedrieglijk helder’. Staat er wel wat er staat? Zorgvuldige lezing en herlezing is geboden.

SCHERMEN

in ons midden
heerst leegstand en kruisen
degens kortstondige tics

de rest is in linten gesnoerd
gehijg achter maskers

en af en toe de schok
van iets dat raakt

Een eenvoudig gedichtje over schermen: degens, maskers, de linten waarmee het schermvest wordt dichtgeregen, de schok bij een touché. Maar eerlijk gezegd dacht ik bij de titel ‘schermen’ totaal niet aan de gelijknamige sport, maar eerder aan de beeldschermen waarachter we ons steeds meer verstoppen. De dichter schrijft: ‘in ons midden / heerst leegstand’. Het ‘gehijg achter maskers’ is natuurlijk niet iets dat alleen van deze tijd is. In de jaren zeventig, met als hoogtepunt de praktijk van de sensitivitytraining, was het nogal ‘in’ om te stellen dat we allemaal een masker dragen. Of zoals Van Kooten en De Bie zongen: ‘Als je nou ‘ns geen masker droeg, zou je dat niet beter staan’ (‘ Zoek jezelf’, 1975). De metafoor van het schermen voor de afstandelijkheid en spaarzaamheid van het menselijk contact treft me als een schok. Met het bedrieglijk eenvoudige woordje ‘schermen’ heeft de dichter mij twee keer op het verkeerde been gezet.

Het motto van de bundel is overigens verre van eenvoudig. Schelkens schotelt ons zonder vertaling een tekst van Martialis voor: ‘Sunt bona sunt quaedam mediocria sunt mala plura quae legis hic: aliter non fit, Auite, liber’. Een onbescheiden vertoon van bescheidenheid. Waarschijnlijk is het Latijn hem zo vertrouwd, dat hij een vertaling overbodig vond. Want hoewel de flaptekst in de eerste plaats melding maakt dat Schelkens teken- en schilderkunst volgde aan de Academies van Lier en Mechelen, studeerde hij later kerkgeschiedenis en promoveerde hij in 2007 met een proefschrift over de geschiedenis van het Tweede Vaticaans Concilie. Tegenwoordig doceert hij hedendaagse religiegeschiedenis aan de universiteiten van Leuven en Tilburg.

Zijn taalgebruik is echter geenszins academisch te noemen. De flaptekst vat het krachtig samen: ‘De woorden zijn herkenbaar en alledaags, lijken losjes op het blad geschud, maar vooral voor wie herleest ontvouwt zich langzaam een verrassende geologie van betekenissen.’ Meerduidigheid wordt in zijn poëzie tot stand gebracht door dubbele betekenissen (zoals bij het woord ‘schermen’), door een compacte syntaxis en door zorgvuldig toegepaste enjambementen. In een enkel geval weet hij bij zijn streven naar meerduidigheid de verleiding van woordspelingen niet te weerstaan. Zo worden in het slotgedicht de ‘horden’ die op de veerpont wachten aangeduid als ‘haveloze kijkcijfers’. Vaker worden we echter getroffen door rake formuleringen, die als smaakexplosies middenin een gedicht kunnen verrassen. In een gedicht over Parijs: ‘triomf bedelt / jichtig onder bogen’. En over de Portugese stad Braga: ‘terwijl verderop in kroegen dieventalen / kapotte ramen beslaan’. Of in ‘Gewoon’: ‘het is waarom, van alle tijden juist / de futur simple mij het moeilijkst lijkt’. Om hieruit één betekenis te laten oplichten: het is van alle tijden, dat we ons zorgen maken over de toekomst. En tot slot van dit rijtje een mooi romantisch citaat uit ‘Wekker’: ‘hier slaap ik, omsingeld / door het lege afgietsel / van je kussen’.

Nog één gedicht dan maar. Wie vindt dat dit naar meer smaakt, verwijs ik graag naar de boekhandel:

LVIV

geen konijn delft
hier nog holen

de grond is te hard en de afstand
haarscherp aanwezig

zelfs duizendblad stelpt niet
langer de wonden

wie in deze streek wortel schoot
had talent als jager

De woorden lijken losjes op het blad geschud. Maar elke keer dat ik het lees proef ik weer iets nieuws. Het ongebruikelijke ‘delft’ verwijst naar de kolenindustrie, die in de streek rond Lviv (Oekraïne) nog in volle bloei is, en zijn sporen in het landschap achterlaat. En de wortel in de voorlaatste regel grijpt ook weer schitterend terug op het (afwezige) konijn. In een Eerste Indruk op ooteoote.nl zal ik dieper op dit gedicht ingaan.

In mijn kerstpakket zat dit jaar een doosje Leonidas bonbons. In het doosje zat een foldertje waarop van elke bonbon precies verteld werd wat erin zat. Bij enkel tegen enkel zitten zelfs twee van dit soort foldertjes. De (on)bescheiden tekst van Martialis : ‘Er zijn goede dingen, bepaalde dingen zijn middelmatig, maar meer dingen, die je hier leest, zijn slecht: op een andere wijze wordt geen boek gemaakt, Avítus.’ En natuurlijk de tekst met de kolommen waar deze bespreking mee geopend werd.

Recensie van verdere bijzonderheden - Rozalie Hirs

Gedichten om hardop van te genieten

Rozalie Hirs
verdere bijzonderheden
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021408576
€ 16.99
62 blz.

Tijdens het lezen van verdere bijzonderheden van Rozalie Hirs kwam ik er al snel achter, dat er van de lezer een andere leeshouding gevraagd wordt. Mede door het witte winterlandschap van begin december werd mijn aandacht als eerste getrokken door het ‘polysynthetisch sneeuwalfabet’, dat ergens aan het eind van de bundel met witte inkt op zwarte bladzijden is afgedrukt. De ondertitel ‘[sneeuwdroom anno 2071]’ doet vermoeden, dat het gedicht in een verre, sneeuwloze toekomst is gedacht. Twee bladzijden lang lezen we een opsomming van de meest uiteenlopende sneeuwfenomenen. Ongewone poëzie, maar gezien de regeleindes ook niet echt een prozagedicht te noemen:

sneeuwadem sneeuw in baarden in de vacht
van sneeuwhonden naar binnen gewaaide sneeuw
die blauw lijkt in de vroege morgen weggeblazen
sneeuw sneeuwbloemen sneeuwblokken voor de bouw
onbruikbare sneeuw dageraadsneeuw sneeuwdamp
dorp onder sneeuw bedolven driftsneeuw drijvende
sneeuw sneeuwengel besneeuwde voetafdruk
(…)

De flaptekst – die als enige tekst in de bundel van hoofdletters is voorzien – biedt nuttige wenken: “Ontdek de gedichten hardop, zing ze als het ware, bijvoorbeeld in de bus, bij je oma, wandelend in het bos, op reis, thuis, in bad. Lees ze voor jezelf, je geliefde, zus, vriendin, huisgenoot, vader, broer of moeder. Of laat ze je voorlezen. Zing op steeds andere wijze. Op eigen tempo, adem, voelend denkend door de eigen stem.” Dat hardop voorlezen werkt, maar het is nog niet zo eenvoudig. Waar adem te halen? Waar pauzes te nemen, welke woordgroepen horen bij elkaar? Net zoals bij het spelen van een muziekstuk vanaf blad vergt het voorlezen een paar keer oefenen. Misschien is dat wel de bedoeling van de dichter, die tevens componist is. Op Spotify kan ik slechts één track van haar vinden. Maar dat is wel een sleutelstuk. Luister maar even mee: is dit muziek, is dit poëzie? De tekst is niet volledig verstaanbaar, maar duidelijk is dat de twee stemmen door de ritmische voordracht de woorden tot klanken reduceren, en dat anderzijds door de voordracht de woorden een andere betekenis krijgen. Terugkerend naar het sneeuwfragment krijgt de tekst een bezwerend karakter, waarbij de woorden kriskras als sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen.
Naast het genoemde sneeuwgedicht bestaat verdere bijzonderheden uit vijf afdelingen. De afdelingen ‘bewegingslijnen’, ‘je andere onophoudelijk’, ‘varens’ en ‘zeg liefde’ zijn feitelijk gedichtenreeksen, die elk uit een aantal genummerde gedichten bestaan. Alleen de afdeling ‘oneindig breekbare’ bestaat uit gedichten die met een eigen titel in de inhoudsopgave vermeld staan. De thematiek van deze gedichten is wisselend. Centraal lijkt te staan het mens-zijn, waarnemen en waargenomen worden. Misschien verwijst ‘oneindig breekbare’ naar de kwetsbaarheid van het mens-zijn, zoals verwoord in ‘Fragile’ van Sting: ‘On and on the rain will say / how fragile we are’.

je komt uit het niets

je komt uit het niets tevoorschijn noem het liefdesdaad ongelukje
toevalstreffer zomaar zijnde voor zover het verschijnt in enkelvoud al

wat je bent bestemd voor iemand om door iemand waargenomen
te worden zonder meer als zodanig verschijnend aan iemands zijn

of haar werkelijkheid waarheid borgt objectief een jij verdwijnend
in het niets doe jij iets levends toon je dat aan levenden die zich tonen

almaar verdwijnende tijdeloosheid naar het schijnt van dat alles
steeds sneller in de botsing tussen verleden en hoe het komt

een nog-niet en niet-meer samengebracht nu duurt zolang je begrensd
omsloten bent door de wijde stormachtige natuur van het alledaagse

Het ontbreken van hoofdletters en interpunctie maakt deze tekst niet zo makkelijk te duiden. Die meerduidigheid is natuurlijk opzettelijk. De condition humaine zelf is immers raadselachtig en ongrijpbaar. Ik lees, dat de mens ‘zomaar zijnde’ is en ‘verschijnend aan iemands zijn’. Maar is het laatste woord van de tweede strofe wel een werkwoordsvorm? Als we doorlezen staat er opeens ‘zijn of haar werkelijkheid’. Als mens ‘toon je dat aan levenden die zich tonen’, zijn we subject en object tegelijk. In ‘verschijn en wezen’ uit dezelfde afdeling lezen we iets vergelijkbaars: ‘niets verschijnt zonder dit waarnemen / van wie dan ook – hoe dan ook vindt verschijnen plaats / en geen zijnde – voor zover het verschijnt – bestaat in enkelvoud’.

De bundel opent met de uit twintig gedichten bestaande afdeling ‘bewegingslijnen’. Het eerste gedicht hieruit schetst een opdracht: ‘markeer zes bestemmingen naar keuze op de kaart / van je keuze, elk met een heel eigen geschiedenis, leeftijd, / omgeving, inwonertal, soort van snackbar. trek zes paden // van <hier> tot aan iedere bestemming, al met al zesendertig wegen.’ De sterk uiteenlopende gedichten ademen de sfeer van reisimpressies. Af en toe worden concrete plaatsaanduidingen gegeven: parijs, zierikzee, donoussa, carmel, alaska, xiangqi, connecticut (allemaal zonder hoofdletter). Een duidelijke verhaallijn ontbreekt. Er is een verlangen naar ontmoetingen, naar intimiteit: ‘wanneer de gelegenheid zich voordoet of iemand je aandacht / in het bijzonder trekt, en jij de zijne of de hare, in overeenstemming dus, / kus hem of haar op de wang. word gekust, indien gewenst op de mond.’ Een voorzichtige toenadering, geheel in de geest van de wereld na #metoo. Ook hier is de aangesprokene subject en object tegelijk (kus / wordt gekust), een belangrijk thema in deze bundel. Als geheel doen de gedichten uit deze reeks echter ook nogal willekeurig aan, als een fotoalbum waarvan alleen de eigenaar de innerlijke samenhang kent.

[17]

bariton omarmt muziek. direct versieren muzikanten hem allemaal tegelijk.
in samenklinken, zeg maar, beschrijven zijn botten in golven geluid,
bewegingslijnen, zijn organen, huid. geven hem longen om mee te ademen,
een hart slaat. bloed door de tijd heen. woedt het lichaam. voedt. beweegt het,
laat het spreken vanaf het podium. de zaal in. waar het publiek ineens

allemaal tegelijk helemaal zichzelf in het duister. het lichaam uitvoert, stil danst,
opeens. hoe dan ook. wat de gevolgen, onvoorzien, ook zijn. luidsprekers.
in een kleine studio, alleen, in xiangqi, een slaapkamer, alleen, connecticut,
een kitchenette. samen. de luisteraar omarmt. muziek, een daad van luisteren.
verandert het lichaam. door. en door het luisteren zelf. steeds. opnieuw.

Dit is een van de weinige gedichten uit verdere bijzonderheden waarin de achtergrond van Rozalie Hirs als componist duidelijk doorklinkt. De afdelingstitel ‘bewegingslijnen’ krijgt in de eerste strofe een geheel nieuwe dimensie, die van geluidsgolven. Tevens zien we in dit gedicht een kenmerkend en atypisch gebruik van interpunctie. Met name de punten vormen geen afsluiting van een zin, maar eerder een onderbreking van de gedachtegang. De tekst komt daardoor af en toe nogal staccato over.

De reeks ‘je andere onophoudelijk’ is opgedragen aan Stefan Hertmans. Het is een moeilijk te volgen gedachtestroom van drie gedichten, die misschien verwijzingen naar zijn werk bevat, misschien gezamenlijke herinneringen ophaalt: ‘hoe je tegen de berg op springt terwijl regen je oren wast voelen / denken versjouwt laat door de winter een traan en wat beeld binnen’.

De serie ‘varens’ is opgedragen aan Katharina Rosenberger. Het is een vrij prozaïsch onderonsje over het veldwerk en de bestudering van deze plantensoort: ‘als je je een weg door het stof baant, vind je varens. objecten van onderzoek, / van verlangen. varens. een heel leven zoek je varens, streel je ze. / draai je bladeren om. om sporen te zien, poriën. mogelijke parasieten, / klompjes silica’.

De bundel eindigt met de serie ‘zeg liefde’, misschien wel de meest lyrische gedichtenreeks uit de bundel. Vier uit disticha bestaande gedichten, met veel subtiele verwijzingen naar de Griekse mythologie. De relatie met een je/jij is belangrijk, zonder dat volledig duidelijk is hoe deze relatie eruit ziet, zo er al sprake is van een constante. ‘de een heeft werk voor minstens zeven vrachtschepen een ander / stalt honderd mud huizen uit intussen ben jij gewoon hoopvol // gelukkige natuurlijkheid die juist ligt in de verbijstering nu eenmaal / groter naarmate er meer van jou is dan slokt het voelen denken // omdat zij sterker en de meerdere is het lichaam op (…)’

Het is verleidelijk om te constateren, dat de poëzie van Rozalie Hirs in deze bundel evenals veel moderne klassieke muziek moeilijk toegankelijk is. De lezer moet zich enige inspanning getroosten, misschien zelfs door de gedichten als partituur te beschouwen en hardop voor te lezen, tot een eigen interpretatie te komen. Zoals de dichter schrijft in ‘tijd en sintel’: ‘neem dit en lees dit verteer en laat je verteren bewaar het laat je bewaren’. Die lezer wordt zeker beloond.

***
Rozalie Hirs (1965) is een hedendaagse Nederlandse componist en dichter. Haar poëzie en muziek zijn zowel lyrisch als experimenteel. Het avontuur van de luister- en leeservaring en de verbeelding staan centraal. Zij debuteerde als dichter in 1998 met Locus, gevolgd door Logos (2002), [speling] (2005), Geluksbrenger (2008) en gestamelde werken (2012). verdere bijzonderheden is haar zesde bundel bij uitgever Querido. Haar werk is vertaald in het Engels, Duits en Servisch.

Recensie van Vertraagd stilleven - Dorien De Vylder

Gedurfde eenvoud

Dorien De Vylder
Vertraagd stilleven
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015885
€ 17,95
-/- blz.

Het debuut van Dorien De Vylder is sober uitgegeven. Een roomwitte, bijna vierkante bundel. Grijs de naam van de auteur, de titel van de bundel in reliëf aangebracht, zonder kleur. En wat voor een titel! Terwijl een stilleven per definitie geen beweging kent, spreekt de dichter van een ‘vertraagd’ stilleven.

VROEGSTE HERINNERING

Je zit hier zolang je je kan herinneren.
Al je herinneringen lijken op elkaar.

Als je je verroert, voel je ze
schuren in je liezen.

Het tweede gedicht uit de bundel borduurt voort op het eerste gedicht, dat opent met ‘Je zit hier al altijd.’ De dichter lijkt een mate van stilstand na te streven, eenvoudigweg door te constateren dat die stilstand er is. De tweede persoon enkelvoud ‘je’ lijkt hier een vorm waarmee de dichter zichzelf toespreekt (verhuld ik). Het is ook een manier van schrijven, waardoor de lezer meer uitgenodigd wordt de beschreven ervaring op zichzelf te betrekken. Zou er staan: ‘Ik zit hier zolang ik me kan herinneren. / Al mijn herinneringen lijken op elkaar.’ dan wordt de waarneming veel anekdotischer, en roept deze ook een soort ergernis op: blijf jij maar lekker zitten met je herinneringen, wat heb ik daarmee te maken? Pas wanneer de hoofdpersoon van het gedicht zich beweegt, wordt het gevoel van tijdloosheid doorbroken, en komen de herinneringen boven, hetgeen onderstreept wordt door het enjambement. Deze herinneringen kunnen ‘schuren’, kunnen zeer doen, vragen oproepen. Het ‘schuren’ heeft echter ook een letterlijke betekenis: ‘Vertraagd stilleven’ ontstond tijdens een rondreis door Andalusië in de nazomer van 2015 en een reis door het Atlasgebergte, van Marrakech naar de Sahara, in juni 2016.’ Veel brandende hitte dus in de bundel, en ja, ook veel zand.

De meeste gedichten zijn kort, een regel of acht. Sommige zelfs korter. De stilte of bewegingloosheid die uit veel gedichten spreekt, verdraagt zich slecht met veel woorden. ‘Er zijn dagen dat ik je slechts een zin te zeggen heb. / Een formidabele zin. / Een zin van weinig woorden. / Hoe schik ik de stilte daarrond?’ (uit: ‘Gesprek’). In dit voorlaatste gedicht uit de bundel heeft de ‘je’ opeens een hele andere betekenis gekregen, die van een andere persoon tot wie de dichter zich verhoudt, en die sluipend de bundel binnen is gekomen. Ik kom hier zo dadelijk op terug.
In de vele observaties plaatst de hoofdpersoon zich tegenover het landschap, tegenover de eeuwige natuur. Zij observeert ook mensen, maar dit blijven veelal passanten. De dichter ervaart zich als op zichzelf teruggeworpen. Dergelijke ‘stilstaande’ poëzie is niet zonder risico’s. Voor je het weet beland je bij tegeltjeswijsheden of andere open deuren. Bij Vertraagd stilleven heb ik dat gevoel nooit. Dit zijn niet zomaar regels die eventjes zijn neergeschreven. Misschien zijn de gedichten wel zo kort, omdat de dichter een meester is in het schrappen. Dit lezen we ook terug in het interview dat Laura Demelza Bosma voor Meander met de dichter had. Dorien De Vylder: ‘Ik heb in totaal twee jaren gewerkt aan Vertraagd stilleven: het eerste jaar zijn alle gedichten ontstaan. Vervolgens heb ik nog een jaar geschaafd.’ In één extreem geval heeft dat ertoe geleid, dat het gedicht verdwenen is, en slechts een voetnoot is overgebleven.

Een aantal woorden komt veelvuldig voor in deze bundel: water, rivier, steen, zitten, olijfboom en kuifeend (!). Ook je, ik en mij zijn belangrijke woorden. Een aantal gedichten benadert hetzelfde fenomeen vanuit een verschillende invalshoek, en geeft daarmee commentaar op elkaar. ‘Geduld’ eindigt met de zin: ‘Je zit hier niet te wachten.’ Het gedicht op de tegenoverliggende bladzij opent met de regels: ‘Je zit hier om het wachten voor te zijn. / Je neemt waar.’ In veel gedichten probeert de dichter de dingen te laten wat ze zijn, zonder oordeel, zonder ze in een begrip te willen vangen. Taaltechnisch een lastige opgave, want met elk woord, met elke zin gooi je een net over de werkelijkheid. ‘Je laat de olijfboom / een boom.’ (uit ‘Luchtspiegeling’) ‘Er is niet meer dan je ziet. / Maar er is meer dan je denkt.’ (uit: ‘Werkelijkheid’).

MADELIEFJE

Ik ben een gedachte, ik ben
geen gedachte, ik ben die gedachte, ik ben niet die gedachte.

Die drie palmen aan de overkant doen niets dan instemmend knikken.
Was ik maar gebleven,
dan had je me kunnen vragen of ik die gedachte ben, of niet.

Ik ben werkelijk. En als daarop had gevolgd:
Werkelijkheid van wie?
had ik in je arm gebeten.

Of er madeliefjes groeien in Andalusië of Noord-Afrika weet ik niet, het madeliefje komt verder in het gedicht niet voor. Maar een madeliefje kan ook in gedachten worden gebruikt om te beslissen wat waar is: zij-houdt-van-me / zij-houdt-niet-van-me enz. Zowel in de oosterse filosofie als in de neurowetenschappen wordt benadrukt dat we onze gedachten niet zijn. Victor Lamme, bekend van het boek De vrije wil bestaat niet, spreekt in dit verband van ‘kwebbeldoos’. In meditatie worden we aangespoord gedachten te laten voor wat ze zijn, als een wolk voorbij te laten drijven. De dichter blaast deze discussie nieuw leven in. Met het enjambement aan het eind van de eerste regel komt ook Descartes het gedicht binnenlopen. Het is al eerder gezegd: er is lang geslepen aan deze gedichten. Zo balanceert regel vijf kunstig op twee interpretaties. ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, of dat ik die gedachte niet ben. Of: ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, maar ‘je’ had dat ook niet kunnen doen. Het is zoals eerder aangekondigd duidelijk dat de ‘je’ in dit gedicht geen verhuld ik meer is, maar echt een andere persoon, die ‘ik’ in ‘je arm’ kan bijten. Mooie uitsmijter, resonerend aan het in je eigen arm knijpen om na te gaan of je droomt of niet. Er heeft blijkbaar een breuk plaatsgevonden, waarbij één van beiden is gebleven, en de ander verder is gereisd. Het is niet altijd duidelijk wie bleef en wie vertrok: ‘Als je was gebleven, had ik je op den duur / genegeerd’ (uit: ‘Stoorzender’).

De rivier is in deze bundel zowel de rivier die het voortgaan van de tijd symboliseert (het ‘alles stroomt’ van Heraclitus) als de koele, voedende plek in het droge landschap waar de dichter ons naartoe lokt, ‘to her place near the river’. In het slotgedicht vloeit het thema van de rivier samen met twee andere belangrijke thema’s uit deze bundel: identiteit (ik) en relatie (ik-jij).

VORMELOOS

Als ik in de rivier glijd, wijkt het water
telkens ik, in gedachten verzonken, beweeg
past het stante pede zijn vorm weer aan.

Water is er altijd voor de ander, maar verliest nooit
zichzelf. Het zal niet antwoorden
maar wordt de vragen nooit moe

en als ik jou hier bij me uitnodig, zal het willoos
plaatsmaken, zich tot een mal gieten
waarin jij je dan neerlegt.

Alsof het altijd zo geweest is.

De laatste regel uit de bundel sluit naadloos aan bij de openingsregel: ‘Je zit hier al altijd’. Vertraagd stilleven is een sobere bundel, in gedurfd eenvoudige taal geschreven. Een indrukwekkend debuut.

***
Dorien De Vylder (1988) behaalde selecties in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, Write Now!, Naft voor Woord, won diverse poëzieprijzen en publiceert nu en dan in literaire tijdschriften. Ze is (eind)redacteur bij Kluger Hans, woont en werkt als huisapotheker in Gent. Vertraagd stilleven werd op 4 oktober gepresenteerd. November jongstleden verscheen reeds de tweede druk.

Voor Ooteoote.nl schreef ik een Eerste Indruk over het gedicht ‘Open grenzen’.

Recensie van Wassende stad - Lies Van Gasse

Een hogere staat van stedelijkheid

Lies Van Gasse
Wassende stad
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028426979
€ 19,99
112 blz.

Met ruim 100 pagina’s schotelt Lies Van Gasse ons een stevige bundel voor: Wassende stad. Ik stel me zo voor, dat het project wat uit de hand liep, net zoals de groei van steden steeds moeilijker in de hand te houden is. Op de achterflap wordt dit als volgt verwoord: ‘De stad ontsproot ooit uit een kleine kiem, maar werd uiteindelijk een aantrekkelijk baken. Soms leidt de groei tot wanorde en chaos en wordt de stad ook een plaats van onheil. In Wassende stad verbeeldt Lies Van Gasse hoe opbouw ontaardt in ondergang die echter weer voorwaarde is voor heropbouw. Zoals het leven zelf.’
De bundel bestaat uit drie delen, die op hun beurt weer in een aantal afdelingen zijn onderverdeeld, die uit één of enkele gedichten bestaan. Elk deel opent met een losstaand gedicht. Wie de inhoudsopgave als een op zichzelf staande tekst leest, krijgt een aardige indruk van de inhoud en de lijn van de bundel. Deel 1: Men wil wel bouwen, maar het woekert. Deel 2: Er is geen plaats meer in de herberg. Deel 3: Altijd regen en toch vrees. De openingsgedichten heten achtereenvolgens ‘In voorbije werelden heb ik gesproken’, ‘Niemand merkte je op’, en ‘, in die beweging’. Zowel de titel als het openingsgedicht van het tweede deel roepen een gevoel van ontheemd zijn op. Dit wordt verder uitgewerkt in afdelingstitels als ‘III opstand in de blauwe moskee ’, ‘IV stadsvlucht’, ‘V another evening prayer’ en ‘VI tollende stad’.

 …….

Onder water hap je:
adem, vergelding, een snoekvis,
waterplanten als blauwe ogen

Gekooid kijk je naar buiten en naar binnen.

Tussen de lichamen die zich buigen,
die op de knieën dichtplooien,
de armen gestrekt, de hoofden
strak naar de moedertempel,

woon ik, warm en alleen,
met mijn worm in een donkere doos.

De enige plek waar je kan wonen, zijn je woorden,
en je wensen die luid in de nacht blijven schallen
tegen deze kartonnen wand.

Op het einde van het gedicht
stroomt er geen water meer onder dit oppervlak.

Op het einde van het gedicht
hark ik geen stro meer uit mijn doos.

Op het einde van het gedicht
rijdt een vrachtwagen door een muur van mensen.

Noem het stuurloos.

Dit gedicht is het enige gedicht in afdeling III: opstand in de blauwe moskee. Ook zonder die titel is de islam als thema duidelijk zichtbaar, met name in de derde strofe, die weer een nieuw licht werpt op de eerste twee strofen. Bij toeval kwam ik erachter, dat de vierde strofe ontleend is aan het werk van Paul Snoek. Op het einde van het gedicht, een regel die tevens onheilspellend wordt herhaald, loopt de spanning op. De vrachtwagen doet denken aan de aanslagen in Nice en Berlijn. De laatste drie woorden geven hier een scherp commentaar op. Niet dat Van Gasse zich er makkelijk van af wil maken. Zoals eerder aangegeven, staat het gedicht in Deel 2: Er is geen plaats meer in de herberg. Een Bijbelse verwijzing, die in het openingsgedicht van dat deel wordt geactualiseerd: ‘Niemand merkte je op, / we vergaten naar je om te kijken / en plots was je verdwenen.’

Zo complex als de grotestadsproblematiek is, zo complex is Wassende stad zelf ook geworden. De dichter lijkt ons tegemoet te komen met een Leesinstructie:

(…)

Deze stad, die zich opbouwt en afbreekt tegelijk. Deze stad, die
rusteloos wordt vanuit de orde die we er in proberen te scheppen. Deze
stad, die weerbarstig is, en stroomt als een rivier met onregelmatig
tij, in een moeilijk voorspelbare storm, in wegen en bochten die zich
nog niet aan ons hebben geopenbaard. We zien deze stad veranderen
in iets dat niet meer te beheersen valt, dat ontspoort, dat zich in
alle richtingen keert.

Leesinstructie? Een samenvatting misschien, een aansporing om je in het verhaal te storten, en niet meer ordening te verwachten dan je in een uit de kluiten gegroeide stad kunt aantreffen. Als beeldend kunstenaar schotelt Van Gasse ons allesbehalve rustieke stadsgezichten voor. Eerder een abstract werk, waar geregeld fonkelende zinnen in oplichten: ‘Goedemorgen, vreemdeling, stap / in het gedicht waarin de dichter zwemt.’ ‘Altijd al waren we / minder van geest dan van veren, / minder van vlees dan van licht, / minder van bloedvaten en adergestel / dan van strandzand en zomer’ . ‘De armen wijd trek ik een spoor / dat ver van mij vandaan gaat, / dat in de aarde, ondergronds, / ontvelt als een zachte tunnel.’
Ondertussen speelt de dichter met verschillende vormen. Een gedicht kan een titel hebben, maar wordt vaker aangeduid met zeven puntjes, zoals in het eerste aangehaalde gedicht. Soms zijn delen van het gedicht ingesprongen en schuin afgedrukt. ‘de stad is als een blokkendoos, / het land is als water’. Ook wordt een gedicht door sterretjes in fragmenten onderverdeeld. Een aantal gedichten begint met een komma: ‘, die niet reist / trekt een tunnel door gedachten, / zwemt naar een andere oever, / komt boven in een ander dorp.’ En één keer worden we middenin een gedicht verrast met een voetnoot (*). Daar aangekomen gaat het gedicht in een kleiner lettertype verder, misschien iets meer als prozagedicht, met rake regels als ‘Onder elke stap ligt een natte krant waarin je leest hoe de wereld klonk voordat je er overheen was gelopen.’
In de aantekeningen draagt de dichter de bundel op ‘aan alle figurerende steden en ieder die mij naar één van deze steden bracht’. Die figurerende steden liggen er niet dik bovenop. Slechts incidenteel treffen we namen of verwijzingen aan die ons aan een bepaalde stad kunnen doen denken. Wassende stad is het verhaal van de moderne stad, die uit zijn voegen groeit, van de stad waarin we verdwalen, onszelf kwijtraken. De titelafdeling ‘X wassende stad’ uit deel 3 bevat een lang titelloos gedicht, dat zich waarschijnlijk in Damascus afspeelt. ‘Vijf maal per dag leg je een tong op de lippen, / gaan je minaretten door mijn huid als spelden. / Vijf maal per dag heft de muezzin / scherp een beker van klank, een mes dat zingt.’ (…) ‘Ik denk dat aan de stad / een vorm van zee te danken is / die alles uitspoelt in vloed.’ In deze laatste regels klinkt opeens een andere betekenis van ‘wassende’ door: die van reiniging, loutering. En zo eindigt de dichter in ‘XI droom van een stad’ met een paginalange, lyrische ontboezeming waarin zij een visioen lijkt op te roepen van haar stad van de toekomst:

   …….

Ik droom van een stad
waarin alles beweegt,

waar schepen geen anker,
muren geen richting, waar

gras uit de lucht groeit
en niet uit de mond, waar

mensen inklappen en rollen
als tuig,

waar het kind op de tram
naar een borst staart
of zelfs naar een oog,

waar haar lokken, vet krullend,
groeien tot wier
dat de reizigers aankleeft en grijpt.

(…)

We weten niet
welk nieuws we willen horen,
welke waarheid ons misleidt,
we dragen ons lichaam als masker,

maar gaan toch een hoek om,
een heuvel op,
en kopen daar blikken vol taal.

Ik schrijf mij een stad
die mijn haren beweegt in het donker,

open de pot
waarin mijn woorden zijn verborgen,

waar stille ontmoetingen,
kant aan kant,
stevig als strakke draden,

waar tussen de kamers
de muren kantelen

of dun zijn,
haast licht doorlaatbaar.

(…)

***
Lies Van Gasse (1983) is dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Ze debuteerde in 2008 bij Wereldbibliotheek met de bundel Hetzelfde gedicht steeds weer. Haar bundel Brak de waterdrager (2011) werd bekroond met de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen. Lies Van Gasse maakt in haar werk vaak de brug tussen tekst en beeld, o.a. in de beeldgedichten Sylvia en Waterdicht. Zij had de laatste jaren zitting in de tweejaarlijkse Poëziewedstrijd van de stad Oostende, en maakt ook deel uit van de jury van de lopende editie van de Turing Gedichtenwedstrijd.

De titel van deze recensie is ontleend aan het gedicht ‘Antwerpse luchten’.

Recensie van Goldbergvariaties - Guido De Bruyn

Een verkenning van Bachs meesterwerk in 32 gedichten

Guido De Bruyn
Goldbergvariaties
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339348
€ 19,50
64 blz.

Voor de liefhebbers van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach is de gelijknamige bundel van Guido De Bruyn puur genieten. Wie minder bekend is met deze vermaarde compositie treedt een wondere wereld binnen.
De compositie, die oorspronkelijk voor klavecimbel is geschreven, opent met een langzame, melodieuze aria, gevolgd door dertig variaties en wordt afgesloten met dezelfde aria. In de variaties verkent Bach de grenzen van het contrapunt, de belangrijkste compositietechniek van zijn tijd. Het verhaal wil, dat Bach dit stuk schreef op verzoek van een Russische gezant in Saksen die aan slapeloosheid leed. Zijn huismusicus, Johann Gottlieb Goldberg geheten, moest met het spelen van deze muziek zijn slapeloze nachten verlichten.
De Goldbergvariaties vormen een buitengewoon complex werk, dat velen geïntrigeerd en geïnspireerd heeft. Ook De Bruyn weet zich al lang geraakt door deze compositie, zo valt uit het nawoord af te leiden. De begeleidende tekst vermeldt, dat hij ‘deze reeks gedichten naar Bachs Goldbergvariaties [schreef], zonder dat ze daar een adaptatie van willen/kunnen zijn. Wel verkennen ze een aantal muzikale technieken, in een poging poëzie de allure mee te geven van een allegro, de snit van een sarabande, de cadans van een walsje in mineur.’
De vorm van de gedichten loopt sterk uiteen. De opening van de bundel volgt de eenvoud van de openingsaria van Bach.

aria

een aria als dans
op de stapstenen van een lied
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

een aria als alibi
alibi cantabile voor verdriet
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

een aria als spitsboog
hoge vlucht in een verborgen taal
in de eerste stapsteen ligt
de sluitsteen van een kathedraal

een aria als dans
op de stapstenen van een lied
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

Kunstig hoe De Bruyn hier het herhalingselement hanteert, om de luisterervaring weer te geven. Ook met de alliteratie aria/alibi, die zich voortzet in het klankspel alibi/cantabile worden muzikale elementen in de tekst gebracht. Maar net zoals iemand die naar de Goldbergvariaties luistert direct na de aria wordt opgeschrikt door een snelle en complexe eerste variatie, zo krijgt de lezer op de volgende bladzijden de meeste uiteenlopende vormen en stijlen te zien.
Variatie I vertelt over ‘een snuifdoos van honderd Louis d’Or’ die Bach ontvangen zou hebben voor zijn compositie: ‘In ze-ven-tien-een-en-veer-tig kreeg hij die. / In ze-ven-tien-een-en-veer-tig naar verluidt. / In ze-ven-tien-een-en-veer-tig naar verluidt en zij het wel.’ De in lettergrepen gebroken woorden lijken een echo van de herhaalde snelle loopjes in de muziek. ‘Kreeg de jonge Goldberg / kla-ve-cim-bel-spe-ler-in-de-slaap-ka-mer-van-de-sla-pe-lo-ze-graaf / dan ook goud?’ Variatie II borduurt hierop voort, met herhalingen en uitbreidingen: ‘Zij het wel en naar verluidt kreeg Johann Gottlieb Goldberg / kla-ve-cim-bel-spe-ler-in-de-slaap-ka-mer-van-de-sla-pe-lo-ze-graaf-die-voor-zijn-o- / pen-ven-ster-raam-bleef-staan-en-naar-de-voor-bij-e-eeu-wen-geeuw-de- / alleen een achternaam, / zij het wel een achternaam van goud.’ Mooie vondst, om het goud uit de naam van Goldberg zo op zijn plaats te laten vallen. Gelukkig blijft Glenn Gould buiten beschouwing. Maar de toon is gezet. De Bruyn probeert ons in zijn dertig variaties alle hoeken en gaten van de taal te laten zien, net zoals Bach in zijn variaties de uiterste mogelijkheden van het contrapunt onderzocht.

In zijn nawoord heeft De Bruyn het gedicht ‘t Er viel ‘ne keer’ opgenomen, de lyrische ontboezeming die Gezelle schreef daags nadat hij op het Klein Seminarie van Roeselare een uitvoering van het septet van Beethoven had beluisterd. De suggestie blijft impliciet: zoals Gezelle geraakt en geïnspireerd werd door Beethovens septet, zo werd de huidige Guido geraakt en geïnspireerd door Bachs Goldbergvariaties. Toch houdt de vergelijking verder snel op. We kunnen ons geen tijd zonder radio of cd’s meer voorstellen. De indruk, die een blaaskwintet op de argeloze luisteraar gemaakt moet hebben, de rijkdom van klank, de harmonieën! En waar Gezelle de volgende dag een uiterst modern gedicht over een blaadje dat op het water viel schreef, met de telkens terugkerende korte regel ‘het water’, schreef De Bruyn een uiterst bestudeerde en afgewogen compositie van maar liefst 32 gedichten. Hij streefde er daarbij naar, om in navolging van Gezelle en van Van Ostaijen, de muzikale elementen van de taal ten volle te benutten, door middel van herhalingen, citaten en het –evenals Bach– door elkaar vlechten van verschillende thema’s.

VIII

Een sarabande is een dans
zoals bekend
Een trage dans
ten tijde van Bach

Een ingetogen dans
een sarabandedans
Een naar binnen gekeerde dans
bij Bach althans

Een dans als een trap die naar beneden leidt
en halverwege
weer naar boven leidt, even ingetogen, naar binnen gekeerd
als naar beneden

Een spiegeldans
zoals bekend
Een trage, ingetogen, naar binnen gekeerde
sarabandedans

Een dans op de cadans
van dood en leven
Bij Bach althans
halverwege

Deze variatie, met zijn nadrukkelijke typografie, bevat vrijwel dezelfde tekst als variatie VI. De eerste vijf vetgedrukte regels zijn zelfs identiek aan de eerste regels van variatie VI. Alleen de toevoegingen ‘bij Bach althans’ en ‘ten tijde van Bach’ zijn nieuw in variatie VIII. In de tussenliggende variatie VII wordt een belangrijk thema geïntroduceerd: de dood van Bachs vierde zoon, Johann Gottfried Bernhard (1715-1739), die twee jaar voor de publicatie van de Goldbergvariaties op 24-jarige leeftijd overleed. Deze zoon komt in meerdere gedichten terug, evenals het verdriet van zijn vader, dat de bron van deze muziek zou zijn geweest. ‘Oneindig diep te wachten ligt / wat niet wordt uitgesproken’ (VII). Om dit gevoel te onderstrepen weeft De Bruyn teksten uit andere composities van Bach door zijn gedichten heen, zoals een koraal uit de Matthäus Passion in variatie X: ‘Wenn ich einmal soll scheiden / So scheide nicht von mir / Wenn ich den Tod soll leiden / So tritt Du dann herfür’ en de beroemde aria uit cantate 82 in variatie XXX: schlummert ein / ihr matten Augen fallet sanft und selig zu / Welt, ich bleibe nicht mehr hier, / Hab ich doch kein Teil an dir’. De dood van Johann Gottfried Bernhard in dit verband is een interessant thema, dat in de meeste teksten over de Goldbergvariaties, die ik rond het lezen van de bundel en het schrijven van deze recensie heb geraadpleegd, ontbreekt. Ik kwam het voor het eerst tegen in de roman Contrapunt (2008), het boek waarin Anna Enquist schrijft over het leven en de ontijdige dood van haar dochter, tegen de achtergrond van het instuderen van Bachs Goldbergvariaties door de moeder.
In de roman van Enquist is er een sterke relatie tussen de inhoud van elk hoofdstuk, dat een episode uit het leven van haar dochter beschrijft, en de sfeer van de overeenkomstige variatie van Bach. In de bundel van De Bruyn is deze samenhang veel minder sterk aanwezig. Zo valt bijvoorbeeld een groot contrast op tussen de virtuoos snelle 8e variatie van Bach, en de ingetogen, gedragen tekst van het hierboven afgedrukte gedicht van De Bruyn. Dit past bij zijn eerder geciteerde uitgangspunt dat de tekst geen adaptatie van de muziek wil zijn. Maar het bevreemdt soms ook, vanwege het nauwkeurige schema van de Goldbergvariaties op p.52 en het schema van zijn eigen bundel op de tegenoverliggende pagina. Het meest extreem zien we dit verschil bij variatie XVII. Deze opent bij Bach met een snel stijgend basmotief. De Bruyn schrijft echter in zijn 17e variatie: ‘wie laat van in de wieg van dit voorlopig leven / wie laat de basso ostinato dalen / naar de tweede noot / In nomine Jesu.
De woorden ‘In nomine Jesu’ komen bijna twintig keer voor in variatie XVII. Gods aanwezigheid was nog een vanzelfsprekendheid. De Bruyn schetst voor ons de stilte in de wereld van Bach van voor de oerknal: ‘In ze-ven-tien-een-en-veer-tig was van de snuifdoos / van het heelal gewoon geen sprake, althans / niet bij Bach, bovenal niet // bij Bach, / laat staan van het uitdijende heelal. / Van de snuifdoos van het heelal, // de eerste knal, / de oerknal / bovenal’ (XIII). Variatie XIV vervolgt: ‘Van God daarentegen. / Daarentegen van God ten tijde van Bach. / Van de God van Luther ten tijde van Bach daarentegen, / van de God in de ogen van Bach / was sprake bovenal.’ Door de formulering ‘de God in de ogen van Bach’ worden aan de componist goddelijke krachten toegedicht.

Beste lezer, het mag inmiddels duidelijk zijn: de hier besproken Goldbergvariaties van Guido De Bruyn vormen, in navolging van hun muzikale inspiratiebron, een complexe compositie. Er is veel wat binnen het bestek van deze recensie onbesproken moet blijven. Misschien moeten we de bundel als een partituur beschouwen, waarvan de muzikale elementen pas in een voordracht volledig tot hun recht komen. Anderzijds kunnen we pas bij lezen en herlezen oog krijgen voor de vele verbanden. Een absolute aanrader voor de liefhebbers van de Goldbergvariaties van Bach. En mogelijk een eyeopener voor poëzieliefhebbers die nog minder bekend zijn met dit meesterwerk.

XXV

kent gij de één-mi-nuut-stil-te-man?
hij gaat van dorp tot dorp, en vraagt
één minuut stilte
op het midden van elk plein.

is het voor de doden, fluisteren ze, en hij legt
een vinger op zijn mond. dus zwijgen ze.
nooit komen ze te weten
van zestig seconden het waarom.

***
De omslag van de bundel heeft een sobere vormgeving: volledig wit met in reliëf slechts onder elkaar de woorden GOLDBERG en VARIATIES. Omdat dit op een foto nauwelijks overkomt, is ervoor gekozen de titelpagina en de schematische weergave van de bundel van de hand van de auteur (p.53) bij deze recensie af te drukken.

Luistertips: makkelijk terug te vinden op Spotify zijn de uitvoeringen van Bachs Goldbergvariaties door Johanna MacGregor en Mia Chung , om twee van mijn favorieten te noemen. Ook Glenn Gould is hier terug te luisteren, op een album waarbij zijn eerste (1955) en laatste (1981) opname zijn samengevoegd. Heel toegankelijk is de uitvoering van Ivo Janssen, die tegenwoordig zelfs gratis bij Contrapunt van Anna Enquist wordt geleverd.

***
Guido De Bruyn (Asse, 1955) won in 2012 en 2014 de poëzieprijs CC Boontje, was eerder ook tweemaal laureaat van de Klara-poëzieprijs en werd bekroond als verhalenschrijver. Bij Uitgeverij P verschenen in 2004 zijn debuutbundel Het achterwerk van het geluk, in 2006 zijn bijzondere vertaling/bewerking van Shakespeares Sonnetten, in 2007 het voor de Herman de Coninckprijs genomineerde Het huis Augustus, in 2010 Een steen in Lissabon, in 2011 Apenverdriet en Blakte in 2014.