Recensie van Habitus - Radna Fabias

Een poëtische dijkdoorbraak

Radna Fabias
Habitus
Uitgever: De Arbeiderspers
2018
ISBN 9789029523806
€ 19,99
120 blz.

Het lezen van het debuut van Radna Fabias (1984) is een overweldigende ervaring. Het zijn geen gedichten die je vrijblijvend tot je kunt nemen. Het zijn buitengewoon persoonlijke en tegelijkertijd politieke gedichten, die je dwingen tot stellingname. Op de achterkant wordt Habitus als volgt aangeprezen: “In deze bij vlagen donkere, wezenlijk (maar verre van vreugdeloos) feministische en onverschrokken existentialistische bundel vraagt een vrouw zich af wat ‘thuis’ is.” Een stevige kenschets. Ik vroeg me af of ik in het huidige tijdsgewricht als witte man wel de aangewezen persoon ben om deze bundel te recenseren. Maar de meeste Meander-recensenten zijn witte mannen en de bundel is op mijn bureau beland, dus ik zal mijn best doen.

Na het zes pagina’s lange openingsgedicht ‘wat ik verstopte’ volgt ‘openingsscène’, dat zich evenals het laatste gedicht uit de eerste afdeling, ‘slotscène’, op een vliegveld afspeelt. Mogelijk bezoekt de ik voor een kort verblijf het tropisch eiland, mogelijk Curaçao, waar zij geboren is. In ‘is, is als’ lezen we: ‘de teruggekeerde migrant is als / de teruggekeerde migrant is is / de hete lucht het bezwijken onder de hitte / is het bezwijken’. De gedichten van de eerste afdeling worden afgewisseld met kritisch hilarische scènes uit een reisgids: ‘rode mensen en zij die daarbij horen willen / worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende / negers’ (dit woord staat in de bundel telkens cursief gedrukt). Met ‘rode mensen’ worden waarschijnlijk witte mensen aangeduid, die in de tropenzon snel verbranden. Deze benaming komt terug in de laatste woorden van het slotgedicht: ‘niemand zag het, maar ik stapte uit mijn huid en ik was naakt en ik was pezen spieren / aders / ik was rood’. Veelzeggend is in dit verband de titel van de eerste afdeling van de bundel: ‘uitzicht met kokosnoot’. De term kokosnoot wordt ook wel gebruikt om zwarte mensen aan te duiden die zich in sterke mate aangepast hebben aan de witte norm: donker van buiten, wit van binnen.

De voorkant van de bundel is intrigerend. Een glanzend zwarte kaft, met vier cirkelvormige gaten van verschillende grootte. En als vijfde, kleinste cirkel het logo van de Arbeiderspers. Door de gaten schemert het matte zwart van het schutblad. Het is verleidelijk om hierbij aan zwarte gaten te denken. Halverwege de bundel blijkt dat ook de dichter deze associatie niet uit de weg gaat:

de zwartheid van het gat

zwarte gaten zijn raar
zwarte gaten zijn de wonderlijkste
objecten in het heelal

(…)

het gat is een gebied in de ruimte
het gat is zwart
het gat is heilloos ineengestorte materie
zwart
zwaar van zwaartekracht
het gat is vaak omringd door schijven materiaal
de schijven draaien in een kolk om het zwarte gat en worden godsgruwelijk heet

Zo kort na het overlijden van Stephen Hawking komt dit gedicht zeer actueel over. Binnen de context van de bundel valt er echter veel voor te zeggen het ook als een metafoor op te vatten. Er zijn veel gedichten in Habitus die zeer expliciet over het zwart zijn gaan:

inspectie bij aankomst

 grofweg 1 meter 70 als het meetinstrument de haren omlaag duwt
veerkrachtig haar (fijn, krullend, her en der stug, veranderlijk, dorstig)
voorhoofd: onnadrukkelijk
wenkbrauwen: zwart – iets doorlopend –
wimpers: niet geteld, ze zijn er, ze zijn donker
ogen: groot, donkerbruin, nadrukkelijk aanwezig zo ook
neus: nadrukkelijk etnisch
lippen: pruilen nauwelijks, mondhoeken met enige regelmaat omhoog
(…)

In dit gedicht wordt de dichter in haar hoedanigheid van zwarte vrouw als een object aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. En als lezer worden we gedwongen mee te kijken. Het gedicht staat in ‘rib’, de tweede afdeling van de bundel. Er worden stevige vragen opgeworpen: ‘of liefde reductie is / hoe klein een vrouw kan worden’. Het ‘(over)grootmoederlijk advies’ uit het gelijknamige gedicht liegt er ook niet om: ‘laat je nooit in met negers die hun dreadlocks in geknoopte vrouwenpanty’s op hun hoofd dragen / – dat is een metafoor – / laat je nooit in met negers die onnadenkend compulsief naar hun piemel grijpen / – ook dat is een metafoor – / vertrouw niemand die de kleur heeft van pure chocolade / – ze blijven voor altijd aan je dijen hangen –‘.

De derde afdeling heet ‘aantoonbaar geleverde inspanning’. Het is een term die ontleend is aan de inburgeringsplicht. ‘U kunt ontheffing krijgen als u genoeg hebt gedaan om in te burgeren. Dat heet aantoonbaar geleverde inspanning.’ (www.inburgeren.nl) De aanpassing van de ik aan het in meerdere opzichten koude Nederland is onderwerp van deze afdeling, zij het niet van alle gedichten. ’25 scènes waarin ik het geval niet had’ gaat eerder over het zoeken naar liefde, en grijpt in de titel terug op het gedicht ‘wat we over het geval kunnen melden’. Het gedicht is lang, is schrijnend en misschien autobiografisch interessant, maar kan me mede door het gebrek aan klank en ritme op den duur niet echt boeien. Dat geldt ook voor het vijf pagina lange titelgedicht:

aantoonbaar geleverde inspanning

(…)

de ballotant kan fietsen zonder zijwielen
weet hoe kleding aan te passen aan weersomstandigheden
kan zonder jas naar buiten als het 15 graden is
gebruikt de heupen minder bij het dansen

de ballotant bezoekt de juiste etablissementen
heeft geleerd een uur over een kop koffie te doen in ruil voor gratis wifi
verdient nu voldoende voor een macbook
weet welke sticker de juiste is om op de gloeiende appel te plakken
heeft een gepast kapsel gevonden
verbergt haar brandmerken

(…)

Het neologisme ‘ballotant’ is elegant uit het Frans geleend, maar kan niet voorkomen dat het gedicht op den duur verzandt in prekerige en weinig originele aanklachten: ‘we heten de ballotant welkom // de wind / de kranten mét culturele bijlage / de roltrappen / de horecaconcepten / de tweede kamer / jonge mannen met snorren / jonge mannen in leggings (…) het glazen plafond / het polderen / de verheerlijking van maakbaarheid’ enz. enz. Natuurlijk, de opsomming is een goed bruikbare stijlfiguur, maar wat mij betreft onvoldoende om het gedicht overeind te houden. Of misschien begint op p.106 (!) van deze bundel de moeheid toe te slaan. Beperking is niet de sterkste kant van deze debutant.

De titel Habitus plaatst me ook na lezing van de gehele bundel voor vraagtekens. De klassieke toon van de titel past totaal niet bij het taalgebruik van de meeste gedichten. En dan: wat betekent het eigenlijk? Op de achterkant wordt de vraag centraal gesteld “wat ‘thuis’ is”. Dat doet denken aan habitat: leefgebied, natuurlijke verblijfplaats. Habitus betekent echter verschijningsvorm. Moeten we op zoek gaan naar de verschillende verschijningsvormen van de ik / de dichter / Radna Fabias in de verschillende afdelingen? In ‘uitzicht met kokosnoot’ is de omgeving Curaçao, waar de dichter vandaan komt, maar zich niet meer volledig thuis voelt. De titel ‘rib’ verwijst naar het scheppingsverhaal: in de tweede afdeling staat het vrouw-zijn centraal. En ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ tenslotte lijkt zich in Nederland af te spelen, waar de ik op een andere manier haar best moet doen om te aarden. Met een beetje goede wil zou je kunnen zeggen, dat ik zich als een kameleon aan de verschillende omgevingen aanpast, en dat de gedichten de verschillende verschijningsvormen belichten, waar de ik natuurlijk nooit volledig mee samenvalt. Of is de ik toch op zoek naar waar ze zich het meest thuis voelt, waar ze thuis hoort: haar habitat? Hoe dan ook, Habitus maakt ons deelgenoot van deze zoektocht in ruim honderd pagina’s opzwepende, verhalende, provocerende en lyrische taal. Daarmee neemt deze bundel een opvallende plaats in het huidige poëzielandschap in, waar een eindeloze stoet van gedichten traag door oneindig laagland gaat, en men zich meer opwindt over een binnenrijm dan over de inhoud.

***
Lees ook het interview met Radna Fabias in de Volkskrant

Recensie van Nergens in het bijzonder - Jana Arns

Lichtvoetige zwaarte

Jana Arns
Nergens in het bijzonder
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339515
€ 17
64 blz.

Met haar debuut Status: het is ingewikkeld (2016) won Jana Arns de prijs letterkunde Oost-Vlaanderen 2017. Haar moeder, Astrid Arns, is ook dichter. We kennen haar onder meer als één van de winnaars van de derde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017. En Frouke Arns, stadsdichter van Nijmegen 2015-2016, is eveneens familie. Alle reden dus om met veel belangstelling naar het jongste werk van deze jongste schrijvende Arns uit te kijken.

De bundel bestaat uit zeven verschillende afdelingen, en opent met een losstaand gedicht: ‘Het huwelijk’. Het ligt voor de hand om dan aan Elsschot te denken. Maar terwijl zijn gedicht nadrukkelijk een hoofdpersoon met al zijn teleurstellingen tekent, gaat het gedicht van Jana Arns over het huwelijk zelf. In vijf korte strofen wordt aan de hand van het interieur de opgang (‘Met potten verf naast het bed / kleurden wij hier dromen in’) en de neergang (‘We vernieuwen het meubilair. / Mogelijk elkander’) van een huwelijk geschetst. De eerste afdeling, ‘Meerkeuzedagen’, werkt deze thematiek in zeven gedichten verder uit.

Maandag

Toen ik alarm sloeg
drukte je mijn hoofd in
en keek me aan

met een blik die zei:
zelfs de duurste dagcrème
kan de nacht niet wissen.

We wisten beiden hoe laat het was.
Ik knipperde zo hard met de wimpers
dat mijn ogen open vlogen

en zette de landing in.
Beneden draaide ik het kind
minder luid, berispte de hond

die stond te slapen.
Mij was het liggend weer niet gelukt
en ik maalde mijn brein tot sterke koffie.

Het wolkje melk voorspelde regenvlagen.
Nog een half leven, dacht ik
en het zit erop.

De lichtvoetige woordspeling die tot absurdistische situaties leidt, is het handelsmerk van Jana Arns. En van veel hedendaagse dichters. Ondanks de spottende toon is duidelijk: het gaat niet goed in dit huwelijk. En ook met de ‘ik’ zelf, die in de slotregels elke poging tot humoristische verhulling laat varen. Het wordt er niet beter op in de rest van de week. Op woensdag komt de dochter aan het woord: ‘Zij geeft meerkeuzevragen. / Hebben dino’s borsten?’ Afgezien van het feit dat dit niet echt een meerkeuzevraag is, is duidelijk dat dit fragment ten grondslag ligt aan de titel van de afdeling ‘Meerkeuzedagen’. Op zondag wordt teruggegrepen op het openingsgedicht: ‘Verf bladdert van onze gesprekken.’

De tweede afdeling heet ‘Symfonieën voor een onvoltooid gezin’. De vijf gedichten zijn gewijd aan dochter, vader en moeder(s). De vader is een grote afwezige: ‘Vanaf de Karelsbrug / zwaaide je me toe’. De verwijzing naar Praag past goed bij de voornaam van de dichter. Ook het feit dat ze de achternaam van haar moeder draagt, doet een expliciet biografisch element vermoeden.

Hierna volgen drie wat kortere afdelingen. ‘Nachtbreuk’ snijdt een thema aan dat in Status: het is ingewikkeld ook al nadrukkelijk gepresenteerd werd: ‘Ik bedrijf het wakker liggen met uren uit één cijfer’ en ‘Elk verhaal is eender: / droomballonnen blijven leeg, / een tekenaar houdt het voor bekeken’. ‘Binnenskamers’ borduurt in zes gedichten voort op de relatieproblemen uit de eerste afdeling: ‘Met dit aangetekend schrijven / zet ik je mijn hoofd uit.’ En in ‘Hier blijf je jong tot je sterft’ vinden we twee actuele gedichten over oorlog en vluchtelingen.

Met al dit soort opsommingen dreigt deze recensie een wat schools karakter te krijgen. Zou het werk van Jana Arns hier misschien toe uitnodigen? ‘Teveel ondertiteling’ schreef Emma Burns een jaar geleden in haar recensie van ‘Status: het is ingewikkeld’, ‘Dit blijkt de toon van de bundel te zijn. Het ligt er dik bovenop’. Burns doelde hier op de nadrukkelijke combinatie van beeld en tekst, die in de huidige bundel, waarin geen foto’s zijn opgenomen, natuurlijk afwezig is. Maar ik deel wel de indruk van Burns, dat er weinig aan de verbeelding wordt overgelaten. Soms doen de gedichten van Jana Arns me aan songteksten denken: heel persoonlijk, mooi geformuleerd, met hier een daar een prikkelende dubbelzinnigheid. Maar zodra je de clou te pakken hebt, blijft er weinig meer te raden over.

De twee slotreeksen van de bundel hebben ondanks hun gelijkenis in titel sterk uiteenlopende onderwerpen. ‘Nergens in het bijzonder’ lijkt zich af te spelen in het niemandsland van een verpleeg– of verzorgingshuis: ‘Tegen haar boekensteun / leunen steeds minder woorden: // verzamelde adressen. Straten doorgestreept. / Iedereen is al overgestoken.’ ‘Ergens in het bijzonder’ bezingt in zeven gedichten opnieuw relatieperikelen.

III

Er woont een verkeerde man
in mijn huid.

Als hij op een ander slaapt
vervalt het bed in fantoompijn.

Ik weet nog hoe wij lepelden.
De besteklade is leeg.

Telkens weer die laatste keer.
Handen enkel gebonden aan de fles wijn.

Mocht ik een tuin hebben,
plantte ik een glasbak.

Op www.ooteoote.nl wordt een dezer dagen dieper ingegaan op het gedicht ‘Maandag’ uit deze bundel. 

***
Jana Arns (Gent, 1983) is muzikante, fotografe en dichteres, en dat nooit los van elkaar. Als muzikante is ze verbonden aan het ensemble Aranis, waarmee ze al 15 jaar concerteert in het binnen- en buitenland. Na haar studie klassieke muziek aan het Koninklijke Conservatorium in Antwerpen volgde ze een opleiding fotografie aan het Sask. Ze exposeerde in onder meer de Salons in Sint Niklaas en Museum M in Leuven.

Recensie van De zee heeft honger - Kira Wuck

De troost van het ongerijmde

Kira Wuck
De zee heeft honger
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057598647
€ 17,50
56 blz.

Is dit genoeg, een stuk of wat gedichten? Wie heeft ooit bedacht, dat je ‘de dingen van je af kunt schrijven’? De teksten in De zee heeft honger stemmen weinig vrolijk. Eenzaamheid, uitzichtloosheid, gebrekkig verlangen, gemis aan intimiteit. ‘Dit zijn zinnen die ik wil lezen voor het slapengaan’ schreef Arnon Grunberg over Finse meisjes, het veelgeprezen debuut van Kira Wuck. Ik ben benieuwd of hij dat ook van deze bundel vindt.

De bundel is onderverdeeld in vier afdelingen: ‘We nemen ons voor te vertrekken’, ‘Levens die door anderen zijn achtergelaten’, ‘Het verlangen om aangelijnd te worden’, ‘Nachtdieren’. In elke afdeling is een onderliggende thematiek te ontwaren. In de eerste afdeling komen reizen en verte vaak terug, en natuurlijk de uitgestrekte zee:

De zee heeft honger

Als je wilt weten waar mensen wachten
dan moet je peuken zoeken
op het strand liggen
kleine dromen als opgevouwen briefjes

wachten is als de zee
tijd komt naar ons toe
maar kan zich ook van ons keren
als een uitgestrekte droogte

dorst is zo groot dat we hem niet benoemen
zout water kunnen we niet drinken
niemand weet hoelang de zee slaapt
haar dijen zijn altijd koud en gewillig

alles wat we bezitten nemen we mee
beneden zwemmen kinderen zonder honger
het liefste willen we teruggaan naar het moment
voordat alles begon te wankelen

toen wachten nog dromen betekende en
de zee geen honger had

Een sterk beeldend openingsgedicht, met een onderstroom van pijn. Verloren onschuld, een verloren tijd waar we niet meer naar terug kunnen gaan. De slotregels van het driedelige gedicht waar de afdeling haar naam aan ontleent liegen er niet om: ‘we nemen ons voor te vertrekken / maar haken steeds om de beurt af’. De vorm van de gedichten is wisselend. De meeste gedichten bestaan uit meerdere strofen, zonder vaste regellengte of eindrijm. Elke gedicht begint met een hoofdletter, geen punten, slechts hier en daar een komma of dubbele punt. De inhoud staat voorop: ‘Het uitzicht veranderde nauwelijks en / lag er loodzwaar bij’. Of zoals het in ‘Herhaling’ staat: ‘je kunt elke dag / precies dezelfde route lopen (…) een zwerver negeren / onder invloed raken / iemand vinden die eenzamer is dan jij’. Alleen in het gedicht ‘Vlakte’ wordt nadrukkelijk met de vorm gespeeld. De regels staan rechts uitgelijnd, en na de vijfde regel (‘voortaan alles achterstevoren doen’) worden de regels in omgekeerde volgorde herhaald, waarbij door de veranderde volgorde een betekenisverschuiving optreedt. De slotregel verschilt subtiel van de openingsregel: ‘hoe moet je een aanloop nemen als je niet weet waar de vlakte eindigt’ verandert in ‘hoe moet je een aanloop nemen als je niet weet waar de vlakte begint’. Eind en begin zijn omgedraaid, de machteloosheid blijft.

De afdelingstitel ‘Levens die door anderen zijn achtergelaten’ is de enige van de vier die niet letterlijk in één van de gedichten terugkomt. Eenzaamheid en onvermogen spelen een belangrijke rol, zowel van de ik-persoon als van andere personages. In ‘Vachtdieren’ lezen we: ‘terwijl de dood aan me hangt houd ik de moed erin’. En in het volgende gedicht: ‘Ik verzin brieven / zo uitvoerig dat ik ze nooit schrijf’. Een paradoxale frase, want door de bundel worden we van veel onzegbaars deelgenoot gemaakt: ‘wanneer wilde ik voor het laatst iets zo graag / dat ik er beschadigd door zou kunnen raken’. De laatste twee gedichten van de afdeling hebben wel iets van een tweeluik. Het gedicht op de linkerpagina heet ‘Minste van beide’, het gedicht op de rechterpagina is titelloos. In beide gedichten zwaait de ik (links) of moeder (rechts) uit het raam, beiden lijken te verlangen naar en te worstelen met intimiteit.

De derde afdeling heet ‘Het verlangen om aangelijnd te worden’. Deze titel komt terug in het titelloze openingsgedicht:

Vroeger ging ik vaak naar het asiel
geblaf scheen als lichtstralen door de tralies
het verlangen om aangelijnd te worden

nog somberder werd ik
van vrouwen die zorgeloos van de zonnebank kwamen
onder hun huid het breken nabij
een weeïg gevoel van schaamte welde op

ook keek ik toe hoe moeders die niet de mijne waren
op hun dochters wachtten
Laika die de ruimte in werd gestuurd en niet meer terugkwam

De omslag in de vierde regel, met de tegenstelling ‘lichtstralen’ – ‘nog somberder’, is zo sterk, dat het gebrek aan logica van regel drie niet snel opvalt. De formulering ‘het verlangen om aangelijnd te worden’ is een menselijke projectie van het lyrisch ik. De jankende honden verlangen naar vrijheid, ‘aangelijnd te worden’ komt in de verste verte niet in hen op. De hierna volgende cyclus ‘Beloftes over eten en gegeten worden’ is de meest romantische uit de hele bundel. De titel De zee heeft honger klinkt op de achtergrond door in regels als ‘Hier kunnen we elke dag zeewier tussen de rotsen uit trekken’ en het wrange slot ‘je jaagt me de zee in als een dier / met beloftes over eten en gegeten worden’.

De titel van de laatste afdeling is een subtiele variatie op die van het eerder aangehaalde gedicht ‘Vachtdieren’. ‘Nachtdieren’ handelt over pijn en tekortschieten, en natuurlijk over slapeloosheid. In ‘Insomnia’ heet het ‘We weten ons geen raad met de hoeveelheid licht / die onder onze huid jeukt’. Het slotgedicht vat de verschillende thema’s van de bundel kernachtig samen:

Ik wring mij tussen ribben en
leef dankzij de goedheid van anderen
zo verplaats ik mij van lichaam tot lichaam
als een ziekte die zich langzaam verspreidt
zit ik onder je leden
en laat niet meer los

kon ik maar slapen als een dier
diep en toch paraat

De zee heeft honger is geen fijne lectuur voor het slapen gaan. Eerder is het een verslag van een voortgaande worsteling met de ongerijmdheid van het bestaan. De taal is daarbij een hulpmiddel, die slechts af en toe op de voorgrond treedt, zoals in ‘als iedereen sliep haalde je Dostojevski en whisky tevoorschijn’, een binnenrijm waar Annie M.G. Schmidt jaloers op zou zijn. Of de plotselinge alliteratie in ‘Hanoi’: ‘In een goedkoop hotel, waar de muren met je meebewegen / kijken katten koortsachtig uit hun ogen’. Maar we vinden ook slordige enjambementen, zoals in de eerste regel van bovenstaand gedicht. En het feit dat slechts zestien van de zesentwintig gedichten een titel dragen komt ook enigszins als een zwaktebod over. Was het niet mogelijk om een geschikte titel te vinden voor die tien verweesde verzen? De kracht van de poëzie van Wuck ligt in de rake observaties en onverwachte schakelingen. De voorkant van de bundel brengt de absurditeit scherp in beeld. Fragmenten van schoonheid, waar we nog lang wakker van kunnen liggen.

***
Kira Wuck is Nederlands Kampioen Poetry Slam 2011. Zij debuteerde in 2012 met Finse meisjes, waarvoor zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs ontving. In 2015 verscheen haar verhalenbundel Noodlanding. De zee heeft honger is haar tweede poëziebundel.

Recensie van Brieven 1962-1974 - Judith Herzberg en Chr. J. van Geel

Alsof ieder woord een goudschaaltje is

Judith Herzberg en Chr. J. van Geel
Brieven 1962-1974
Uitgever: Uitgeverij Bas Lubberhuizen
2018
ISBN 9789059375055
€ 22,99
208 blz.

Het lezen van de briefwisseling tussen Chris van Geel en Judith Herzberg is een bijzondere ervaring. Om te beginnen wordt de klok ruim een halve eeuw teruggezet. Men schreef brieven, ook nadat de telefoon zijn intrede had gedaan. De taal is zakelijk en precies. Al snel wordt duidelijk, dat zeker Van Geel niet alleen aan Herzberg persoonlijk schreef, maar dat hij deze brieven ook gebruikte om zijn gedachten op papier te krijgen. Vaak schreef hij eerst een kladversie, die hij bewaarde. Zijn wat afgelegen huisvesting in Groet (NH), zal ook hebben bijgedragen aan zijn motivatie tot deze vorm van contact. Voor de zeventien jaar jongere Herzberg, die met haar man en twee jonge kinderen in Amsterdam woonde, zal dit wat anders gelegen hebben. De indruk bestaat, dat haar brieven veelal korter waren. Doordat de woning van Van Geel in 1972 volledig is uitgebrand, zijn de meeste brieven en kaarten van Herzberg echter verloren gegaan, en kunnen we dit niet meer goed nagaan. Gelukkig bleken nog een aantal brieven van Herzberg gespaard, en waren sommige brieven ondanks de brandschade nog grotendeels leesbaar. Dat neemt niet weg, dat de hier gepubliceerde briefwisseling een nogal eenzijdig karakter heeft. Ik kom daar later op terug.

De meeste lezers hopen waarschijnlijk in de brieven meer te weten te komen over het ontstaan van de gedichten, of hoe de dichters tegen hun eigen werk (en dat van de ander) aankeken. Interessant is de korte gedachtewisseling over ‘Plataan’, één van de tien gedichten van Judith Herzberg die als favorieten van Van Geel aan het eind van het boek zijn opgenomen. (NB: de tegenhanger hiervan, de favoriete gedichten van Herzberg in het werk van Van Geel, ontbreekt. Dit wordt echter ruimschoots gecompenseerd door de gedichten en aanzetten tot gedichten die Van Geel in zijn brieven aan Herzberg opnam.)

Plataan

Raam vol boom, vertakkend als een kind
en ook zo voelbaar, boom die barsten
in het uitzicht sloeg maar in de opgezwollen zomer
elk uitzicht droeg – raam oog buik
vol houten kind, vol van zo’n hevig soort boom
als in een droom.
Liet niet los.
Kleine tak die aan de verrekijker plakt
muggepoot onder de microscoop
bewoog langzaam langzaam
ruitewisser voor mijn oog.

Van Geel (26 nov. 63): “Bewoog in Plataan wil ik steeds lezen als beweegt. Hoe zit dat?” Herzberg (29/11) antwoordt: “Bewoog in plataan is bewoog omdat het hele gedicht in de verleden tijd staat, het gaat over vroeger naar later kijken; hier is geen plataan voor mijn raam, dat was op de Witsenkade.” 2 dec. ’63 besteedt Van Geel hier nog één zin aan: “Dat je geen plataan voor je huidige deur hebt is me bekend.” De dichters lijken wat langs elkaar heen te praten. Herzberg hangt nog erg aan het anekdotische aspect van het gedicht. Van Geel leest automatisch een tegenwoordige tijd in de voorlaatste regel, omdat de herinnering door het gedicht weer actueel wordt, de kleine tak kan dan voor het geestesoog van de dichter (en de lezer) in de tegenwoordige tijd bewegen.

In zijn brief van 26 nov. 63 gaat Van Geel uitgebreid in op het zojuist verschenen debuut van Herzberg, Zeepost. Hij kende alle gedichten al uit hun eerdere correspondentie en ontmoetingen, en geeft daarom in zijn brief vooral zijn favoriete gedichten en regels aan, en stelt ook enkele kritische vragen, zoals over ‘Plataan’. Hoewel hij in sommige brieven kort commentaar geeft op haar werk, staan in het hele boek toch vooral het werk en de persoon van Van Geel op de voorgrond.

In zijn brief van 8 december 1964 reageert hij uitvoerig op vermoedelijk kort daarvoor ontvangen feedback van Herzberg op zijn werk. Helaas is haar brief verloren gegaan. Van Geel heeft grote plannen over het laten verschijnen van twee of drie dikke bundels met gedichten. Een meerjarenproject waar hij samen met zijn redacteur, Jan Emmens, gestaag aan werkt. Zoveel mogelijk schrappen en het resultaat nog eens tegen het licht houden is daarbij zijn devies. “Overigens zou je zeer gelijk hebben als je zou zeggen dat al dit wellicht wat overbewust maakt en naar het doodlopend slop voert. Ten dele is dat waar, anderzijds men leeft om zijn kunsten af te leren. Een brandstapel van illusies gaat hier in rook op. Tot vier regels hooguit brengt mijn grootspraak het nog maar. De ‘extase’ gaat in haar hemd gekleed en boek II is potloodmager, maar gepunt.” (VG aan JH, 20 maart ’66) In het gedicht ‘Heelal’ is deze door eindeloos schrappen bereikte ‘magere’ stijl goed zichtbaar. Van Geel voegde het als naschrift bij zijn brief van 9 nov ’64. Het werd later zonder titel gepubliceerd in Het zinrijk (1971).

Heelal

Het gesternte spiegelt
zich in het betraliede
meer waaraan gerimpelde
wind wanhopig rukt.

Najaar 1966 ontstaat een regelrechte crisis. Eind augustus heeft Van Geel de kopij voor zijn tweede bundel, naar eigen zeggen ‘beter dan spinroc en het volgende boek nog beter’, naar Van Oorschot laten brengen. In zijn brieven aan Herzberg van 1, 10 en 22 oktober raakt hij de wanhoop nabij, omdat Van Oorschot niets van zich laat horen, niet eens een bevestiging van ontvangst. “Ik ben voor Geert ‘niet toonbaar’, de snob in Geert kan met mij geen eer inleggen.” Toch probeert hij de teleurstelling voor zichzelf te relativeren: “Wat een gezeur om druk of geen druk. Beter is het boeken te schrijven, dan ze uit te geven. De druk is praktisch en maatschappelijk noodzakelijk: gewoon om in leven te blijven. Jammer.” Kort hierna is er opluchting: Van Oorschot heeft zo zijn bedenkingen, maar wil het boek toch uitgeven. De tevredenheid maakt echter al snel plaats voor nieuwe twijfel.  “Je ziet/merkt het huis is geverfd en mijn plezier aan de uitgaven heeft zijn eerste vernis al verloren. Het wordt tijd ze te beschouwen als uitgegeven. Als er niet gretig op gereageerd wordt is het alleen nog maar het afdoen van een plicht. Mij dichtbij genoeg om ze onuitgegeven-uitgegeven niet te verwaarlozen. (Een goed zelfgenoegzaam askeet vindt uitgeven eigenlijk onbetamelijk.) Ik kan het vierde boek afmaken en dan eindelijk eens doen waar ik zin in heb – als het lukt: niets – ophouden – alles herzien – liefst elders – met een minimum aan hinderlijk verleden.”

Het klinkt bijna als een doodsverlangen. Van Geel laat zich in zijn brieven kennen als een gedreven kunstenaar, die streeft naar het absolute, en zich enerzijds met zijn werk op eenzame hoogte plaatst, anderzijds twijfelt aan alles. Hij noemt zichzelf kluizenaar, mensenschuw. “Ik ben weer eens in een periode van het stelselmatig minder zien in mensen.” (14 sept ’64) “Ben ik alleen, wanhoop ik aan mezelf, ben ik met anderen, wanhoop ik aan hen.” (10 okt ’66) “Soms denk ik dat ik het leven leid van een gevangene, ik heb ook zulk kort haar, maar kom ik buiten (ik bedoel tussen mensen in de stad), ik slaak een zucht van verlichting weer terug in mijn cel te zijn.” (24 augustus 1968)

De onvrede die Van Geel op de buitenwereld richt, begint ook Herzberg te raken. “Wil je me op z’n minst een ansichtkaart sturen om te horen of mijn dikke brief (vol verzen) aangekomen is. Wonen jullie wel voor post bereikbaar?” (23 juli ’67) “Waarlijk, je staat Renate R. naar de kroon in schooljuffrouwelijk vliegen vangen. Ik zoek geen ruzie, ik wil alleen even hard/streng terugkaatsen als jouw slag aankwam. (balans = vergeten)” (10 oktober 1967) En in haar brief van 10 maart 1969 reageert Herzberg op het gedrag van Van Geel tijdens zijn bezoek aan haar en haar man: “Wel of niet tot ziens hangt van jou af”. Het wordt bijgelegd, maar de frequentie van de brieven neemt al snel sterk af. 8 maart 1974 overlijdt Van Geel, op 56-jarige leeftijd, in herstellingsoord Heliomare in Wijk aan Zee, waar hij lag na een operatie aan een tumor in zijn ruggenmerg.

Als recensent heb ik mij met genoegen door deze correspondentie heen geploegd. Vooral rond het verschijnen van Herzbergs debuut eind ‘64 en de crisis die Van Geel najaar ’66 doormaakte naar aanleiding van het dreigende mislukken van zijn dichterlijke project werd het spannend. Hierna zakt het behoorlijk in. Mede omdat de meeste brieven en kaarten die Herzberg schreef verloren zijn gegaan, komt het te weinig tot een uitwisseling van standpunten c.q. een gesprek over hun dichterschap. Brieven 1962-1974 geeft vooral een beeld van de persoon van Chr. J. van Geel, waarbij hij ook uitgebreid aan het woord komt over zijn visie op de poëzie. Zijn schrijfdrang in de brieven staat echter in schril contrast tot de uitgebeende stijl van dichten, die hem zo’n unieke plaats in de Nederlandse poëzie verschaft. Veel van het geschrevene gaat daarnaast ook over alledaagsheden die inmiddels weinig relevantie meer hebben. Ik vraag me daarom af, of deze nauwgezette uitgave nog veel toevoegt aan het in 2012 verschenen Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe, een keuze uit de brieven van Van Geel.

***
De uitgave van Brieven 1962-1974 is zeer zorgvuldig bezorgd door Marsha Keja. Er is geen selectie gemaakt: alle beschikbare brieven van CvG aan JH en vice versa zijn opgenomen. Waar nodig geeft Keja onder een brief toelichting, bijvoorbeeld over genoemde personen of gebeurtenissen. Zeker wanneer personen slechts bij een voornaam of bijnaam worden aangeduid is dit buitengewoon zinvol. De datering van de brieven in deze recensie is letterlijk overgenomen uit het boek. In navolging van Keja heb ik ervoor gekozen deze niet te veranderen, maar de door Van Geel en Herzberg gebruikte aanduidingen te laten staan.

Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95