Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Recensie van Open ogen - Remco Campert

De ontwapenende blik van de oude dichter

Remco Campert
Open ogen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023462835
€ 17,99
48 blz.

Wie ouder wordt gaat het meestal niet zo goed meer af om zonder bril te lezen. Ik bedoel dit vooral in overdrachtelijke zin. Alles wat we eerder hebben gelezen en meegemaakt kleurt onze interpretatie. Om nog maar te zwijgen van de vertekening die optreedt wanneer we weten dat een tekst door een bepaalde auteur geschreven is. Het is moeilijk om dan een open blik te houden. Mijn vorige recensie ging over Frank Boeijen. Uitersten, jawel. Voor de grap had ik een tekstfragment van Frank Boeijen op Facebook gezet, met als post: ‘De nieuwe bundel van Campert is uit. Ik kan niet wachten!’ Het bericht werd enthousiast geliket, er was niemand die op het idee kwam dat deze woorden voor Campert toch een beetje aan de lichte kant waren. Men las de woorden door een roze bril.
Ik zal proberen in deze bespreking deze leesbril af te zetten. Een andere bril kan ik echter moeilijker afzetten. Vanuit mijn werk met ouderen als psycholoog in verpleeghuis en ziekenhuis heb ik een speciale belangstelling ontwikkeld voor poëzie die over de ouderdom spreekt. In het bijzonder voor dichters die op hoge leeftijd de pen pakken, en zelf verslag doen van hun wederwaardigheden. Van het gevecht tegen de tijd, tegen de aftakeling. Van het zoeken naar zin, wanneer het moment komt om de balans op te maken. Deze belangstelling begon met mijn ontdekking van Voorlopig (1976), de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen. Even oud als Campert nu is. Ik kom daar later op terug. Laten we eerst de bundel eens ter hand nemen.

Vrienden

Vandaag is het nu avond
gegeten met liefste vrienden
even ontheven aan poëtische plicht
op lachen gericht van elkaar weten
dat het diepste van de liefde de vriendschap is

ik schrijf een end van me weg
maar hoop dichterbij te komen
bij mijn vrienden en u
altijd op weg
waar eindigt ons pad?

Het tweede gedicht uit de bundel begint nogal apart. Het is avond, of eigenlijk is de avond waarover geschreven wordt al vrijwel voorbij. De formulering ‘Vandaag is het nu avond’ is zowel onbeholpen als aandoenlijk. Ook blijft ‘ontheven aan’ haken, waar ‘ontheven van’ logischer zou zijn. Maar het gaat natuurlijk om de regels hierna, de ervaring dat vriendschap misschien wel de hoogste vorm van liefde is. Poëtisch zit de eerste strofe subtiel in elkaar, met het kruisend binnenrijm ontheven/weten en plicht/gericht in r3/r4, en de sterke assonantie in r5: diepste / liefde / vriendschap. In de tweede strofe zetten we een paar stappen achteruit. Woordspelingen met ‘dichter’ zouden verboden moeten worden. En de laatste twee regels ‘altijd op weg / waar eindigt ons pad?’ zouden de eerder genoemde Boeijen niet misstaan. Kortom, zo aan het begin van de bundel is onze aandacht getrokken, maar we zijn nog niet overtuigd.
Het derde gedicht begint tastend: ‘Ik zou kunnen zeggen / ja wat niet al / aan woorden geen gebrek / goede woorden?’ De rammelende tweede zin is zelfs tot titel van het gedicht verheven: ‘Ja wat niet al’. Was dit de bundel van een onbekende debutant, dan was dit het moment om hem terzijde te leggen. Maar de slotregels zijn in de roos: ‘vergeet niet de vorm te vergeten / zelfgekozen gevangenis / open die kooi voor het laatst en voorgoed’. ‘Niets is minder vrij dan het vrije vers’ schreef T.S. Eliot al honderd jaar geleden. De dichter is zich ervan bewust, dat je zo weer in de valkuil van een verwachtingen scheppend ritme of rijm loopt. Of je nu kiest voor een vaste vorm of voor het vrije vers, de beperkingen die je jezelf oplegt bij het schrijven kunnen een gevangenis worden. En ook daar wil de dichter uitbreken, in misschien wel zijn laatste bundel. Een paar gedichten verderop neemt Campert een voorschot op alle kritiek: ‘dit is geen grootse poëzie / weinig bevlogen’. Waarmee hij ons lijkt te zeggen: ik schrijf nu wat ik van mezelf moet schrijven, wat ik nog gezegd wil hebben. Daarbij zal ik wanneer dat nodig is zelfs slechte regels laten staan.

In ongeveer de helft van de gedichten uit Open ogen blijft Campert dicht bij huis. Hij schrijft over het schrijven van poëzie, het ouder worden, herinneringen aan vrienden of gewoon over een voorjaarsbuitje tijdens een ommetje in de buurt. De andere helft van Open ogen heeft in de pers veel aandacht gekregen. De bundel opent nogal provocerend met de volgende regels: ‘Afgerukt been bot bloed / laaiend vuur in de vlieghal’ (uit: ‘Zaventem’). De achterkant had ons al gewaarschuwd: ‘De wereld kwam niet eerder zo hard binnen in de gedichten van Remco Campert.’ Campert nam achttien gedichten op die over de actualiteit gaan zoals die dagelijks in al zijn heftigheid tot ons komt (oorlog, vluchtelingen, aanslagen). Vier daarvan hebben betrekking op de Tweede Wereldoorlog, die hij als jongen meemaakte, maar de meeste van deze gedichten gaan over de oorlog in Syrië, aanslagen in België en Frankrijk, en over vluchtelingen die verdrinken op de Middellandse Zee of in Europa op een grens van prikkeldraad stuiten. Na het schokeffect van het openingsgedicht zijn deze gedichten gegroepeerd in de tweede helft van de bundel.

Open ogen

Soms die gezichten van Syrische vluchtelingen
waarvoor Orban van Hongarije
zijn grens gesloten houdt
hij laat zelfs op ze schieten
ik geloof mijn ogen niet
hoewel ik ze wijdopen sper
’s nachts nog voor ik droom
trekken ze voorbij
en kijken mij vragend aan

De titel van de bundel gaat dus over de ogen van de dichter, die ons door zijn bril altijd wat licht vergroot en vragend lijken aan te kijken. De voorkant van de bundel toont een enigszins abstract zelfportret uit 1986, waarin zijn kenmerkende blik nog net herkenbaar is. Campert gelooft zijn ogen niet, en gebruikt sobere taal om het ongelofelijke leed dat de huiskamer binnen spoelt te verwoorden. Hij lijkt daarbij vaak min of meer bewust voor naïviteit te kiezen. Vluchtelingen zijn het slachtoffer van ‘het streven / van een machtsbeluste dictator’. Waarbij hij zich in een ander gedicht net zo makkelijk tegenspreekt: ‘ik vervloek de schuldigen / die zijn als altijd anoniem’. De dichter kan niet om de ‘actuele lijken in de middellandse zee’ heen, zijn poëzie raakt ervan doordrongen. Evengoed realiseert hij zich, dat zijn individuele protest niet het verschil zal maken voor het jongetje ‘bedekt met bloed / en asgrauw puinstof’: ‘dit gedicht helpt hem niet / maar het is genoteerd’. Zo lopen de persoonlijke en politieke thema’s naadloos in elkaar over. In de gedichten over vluchtelingen gaat het ook over poëzie, en zelfs ook over de slapeloosheid van de oude dag.

Dood

Ik denk aan de dood mijn dood
ik denk derhalve aan niets
de dood is het niets
aan niets kun je niet denken
aan sterven kun je denken
maar te pijnlijk te ontwricht
de dood is het uiteindelijke
allesomvattende gedicht

Campert varieert in dit gedicht op de oude uitspraak van de stoïcijnen ‘Waar ik ben, is de dood niet, en waar de dood is, ben ik niet’. Het is een kleine gedachteoefening in het licht van zijn onvermijdelijk naderende dood. Hoewel, naderend, de tijd dat je op je honderdste verjaardag de burgemeester op bezoek kreeg is wel voorbij. De dichter lijkt zichzelf gerust te willen stellen, vanuit de materialistische visie dat met de dood alles ophoudt. Een kortdurende geruststelling, want de doodsangst ligt toch op de loer, en laat regel 6 ontsporen. Het (denken aan) sterven lijkt me eerder ontwrichtend dan ontwricht. De laatste regel is paradoxaal. Het is niet waarschijnlijk, dat de dood nu opeens een gedicht is, immers de dichter had net betoogd dat de dood niets is. Subtieler wordt het, wanneer we ‘gedicht’ als een voltooid deelwoord proeven: het uiteindelijke, het allesomvattende wordt door de dood afgesloten, dichtgemaakt.

In Open ogen gaat Campert de confrontatie met de eindigheid van het leven aan: ‘Een verdriet komt over me / de weg loopt op / ik zie het einde niet (…) / verdriet / hoop op slaap eindeloos’. Ik heb het eerder genoemde Voorlopig, de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen, er nog eens op nageslagen. Roland Holst wilde nog één keer vlammen, maar is het meest ontroerend in die gedichten, waarin hij zijn dood onder ogen ziet: ‘Weldra leg ik mijn pen / voor altijd neer en staar / naar wie ik was en ben / en blijf tot aan de baar.’ (‘Wie weet?’) ‘Hij keek tot hij met open ogen / en voorgoed in zichzelf verdween.’ (‘Einde’)
De oorlogsgedichten in Camperts jongste bundel hebben veel aandacht gekregen. Mij raken zijn gedichten over de oude dag het meest. Open ogen wordt beter naarmate ik hem vaker lees. De oneffenheden blijven, maar ze worden steeds zichtbaarder onderdeel van wat de dichter ons in al zijn naakte en ontwapenende eerlijkheid wil vertellen.

Recensie van Palermo - Frank Boeijen

Losgezongen van de muziek

Frank Boeijen
Palermo
Uitgever: Armée de verre / Boeijen Music
2018
ISBN 9789082092974
€ 25
24 blz.

Toen in 2016 de Nobelprijs voor de literatuur aan Bob Dylan werd toegekend, deed dat veel stof opwaaien. Veel critici beschouwen songteksten in het gunstigste geval als ‘poetry light’, die zich niet met de serieuze literatuur kan meten. Sara Danius, permanent secretaris van de Zweedse Academie, wees er echter op, dat er van oudsher sprake is van een verwevenheid van literatuur en gesproken c.q. gezongen tekst: ‘Als je ruim 2500 jaar terugkijkt, ontdek je Homerus en Sappho. Zij schreven poëtische teksten die bedoeld waren om naar te luisteren, om te worden uitgevoerd, vaak begeleid door instrumenten. Wij lezen Homerus en Sappho nog steeds en genieten van hun werk. Datzelfde geldt voor Bob Dylan. Hij kan en moet gelezen worden. Hij is een belangrijk dichter in de Engelstalige traditie.’

Frank Boeijen is qua statuur natuurlijk niet met de grote Amerikaanse bard te vergelijken. Wel was Bob Dylan een van de grote voorbeelden voor Frank Boeijen, hetgeen in sommige nummers duidelijk terug te horen is, nog los van het feit dat Frank Boeijen in een aantal nummers Dylan met name noemt. Binnen de Nederlandstalige popmuziek vielen de teksten van Boeijen van meet af aan op door hun poëtische karakter. Bijv. in Kronenburg Park: ‘Ik weet niet wat jou zover heeft gebracht / Als ik jou zie, ‘s avonds in het park / De autolichten beschijnen je lichaam / Zonder ogen, zonder herinnering’. Of het troostrijke ‘Zeg me dat het niet zo is’ waarvan de beginwoorden aan het eind evolueren in ‘We doen net alsof het niet zo is / Alsof het niet waar is’.

Door zijn werk als boek uit te geven, met de cd als bijlage, profileert Boeijen zich al sinds enkele jaren nadrukkelijk als auteur. In 2011 verscheen Genade, een fraai uitgegeven boekwerk waarin de teksten van Boeijen staan afgedrukt naast foto’s van Károly Effenberger, en de cd met muziek als bijlage tegen de kaft zit geplakt. Voor Een vermoeden van licht (2013) werkte Boeijen samen met diverse beeldende kunstenaars, die in foto’s en schilderijen reageren op zijn muziek. Vergeleken met deze twee titels is het deze maand verschenen Palermo eenvoudig uitgegeven. Na een inleiding van Ludo Diels volgen de teksten van de op twee cd’s bijgevoegde muziek. Soms staan twee teksten op één pagina, iets wat je in een dichtbundel niet snel zult aantreffen. Ook zitten er herhalingen in de afgedrukte teksten, wat mij enigszins overbodig voorkomt. Zelfs wanneer bepaalde frases meerdere keren worden gezongen, hoeft dit in de tekstweergave niet per se gevolgd te worden. In de weergave van de teksten in deze recensie zijn deze herhalingen weggelaten.

ZON

Buiten schijnt de zon
Hier staan de woorden
Stil op papier

Ze roepen mij
Ze vragen mij
Waar was jij al die tijd

En als de avond valt
Zal ik jou dan zien
Vast en zeker
Met glimmende ogen

Van plezier
De liefde die hier woont
Die gaat nooit voorbij

In de eerste twee strofen lijkt een dichter aan het woord, die door zijn eigen woorden tot de orde wordt geroepen. Het ‘jij’ in r6 is dubbelzinnig. Enerzijds wordt de zanger opgeroepen eindelijk eens iets met een tekst te doen. Maar door het ‘jou’ in r8, die op de ander betrekking heeft, kunnen we in r6 ook iets beluisteren als ‘hoe kan het dat jij –die nu zo belangrijk voor mij bent– ooit geen deel uitmaakte van mijn wereld?‘ Het ‘nooit voorbij’ vormt een contrast met de openingstekst (‘Kijk maar naar buiten / Alles komt voorbij’), waarbij ‘voorbij’ veel meer op de vergankelijkheid lijkt te wijzen.
De teksten van de eerste cd hebben een sterke innerlijke samenhang, waarbij bepaalde thema’s en formuleringen terugkomen. Het ‘onderweg zijn’ komt in vijf van de tien nummers terug: ‘Wie zal het zeggen / Hoe zal het zijn / Er is hier niemand / Je hoeft niet bang te zijn // Onderweg’ (‘Achter de wolken’); ‘Laat me dromen / Van verre landen’ (‘Hoe het was’); ‘We gaan hier vandaan / We zijn op weg / Het is niet meer ver’ (‘Daar zal het zijn’); ‘En ergens ver weg / Wacht een vreemd land’ (‘Droom van jou’); ‘In de verte / Hier ver vandaan / Wij zijn samen van alle tijden’ (‘Hoe het ook gaat’). Dit ‘onderweg zijn’ heeft een romantisch aspect, waarbij de zoekende zanger, die we in heel Boeijens oeuvre tegenkomen, verlangt naar thuiskomen bij een geliefde. In zijn inleiding wijst Ludo Diels echter ook op een andere, meer actuele laag: ‘Je arriveert er niet, maar spoelt er aan. Als wrakhout op een strand. Een stad als toeval of belofte. Er brandt warm licht. Onverschillig is enkel de zee. Palermo maakt het verschil. De stad met een menselijk gezicht. Vreemdelingen bestaan niet. Ieder mens is welkom. Ieder mens is aangespoeld of vastgeklonken.’ De titel Palermo was aanvankelijk om andere redenen gekozen: “Ik vind ‘palermo’ een heel mooi woord. Als je het letterlijk vertaalt, betekent het: veilige, volledige haven.” (interview AD 06-01-18) Met zijn teksten, die bijna allemaal over liefde gaan, wil Boeijen ingaan tegen de stroom van het cynisme van deze tijd. De burgemeester van Palermo, die elke vluchteling persoonlijk welkom heet, is voor hem daarbij een symbool van moed en menselijkheid.
De regels in de teksten van cd-A van Palermo zijn opvallend kort, meestal drie à vijf woorden. Dat maakt het niet makkelijk om situaties al te breed of concreet neer te zetten. In gesprek met Frits Spits (Taalstaat, 6 januari 2018) vertelt Boeijen dat hij onder meer beïnvloed is door de ‘kale taal’ van Jan Arends. “Weinig bijvoeglijke naamwoorden, veel een- en tweelettergrepige woorden waardoor het heel ritmisch wordt.” Daarbij is het ook belangrijk, dat de tekst –die je bij Nederlandse muziek veel nadrukkelijker verstaat dan in een andere taal, Engelse popmuziek, Franse chansons, Portugese fado– de luisteraar ruimte biedt voor fantasie.

De tweede cd bevat zeven meer op zichzelf staande nummers. Over de vergankelijkheid van het bestaan, vriendschap en poëzie. Drie nummers zijn voor de helft geleend: voor ‘Berceuse nr. 2’ schreef Boeijen muziek bij een tekst van Paul van Ostaijen, terwijl hij omgekeerd voor ‘Niets is volmaakt’ zelf een tekst schreef op de melodie van ‘When the deal goes down’ van Bob Dylan. Hij schreef dit voor Geert Henderickx (1953-2017), popcriticus bij Oor en Heaven, met wie hij meer dan een half leven lang bevriend was.

NIETS IS VOLMAAKT

In de nacht is het maanlicht voor jou alleen
Helemaal voor jou alleen
Ik doe maar wat
En ik weet niet waarheen we gaan
We strijden terwijl de wedstrijd wordt gestaakt

Ik wacht op jou
En ik neem je mee naar huis
Zeg me wat je wilt
Ik laat je begaan

Niets is te veel
Niets is blijvend van aard
Niets verdwijnt
Niets is volmaakt

(…)

Waar Dylan zijn song eindigt met ‘But I’ll be with you when the deal goes down’ zingt Boeijen ‘We zullen er zijn / aan het einde van de strijd’. De laatste tekst uit Palermo is een column die Henderickx voor Heaven schreef, en die verhaalt van één van de laatste ontmoetingen van de twee vrienden. Bij wijze van eerbetoon heeft Boeijen deze column –waarin we overigens getuige zijn van de geboorte van het lied ‘De droom van St. Franciscus’– als ware het een liedtekst op muziek gezet.

In het oudere werk van Boeijen troffen we vaker anekdotische elementen aan, naast een soms expliciet onder woorden gebrachte boodschap. In zijn teksten zien we een ontwikkeling van verhalend naar abstract. Vooral de teksten van de hier besproken eerste cd zijn sterk associatief, zowel gevoelsuitingen als pogingen bepaalde gevoelens op te roepen, waarbij de lezer en luisteraar alle ruimte krijgen er eigen gevoelens en ervaringen op te projecteren.
Dat Boeijen nu al voor de vijfde keer zijn nieuwe album in boekvorm uitbrengt is overigens niet louter uit literaire pretentie. Als zoon van een typograaf was de liefde voor vormgeving hem met de paplepel ingegoten. Ook heeft hij de krimp van geluidsdragers van lp naar cd meegemaakt, om nog maar te zwijgen van de overgang naar immateriële dragers als mp3 en streaming. Door zijn muziek als boek uit te brengen geeft hij luisteraar en lezer iets tastbaars in handen. Tot slot: het zal de lezer van deze recensie zijn opgevallen, dat ik met geen woord over de muziek van Palermo heb gesproken. Daarvoor verwijs ik hem of haar graag naar geëigende kanalen als Oor, Heaven of de muziekrubriek in de krant. En natuurlijk naar radio, streaming-app of cd-speler.

Recensie van enkel tegen enkel - Karim Schelkens

Een kleine selectie uitgelezen pralines

Karim Schelkens
enkel tegen enkel
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015878
€ 17,50
40 blz.

Het poëziedebuut van Karim Schelkens is een bundel naar mijn hart. Een bescheiden aantal korte, compacte gedichten, veelzeggend in hun eenvoud. De titel past hier goed bij: enkel tegen enkel. Er zit iets van eenzaamheid in, gedichten worden meestal alleen geschreven en alleen gelezen. De foto op de voorkant is hier een rake en tegelijkertijd vervreemdende illustratie bij. De flaptekst belooft ons ‘bedrieglijk heldere verzen’. Bij de eerste tekst gaat dit al direct mis:

Hoe moeten we deze tekst lezen, horizontaal of verticaal? En waarom die spelfout in de drieledige titel? ‘Sprake’ kan nog wel, wanneer iets ter sprake komt. En ook ter plekke is een staande uitdrukking. Maar schrijven kan niet zonder de eind-n, al spreken we die niet altijd hoorbaar uit. De woorden onder ‘Plekke’ bevatten aanvankelijk inderdaad plaatsnamen, plekken waar c.q. waarover een gedicht geschreven kan zijn. Maar de laatste drie woorden van de kolom kennen een onheilspellende opbouw: tuin – woestijn – bermbom. Het horizontaal lezen van de woorden biedt weinig aanknopingspunten. Verrassend, hoe hier op het laatst de regel van drie woorden per regel doorbroken wordt, eerst voorzichtig met het tweedelige post-it, en dan dwars tegen alle eenvoud in: ‘volle witte lijn’. De teksten op de volgende bladzijden zijn een stuk helderder, maar vaak inderdaad ‘bedrieglijk helder’. Staat er wel wat er staat? Zorgvuldige lezing en herlezing is geboden.

SCHERMEN

in ons midden
heerst leegstand en kruisen
degens kortstondige tics

de rest is in linten gesnoerd
gehijg achter maskers

en af en toe de schok
van iets dat raakt

Een eenvoudig gedichtje over schermen: degens, maskers, de linten waarmee het schermvest wordt dichtgeregen, de schok bij een touché. Maar eerlijk gezegd dacht ik bij de titel ‘schermen’ totaal niet aan de gelijknamige sport, maar eerder aan de beeldschermen waarachter we ons steeds meer verstoppen. De dichter schrijft: ‘in ons midden / heerst leegstand’. Het ‘gehijg achter maskers’ is natuurlijk niet iets dat alleen van deze tijd is. In de jaren zeventig, met als hoogtepunt de praktijk van de sensitivitytraining, was het nogal ‘in’ om te stellen dat we allemaal een masker dragen. Of zoals Van Kooten en De Bie zongen: ‘Als je nou ‘ns geen masker droeg, zou je dat niet beter staan’ (‘ Zoek jezelf’, 1975). De metafoor van het schermen voor de afstandelijkheid en spaarzaamheid van het menselijk contact treft me als een schok. Met het bedrieglijk eenvoudige woordje ‘schermen’ heeft de dichter mij twee keer op het verkeerde been gezet.

Het motto van de bundel is overigens verre van eenvoudig. Schelkens schotelt ons zonder vertaling een tekst van Martialis voor: ‘Sunt bona sunt quaedam mediocria sunt mala plura quae legis hic: aliter non fit, Auite, liber’. Een onbescheiden vertoon van bescheidenheid. Waarschijnlijk is het Latijn hem zo vertrouwd, dat hij een vertaling overbodig vond. Want hoewel de flaptekst in de eerste plaats melding maakt dat Schelkens teken- en schilderkunst volgde aan de Academies van Lier en Mechelen, studeerde hij later kerkgeschiedenis en promoveerde hij in 2007 met een proefschrift over de geschiedenis van het Tweede Vaticaans Concilie. Tegenwoordig doceert hij hedendaagse religiegeschiedenis aan de universiteiten van Leuven en Tilburg.

Zijn taalgebruik is echter geenszins academisch te noemen. De flaptekst vat het krachtig samen: ‘De woorden zijn herkenbaar en alledaags, lijken losjes op het blad geschud, maar vooral voor wie herleest ontvouwt zich langzaam een verrassende geologie van betekenissen.’ Meerduidigheid wordt in zijn poëzie tot stand gebracht door dubbele betekenissen (zoals bij het woord ‘schermen’), door een compacte syntaxis en door zorgvuldig toegepaste enjambementen. In een enkel geval weet hij bij zijn streven naar meerduidigheid de verleiding van woordspelingen niet te weerstaan. Zo worden in het slotgedicht de ‘horden’ die op de veerpont wachten aangeduid als ‘haveloze kijkcijfers’. Vaker worden we echter getroffen door rake formuleringen, die als smaakexplosies middenin een gedicht kunnen verrassen. In een gedicht over Parijs: ‘triomf bedelt / jichtig onder bogen’. En over de Portugese stad Braga: ‘terwijl verderop in kroegen dieventalen / kapotte ramen beslaan’. Of in ‘Gewoon’: ‘het is waarom, van alle tijden juist / de futur simple mij het moeilijkst lijkt’. Om hieruit één betekenis te laten oplichten: het is van alle tijden, dat we ons zorgen maken over de toekomst. En tot slot van dit rijtje een mooi romantisch citaat uit ‘Wekker’: ‘hier slaap ik, omsingeld / door het lege afgietsel / van je kussen’.

Nog één gedicht dan maar. Wie vindt dat dit naar meer smaakt, verwijs ik graag naar de boekhandel:

LVIV

geen konijn delft
hier nog holen

de grond is te hard en de afstand
haarscherp aanwezig

zelfs duizendblad stelpt niet
langer de wonden

wie in deze streek wortel schoot
had talent als jager

De woorden lijken losjes op het blad geschud. Maar elke keer dat ik het lees proef ik weer iets nieuws. Het ongebruikelijke ‘delft’ verwijst naar de kolenindustrie, die in de streek rond Lviv (Oekraïne) nog in volle bloei is, en zijn sporen in het landschap achterlaat. En de wortel in de voorlaatste regel grijpt ook weer schitterend terug op het (afwezige) konijn. In een Eerste Indruk op ooteoote.nl zal ik dieper op dit gedicht ingaan.

In mijn kerstpakket zat dit jaar een doosje Leonidas bonbons. In het doosje zat een foldertje waarop van elke bonbon precies verteld werd wat erin zat. Bij enkel tegen enkel zitten zelfs twee van dit soort foldertjes. De (on)bescheiden tekst van Martialis : ‘Er zijn goede dingen, bepaalde dingen zijn middelmatig, maar meer dingen, die je hier leest, zijn slecht: op een andere wijze wordt geen boek gemaakt, Avítus.’ En natuurlijk de tekst met de kolommen waar deze bespreking mee geopend werd.

Recensie van verdere bijzonderheden - Rozalie Hirs

Gedichten om hardop van te genieten

Rozalie Hirs
verdere bijzonderheden
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021408576
€ 16.99
62 blz.

Tijdens het lezen van verdere bijzonderheden van Rozalie Hirs kwam ik er al snel achter, dat er van de lezer een andere leeshouding gevraagd wordt. Mede door het witte winterlandschap van begin december werd mijn aandacht als eerste getrokken door het ‘polysynthetisch sneeuwalfabet’, dat ergens aan het eind van de bundel met witte inkt op zwarte bladzijden is afgedrukt. De ondertitel ‘[sneeuwdroom anno 2071]’ doet vermoeden, dat het gedicht in een verre, sneeuwloze toekomst is gedacht. Twee bladzijden lang lezen we een opsomming van de meest uiteenlopende sneeuwfenomenen. Ongewone poëzie, maar gezien de regeleindes ook niet echt een prozagedicht te noemen:

sneeuwadem sneeuw in baarden in de vacht
van sneeuwhonden naar binnen gewaaide sneeuw
die blauw lijkt in de vroege morgen weggeblazen
sneeuw sneeuwbloemen sneeuwblokken voor de bouw
onbruikbare sneeuw dageraadsneeuw sneeuwdamp
dorp onder sneeuw bedolven driftsneeuw drijvende
sneeuw sneeuwengel besneeuwde voetafdruk
(…)

De flaptekst – die als enige tekst in de bundel van hoofdletters is voorzien – biedt nuttige wenken: “Ontdek de gedichten hardop, zing ze als het ware, bijvoorbeeld in de bus, bij je oma, wandelend in het bos, op reis, thuis, in bad. Lees ze voor jezelf, je geliefde, zus, vriendin, huisgenoot, vader, broer of moeder. Of laat ze je voorlezen. Zing op steeds andere wijze. Op eigen tempo, adem, voelend denkend door de eigen stem.” Dat hardop voorlezen werkt, maar het is nog niet zo eenvoudig. Waar adem te halen? Waar pauzes te nemen, welke woordgroepen horen bij elkaar? Net zoals bij het spelen van een muziekstuk vanaf blad vergt het voorlezen een paar keer oefenen. Misschien is dat wel de bedoeling van de dichter, die tevens componist is. Op Spotify kan ik slechts één track van haar vinden. Maar dat is wel een sleutelstuk. Luister maar even mee: is dit muziek, is dit poëzie? De tekst is niet volledig verstaanbaar, maar duidelijk is dat de twee stemmen door de ritmische voordracht de woorden tot klanken reduceren, en dat anderzijds door de voordracht de woorden een andere betekenis krijgen. Terugkerend naar het sneeuwfragment krijgt de tekst een bezwerend karakter, waarbij de woorden kriskras als sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen.
Naast het genoemde sneeuwgedicht bestaat verdere bijzonderheden uit vijf afdelingen. De afdelingen ‘bewegingslijnen’, ‘je andere onophoudelijk’, ‘varens’ en ‘zeg liefde’ zijn feitelijk gedichtenreeksen, die elk uit een aantal genummerde gedichten bestaan. Alleen de afdeling ‘oneindig breekbare’ bestaat uit gedichten die met een eigen titel in de inhoudsopgave vermeld staan. De thematiek van deze gedichten is wisselend. Centraal lijkt te staan het mens-zijn, waarnemen en waargenomen worden. Misschien verwijst ‘oneindig breekbare’ naar de kwetsbaarheid van het mens-zijn, zoals verwoord in ‘Fragile’ van Sting: ‘On and on the rain will say / how fragile we are’.

je komt uit het niets

je komt uit het niets tevoorschijn noem het liefdesdaad ongelukje
toevalstreffer zomaar zijnde voor zover het verschijnt in enkelvoud al

wat je bent bestemd voor iemand om door iemand waargenomen
te worden zonder meer als zodanig verschijnend aan iemands zijn

of haar werkelijkheid waarheid borgt objectief een jij verdwijnend
in het niets doe jij iets levends toon je dat aan levenden die zich tonen

almaar verdwijnende tijdeloosheid naar het schijnt van dat alles
steeds sneller in de botsing tussen verleden en hoe het komt

een nog-niet en niet-meer samengebracht nu duurt zolang je begrensd
omsloten bent door de wijde stormachtige natuur van het alledaagse

Het ontbreken van hoofdletters en interpunctie maakt deze tekst niet zo makkelijk te duiden. Die meerduidigheid is natuurlijk opzettelijk. De condition humaine zelf is immers raadselachtig en ongrijpbaar. Ik lees, dat de mens ‘zomaar zijnde’ is en ‘verschijnend aan iemands zijn’. Maar is het laatste woord van de tweede strofe wel een werkwoordsvorm? Als we doorlezen staat er opeens ‘zijn of haar werkelijkheid’. Als mens ‘toon je dat aan levenden die zich tonen’, zijn we subject en object tegelijk. In ‘verschijn en wezen’ uit dezelfde afdeling lezen we iets vergelijkbaars: ‘niets verschijnt zonder dit waarnemen / van wie dan ook – hoe dan ook vindt verschijnen plaats / en geen zijnde – voor zover het verschijnt – bestaat in enkelvoud’.

De bundel opent met de uit twintig gedichten bestaande afdeling ‘bewegingslijnen’. Het eerste gedicht hieruit schetst een opdracht: ‘markeer zes bestemmingen naar keuze op de kaart / van je keuze, elk met een heel eigen geschiedenis, leeftijd, / omgeving, inwonertal, soort van snackbar. trek zes paden // van <hier> tot aan iedere bestemming, al met al zesendertig wegen.’ De sterk uiteenlopende gedichten ademen de sfeer van reisimpressies. Af en toe worden concrete plaatsaanduidingen gegeven: parijs, zierikzee, donoussa, carmel, alaska, xiangqi, connecticut (allemaal zonder hoofdletter). Een duidelijke verhaallijn ontbreekt. Er is een verlangen naar ontmoetingen, naar intimiteit: ‘wanneer de gelegenheid zich voordoet of iemand je aandacht / in het bijzonder trekt, en jij de zijne of de hare, in overeenstemming dus, / kus hem of haar op de wang. word gekust, indien gewenst op de mond.’ Een voorzichtige toenadering, geheel in de geest van de wereld na #metoo. Ook hier is de aangesprokene subject en object tegelijk (kus / wordt gekust), een belangrijk thema in deze bundel. Als geheel doen de gedichten uit deze reeks echter ook nogal willekeurig aan, als een fotoalbum waarvan alleen de eigenaar de innerlijke samenhang kent.

[17]

bariton omarmt muziek. direct versieren muzikanten hem allemaal tegelijk.
in samenklinken, zeg maar, beschrijven zijn botten in golven geluid,
bewegingslijnen, zijn organen, huid. geven hem longen om mee te ademen,
een hart slaat. bloed door de tijd heen. woedt het lichaam. voedt. beweegt het,
laat het spreken vanaf het podium. de zaal in. waar het publiek ineens

allemaal tegelijk helemaal zichzelf in het duister. het lichaam uitvoert, stil danst,
opeens. hoe dan ook. wat de gevolgen, onvoorzien, ook zijn. luidsprekers.
in een kleine studio, alleen, in xiangqi, een slaapkamer, alleen, connecticut,
een kitchenette. samen. de luisteraar omarmt. muziek, een daad van luisteren.
verandert het lichaam. door. en door het luisteren zelf. steeds. opnieuw.

Dit is een van de weinige gedichten uit verdere bijzonderheden waarin de achtergrond van Rozalie Hirs als componist duidelijk doorklinkt. De afdelingstitel ‘bewegingslijnen’ krijgt in de eerste strofe een geheel nieuwe dimensie, die van geluidsgolven. Tevens zien we in dit gedicht een kenmerkend en atypisch gebruik van interpunctie. Met name de punten vormen geen afsluiting van een zin, maar eerder een onderbreking van de gedachtegang. De tekst komt daardoor af en toe nogal staccato over.

De reeks ‘je andere onophoudelijk’ is opgedragen aan Stefan Hertmans. Het is een moeilijk te volgen gedachtestroom van drie gedichten, die misschien verwijzingen naar zijn werk bevat, misschien gezamenlijke herinneringen ophaalt: ‘hoe je tegen de berg op springt terwijl regen je oren wast voelen / denken versjouwt laat door de winter een traan en wat beeld binnen’.

De serie ‘varens’ is opgedragen aan Katharina Rosenberger. Het is een vrij prozaïsch onderonsje over het veldwerk en de bestudering van deze plantensoort: ‘als je je een weg door het stof baant, vind je varens. objecten van onderzoek, / van verlangen. varens. een heel leven zoek je varens, streel je ze. / draai je bladeren om. om sporen te zien, poriën. mogelijke parasieten, / klompjes silica’.

De bundel eindigt met de serie ‘zeg liefde’, misschien wel de meest lyrische gedichtenreeks uit de bundel. Vier uit disticha bestaande gedichten, met veel subtiele verwijzingen naar de Griekse mythologie. De relatie met een je/jij is belangrijk, zonder dat volledig duidelijk is hoe deze relatie eruit ziet, zo er al sprake is van een constante. ‘de een heeft werk voor minstens zeven vrachtschepen een ander / stalt honderd mud huizen uit intussen ben jij gewoon hoopvol // gelukkige natuurlijkheid die juist ligt in de verbijstering nu eenmaal / groter naarmate er meer van jou is dan slokt het voelen denken // omdat zij sterker en de meerdere is het lichaam op (…)’

Het is verleidelijk om te constateren, dat de poëzie van Rozalie Hirs in deze bundel evenals veel moderne klassieke muziek moeilijk toegankelijk is. De lezer moet zich enige inspanning getroosten, misschien zelfs door de gedichten als partituur te beschouwen en hardop voor te lezen, tot een eigen interpretatie te komen. Zoals de dichter schrijft in ‘tijd en sintel’: ‘neem dit en lees dit verteer en laat je verteren bewaar het laat je bewaren’. Die lezer wordt zeker beloond.

***
Rozalie Hirs (1965) is een hedendaagse Nederlandse componist en dichter. Haar poëzie en muziek zijn zowel lyrisch als experimenteel. Het avontuur van de luister- en leeservaring en de verbeelding staan centraal. Zij debuteerde als dichter in 1998 met Locus, gevolgd door Logos (2002), [speling] (2005), Geluksbrenger (2008) en gestamelde werken (2012). verdere bijzonderheden is haar zesde bundel bij uitgever Querido. Haar werk is vertaald in het Engels, Duits en Servisch.