Recensie van Goldbergvariaties - Guido De Bruyn

Een verkenning van Bachs meesterwerk in 32 gedichten

Guido De Bruyn
Goldbergvariaties
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339348
€ 19,50
64 blz.

Voor de liefhebbers van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach is de gelijknamige bundel van Guido De Bruyn puur genieten. Wie minder bekend is met deze vermaarde compositie treedt een wondere wereld binnen.
De compositie, die oorspronkelijk voor klavecimbel is geschreven, opent met een langzame, melodieuze aria, gevolgd door dertig variaties en wordt afgesloten met dezelfde aria. In de variaties verkent Bach de grenzen van het contrapunt, de belangrijkste compositietechniek van zijn tijd. Het verhaal wil, dat Bach dit stuk schreef op verzoek van een Russische gezant in Saksen die aan slapeloosheid leed. Zijn huismusicus, Johann Gottlieb Goldberg geheten, moest met het spelen van deze muziek zijn slapeloze nachten verlichten.
De Goldbergvariaties vormen een buitengewoon complex werk, dat velen geïntrigeerd en geïnspireerd heeft. Ook De Bruyn weet zich al lang geraakt door deze compositie, zo valt uit het nawoord af te leiden. De begeleidende tekst vermeldt, dat hij ‘deze reeks gedichten naar Bachs Goldbergvariaties [schreef], zonder dat ze daar een adaptatie van willen/kunnen zijn. Wel verkennen ze een aantal muzikale technieken, in een poging poëzie de allure mee te geven van een allegro, de snit van een sarabande, de cadans van een walsje in mineur.’
De vorm van de gedichten loopt sterk uiteen. De opening van de bundel volgt de eenvoud van de openingsaria van Bach.

aria

een aria als dans
op de stapstenen van een lied
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

een aria als alibi
alibi cantabile voor verdriet
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

een aria als spitsboog
hoge vlucht in een verborgen taal
in de eerste stapsteen ligt
de sluitsteen van een kathedraal

een aria als dans
op de stapstenen van een lied
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

Kunstig hoe De Bruyn hier het herhalingselement hanteert, om de luisterervaring weer te geven. Ook met de alliteratie aria/alibi, die zich voortzet in het klankspel alibi/cantabile worden muzikale elementen in de tekst gebracht. Maar net zoals iemand die naar de Goldbergvariaties luistert direct na de aria wordt opgeschrikt door een snelle en complexe eerste variatie, zo krijgt de lezer op de volgende bladzijden de meeste uiteenlopende vormen en stijlen te zien.
Variatie I vertelt over ‘een snuifdoos van honderd Louis d’Or’ die Bach ontvangen zou hebben voor zijn compositie: ‘In ze-ven-tien-een-en-veer-tig kreeg hij die. / In ze-ven-tien-een-en-veer-tig naar verluidt. / In ze-ven-tien-een-en-veer-tig naar verluidt en zij het wel.’ De in lettergrepen gebroken woorden lijken een echo van de herhaalde snelle loopjes in de muziek. ‘Kreeg de jonge Goldberg / kla-ve-cim-bel-spe-ler-in-de-slaap-ka-mer-van-de-sla-pe-lo-ze-graaf / dan ook goud?’ Variatie II borduurt hierop voort, met herhalingen en uitbreidingen: ‘Zij het wel en naar verluidt kreeg Johann Gottlieb Goldberg / kla-ve-cim-bel-spe-ler-in-de-slaap-ka-mer-van-de-sla-pe-lo-ze-graaf-die-voor-zijn-o- / pen-ven-ster-raam-bleef-staan-en-naar-de-voor-bij-e-eeu-wen-geeuw-de- / alleen een achternaam, / zij het wel een achternaam van goud.’ Mooie vondst, om het goud uit de naam van Goldberg zo op zijn plaats te laten vallen. Gelukkig blijft Glenn Gould buiten beschouwing. Maar de toon is gezet. De Bruyn probeert ons in zijn dertig variaties alle hoeken en gaten van de taal te laten zien, net zoals Bach in zijn variaties de uiterste mogelijkheden van het contrapunt onderzocht.

In zijn nawoord heeft De Bruyn het gedicht ‘t Er viel ‘ne keer’ opgenomen, de lyrische ontboezeming die Gezelle schreef daags nadat hij op het Klein Seminarie van Roeselare een uitvoering van het septet van Beethoven had beluisterd. De suggestie blijft impliciet: zoals Gezelle geraakt en geïnspireerd werd door Beethovens septet, zo werd de huidige Guido geraakt en geïnspireerd door Bachs Goldbergvariaties. Toch houdt de vergelijking verder snel op. We kunnen ons geen tijd zonder radio of cd’s meer voorstellen. De indruk, die een blaaskwintet op de argeloze luisteraar gemaakt moet hebben, de rijkdom van klank, de harmonieën! En waar Gezelle de volgende dag een uiterst modern gedicht over een blaadje dat op het water viel schreef, met de telkens terugkerende korte regel ‘het water’, schreef De Bruyn een uiterst bestudeerde en afgewogen compositie van maar liefst 32 gedichten. Hij streefde er daarbij naar, om in navolging van Gezelle en van Van Ostaijen, de muzikale elementen van de taal ten volle te benutten, door middel van herhalingen, citaten en het –evenals Bach– door elkaar vlechten van verschillende thema’s.

VIII

Een sarabande is een dans
zoals bekend
Een trage dans
ten tijde van Bach

Een ingetogen dans
een sarabandedans
Een naar binnen gekeerde dans
bij Bach althans

Een dans als een trap die naar beneden leidt
en halverwege
weer naar boven leidt, even ingetogen, naar binnen gekeerd
als naar beneden

Een spiegeldans
zoals bekend
Een trage, ingetogen, naar binnen gekeerde
sarabandedans

Een dans op de cadans
van dood en leven
Bij Bach althans
halverwege

Deze variatie, met zijn nadrukkelijke typografie, bevat vrijwel dezelfde tekst als variatie VI. De eerste vijf vetgedrukte regels zijn zelfs identiek aan de eerste regels van variatie VI. Alleen de toevoegingen ‘bij Bach althans’ en ‘ten tijde van Bach’ zijn nieuw in variatie VIII. In de tussenliggende variatie VII wordt een belangrijk thema geïntroduceerd: de dood van Bachs vierde zoon, Johann Gottfried Bernhard (1715-1739), die twee jaar voor de publicatie van de Goldbergvariaties op 24-jarige leeftijd overleed. Deze zoon komt in meerdere gedichten terug, evenals het verdriet van zijn vader, dat de bron van deze muziek zou zijn geweest. ‘Oneindig diep te wachten ligt / wat niet wordt uitgesproken’ (VII). Om dit gevoel te onderstrepen weeft De Bruyn teksten uit andere composities van Bach door zijn gedichten heen, zoals een koraal uit de Matthäus Passion in variatie X: ‘Wenn ich einmal soll scheiden / So scheide nicht von mir / Wenn ich den Tod soll leiden / So tritt Du dann herfür’ en de beroemde aria uit cantate 82 in variatie XXX: schlummert ein / ihr matten Augen fallet sanft und selig zu / Welt, ich bleibe nicht mehr hier, / Hab ich doch kein Teil an dir’. De dood van Johann Gottfried Bernhard in dit verband is een interessant thema, dat in de meeste teksten over de Goldbergvariaties, die ik rond het lezen van de bundel en het schrijven van deze recensie heb geraadpleegd, ontbreekt. Ik kwam het voor het eerst tegen in de roman Contrapunt (2008), het boek waarin Anna Enquist schrijft over het leven en de ontijdige dood van haar dochter, tegen de achtergrond van het instuderen van Bachs Goldbergvariaties door de moeder.
In de roman van Enquist is er een sterke relatie tussen de inhoud van elk hoofdstuk, dat een episode uit het leven van haar dochter beschrijft, en de sfeer van de overeenkomstige variatie van Bach. In de bundel van De Bruyn is deze samenhang veel minder sterk aanwezig. Zo valt bijvoorbeeld een groot contrast op tussen de virtuoos snelle 8e variatie van Bach, en de ingetogen, gedragen tekst van het hierboven afgedrukte gedicht van De Bruyn. Dit past bij zijn eerder geciteerde uitgangspunt dat de tekst geen adaptatie van de muziek wil zijn. Maar het bevreemdt soms ook, vanwege het nauwkeurige schema van de Goldbergvariaties op p.52 en het schema van zijn eigen bundel op de tegenoverliggende pagina. Het meest extreem zien we dit verschil bij variatie XVII. Deze opent bij Bach met een snel stijgend basmotief. De Bruyn schrijft echter in zijn 17e variatie: ‘wie laat van in de wieg van dit voorlopig leven / wie laat de basso ostinato dalen / naar de tweede noot / In nomine Jesu.
De woorden ‘In nomine Jesu’ komen bijna twintig keer voor in variatie XVII. Gods aanwezigheid was nog een vanzelfsprekendheid. De Bruyn schetst voor ons de stilte in de wereld van Bach van voor de oerknal: ‘In ze-ven-tien-een-en-veer-tig was van de snuifdoos / van het heelal gewoon geen sprake, althans / niet bij Bach, bovenal niet // bij Bach, / laat staan van het uitdijende heelal. / Van de snuifdoos van het heelal, // de eerste knal, / de oerknal / bovenal’ (XIII). Variatie XIV vervolgt: ‘Van God daarentegen. / Daarentegen van God ten tijde van Bach. / Van de God van Luther ten tijde van Bach daarentegen, / van de God in de ogen van Bach / was sprake bovenal.’ Door de formulering ‘de God in de ogen van Bach’ worden aan de componist goddelijke krachten toegedicht.

Beste lezer, het mag inmiddels duidelijk zijn: de hier besproken Goldbergvariaties van Guido De Bruyn vormen, in navolging van hun muzikale inspiratiebron, een complexe compositie. Er is veel wat binnen het bestek van deze recensie onbesproken moet blijven. Misschien moeten we de bundel als een partituur beschouwen, waarvan de muzikale elementen pas in een voordracht volledig tot hun recht komen. Anderzijds kunnen we pas bij lezen en herlezen oog krijgen voor de vele verbanden. Een absolute aanrader voor de liefhebbers van de Goldbergvariaties van Bach. En mogelijk een eyeopener voor poëzieliefhebbers die nog minder bekend zijn met dit meesterwerk.

XXV

kent gij de één-mi-nuut-stil-te-man?
hij gaat van dorp tot dorp, en vraagt
één minuut stilte
op het midden van elk plein.

is het voor de doden, fluisteren ze, en hij legt
een vinger op zijn mond. dus zwijgen ze.
nooit komen ze te weten
van zestig seconden het waarom.

***
De omslag van de bundel heeft een sobere vormgeving: volledig wit met in reliëf slechts onder elkaar de woorden GOLDBERG en VARIATIES. Omdat dit op een foto nauwelijks overkomt, is ervoor gekozen de titelpagina en de schematische weergave van de bundel van de hand van de auteur (p.53) bij deze recensie af te drukken.

Luistertips: makkelijk terug te vinden op Spotify zijn de uitvoeringen van Bachs Goldbergvariaties door Johanna MacGregor en Mia Chung , om twee van mijn favorieten te noemen. Ook Glenn Gould is hier terug te luisteren, op een album waarbij zijn eerste (1955) en laatste (1981) opname zijn samengevoegd. Heel toegankelijk is de uitvoering van Ivo Janssen, die tegenwoordig zelfs gratis bij Contrapunt van Anna Enquist wordt geleverd.

***
Guido De Bruyn (Asse, 1955) won in 2012 en 2014 de poëzieprijs CC Boontje, was eerder ook tweemaal laureaat van de Klara-poëzieprijs en werd bekroond als verhalenschrijver. Bij Uitgeverij P verschenen in 2004 zijn debuutbundel Het achterwerk van het geluk, in 2006 zijn bijzondere vertaling/bewerking van Shakespeares Sonnetten, in 2007 het voor de Herman de Coninckprijs genomineerde Het huis Augustus, in 2010 Een steen in Lissabon, in 2011 Apenverdriet en Blakte in 2014.

 

Poëzie Kort 2017 / 8

 

Frouke Arns, Eigen terrein

(Door Hans Puper)

Frouke Arns was stadsdichter van Nijmegen in de periode 2015 – 2016. De ideale stadsdichter: haar gedichten zijn plaatsgebonden, maar herkenbaar voor iedereen; aantrekkelijk voor zowel gelegenheidslezers als poëzieliefhebbers; ze zijn licht van toon, maar nooit oppervlakkig en, tot slot, goed voor te lezen door het soepele ritme en de klank.
Eigen terrein bevat de 22 gedichten die zij in haar functie schreef.  Op de linkerpagina’s beschreef zij de context, op de rechterpagina’s staan de gedichten. Nijmegenaren zullen dat zeker op prijs stellen, maar de meeste gedichten zijn ook los van die informatie te lezen. Neem bijvoorbeeld ‘Kleine handleiding voor de moderne pelgrim’.

Maak voor vertrek een selfie en laat
je mobieltje dan voor wat het is. Nu ben je alleen

bereikbaar voor jezelf. Jouw eigen batterij dient opgeladen.
Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen en toch

voelt deze tocht als nieuw. Reis lichtvoetig. Een kaart je gids
waarop de omtrek van een duif in volle vlucht de weg markeert.

Wees herkenbaar aan je bagage, die nauwelijks is, het meeste
draag je in hoofd en hart, de oude beeldentuin. Voeg vogels

toe die als een partituur op draden zitten. Ontcijfer
het voor jou gecomponeerde lied. Rijg de ringen aan je koord.

Nader na dagen over de velden je bestemming.
De verte laat je traag uit wuivend landschap los.

Maak bij thuiskomst nog een selfie. Zoek de verschillen.
Je bent tot hier gekomen.

Iemand gaat een tocht maken, want: ‘Jouw eigen batterij dient opgeladen’. (Dit in tegenstelling tot die van de mobiel die thuisgelaten wordt – grappig). Het enjambement ‘alleen // bereikbaar’ is mooi en functioneel: je moet tot jezelf komen, dat doe je alleen en zonder dat je wordt gestoord. Hij of zij is de enige niet: ‘Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen’. Veel heb je niet nodig: het gaat om je innerlijk, ‘je hoofd en hart, die oude beeldentuin’. Aan het eind vind je jezelf anders terug: ‘Zoek de verschillen’.
Je kunt het gedicht ook lezen als een puur geestelijke tocht. Het doet mij denken aan ‘Elckerlyc’, het Middeleeuwse spel waarin de  voorbereiding op de dood wordt beschreven.  Ook hier: ‘Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen en toch // voelt deze tocht als nieuw’ – uiteraard, dat is die voorbereiding  voor iedereen. De ‘omtrek van een duif in volle vlucht’ kan duiden op vrede. Prachtig in dit verband is de voorlaatste strofe: ‘Nader na dagen over de velden je bestemming / De verte laat je traag uit wuivend landschap los.’ ‘Je bent tot hier gekomen’, luidt de laatste regel. ‘En je bent er klaar voor’, zou je erbij kunnen denken.
En nu de context. Frouke Arns las het gedicht voor op de openingsceremonie van de Walk of Wisdom, ‘een moderne, niet-religieuze pelgrimstocht van 136 kilometer rond Nijmegen.’ Ik vermoed nu dat de route op de kaart lijkt op omtrek van die duif. Arns relativeert haar gedicht indirect met haar opmerking dat zij de route inmiddels ook heeft gelopen en inmiddels één inzicht wijzer is geworden: ‘neem altijd pleisters mee!’ Wie zulke mooie gedichten schrijft, kan zich die humor veroorloven.

Ze schreef ook een prachtig in memoriam voor H.H. ter Balkt, ‘Kleine elegie voor een groot dichter’. De eerste strofe:

Rasp het bladgoud uit uw stem en laat ons
leunen tegen die klankschaal van uw rug:
wat u uit taal sloeg waren vonkenregens,
neerdalend zaaigoed op de ribbelakker
van de verbeelding, dat vette land.

Een aanbevelenswaardige bundel.

***
Frouke Arns (2017). Eigen terrein. Uitgeverij Marmer, 53 blz. € 12,50

 

Cor Gout, 19 x Bella en de 20e is zoek 

(Door Lennert Ras)

Cor Gout is filosoof, schrijver en neerlandicus. Hij bracht eerder drie verhalenbundels uit bij In de Knipscheer. Samen met vormgever Els Kort doet hij de hoofdredactie van het literair tijdschrift Extase.
De bundel 19x Bella en de 20e is zoek is geïllustreerd met tekeningen van Harrie Geelen. Beeld en tekst vullen elkaar zoveel mogelijk aan. Op het eerste gezicht lijk je te maken te hebben met een bundel voor kinderen. 19 x Bella leest op het eerste gezicht een beetje als een niemendalletje, zoals de boekjes die Bella leest.
Bella komt uit Zeeland en mist die omgeving. Vooral het gekeuvel op het dorpsplein. Ze is religieus en de dominee komt op bezoek. In haar nieuwe gemeente is de toon van de preken lichter, dus dit zegt iets over de strenge moraal van de plek waar ze van afkomstig is.
Schoonmaken, voor kinderen zorgen, dansen, dat soort dingen maken Bella blij. Maar ondertussen zijn er diepe (seksuele) verlangens. Helemaal geen thema voor kinderen. Hoop en verwachtingen. Een kunstenaar maakt een tekening van haar en ze zwijmelt bij hem weg. Maar wat komt ervan terecht? Uiteindelijk heeft de dominee een keurige man voor haar uitgezocht en zal ze de rest van haar leven wel blijven dromen.
19x Bella is licht van gewicht, maar ergens schemert iets zwaars door. De regels zijn erg kort en bestaan maar uit een enkel woord. Alle gedichten zijn uitgesmeerd over de hele pagina. Er zijn geen strofes op de pagina’s. Het geheel is erg verhalend en prozaïsch. Maar het verhaal biedt zich toch aan als poëzie.
Toch is er wel eens een grappige afbreking. Zo denk je bij ‘Met de bediening Nu, In haar slaap- kamer’ eigenlijk aan iets seksueels. Omdat dit op het einde van de pagina staat. Maar dan gaat het vers op de volgende pagina gewoon door en is er iets veel onschuldigers aan de gang.
De gedichten zijn genummerd. Negentien gedichten inderdaad. En dan de twintigste, die zoek is. Hier geen tekst maar alleen een beeld van snippers. Bella is verscheurd.
Misschien moet ze toch maar niet doen wat de dominee zegt en gewoon haar hart volgen en de kunstenaar … Maar daarvoor lijkt Bella veel te keurig.

***
Cor Gout (2017). 19 x Bella en de 20e is zoek. Met illustraties van Harrie Geelen. In de Knipscheer, 44 blz. € 19,50

 

Sebastien Crusener, Alle remslaap los!

(Door Eric van Loo)

Bij de gedichten die dagelijks op de Costerlijst verschijnen viel de bijdrage van Sebastien Crusener me direct al op. De twee afgedrukte gedichten oogden niet heel toegankelijk, maar er stond een intrigerende toelichting onder: ‘In de herfst en winter van 2016 werd ik gekweld door onrustige slaap en doodsdrift en gebruikte te veel angstremmende medicijnen. Als ik ‘s nachts wakker schrok noteerde ik de eerste opkomende gedachte op een memovelletje. Uit al deze velletjes stelde ik maanden later deze bundel samen.’ Mooi woord, doodsdrift. Maar de wereld erachter is natuurlijk zeer beangstigend. Het ging niet goed met de dichter. Heeft het schrijven hem geholpen? Bestaat er zoiets als therapeutisch schrijven? Beroemd zijn de Sonnetten van de kleine waanzin, waarin Hans Andreus terugkijkt op een crisis, en zijn herstel viert.
Een belangrijk onderdeel van de bundel is de cyclus ‘Meer nachten ijs’. Deze uit twaalf gedichten bestaande cyclus heeft als ondertitel ‘ziekteverzuim’ en lijkt indrukken weer te geven uit de zeven opeenvolgende nachten van een week. Het eerste gedicht eindigt: ‘loop ik – bars mij de / baas – de dinsdag binnen’. De associatieve zinnen roepen geen hele heldere beelden op, zoals je soms wakker kunt schrikken uit dromen die niet van echt zijn te onderscheiden. Fragmenten als ‘Hyperventilator maak me blazen wijs’, ‘Steeds nog de geur van muur / de vensterzwachtels’ en ‘lijkwitte klappertanden / waar niet één spinazierestje tussen zit’. Gedicht IX bevat de schitterende zin ‘Het werkelijke heeft het veel te koud’, gevolgd door de strofe ‘de ruimte erom rond / wordt ingenomen door een leegte / die te vol is van zichzelf’.
De gedichten buiten deze cyclus zijn in een dynamische en zeer uiteenlopende lay-out vormgegeven. Losstaande schuingedrukte strofen, die wel of geen onderdeel lijken uit te maken van het bovenstaande gedicht, golvende inspringingen, wisselingen in uitlijning, zinnen met zo veel spaties dat de woorden losjes over een regel zijn gestrooid – het is er allemaal. Maar de dichter maakt het de lezer niet makkelijk. Of dompelt hij ons bewust in eenzelfde chaos onder als hij in die donkere maanden ervaren heeft?
Hij voert ons langs verschillende afdelingen: ‘Eén nacht ijs’, The nothing in between (I-IV)’, ‘The everything between (…)’ , het eerder genoemde ‘Meer nachten ijs (ziekteverzuim)’ om te eindigen met een uit twee gedichten bestaande ‘Epiloog’. Onze dromen kennen een geheel eigen logica. Uit experimenten is gebleken, dat wat in onze droom uren lijkt te duren, in de buitenwereld soms maar een minuut in beslag neemt. Met de titel van zijn bundel zinspeelt de dichter erop alle remmen los te gooien. Dat is hem zeker gelukt.

Gaten in de gaten hoofd hol 
Ben vertrokken 
ben te laat 
om laat te komen 
om te komen (alle apotheken dicht) 
en het geluid van tussentijd wordt werkelijk ondraaglijk 
Moord kan ik zelf niet schrijven 
Het is slechts een woord in een ander oord, hoe slik ik er het snelst 
           naartoe? 

***
Sebastien Crusener (2017). Alle remslaap los! Uitgeverij Stanza, 64 blz, € 19,99

 

Kristien Bonneure e.a. (samenstelling), Alsof er niets is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten

(Door Hans Puper)

De gedichten in de bundel  Alsof er niets is gebeurd vormden een onderdeel van het Vlaamse actualiteitenprogramma Bonus op Radio-1: ze bevatten commentaar op gebeurtenissen in het afgelopen jaar (2016/2017). Vijftig tot nu toe onuitgegeven gedichten, op een na. De ruimte ontbreekt hier om alle dichters te noemen. Daarom alleen die van de eerste vijf gedichten: Paul Demets, Michaël Vandebril, Joke van Leeuwen, Maarten Goethals en Charles Ducal.
‘Stollen en stilstaan’ is het adagium. En daarbij doet zich iets eigenaardig voor volgens de inleiders: ‘De gedrukte gedichten in dit boekje bieden een tijdsdocument dat langer meegaat dan de waan van de dag. Het gekke is namelijk dat actualiteitsgedichten een zekere eeuwigheidswaarde krijgen, ook als de krantenpagina’s beginnen te vergelen.’ Dat is echter alleen zo als de dichter een kunstgreep toepast: geen details noemen – of het moet gaan om een gebeurtenis die iconisch is geworden, zoals de aanslag op de Twin Towers. Het gevolg is, dat veel gedichten alleen actualiteitswaarde bezitten binnen de context van het programma. Een van de gedichten is zelfs al drie jaar oud en gepubliceerd in de bundel Zondag acht dagen van Max Temmerman: ‘Lied voor de inwijkeling’. Het werd voorgelezen na het programma-onderdeel over staatssecretaris Theo Francken van de NVA die in een tweet Artsen zonder grenzen van mensenhandel had beschuldigd vanwege hulp aan bootvluchtelingen. Soms ook worden actualiteiten zelf zo algemeen geformuleerd dat die eeuwigheidswaarde er al inzit, zoals: ‘Armoede is een van de thema’s die net onder het oppervlak van de dagelijkse actualiteit sluimeren’. Ruth Lasters schreef daar een gedicht bij met een verrassende invalshoek.

Munt

Stel dat de munteenheid telkens verandert om
middernacht. Neem nu dat gisteren het planetaire
betaalmiddel lenigheid was. De rijksten waren gisteren

de acrobaten, die met één enkele saltoreeks een huis
betaalden. Nee, vandaag biedt lenigheid tegen armoe niet langer
garantie. De munteenheid van deze dag is een vorige herfst geraapte

wilde kastanje. Geduld dus nog, kleine Soraya, tot de klok van twaalf.
Dan gaan de beurzen dicht en opnieuw open, wordt bepaald of morgen
een vermogend man grossiert in zilveren snaren van

gitaren of in aaisoorten, je dus even alleen arm bent als je
aanrakingen druppen als uit vingertoppen van versleten
kraangaas.

Een van de weinigen die het lukt man en paard te noemen in combinatie met ‘een zekere eeuwigheidswaarde’ is Maarten Inghels, nota bene bij opnieuw een ‘niet-actualiteit’: de mededeling dat hij een omgekeerde nieuwjaarsbrief schreef. Zijn gedicht heet ‘Ik adem in en het is weer gisteren’. We weten waarop hij doelt met ‘een vrachtwagen rijdt uit een lichaam / alsof er niets is gebeurd, de genadeloze aardbeving gaat weer verlegen / tussen de rotsen liggen, kogels keren deemoedig terug naar het geweer’. En tegelijkertijd is het zo algemeen, dat het gedicht niets aan waarde verliest als deze actualiteiten onder het stof komen te liggen. En de wens doden weer tot leven te wekken is al zo oud als de mensheid. Over eeuwigheidswaarde gesproken.

***
Alsof er niets is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten (2017). Samenstelling, inleiding en aantekeningen door Kristien Bonneure, Katrien Kubben en Badra Rezkallah. PoëzieCentrum, 113 blz. € 19,95

Recensie van Het leven deugt. Althans op onderdelen - Anton Korteweg

Ooit waren ouderen het gelukkigst

Anton Korteweg
Het leven deugt. Althans op onderdelen
Uitgever: Meulenhoff
2017
ISBN 9789029092258
€ 18,99
76 blz.

Hij golft, hij bridget, stemt op de VVD,
steunt het Cultuurfonds, Vriend van de UB,
hij kromp inmiddels drie, vier centimeter
en is daar niet eens ongelukkig mee.

‘Het leven deugt. Althans op onderdelen’ is een beetje knullige titel. De achterflap sluit daar mooi bij aan. Een tenenkrommend kwatrijn en een bijzondere aanbeveling van Herman de Coninck: ‘Zo lees ik in moeilijke dagen Anton Korteweg. En dan kan ik mijn geluk weer aan.’ Mooie woorden, daar niet van. Maar de goede Herman is al 20 jaar dood. Dan is het een beetje knullig om bij de lancering van je nieuwe bundel voor de zoveelste keer aan te halen wat deze coryfee ooit van je werk vond.
Ik vermoed dat Anton Korteweg hier zelf niet zo’n punt van maakt. In zijn werk heeft hij immers knulligheid tot kunst verheven. Ironie, zelfspot, melancholie zo niet misantropie: het zijn vaste ingrediënten van zijn poëzie. De eerste afdeling heet dan ook niet voor niets ‘Het ergst komt aan ‘t begin’. Zestien gedichten lang mogen we meeleven met het knulletje Korteweg, letterlijk vanaf zijn geboorte tot en met die problematische tijd van de adolescentie en misschien wel verder. Hij schrijft er luchtig over, alsof hij zeggen wil: in mijn hart ben ik altijd nog dat jongetje gebleven.

Verstoppertje

‘k Heb altijd graag verstoppertje gespeeld.
Bestond ik niet. Dat was toen al een feest.

Liefst was ik teruggekropen in de moederschoot,
maar daar is weinig van terechtgekomen:
mijn hoofd bracht het nooit verder dan haar schort.

‘t Was dus behelpen met een kast, of onder tafel,
of in de tuin achter een dikke boom,
en ook de rieten wasmand was een optie.

Veel later mocht ik in een andere vrouw wel schuilen.
Ik wist niet of ik lachen moest of huilen.

Het procedé van een rijmend distichon als einde van een gedicht komen we vaak tegen in deze bundel. ‘De opgeloste God, de onbestaande Sint. / De heiligman was ‘t ergst. Ik was nog kind.’ Een intikkertje, aan het eind van het gedicht ‘Sint en God’. Of het slot van het gedicht dat veelbetekenend ‘De achterloper’ heet: ‘Ik werd pas later dan de meeste jongens groot / en ben vast later dan de meeste mannen dood.’ Het is een vorm van zelfspot met soms een wrange ondertoon. Niet voor niets opent de bundel met een vierregelig motto van Hölderlin, waarvan de laatste twee regels luiden: ‘April und Mai und Julius sind ferne, / Ich bin nichts mehr, ich lebe nicht mehr gerne!’ In zijn eigen vertaling, verderop in de bundel, luidt dat: ‘Het hoogseizoen ligt al ver achter mij. / ‘k Stel niks meer voor, ben er niet graag meer bij.’

Vriendelijker kijkt hij naar zichzelf in ‘Ouderwets mannetje, Leiden, jaren zestig’. Dat ouderwetse mannetje is de jonge dichter natuurlijk zelf, met zijn afwijkende, ouwelijke muzieksmaak midden in de bruisende jaren zestig. Maar dat gebrek aan avontuur zit in de familie: ‘Een echte Korteweg. Zit ik niet mee.’ Op een andere plek ga ik dieper op dit gedicht in.
Het is een goede gewoonte in een recensie iets te zeggen over de titel van de bundel. Vaak is dit de titel van een gedicht, soms ook een fragment, zoals blijkt uit onderstaand gedicht:

Overal aan gedacht

Pigikitkrengenhuisjesconstructeur.
Onbeperkt wokken op zondag.
Zaadportemonnee.
Alles is er.

De eerste maakt ijzeren kistjes
voor ontijdig geëindigde varkens
– groene botervloten met handvat –
te Ruddervoorde, West-Vlaanderen.
Want varkens, dood, moeten weg.

In het tweede leeft men zich uit
in de Houtrusthallen, Den Haag,
ook tijdens de kerstdagen.
Eens in de week moet gesmuld.

En in Leiden wordt men zo nodig
door een radioloog van het Rijnlands
van een ballenbeschermer voorzien.
Is er iets mis met het bekken,
dient een röntgenfoto gemaakt.

Geef toe, al kan het bovenstaande u niks schelen:
het leven deugt. Althans op onderdelen.

Ook ditmaal een rijmend distichon tot slot. Ik heb hier wel een beetje dubbel gevoel bij. De dichter lijkt zich in deze regels in te dekken tegen hoe dit gedicht op de lezer overkomt. En hij heeft gelijk: het kan mij weinig schelen. Het heeft elementen in zich van een readymade, van het gebruik van objets trouvés zoals het beroemde urinoir van Marcel Duchamp. Het vervreemdende effect dat in de eerste strofe wordt opgeroepen is wel aardig, maar er wordt verder weinig poëzie van gemaakt. Dat gevoel heb ik bij meer gedichten in de tweede afdeling, ‘De stekels van de dag’. De tweede helft van deze afdeling, vanaf ‘Jong modaal vrouwenhoofd in de trein’ bevat observaties van de dichter in de trein, op het terras, gewoon op straat of schrijvend voor zijn raam. Dit leidt tot bijzondere of soms ook minder bijzondere bespiegelingen. Zoals hij zelf schrijft in ‘Dichterschap’: ‘Je moet er het beste uit kiezen / en dat dan zien te onthouden’.

‘Even nog, en ik mag ook’ is de prikkelende titel van de laatste afdeling. De dood is hier nadrukkelijk aanwezig. Soms in een komische dialoog met de dichter, maar vaak ook als het voorland, dat zich nadrukkelijk in allerhande kwalen aankondigt. In ‘Oudere dichter’ geeft hij ons een welgemeend advies: ‘Probeer stukje bij beetje in je latere leven / wat plekjes in je vrij te maken voor de dood, / wat slechter lopen al, een tic, een beetje doof, (…) dan slaat hij je straks minder uit het lood’. Maar voor dezelfde oudere dichter is het behoorlijk lastig om de poëtische ingevingen die tijdens een fietstochtje naar boven komen op tijd vast te leggen. En als dat dan al lukt, blijkt ‘de vangst van de dag’ ook nog eens fors tegen te vallen. Nee, ouderen zijn niet het gelukkigst, zoals Korteweg ons eerder probeerde bij te brengen. De ouderdom komt met gebreken, en er wacht ons geen vrolijk einde. Korteweg stelt zich daartegen teweer met zijn eigen vertrouwde wapens: humor in alle gradaties tussen ironie, galgenhumor, zelfspot en zelfs meligheid. Een bundel die deugt. Althans op onderdelen.

Recensie van Handschrift - Jean Pierre Rawie

Het tenue de ville van de dichter

Jean Pierre Rawie
Handschrift
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635102
€ 15,00
72 blz.

Wie de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie aanschaft krijgt voor vijftien euro daadwerkelijk waar voor zijn geld. Geen slappe kaft met catchy foto, maar een boekwerk met stevige goudkleurige kaft, die onder een karmozijnen boekomslag met gekalligrafeerde gouden letters schuilgaat. Ook geen slappe flapteksten: de achterzijde van de bundel is leeg, zeker als we de ontsierende sticker met streepjescode hebben mogen verwijderen. Ook aan de binnenzijde van de boekomslag geen lovende citaten uit eerdere kritieken of verwijzing naar vroeger werk, slechts een gestileerde roodgouden foto van de auteur. De boodschap is duidelijk: deze bundel moet zichzelf verkopen. En dat zal de nieuwe Rawie, tot afgrijzen van de heersende kritiek, dan ook zeker doen. Zijn vorige bundel, De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag (1), was met ruim 15.000 verkochte exemplaren met afstand de best verkochte dichtbundel van 2012.
Arjan Peters, recensent bij de Volkskrant, ging onlangs in een kritisch stuk over hedendaagse poëzie uitgebreid op het succes van Rawie in. ‘Hij wordt veel gelezen, en het enge kringetje van recensenten begrijpt dat maar niet, want zijn thematiek is clichématig (dat wat ook maar de wereld zin geeft / in onbenulligheid verdwijnt; / al wat een schitterend begin heeft / wordt vaal en lelijk op het eind), en zijn rijmende regelen lopen altijd in de pas.’
Stilstaan bij de vergankelijkheid is al in het vroege werk van Rawie één van zijn belangrijkste thema’s. In die zin is hij misschien een vroegoude dichter. In Onmogelijk geluk, verschenen toen de dichter net de veertig was gepasseerd, lezen we al frasen als ‘Bij elke zin / houd ik de laatste adem in’ en ‘Ach wat ik ook / op deze tocht / ten grave zocht / was wind en rook’.
Liefhebbers van de melancholie komen vooral in de eerste gedichten van Handschrift goed aan hun trekken. ‘Je nam geboden kansen slecht te baat / en hebt tot slot het minste deel verkoren, / en het geluk komt karig en te laat.’ (in: ‘Geluk’). ‘Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood’ (eerste én laatste regel uit ‘Zo’n dag’). ‘Het haalt niets uit wat of ik doe of zeg. / Ik luister naar het ruisen van de bomen / boven het gras. Ik ben al bijna weg.’ (in: ‘Boven het gras’) (2). Maar juist als je als lezer denkt ‘nu weet ik het wel’ neemt de bundel een verrassende wending.

NOTABEL

Ik ga steevast gekleed
in een tenue
de ville, zoals dat heet.
Men noemt mij u.

Gelegenheden waar
ik wat verteer
ontvangen met egards
zo’n deftig heer.

Ik word alom met zwier
gegroet op straat:
dan is het mij of hier
mijn vader gaat.

Voor velen vorm ik deel
der upper ten,
waar ik gewiekst verheel
hoe ’n beest ik ben.

Rawie lijkt hier de spot te drijven met zijn identiteit. Hij kiest voor een overdreven deftig taalgebruik, met woorden als egards, zwier, verteer en upper ten. De slotregel is opmerkelijk, zowel vanwege de wat onbeholpen ritmiek (probeer dit maar eens hardop te lezen) als de inhoud. Zouden we een in dit vers een sleutelgedicht kunnen zien? Drijft Rawie met dit gedicht impliciet de spot met de critici die zijn werk te serieus nemen? In de loop van de eerste en tweede afdeling komt hij af en toe heerlijk humoristisch, soms zelfs buitengewoon melig uit de hoek. Alsof hij zeggen wil: het is niet alleen maar de vergankelijkheid waar ik mijn verzen aan wijd. We lezen in ‘Stal’ over de drukte rond de kribbe, vanuit het perspectief van de pasgeboren Jezus, die van de weersomstuit ‘zijn knuistjes in zijn oren’ doet. In ‘Inhuldiging’ worden we deelgenoot van de griep die zijn geliefde trof ten tijde van de inauguratie van Willem Alexander, venijnig verwoord als ‘een persoonlijk onderbuikgevoel’. Zowel aan Gerrit Komrij als aan Willem Wilmink is een In memoriam gewijd. Beide gedichten hebben min of meer dezelfde clou. Over Komrij lezen we: ‘Hij had een boel meer vrienden dan hij wist. / Ik kon niet laten me hem voor te stellen, / Gerrit, sardonisch grijnzend in zijn kist.’ En ook op de begrafenis van Wilmink bleken er opeens verrassend veel literatoren ‘die al die jaren al in Willem waren / en tot op heden nog in Willem zijn!’ Nee, de critici mogen dan geen hoge pet op hebben van Rawie, het omgekeerde is ook het geval.

Traditiegetrouw bestaat de derde afdeling van de bundel uit vertalingen. Rawie presenteert ons een exclusieve selectie Portugese, Spaanse, Ierse, Russische en Braziliaanse poëzie uit de 16e tot de 20e eeuw. De oorspronkelijke tekst staat telkens op de linkerpagina afgedrukt, wat respect afdwingt voor de vertaler die van zoveel markten thuis blijkt te zijn. De meeste dichters zijn geestverwanten die het tijdloze thema van vergankelijkheid c.q. sterfelijkheid op telkens andere wijze bezingen. De gedichten zijn chronologisch geordend. Het eerste gedicht is van Portugals grootste klassieke dichter, Luís de Camões (1524 – 1580).

WERELDS ONGERIJMDHEID

Ik zag goedwillenden gedwee
steeds onheil ondergaan op Aarde,
en, daar zat ik het meeste mee,
dat slechteriken op een zee
van louter voorspoed spelevaarden.

Ik dacht mijn eigen voordeel bij
die wanverhouding te behalen,
maar moest mijn misstap duur betalen.
De Wereld bleek alleen voor mij
niet van de normen af te dwalen.

De eerste strofe daarvan wordt veel geciteerd. Rawie schenkt ons het hele gedicht. Ik moet eerlijk zeggen, dat de clou van de laatste twee regels mij volledig ontgaat. In de eerste drie regels van de tweede strofe wordt gesuggereerd, dat het lyrisch ik het slechte pad op is gegaan, maar daarvoor niet beloond werd met geluk. De clou zou begrijpelijk worden, wanneer we het woordje ‘niet’ aan het begin van de laatste regel weglaten (hetgeen overeenkomt met de Engelse vertalingen die op internet te vinden zijn). Ik houd me aanbevolen voor reacties van lezers die het Portugees machtig zijn.

Voor de liefhebbers van het werk van Rawie valt er in Handschrift wederom veel te genieten. Veel gedichten hebben de kracht van een credo, waarin hij eindelijk een keer zijn overtuiging wil verwoorden. Ik citeerde aan het begin van deze recensie al enkele pareltjes. Daarnaast is er wat meer ruimte voor humor en anekdotiek, waarbij we zelfs de naam van een geliefde tegenkomen, met wie hij Zeeland bezoekt of naar het zuiden vliegt. Dit laatste blijkbaar zo frequent, dat zij, nog voor hij over de Alpen waar ze overheen vliegen kan opmerken ‘Zo ziet God ze ook’, hem voor is: ‘Dat zeg je elke keer!’.
Misschien staan er wat minder gouden regels (3) in Handschrift dan in zijn vroegere werk. De tijd zal het leren.

***
Meer lezen:

(1)  Recensie door Joop Leibbrand van De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag voor Meander.
(2)  De bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘Boven het gras’ uit Handschrift in het kader van de reeks Eerste Indrukken vindt u op Ooteoote.
(3)  Bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘ Voorgoed’ voor de reeks Meander Klassiekers.

Recensie van Een mistval om het rumoer - Jan Kleefstra

Een kaal landschap vol betoverende poëzie

Jan Kleefstra
Een mistval om het rumoer
Uitgever: Aspekt
2017
ISBN 9789463381673
€ 12,95
68 blz.

Eén van de kleinste bundels in mijn boekenkast is De bramenpluk van Miriam Van hee. Het is een boekje dat ik graag meenam in de trein of als ik een dag uit wandelen ging. De dichter, die haar achternaam zonder hoofdletter schreef, maakte zich zo klein dat de dingen zelf aan het woord kwamen. Vaak was het voldoende om slechts een paar gedichten te plukken, en zo nauwer in contact te komen met het hier-en-nu. De hier besproken bundel heeft hetzelfde formaat. Bescheiden. Groots.

‘Het wordt stiller. De zon is nog niet op. Het meer wacht op de vlucht die alles in beroering brengt. Wat spreekt, fluistert. Nachtkoude heerst over het mooiste moment van deze winterdag, waarin het zijn voor even in alles oplost en het sleutelwoord ingetogenheid is.’ Een raadselachtige toelichting op de achterkant van een bundel die geen krans behoeft.
Jan Kleefstra heeft zijn bundel een intrigerende titel meegegeven. Het woord ‘mistval’ is opgebouwd uit twee bestaande woorden, maar is als samenstelling in het Nederlands onbekend. Het roept het beeld op van invallende mist, maar ook van de mist als een val waar we in kunnen lopen. De titelloze gedichten zijn verdeeld over vijf afdelingen: ‘Winterochtendnevel’, ‘De wind wakker’, ‘Een mistval om het rumoer’, ‘De stille berk’, ‘Waadlicht’.

Wacht er al kou tussen winterlakens

de angst verstrikt te raken
in een mensenleven

Wat een schitterend woord: winterlakens. Het voert ons naar een huis zonder centrale verwarming, misschien zelfs naar een vroegere tijd. De tweede strofe heeft een mystieke kleur. Het lijkt alsof er een instantie aan het woord is, die losstaat van het lichaam. De geest die vrij is in zijn gedachten en in de woorden van het gedicht, maar ook gebonden aan een lichaam met zijn alledaagse behoefte aan warmte, voedsel, gezelschap. Of mogen we deze regels lezen als bindingsangst, de angst om iemand te dicht op de huid te komen?
In De bramenpluk is de warmte opgeslagen van zomers in de Cevennen. Een mistval om het rumoer ademt de kou van het winterse Friese land. Kleefstra hanteert een kale, transparante taal. Eén hoofdletter aan het begin van elk gedicht, geen interpunctie. Geen inhoudsopgave, de gedichten hebben immers geen titel. Jammer misschien, want de opsomming van de beginregels zou zomaar weer een gedicht op zich kunnen vormen.

Het vers van de kleine schrijver

paart onder kale berken met de gedachte

dat er ooit een wolk om een handvol

lieftallige liederen kruipen zal

Door het gebruik van de dubbele witregel bestaat dit gedicht uit vier eenregelige strofen. Het geeft de tekst een voorlopig, tentatief karakter, waarbij pas verder gesproken wordt als de eerste zin bezonken is. De woorden ‘berk’ en ‘wolk’ komen veelvuldig voor in deze bundel, evenals het gebruik van dubbele witregels. Het gedicht op de volgende bladzij bestaat zelfs uit twee eenregelige strofen, met nota bene vier witregels ertussen.
De poëzie van Kleefstra maakt een verstilde, onthechte indruk. De overweldigende aanwezigheid van de natuur komt op de eerste plaats. ‘Het komt zichzelf telkens weer te boven / het bos’; ‘Weet dat het veen in je hand / nooit zonder gedachten is’; ‘in een handvol uitgekauwde / zuring wordt sneeuw regen’. Toch vertelt de dichter een heel persoonlijk verhaal. Er zit een duidelijke opbouw in de verschillende afdelingen. In ‘De wind wakker’ wordt de blik op de dichter zelf gericht. Zie bijvoorbeeld ‘de kleine schrijver’ in het zojuist aangehaalde gedicht. Of wranger: ‘Ieder vol geschreven blad // zou prooi / voor de ondoofbare vlam // van mijn weerzin moeten zijn’. In ‘Een mistval om het rumoer’ is sprake van een ‘we’ en van romantische fragmenten als ‘Het gras / dat we stil hebben uitgekleed’. In ‘De stille berk’ lijkt sprake van een worsteling: ‘schuld vereenzelvigt zich niet met liefde / pelt geen onrijpe vruchten voordat / het jaar voorbij is’.
Door te wijzen op deze onderstroom beweer ik geenszins dat we een chronologisch verhaal krijgen voorgeschoteld, zoals in Die Winterreise van Schubert. Ik zie Een mistval om het rumoer eerder als een reeks losse impressies van een ‘ik’ die troost zoekt in het lege landschap: ‘in boezemland wilde ik / met niets verweven stil zijn // op de toppen van mijn kunnen / op het lijk van mijn treurigheid dansen’.
Daarom moet deze recensie ook kort blijven. Al te veel duiding zou dit kleinood van Kleefstra onrecht aandoen. Alsof zijn woorden pas kunnen spreken wanneer zij worden uitgelegd.

Een klein gerucht is snel verwaaid

ik waag mij niet
de winterhemel te verontrusten

wil ik op ieders wang kleur
van het bevroren noodlot zijn

kruipend zal ik geen wijsheid vinden

***
Jan Kleefstra (1964) is een tweetalig dichter: Nederlands en Fries. Hij combineert zijn Friestalige poëzie liefst met muziek. Samen met zijn broer Romke Kleefstra maakte hij diverse bewerkingen, o.a. verschenen op hun album Piiptsjilling. Luister naar de stem van Jan Kleefstra om je onder te laten dompelen in de betoverende klank van zijn poëzie.
Een mistval om het rumoer (met tekeningen van Lucien Tinga) is zijn derde Nederlandstalige bundel.