Gedichten

Vertaling: Bart Vonck

EL GRITO

La elipse de un grito,
va de monte
a monte.

Desde los olivos
será un arco iris negro
sobre la noche azul.

¡Ay!

Como un arco de viola
el grito ha hecho vibrar
largas cuerdas del viento.

¡Ay!

(Las gentes de las cuevas
asoman sus velones.)

¡Ay!

*

DE KREET

De ellips van een kreet
slaat van berg
naar berg.

Vanuit de olijfgaarden
wordt hij een zwarte regenboog
over de blauwe nacht.

Ay!

Als de strijkstok van een altviool
liet de kreet de lange snaren
van de wind trillen.

Ay!

(De grotbewoners komen
met hun lampen naar buiten.)

Ay!

**

SORPRESA

Muerto se quedó en la calle
con un puñal en el pecho.
No lo conocía nadie.
¡Cómo temblaba el farol!
Madre.
¡Cómo temblaba el farolito
de la calle!
Era madrugada. Nadie
pudo asomarse a sus ojos
abiertos al duro aire.
Que muerto se quedó en la calle
que con un puñal en el pecho
y que no lo conocía nadie.

*

VERWONDERING

Dood bleef hij liggen op straat
met een dolk in zijn borst.
Niemand die hem kende.
Wat trilde de lantaarn!
Moeder.
Wat trilde het lantaarntje
op straat!
Bij dageraad. Niemand
kon nog in zijn ogen kijken
die staarden in de harde lucht.
Ja, dood bleef hij liggen op straat,
en met een dolk in zijn borst
en niemand, niemand die hem kende.

**

LAS SEIS CUERDAS

La guitarra,
hace llorar a los sueños.
El sollozo de las almas
perdidas,
se escapa por su boca
redonda.
Y como la tarántula
teje una gran estrella
para cazar suspiros,
que flotan en su negro
aljibe de madera.

*

DE ZES SNAREN

De gitaar
laat dromen huilen.
Het snikken van de verdoolde
zielen
ontsnapt uit haar ronde
mond.
En zoals de tarantula
weeft ze een grote ster
om te jagen op zuchten
die drijven op haar zwarte
houten waterput.

**

CAMINO

Cien jinetes enlutados,
¿dónde irán,
por el cielo yacente
del naranjal?
Ni a Córdoba ni a Sevilla
llegarán.
Ni a Granada la que suspira
por el mar.
Esos caballos soñolientos
los llevarán,
al laberinto de las cruces
donde tiembla el cantar.
Con siete ayes clavados,
¿dónde irán
los cien jinetes andaluces
del naranjal?

*

WEG

Honderd rouwende ruiters,
waarheen gaan ze
door de neergevallen hemel
van de sinaasappelgaard?
Nooit bereiken ze
Cordoba of Sevilla.
En ook Granada niet, dat smacht
naar zee.
Die doezelige paarden
voeren hen mee
naar het labyrint van de kruisen
waar het lied huivert.
Waarheen gaan ze,
met zeven kreten in hun lijf gespijkerd,
de honderd Andalusische ruiters
van de sinaasappelgaard?

**

BAILE

La Carmen está bailando
por las calles de Sevilla.
Tiene blancos los cabellos
y brillantes las pupilas.

¡Niñas,
corred las cortinas!

En su cabeza se enrosca
una serpiente amarilla,
y va soñando en el baile
con galanes de otros días.

¡Niñas,
corred las cortinas!

Las calles están desiertas
y en los fondos se adivinan,
corazones andaluces
buscando viejas espinas.

¡Niñas,
corred las cortinas!

*

DANS

Carmen is aan het dansen
door de straten van Sevilla.
Met haren wit
en fonkelende ogen.

Meisjes,
doe de gordijnen dicht!

Op haar hoofd kronkelt
een gele slang,
en ze droomt dat ze danst
met vroegere vrijers.

Meisjes,
doe de gordijnen dicht!

De straten liggen verlaten,
en in de verte verloren
zoeken Andalusische harten
oude doornen.

Meisjes,
doe de gordijnen dicht!