Gedichten

Aan tafel

mijn moeder
draagt vandaag weer eens een vloek
naar de eettafel 
stomend nog weet ik
warm zegt ze zelf
ik ben zes
en twijfel tussen gordeldier

of pijlstaartrog

met bestek en bord in de aanslag 

als verweer
speel ik met snijden
ik groei al krom

om zere benen onder tafel te mijden
leg ik mijn wortels af


mijn moeder
draagt weer eens een vloek
naar de eettafel

bloemkool en kaas

zegt ze 
stomend
terwijl ik de smaak van gif
voorzichtig wegmoffel

met appelmoes


‘s avonds voor het slapen gaan

voert ze me pluche
als boetedoening

 

Kraken

krolse koppensnellers
legden paden
naïeve kinderkopjes
naar jouw voordeur


waar het huis vol liep met ongeloof
en weinig om het lijf


de kamer leek eerst nog een aquarium
met buiten ons raam een afwachtende
nog lachende maanvis

terwijl je tergend langzaam een leidraad spande
waar loden voeten wankelden
tussen jouw linker en rechter borst


ik boven de kolkende zeewering
nooit een midden vond



één misstap
werd een diepzee
ik waande jouw oorschelpen weekdieren op mijn tast
maar elk vocht was je eender
en elke schulp jouw thuis
zei je

jij bleek de Kraken
klemde mij tussen jouw kaken
waar nog restjes zeemeermin
sepia droop door de gordijnen


terwijl de algen omhoog klommen
tegen de muren
(het lood in mijn voeten had net zo goed kwik kunnen zijn)

 ik was zeeduivel in je tentakels
je plukte dat kleine beetje licht
en aan jouw oppervlakte spatte ik uiteen
als een schubbig schilderij
dat getuigde van een diepte
die je niet wilde noemen

ik werd een blobvis
draadloos tot op de graat
graatloos tot op de draad
was ik week
week ik

 

Rariteitenkabinet

hoe hij ledematen en huiden
liever op bindt
of afstroopt
dan te strelen
zieltjes op sterk water zet
er parfum van denkt
ruggengraten in het gelid legt
veren plakt aan vreemde vogels
met glazen ogen

of een meisje dood zwijgt

het sadisme van de ultieme observator
alles stil zetten
alsof het te vangen is
als men schubben en veren telt
vacht vult met klei
vlinders vast pint aan maagwanden

of een meisje dood zwijgt

een observator is pervers
hij laat de dingen liever rotten dan te proeven
legt liever verklaringen
in lege magen
die als maden en bloedzuigers groeien
hij is chirurg en chirurgijn
aderlaat de wijzers en poriën
plukt dons uit dekbedden
om de zachtheid te bevragen
maar slaapt nimmer

op een ochtend betrap ik hem
met één oor aan een nautilus schelp
alsof er nog iets weeks in hem rest
met die dove blik
als motten tegen een lantaarn
bevraagt hij haar licht

zwijgt hij een meisje dood