Recensie van En toch is alles wat we doen natuur - Leo Vroman

Gedichten tegen het bloeden

Leo Vroman
En toch is alles wat we doen natuur
Uitgever: Querido
2018
ISBN 9789021409023
€ 24,99
292 blz.

Zoals elke recensent spiegel ik nieuw werk (vooral onbewust) aan een persoonlijke, onvoltooide en onvoltooibare canon. Het resultaat van vele jaren indringend lezen kan nooit al het ware, goede en schone bevatten, want een mensenleven is niet meer dan een flits in de duisternis. Tot mijn canon behoren veel gedichten van twee Nederlandse biologen: de hematoloog Leo Vroman (1915-2014) en de evolutiebioloog Dick Hillenius (1927-1987). Hillenius vatte heel goed samen wat leven en scheppen zijn: ‘Elk ontstaan is op grensvlakken / druppels van de ene wereld uitspattend / en aanpassend aan de andere.’ Die samenvatting geeft ook de kern van het recenseren van kunst weer, maar als recensent moet men enige voorzichtigheid in acht nemen. Toen ik een aantal jaren geleden een bundel besprak van een dichter met wie ik al heel lang vertrouwd was, maakte ik een positief bedoelde vergelijking met een poëticaal inzicht van Vroman. Niet lang daarna ontving ik een brief waarin die dichter me liet weten dat hij de vergelijking als een affront opvatte. Het kan verkeren… zei Bredero.

In deze bespreking zal ik zo dicht mogelijk bij het werk van de hematoloog – die ook dichter was – blijven. Als hematoloog schreef Vroman het eerlijke, boeiende en leesbare boek Bloed (Amsterdam, 1968), waarin hij op een fascinerende manier het stollingsproces heeft beschreven. Zonder dat stollingsproces, zowel in letterlijke als figuurlijke zin, had ik nooit een persoonlijke canon kunnen samenstellen. Merkwaardig genoeg gaat het citaat uit het werk van Hillenius ook voor het stollingsproces op. In Vromans nieuwe bundel heeft Mirjam van Hengel ‘de mooiste gedichten over het leven in en rondom ons’ verzameld. De schrijfster is vertrouwd met de wereld en het werk van Vroman, ze publiceerde in 2014 Hoe mooi alles, een boek over Leo en Tineke Vroman. In de inleiding stelt Van Hengel dat Vroman alles als een wonder heeft ervaren. Voor de dichter was niets vanzelfsprekend, tenzij misschien de wind die in vele gedichten als natuurkracht en boodschapper aanwezig is. In zijn gedichten is de natuur nooit een metafoor, want volgens Vroman is ‘natuur het enige waar we echt iets over kunnen zeggen.’ (11)

Het lijkt erop dat de dichter het bestaan van cultuur negeert, want ‘de rest van wat ons beheerst en omringt bestaat niet echt.’ (11) Wie alles vanuit een biologische invalshoek bekijkt, kan cultuur vervangen door het begrip ethologie, en precies die connotatie heeft Vroman opgeroepen in het gedicht ‘Wieltjes en wieltjes’: ‘en toch is alles wat we doen natuur / het hopeloos verdwalen in de mode / het elektrisch flitsend kunsthoutvuur / het gek begraven van gewone doden.’(142) De titel verwijst evenwel naar een voorwerp dat bij uitstek past in een cultuurhistorische benadering van het verleden: een wiel.  Ook dieren maken gebruik van (onveranderlijke) rituelen – baltsen verloopt op een stereotiepe manier –  en hebben oog voor vast verankerde esthetische effecten zoals de grootte van een gewei. Precies daarover gaat het sprookje Het lelijke eendje van Hans Christian Andersen. De rituelen en de esthetiek staan in het teken van de natuur, in casu de voortplanting en het overleven van de soort. De Engelse bioloog Desmond Morris (1928) heeft op een gelijkaardige manier beschreven hoe mensen er op bepaalde tijdstippen alles aan doen om lichamelijk op te vallen. Daarbij maken ze gebruik van hun culturele bagage, en die valt niet samen met wat ethologen als natuur definiëren. Wanneer in de lente vinken hun levensblijheid verkondigen, doen ze dat volgens een vast klankpatroon, mensen maken gebruik van zeer uiteenlopende codes en signalen. De hoofse liefde vereiste een andere woordenschat dan de sms-liefdestaal van de jongeren van vandaag. Wanneer een bever een burcht bouwt, doet hij dat altijd volgens hetzelfde patroon. Mensen bouwen huizen waarin heel verschillende architecturale visies tot uiting komen. Bij Vroman is de poëzie vooral op het leven gericht, maar ‘er waart veel dood, sterven en vergankelijkheid door zijn werk.’ (12)

In het eerste gedicht, ‘Aan een vriend’, is de dood meteen aanwezig in de eerste twee en de laatste twee versregels, die op een woord na identiek zijn: ‘Ach, laten wij geen ogenblik bederven / voor wie van ons het eerst zal moeten sterven.’ (17) De dood kan niemand ontlopen, het heeft dus ook geen zin daar veel woorden aan te besteden. Zolang de leeuwerik zingt, zolang er kersenbomen bloeien, hebben de dichter en zijn vriend nog niemand kwaad gedaan. Het gedicht is in een eenvoudige parlandostijl geschreven en bestaat uit zes disticha met eindrijm. Wat mij vooral opvalt in dit gedicht uit de bundel Gedichten, vroegere en latere (1949) is de versregel: ‘Ach, laten wij het leed dat men ons deed, vergeten.’ De Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen van wie de gruwel had beleefd. De dichter vertrouwde kennelijk op een metafysische gestalte en voegde er aan toe: ‘God zal het allemaal wel weten.’ Ook in het derde gedicht, ‘Hierna’, uit dezelfde bundel, is de dood opvallend aanwezig, en omdat het gedicht een goed voorbeeld is van Vromans taalgebruik, dat o.a. opvalt door de vele neologismen, citeer ik het in extenso:

Jouw jijheid, lieve tedere, is zo in mij verhout
dat al wat een jou kenbaar is mij in mij overleeft.
Wat moet dat worden als mij, jong of oud,
God zegent en van mijn verstand genezen heeft?

Wanneer mijn vliezen zijn vergaan
met het vergaan der jaren
en jouw bedeesde mummie in mij laten staan,
dierbare?

Ik ben geen wolk, ik kan niet wenende ontzijnd,
gebeurloos deze werkelijkheid ontsnappen.
Mijn dood is zichtbaar zijn, dat duidelijk verdwijnt
en waarop velen mij te hunner tijd betrappen.

(blz. 19)

Het is een existentieel gedicht waarin het kenbare aan het langst eind trekt (‘verhout’), maar het kennende zijn kenfunctie verliest, of zoals de dichter het uitdrukt: ‘van zijn verstand genezen’ werd. Het niet meer zijn, het ‘ontzijnd’ zijn is niet ‘gebeurloos’ – ‘mijn dood is zichtbaar zijn, dat duidelijk verdwijnt’ luidt de logische vaststelling. In dezelfde bundel verscheen ook het lange gedicht ‘Over mensen’, dat uit regelmatige versregels en becommentariërend proza bestaat. In dat gedicht heeft Vroman het over zijn ‘vaagheid’ en zijn ‘mensenvrees’. De dichter is echter niet vaag, en zijn vrees is niet ongegrond: ‘kan men verhinderen door verzen lezen / dat handen andere slaan / en andere handen bedelen?’ (36) Een dichter kan een ideaal nastreven – en dat reikt toch verder dan ethologische concepten –, maar ‘waar vindt zelfs de grootste dichter, / al zeg ik het zelf, normen / om anderen naar te hervormen?’ (36) Neen, niet alles wat we doen is natuur, tenzij het zoeken naar het schone, het ware en het goede deel uitmaken van de menselijke ‘natuur’. Vroman gaf ootmoedig toe: ‘ik weet maar al te vaak dat zelfs ik niet inzie en wil zeggen wat ik zeg.’ (36-37) Het spreken en schrijven onttrekken zich regelmatig aan de directe en de indirecte duiding, en zouden als een inherente dimensie van het menselijk zijn kunnen worden beschouwd. Dus toch natuur? Vat krijgen op de taal is niet altijd mogelijk, ook en vooral wanneer de hand de woorden aan het papier toevertrouwt. Een gedicht leidt een eigen leven, en ‘het enige waar het namelijk om gaat is hoe het woord in ons ontstaat en niet hoe een ander het hoort.’ (37) Het is een aanwijzing voor exegeten en recensenten.

De bundel bestaat niet uit een oneindige reeks idyllische natuurtaferelen, integendeel. Een aantal beschrijvingen van natuurlijke processen, zoals het sterven of de spijsvertering, worden soms rauw beschreven – ik denk aan de gedichten ‘Groente vlees en aardappelen’ (154-156) en ‘Kruimels in bed’ (157-158). Het eerste gedicht wordt afgerond met een zelfbeeld: ‘Eenzaam ben ik op mijn best / een beetje moe een beetje mest / parende met de grond.’ (156) Het is weinig mensen gegeven zich als mest in wording te zien, maar het is een vruchtbare metamorfose, zoals uit de laatste versregel blijkt. De spijsvertering wordt bij Vroman ‘De spijsvertedering’ (255-262), maar verwacht geen tedere beschrijvingen. ‘Mijn dierenleven’ besluit de dichter met het verzoenende kwatrijn: ‘O was ik microscopisch groot / dan kroop ik in mijn eigen buik en / kon die lieve bacteriën ruiken / mompelen over mijn dood.’ (251) In ‘Overschot’ heeft de dichter er vrede mee dat zijn boeken en tekeningen, zijn schoenen en sokken waarin hij zich na de dood nog laat strelen gauw zullen verdwijnen: ‘foto’s, foute zelfportretten, / al het jouwe en het mijne / zal als morgendauw verdwijnen / met het verdampende verdriet.’ (270)

In het bijzonder mooie gedicht ‘Bloedingstijd’ (177) vat hij zijn eigen levensles samen. Hij beseft dat zijn kennis altijd de natuur achterna hinkt: ‘En nog iets: /zo vlug als ik die cellen maak / zo traag weet ik ervan. / Straks als ik, een stokoude man, / meer dan mijn leven achter raak / wat begin ik dan?’ De wetenschapsman heeft tientallen jaren microbiologische processen geobserveerd en als mens heeft hij het eigen zijn en de daarbij horende dood gerelativeerd, maar zijn werk bestaat toch vooral uit gedichten tegen het bloeden of aftakelen en sterven. Tegenover het wetenschappelijk inzicht stond het existentiële aftasten van grenzen en angst. Veel van de gedichten hebben de figuurlijke bloedingstijd en coagulatietijd van de ‘gewonde’ dichter verkort en het onvermijdbare uitgesteld, al was het maar in de tijdelijke vorm van een herfstblad: ‘Mijn hand krom als een herfstblad / ritselt en scharrelt dan nog wat / alsof hij voort wil leven. / Nu weer even.’ (247) Neen, niet alles wat we doen is natuur. Velen verdringen doodsgedachten, anderen spreken er aarzelend over, en een aantal dichters schrijft erover in berijmde taal. Bij Vroman lijkt het denken in versregels samen te vallen met het ademen, maar dan nog blijft het een uiting van cultureel bepaald gedrag, vooral omdat de gedichten werden gebundeld voor een groot lezerspubliek.

Niet alle gedichten zijn beklijvende getuigenissen. Vooral de langere gedichten, zoals ‘De vogel’ (58-61), ‘Lief, lief’ (68-71) en ‘Inleiding tot een leegte’ (46-57), zijn te lang uitgesponnen. Een snoeischaar is geen overbodig instrument in poëzieland. Relatief korte gedichten, zoals ‘Een stille ontmoeting’ (266) en ‘Sluiting’ (267), beide met eindrijm, hebben mij veel meer aangesproken, maar dat was geen ontdekking.

Recensie van Gij zijt allemaal welgekomen! - Dirk de Geest

Een papieren bootje op de Leie en het rustige kielzog

Dirk de Geest
Gij zijt allemaal welgekomen!
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056550868
€ 34,99
784 blz.

Vanuit een economische invalshoek is het uitgeven van gedichten een marginale activiteit. Toch verschijnen er in het Nederlands taalgebied jaarlijks tientallen nieuwe bundels, en dat is dus niet om de lieve centen. Het aantal manuscripten dat bij dichters in de kast blijft liggen, is een veelvoud van de publicaties die het wel publiek bereiken. Om de lezer gemakkelijker te bereiken organiseerde Guido Lauwaert in 1973 in Vorst de eerste nacht van de poëzie, twee jaar later gevolgd door een gelijkaardig evenement in de Hallen van Kortrijk. Ik was er als luisteraar bij en ben teleurgesteld naar huis gegaan voor de laatste dichter het woord kreeg. Pas in 2011 ging de vijfde nacht van de poëzie door. Leo Drieghe ging een stap verder: in 1968 en 1971 organiseerde hij met Roland Jooris in Wetteren een poëziemarkt onder het motto ‘Consumeer meer poëzie.’ Louis Paul Boon liet zich opmerken met een bolhoed op het hoofd en andere dichters poseerden gewillig voor reporters. Het waren goed bedoelde initiatieven die helaas een vroege dood stierven. Voor de verzamelbundels die door de poëtische marktkramers werden gevuld, moet men anno 2018 wel flink in de portemonnee tasten.

Veel meer succes hadden de Vlaamse Poëziedagen die van 1937 tot 1956 plaatsvonden in de dorpen Ooidonk en Merendree. De initiatiefnemer was pastoor Basiel de Craene, die ook zelf gedichten schreef. De briefwisseling en andere documenten die door De Craene en Maria Bonquet – de vroegere secretaresse van de poëziedagen en de rechterhand van De Craene in Merendree – werden bewaard, geven inzicht in de ontwikkeling van een aantal individuele dichtersprofielen en het literaire klimaat van die tijd. De Geest wijst erop dat literatuur ‘meer is dan een corpus van teksten, een conglomeraat van genres, een uiting van specifieke literatuuropvattingen. Ze is – zeker in die jaren – evenzeer een kwestie van contacten en discussies, van tijdschriften en groeperingen, van omgangsvormen.’ Even belangrijk als de gepubliceerde bundel ‘is de publieke declamatie, de opvoering, het debat, de beeldvorming, de literaire uitgever, de literaire kritiek, het informele en formele gesprek.’ Het is die ‘sociale praktijk’ (9) die in de monografie gedetailleerd wordt belicht.

De Geest, die moderne Nederlandse letterkunde doceert, heeft een boek van bijna 800 blz. aan die jaarlijkse hoogmis van de Belgische Nederlandstalige poëzie gewijd. Zijn verhaal begint op 10 mei 1956, de dag waarop Basiel de Craene in Merendree is overleden. Op die manier heeft hij verduidelijkt waarom dat kleine dorp enkele dagen later overspoeld werd door dichters en journalisten. Daarna volgt de auteur de gebruikelijke chronologie.

De geschiedenis van de ontmoetingen in het vlakke land nabij de Leie heb ik al eerder gelezen in het tijdschrift Het Land van Nevele, dat in 2000 de monografie ‘Van Bachte-Maria-Leerne tot Merendree. Geboorte en bloei van de Vlaamse Poëziedagen’ van Eddy Vaernewyck heeft gepubliceerd. De monografie van Vaernewyck (jrg. XXXI, nr. 2, 83-188) was eenmanswerk. Dirk de Geest heeft een beroep kunnen doen op studenten, die hebben geholpen bij het inventariseren van het archief van de poëziedagen. In zijn dankwoord (702-703) worden niet alleen die studenten vermeld, maar ook de kritische lezers die zijn werk hebben zien groeien, en Eddy Vaernewyck, die het script in statu nascendi van commentaar heeft voorzien, heeft een bijzondere vermelding gekregen. Het dankwoord is van belang voor wie interesse heeft voor wetenschapssociologische vraagstukken. Het illustreert de inzichten van Bruno Latour, en die gelden ook in de humaniora.

Hoewel De Geest in de proloog onmiddellijk stil blijft staan bij de dag waarop de Craene is overleden, volgt zijn verhaal de organische lijn van kiem naar groei en bloei en uiteindelijk de oogst. De vervalperiode met ontmoetingen in Wemmel, Meise en Deurle, tot de poëziedagen in 1992 in Gent ten grave werden gedragen, en de recente terugkeer naar Bachte-Maria-Leerne, vallen buiten de opzet van de monografie. In de levensschets van De Craene, die op 55-jarige leeftijd de poëziedagen uit het niets heeft geschapen, heeft de auteur de typische valkuilen van de biografie en de clichés van de hagiografie vermeden. Nu en dan is de verteltrant zelfs licht ironisch. Om de werkelijkheid te belichten werd vergelijkend onderzoek verricht. Zo blijkt dat een typoscript van Maria Bonquet over Basiel de Craene identiek is aan een handgeschreven tekst van De Craene zelf, die niet terugdeinsde voor enige opsmuk.

De Craene heeft niet alleen poëzie geschreven, hij heeft als jonge pastoor ook meegewerkt aan een aantal kranten. Hij ondertekende zijn artikelen soms met zijn eigen naam, soms met een pseudoniem. Uit die artikelen werd een eerste zelfstandige publicatie samengesteld. Zijn eerste werk staat los van zijn latere literaire activiteiten, hoewel het op een pedagogische instelling wijst, en die is in Merendree overeind gebleven. Toen hij van 1915 tot 1931 als kapelaan actief was in Kaprijke, heeft hij (reactionaire) opvoedkundige taken vervuld. Ik vraag me af welke zedenverwildering daar bestreden moest worden. In Kaprijke ontmoette hij de onderwijzeres Maria Bonquet, en in die tijd ontwikkelde hij zich als schrijver van religieus proza. Gaandeweg kreeg dat proza een meer literair stempel, zoals in de dubbelroman Simon-Petrus (1928-1929). Voor de uitgave van die werken tastte de kapelaan diep in de eigen portemonnee. In 1931 werd hij pastoor in Bachte-Maria-Leerne, waar hij kunstenaars uit de Leiestreek en de burgemeester, graaf ’t Kint de Roodenbeeke, de eigenaar van het kasteel van Ooidonk, leerde kennen. In die nieuwe omgeving begon hij vrij vlug gedichten te schrijven, en hij kreeg er contact met de pastoors Joris Eeckhout (criticus en essayist) en Camille de Paepe, die aanvankelijk in het Nederlands en later als Camille Melloy in het Frans schreef. In 1931 maakte de bundel Smeltkroes van een andere pastoor, Hubert Buyle of Gery Helderenberg, grote indruk op hem, en vanaf dat ogenblik ging zijn aandacht vooral naar het schrijven van gedichten. In 1933 verscheen zijn debuut: Uit ’t Leye-lisch. Hij gaf het boek zelf uit en schreef aan de drukker dat hij een kunstproduct verwachtte: ‘Mijn begeerte: heel chic; rijk; iets waarmede gij op tentoonstellingen prijken kunt’ (51). De kritiek reageerde verdeeld, en vooral het oordeel van Marnix Gijsen was verpletterend.

Hoewel het besproken boek vooral de poëziedagen belicht, vond ik het nodig om de achtergrond van De Craene uitvoeriger te belichten, want die is medebepalend geweest voor de invloed van de poëziedagen op de Vlaamse poëzie. Ik gebruik het woord Vlaams altijd in een geografische context, maar De Craene en veel dichters die hij ontmoette, gebruikten het woord in de eerste plaats in etnische zin, een gebruik dat remmend heeft gewerkt op de ontvoogding van de poëzie in Vlaanderen. De dichter en criticus Jan Schepens verving wellicht om die reden Vlaamse Poëziedagen door ‘Kermis van de Vlaamse Poëzie’ (541). De Craene verdedigde een instrumentele poëtica, en hij probeerde ‘een energieke kring van priester-dichters uit te bouwen’ (73). Poëzie is echter geen toegepaste kunst. De gedachte dat ‘een vers ontstaat doordat een bepaald inzicht krachtig wordt vormgegeven’ (75) gaat misschien op in een liturgische context, maar staat heel ver af van de expressionistische en vitalistische tendensen die in die periode het tijdsbeeld nog mee vorm gaven. Met de priesterdichters boekte De Craene weinig succes, maar plots verscheen een ster aan het firmament: Blanka Gyselen. Met haar debuutbundel Door roode vuur (1936) maakte ze niet alleen indruk op de pastoor, maar ook op Marnix Gijsen. Haar eerste ontmoeting met Basiel de Craene lag aan de basis van een verdere samenwerking. In die periode zocht De Craene ook contact met de negentienjarige Herwig Hensen van wie hij De vroege schaduw (1936) had gelezen, een bundel waarin volgens Gijsen te nadrukkelijk het voorbeeld van Van de Woestijne werd gevolgd. De Craene zag geen graten in die navolging, maar Hensen nam de bundel toch niet op in de verzamelbundel Gedichten (1947). Na enkele ontmoetingen en brieven heen en weer, nam Hensen afstand van de De Craene, zijn initiatieven en van het declameren van gedichten: ‘wat een slechte gewoonte’ (86). Declameren stond in hoog aanzien in Bachte-Maria-Leerne. De wiskundige Hensen zocht een andere poëtische horizon en het drama op, en na de Tweede Wereldoorlog schreef hij als Diogenes satirische gedichten voor het weekblad Zondagspost.

Het netwerk van De Craene bleef echter groeien en de pastoor ontpopte zich tot poëzieorganisator. Er werd contact genomen met o.a. de schilder en dichter Maurits Bilcke, met de dichters André Demedts, Jan Vercammen en Albe. In 1937 ging in Bachte-Maria-Leerne een eerste Vlaamse Poëziedag door in aanwezigheid van reporters van een aantal dagbladen. Ook Het Volk, Hooger Leven en Ons Land waren vertegenwoordigd. In de tuin van het kasteel van Ooidonk werden gedichten gedeclameerd door o.a. Cyriel Verleyen, Blanka Gyselen en Maria Bonquet. De deelnemers waren met twee motorbootjes vanuit Gent naar hun bestemming gebracht. De boottocht op de schilderachtige Leie heeft veel aandacht gekregen in Hooger Leven. Na de voordracht bezochten de deelnemers een tentoonstelling met werk van een viertal Leieschilders, en in de namiddag lichtte Demedts zijn poëtica toe, waarin ook plaats was voor ‘maakwerk’. De organisatie was een tour de force waarvoor De Craene opnieuw diep in de geldbuidel moest tasten. Daarna volgden jaar na jaar nieuwe ontmoetingen, er werd een literaire prijs in het leven geroepen. Vertegenwoordigers van de Nieuwe Orde probeerden tevergeefs De Craene bij hun cultuurpolitiek te betrekken. Een behoorlijk aantal ‘Vlaamse’ dichters liet zich lijmen, en het was wellicht ‘dramatisch’ voor de organisator ‘dat een van zijn belangrijkste pupillen, Blanka Gyselen […] zich tot een van de belangrijkste propagandisten van de Nieuwe Orde en het nationaalsocialisme’ heeft ontpopt (229). In DeVlag (het maandblad van de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft) publiceerde ze zeer militante, bijna hysterische gedichten. Ze was niet de enige schrijfster uit de kring rond De Craene die haar kritisch vermogen prijs heeft gegeven, en het is precies in die zin dat de Vlaamse Poëziedagen een rem op de ontvoogding van de poëzie hebben betekend. Ik verwijs naar de stelling van Erik Spinoy dat die poëzie ‘is ontstaan in de context van een nog altijd onvoltooide emancipatiegeschiedenis, en dus in de discursieve nasleep van reactionair katholicisme, romantisch nationalisme en de “fascistische verleiding”’ (uit zijn november 2017 gehouden lezing Geen delicatessen, De waarheid van de poëzie). Spinoy, die ooit een leerling was van priester, dichter en leraar Anton van Wilderode – een coryfee van de Vlaamse Poëziedagen – heeft erop gewezen dat het verzameld werk van die dichter ‘de lezer heen en weer smijt tussen ideologische weerzin en lyrische verrukking’ (18). De ‘Vlaamse’ poëzie kon uitgesproken reactionair zijn. Dat de bejaarde De Craene uiteindelijk verruiming zocht door een beroep te doen op Paul Snoek (Gard Sivik) die positief reageerde, en Jan Walravens (De Vlaamse Gids en Tijd en Mens) en Remy C. van de Kerckhove (Tijd en Mens), die hun naam niet met de organisatie wilden verbinden (681-683), kon de remmende invloed van de vorige poëziedagen niet ongedaan maken. Walravens had in 1947 een lezing gehouden tijdens de jaarlijks ontmoeting in Merendree, en hij bleef kritisch voor de aanhangers van ‘klassieke’ poëticale opvattingen. Ook de aanwezigheid van vrijzinnige dichters kwam te laat om de poëziedagen echt te vernieuwen en het ‘etnisch’ karakter ervan op te heffen. Overtuigende poëzie, levensbeschouwing en etnische achtergrond zijn geen noodzakelijke drie-eenheid.

Met deze zeer individuele lezing van de wetenschappelijk gefundeerde monografie, die zeer vlot geschreven en rijk geïllustreerd is, maar meer dan een tikkeltje te omvangrijk is, laat ik de schrijver van dat werk wellicht onvoldoende recht wedervaren. Wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de ontwikkeling van de poëzie in Vlaanderen en van de ‘Vlaamse’ poëzie in etnische zin, mag niet aan dit werk voorbijgaan. Mijn bedenkingen betreffen niet het werkstuk, wel het gebeuren dat er aan voorafging.

Recensie van Domo de Poezia. Bouteilles à la mer. Flessenpost. Flaschenpost - Laurence Vielle

Gedichten als misthoorns

Laurence Vielle
Domo de Poezia. Bouteilles à la mer. Flessenpost. Flaschenpost
Uitgever: PoëzieCentrum / maelstrÖm reEvolution
2018
ISBN 9789056553777
€ 20
194 blz.

Nadat Charles Ducal in 2015 de gedichten uit zijn periode als ‘dichter des vaderlands’ heeft gebundeld onder de titel Bewoond door iets groters (zie Meander), is nu Laurence Vielle, ‘poétesse nationale de Belgique’ in de periode 2016-2017, aan de beurt met haar bundel Domo de Poezia. De gedichten zijn vertaald in de twee andere landstalen, en het is opnieuw een poging om poëzie dichter bij het publiek te brengen. Het is een mooi initiatief, maar de titel ‘dichter des vaderlands’ is naar mijn smaak barok en verengt (onbedoeld) de grenzen. België is geen natie, het is zelfs geen samenvoeging van drie naties, maar een geografisch geheel dat op basis van een maatschappelijk contract de samenleving van de verschillende bevolkingsgroepen probeert te bevorderen. In dat maatschappelijk contract is bepaald dat er drie ‘nationale’ talen zijn: het Duits, het Frans en het Nederlands. Het zou mooi zijn, mochten de volgende dichters als ‘Belgisch ambassadeur van de poëzie’ de taak op zich willen nemen. In navolging van Louis Paul Boon geldt ook voor mij: mijn ‘vaderland’ is een land waar het goed is, waar liefde een kans krijgt en waar kinderen samen harmonisch kunnen opgroeien.

Intussen is een nieuwe dichteres aan de opdracht begonnen: Els Moors. Zij heeft beloofd op zoek te zullen gaan naar een ambassadeur in de Duitstalige kantons. Echt nodig, want na een Nederlandstalige en een Franstalige dichter had ik een Duitstalige woordkunstenaar verwacht. Zoals Luc de Heusch in zijn schitterende essaybundel Ceci n’est pas la Belgique (1992) heeft geschreven: ‘… l’art tribal n’a plus de sens.’ (43) Het is nodig dat men die realiteit aanvaardt in de drie taalgebieden. Niet alleen het tijdperk van tribale kunst is voorbij (gestreefd), ook elkaar bestrijdende stammen passen niet meer in dit tijdsgewricht. In heel België wonen overigens minder inwoners dan in een aantal grote wereldsteden. Ik kan Els Moors alvast enkele Belgische Duitstalige dichters aanbevelen: Bruno Kartheuser, Leo Gillessen of Suzanne Visé. Over de ‘Qual der Wahl’ moet ze zich geen zorgen maken, want de vooraanstaande dichters Gerhard Heuschen en Robert Schaus zijn intussen helaas overleden. Maar door welke gebeurtenissen of plotse invallen heeft Laurence Vielle zich laten inspireren?

In de inleidende tekst roept de dichteres de lezer op om van zijn huis een huis van de poëzie te maken en op die manier licht ze de titel van de bundel toe. Vielle omschrijft de betekenis van poëzie als volgt: ‘Net als het water net als de liefde is de poëzie een levend, essentieel en universeel element van ons bestaan, van onze wereld.’ Daarna volgt de lezing die de schrijfster op 26 januari 2016 in de Brusselse boekhandel Passa Porta heeft gehouden. In die bespiegeling over een versregel van de Belgische dichter Paul Nouget – ‘Les oisaux s’envolent, le vent nous reste’ / ‘De vogels gaan vliegen, alleen de wind blijft ons dragen’ (12-13) – denkt de dichteres na over de vergankelijkheid van het leven, de adem en woorden. Wat mij opvalt, is de kernachtigheid van een aantal versregels die in het Nederlands meer woorden vergen: ‘le souffle nous relie nous façonne / et nous venons du souffle et nous y retournons / le souffle-parole nous traverse / ma langue et mon palais le modèlent en vocables’ en ‘de adem verbindt ons geeft ons vorm / we komen voort uit de adem en we worden weer adem / de adem van het woord waait dwars door ons heen / mijn tong en verhemelte kneden hem tot zinrijke klanken’ (12-13). Vielle onderstreept dat alle kunstenaars en alle mensen ‘Brüder’ zijn: ‘We schrijven en spreken, ieder van ons schept op zijn / manier adem, in de vorm van woorden delen we onze / adem met de wereld; / Vlamingen Franstaligen Walen meertalige sprekers / of zangers, ademen doen we allemaal.’ (15) Bij het lezen van de ‘speech’ heb ik meermaals aan ‘Blowin’ in the Wind’ van Bob Dylan gedacht. Vielle vermeldt in haar bespiegeling terecht een andere zanger: de poëtische Jacques Brel. Tijdens de toespraak gaf de dichteres ook op een originele manier haar identiteit prijs: ‘Ik woon in Brussel, haalde er voor het eerst adem. Mijn / Franstalige moeder komt uit Vlaanderen; mijn vader is / een beetje Zwitsers, een beetje Waals, een beetje Vlaams. / Ze leerden me nieuwsgierig te zijn en de diversiteit te / omarmen. Daarom houd ik van alle heuvels en vlakten in / dit land, dat me zo dierbaar is.’ (17-19) De dichteres had zich moeilijk een betere stamboom kunnen wensen. Ze heeft een DNA dat past in dit tijdsgewricht. De dichteres wijst erop dat poëzie in de verdrukking is geraakt en pleit voor een ‘poëtische re-evolutie, een levende brug tussen jou en mij!’ (21)

In het tweede deel worden de gedichten gegroepeerd die Vielle voor de kranten heeft geschreven. In ‘Doortocht’ herken ik enigszins de structuur en bedoeling van De avonturen van Niels Holgersson van de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf. Wat me vooral treft in dat gedicht is de aandacht voor de migratiestromen die het Belgische maatschappelijk contract in leven hebben gehouden. De trein bracht mensen uit alle windstreken en vervoerde ‘forces vives’ of ‘levende krachten’, in het Duits zo mooi vertaald als ‘Der zug […] verfrachtete Lebensenergie.’ (36) De vertaalster sloot zich aan bij de modernistische aanpak en maakte geen gebruik van hoofdletters, hoewel de beginletter van zelfstandige naamwoorden in het Duits nog altijd met een hoofdletter wordt geschreven. In ‘Veiligheid’ trekt Vielle van leer tegen de enge politieke invulling van het begrip veiligheid. Veiligheid is een existentieel gevoel en dat wordt niet in de hand gewerkt door te snoeien in de welzijnsuitgaven om meer veiligheidsagenten de straat op te sturen. Dan krijg je: ‘moeder vader het hele gezin / zit bang voor de teevee / blijft thuis / in die veiligheid / heren en dames die voor ons besturen / neen daar geloof ik niet in.’ (45) Ik ook niet. Vielle is een geëngageerde schrijfster in de ruimste betekenis van het woord, een schrijfster die me aanspreekt door haar zeer directe verwoording. Ze gaat niet op zoek naar verhullende metaforen.

De reis die in ‘Doortocht’ werd aangevat, wordt voortgezet in ‘Bron’, een gedicht waarin de schrijfster langs de Schelde loopt, de stroom die Frankrijk, België en Nederland verbindt, de stroom ‘die zich van grenzen niets aantrekt / al honderd jaar waakt hij over / het gebeente van Verhaeren / Rimbaud de wandelaar is er ook voorbijgelopen.’ (65) Vielle ontdekt de Schelde in tegenstroom, en dan denk ik meteen aan de ruim 200.000 Vlamingen die zich in de negentiende eeuw ook van de grens niets hebben aangetrokken en op zoek zijn gegaan naar werk in het gebied rond Roubaix, Lille en Tourcoing. Ook Vielle kent de geschiedenis, zoals blijkt uit ‘Gedicht van de voetballers van het Huttebos’ (104), een gedicht waarin soldaten in december 1914 hun geweren en de loopgraven ruilden voor een voetbal en een geïmproviseerd doel. In dat gedicht heeft het werkwoord schieten een heel andere betekenis gekregen.

Daarna volgen gedichten die ook deel uitmaken van de opdracht, maar die niet werden vertaald. Ook hier valt weer het engagement op, o.a. in ‘Hart boven hard’. In ‘En hommage à Emile Verhaeren’ wordt een ander soort verbondenheid onderstreept, en het enig mooie gedicht ‘Marthe est morte’, een ode aan Sint-Amands en aan de vrouw van de dichter, blijft naklinken met de bezwerende, en meermaals herhaalde woorden ‘Marte est morte / morte est Marthe.’ (126)

Het derde deel van deze geslaagde bundel is een ‘Ronde van België’ met aandacht voor o.a. Oostende en Ensor, het Heuvelland waar de dichteres met Charles Ducal en Els Moors op stap is geweest, Ieper en de Menenpoort, het Leieland nabij de Franse grens, waar de inwoners als ‘les vrais multilingues’ door het leven gaan (155), het Lappersfortbos in Brugge, Gent waar Vielle moderne Nederlandstalige dichters heeft ontdekt – o.a. Paul Snoek, Lut de Block en Roel Richelieu van Londerseele – en een oproep doet: ‘maintenant il est temps que nous tous en Belgique / chantions le bilinguisme.’ (160-161) Op blz. 163 breekt ze zelfs een lans voor drietalighed. Meertalig door het leven gaan, opent de deuren voor meer soorten poëzie. Vielle heeft in deze bundel met klem haar poëticale en maatschappelijke opvattingen verdedigd – zoals het hoort! – en ik wil daar slechts één bedenking aan toevoegen: haar gedichten zijn misthoorns die verdwaalde schepen naar een veilige haven kunnen leiden, niet om er definitief voor anker te gaan, maar om weer uit te varen en de wereld en de mensen beter te leren kennen.

***
Laurence Vielle (1968) is een Belgisch dichteres en actrice. Haar debuut L’ imparfait verscheen in 1998. Haar voorlaatste bundel was Leven tegen levens (2016).

Domo de Poezia bestaat uit een bundel en een CD.

Recensie van Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie - Peter van Lier

Gefundenes Fressen voor dichters en denkers

Peter van Lier
Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552879
€ 24,99
248 blz.

In de inleiding van de bundel beschouwingen met de intrigerende titel Geachte afwezigen, stelt filosoof en dichter Peter van Lier terecht de even intrigerende vraag waarom iemand gedichten begint te schrijven. Het is een moeilijk te beantwoorden vraag waarop veel dichters het antwoord schuldig blijven. Interviews en autobiografische teksten bevatten vaak attributies en soms ook overtuigende misleidingen, dichters zijn immers vertrouwd met het gebruik en het omzeilen van valstrikken. Hierna parafraseer en becommentarieer ik de inleiding.

Van Liers beginvraag werd niet beantwoord door P.B. Shelley, die in 1821 A Defence of Poetry heeft gepubliceerd. In dat werk heeft hij op het belang van poëzie gewezen. Hij bracht haar in verband met de verbeelding en zag in de poëtische expressie een tegenhanger van de onderzoekende en beschrijvende wetenschap. Als Shelley inderdaad dat denkpatroon heeft gevolgd en tot het besluit is gekomen dat de verbeelding noodzakelijk was om de mens en de wereld te verstaan – en dat is geen equivalent van begrijpen en verklaren –, dan heeft hij twee dingen over het hoofd gezien: (1) de wetenschap is gericht op verklaren en beheersen, en (2) de verbeelding heeft geen eigen onderzoeksobject, maar kan in veel domeinen nuttig zijn, o.a. in de wetenschap. De verbeelding van een kunstenaar is niet gericht op verklaren en beheersen, ze zoekt betekenisvelden op en richt zich op het verstaan, waardoor ze waarheid in het werk kan stellen. Exact en waar zijn geen synoniemen. Maar het is o.a. ook de verbeelding die in de geneeskunde tot de beheersing van ziektebeelden heeft geleid, en dat is slechts één voorbeeld. Het aantonen van het belang van poëzie – en daar kan niet aan getwijfeld worden – is nog steeds geen antwoord op de vraag waarom bijvoorbeeld Shelley zelf of Hölderlin gedichten hebben geschreven.

In 1978 heeft Jacques Hamelink de relatie tussen mens en wereld aan drie elementen gekoppeld: tijd, geschiedenis en sterfelijkheid. Dat zijn zeer ongelijksoortige categorieën. Tijd is een onvatbaar continuüm, geschiedenis is een abstractie die werd bedacht om vat te krijgen op de onvatbare tijd, en sterfelijkheid is onontkoombaar en een door de mens ervaren realiteit. De relatie tussen mens en wereld is niet alleen complex, door het verdwijnen van God, zo luidt het betoog, is het verband ook verstoord. Seamus Heany heeft ervoor gepleit de mens weer overeind te zetten (to redress), en dat is geen evidente taak, want volgens Hamelink heeft de technologie ons een alternatieve wereld voorgeschoteld. Baudrillard ging nog verder en voorspelde het einde van het ‘Reële’, dat kennelijk door virtuele manifestaties zal worden verdrongen. Van Lier heeft nog altijd geen antwoord gevonden op de beginvraag, en vraagt zich af hoe hij in de huidige omstandigheden poëzie kan verdedigen.

Verdediging is voor de essayist een te zwak begrip, hij geeft de voorkeur aan verweer, en dat heeft hij impliciet aangetroffen in het werk van Hans Faverey, Gerrit Kouwenaar en Kees Ouwens, die zich van de talige poëzie hebben afgewend om opnieuw het concrete leven centraal te kunnen stellen, of zoals Van Lier het zelf heeft geschreven: ‘de woorden [werden] weer betrokken op de dingen en andere fenomenen die zich aan het bewustzijn voordoen.’ (p. 11) In de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn dichters aan bod gekomen die ‘het contact met de werkelijkheid [willen] herstellen, waar dat verloren is gegaan.’ (p. 12)

Gelukkig zijn woorden referentieel, ze verwijzen niet alleen naar andere woorden, maar in de allereerste plaats naar dingen die al vóór de woorden bestonden, al wordt in sommige filosofische benaderingen het woord als constitutief beschouwd. De taak van de dichter en de essayist is dan ook ‘het ontwikkelen van aanwezigheidsstrategieën,’ (p. 14) of de herontdekking van de wereld. Dat zal gepaard gaan met duistere ervaringen, want taal en zijn hebben een duistere oorsprong, en kunnen naar mijn aanvoelen het best benaderd worden vanuit de fenomenologische inzichten van Maurice Merleau-Ponty. Dat de dingen volgens Kant niet fundamenteel kenbaar zijn, is voor de levenservaring geen probleem, belangrijk is de betekenis ervan voor de individuele en intersubjectieve existentiële ervaring, en die begint met de zintuiglijke aftasting van de wereld door lichaam en geest.

Na de zeer compacte en vrij complexe inleiding richt Van Lier zich op de toepassing van zijn inzichten. Hij neemt het werk van Faverey en Lucebert onder de loep. Zij hebben hun oorspronkelijk op de taal gerichte poëzie ingeruild voor vitaliteit en ontvankelijkheid, zijn is immers meer dan aanwezig zijn (in woorden).

De essayist vindt het echter zinvol om nu en dan ook over eigen werk na te denken, en dan duikt een tweede vraag op: ‘hoe schrijft men goede poëzie?’ (p. 19) Ook op die vraag kan Van Lier geen coherent antwoord bedenken. Hij vertrouwt op de inval en schaaft daarna de gedichten zo weinig mogelijk bij. De inval zorgt ervoor dat ‘de gedichten vrijwel meteen in hun definitieve vorm verschijnen.’ (p. 19) Ikzelf schrijf min of meer op dezelfde manier, en dat betekent dat er heel veel tijd kan verstrijken tussen twee invallen. Goede poëzie is volgens Van Lier het resultaat van de poëtische inval, maar die stelling gaat niet altijd op. Ikzelf gooi meer dan eens ‘invalgedichten’ in de papiermand, andere blijven overeind en sommige worden wat bijgeschaafd. ‘Zinledige’ momenten zouden volgens de essayist bijdragen aan het ontstaan van invallen. Hij heeft aanknopingspunten gevonden in het werk van Hölderlin en onderbouwt zijn stelling nog met Cornelis Verhoevens commentaren in verband met geesteshoudingen. Volgens Verhoeven doen invallen zich voor op het ogenblik dat men ongestructureerd aan het mijmeren is, en men doet er goed aan die opwellende gedachten of beelden meteen te noteren, want anders gaan die verloren. Ik denk meteen aan Kierkegaard die overal papier en een pen klaar had liggen en bijna overal kaarsen liet branden. Kierkegaards invallen waren niet goedkoop. In de beschouwingen over de inval komen de inzichten van Lyotard, Heidegger, Maurice Blanchot en de dichter Francis Ponge aan bod. Voor de geïnteresseerde lezer vermeld ik graag dat Heidegger zelf gedichten heeft geschreven en dat hij bevriend was met de dichter René Char.

Na de filosofisch getinte beschouwingen richt de essayist zich op het werk van Faverey, en maakt hij opnieuw een excursie naar het grensgebied van de filosofie met namen als Nishitani, nogmaals Heidegger, Sartre, Camus en de middeleeuwse filosoof, theoloog en mysticus Meister Eckhart. In een volgende tekst becommentarieert Van Lier zijn eigen werk. Wellicht om verdachtmakingen te voorkomen, verwijst hij naar het werk van de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis, die kennelijk zo veel bedenkingen bij zijn eigen gedichten heeft geschreven dat zijn verzameld werk vooral uit die commentaren bestaat. Al vlug worden hier Immanuel Kant, Samuel Beckett en René Descartes in de tekst binnengeloodst. Ook daarna heeft Van Lier het over zijn eigen werk, en dat is niet verwonderlijk, hij erkent immers dat ‘het schrijven de belangrijkste bezigheid in [zijn] leven is.’ (p. 73) Aan zijn gedicht ‘Wie eenmaal’ hangt hij enkele beschouwingen op over gedichten die in één ‘geut’ het papier hebben bereikt. Het gedicht en het commentaar doen me denken aan het gedicht ‘Jonge sla’ van Rutger Kopland dat, althans volgens Kopland zelf, ook in één vloeiende beweging het papier veroverde. Van Lier had het in zijn gedicht over een ‘snuitkever’, en het is een door het publiek en de dichter zelf gesmaakte tekst. Minder filosofisch en leuk, maar toch wat aanmatigend zo’n intermezzo. Het zijn overwegingen die eventueel in een dagboek of in een briefwisseling over poëticale opvattingen thuishoren, niet in een bundel essays.

Daarna worden andere registers opengetrokken, de essayist haalt o.a. Willem Bilderdijk en zijn gedicht ‘De krekel’ van onder het stof, en daarna komen Hölderlin (kort) en Kouwenaar (uitgebreid) aan bod. Van de poëzie naar de filosofie is maar een kleine stap, en Van Lier zet die moeiteloos, daarbij gesteund door de terechte overweging of de filosoof Cornelis Verhoeven ‘niet in wezen een dichter was.’ (p. 119) Van Lier vraagt niet alleen meermaals om aandacht voor Verhoeven, maar ook voor Plato, Leibniz en opnieuw Heidegger, die zich afvroeg ‘Waarom is er iets en niet veeleer niets?’ (p. 115) Dat bij de vele verwijzingen naar Heidegger niet één maal de dichteres en filosofe Annie Reniers werd vermeld, verbaast me wel. Daarna komen nog Jan Hanlo, Leo Vroman, de componist Rachmaninov en Kees Ouwens aan bod, en ook daar verheft de filosoof zijn stem: ‘De wetenschappen hebben veel baat gehad bij de scheiding  die Descartes tussen subject en object heeft aangebracht. Kunstenaars zijn dit rationele onderscheid echter als een scheiding in de belevingswereld gaan ervaren.’ (p. 153) Bij dat inzicht sluit ik me graag aan, en wie de scheiding hinderlijk vindt, herinner ik aan de inzichten van Maurice Merleau-Ponty. Ook het werk van F. van Dixhoorn wordt vrij uitvoerig besproken en daarbij wordt ook Guido Gezelle uit het vergeetboek gehaald. Voorts passeren ook nog Elma van Haren en Gerard Reve de revue, altijd met digressies naar andere dichters en denkers.

Het is geen gemakkelijke opgave om het werk van de belezen denker en dichter op een bevattelijke manier voor te stellen. Als recensent heb ik hooguit de mij meest treffende beschouwingen belicht. Voor lezers met een uitgesproken interesse voor wijsgerige uitweidingen én poëtische bespiegelingen is het boek van Van Lier ‘gefundenes Fressen’, of een uitgelezen mogelijkheid die men niet verloren mag laten gaan. Tot slot nog een overweging. Van Liers inspanningen zijn gericht op het herstellen van het verloren contact met de werkelijkheid, en daar past een dubbele wenk van de dichter-criticus  Raymond Herreman bij: vergeet niet te lezen, en vergeet (vooral) niet te leven, dan is het contact met de werkelijkheid verzekerd.

Recensie van Geen delicatessen - Erik Spinoy

‘Een cirkel die geen vicieuze cirkel is’

Erik Spinoy
Geen delicatessen
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552572
€ 7,50
47 blz.

In de tweede Hans Groenewegen-lezing citeert dichter, essayist en literatuurwetenschapper Erik Spinoy uit Paul van Ostaijens ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’, en op die manier gaat hij vanaf het begin in tegen de kritische en poëticale opvattingen die o.a. in het tijdschrift Merlyn (1962-1966) en in Lieve Scheers’ werk De poëtische wereld van Paul Snoek (1966) werden gehuldigd. De biografische lezing van gedichten moest in de close reading-aanpak wijken voor de opvatting dat poëtische teksten autonoom zijn. Van Ostaijen beschouwde literaire teksten terecht als een soort vingerafdruk van de schrijver of schrijfster. Ze zijn het resultaat van zijn of haar in-de-wereld-zijn, van top tot teen en vanaf het eerste woord dat hij of zij heeft gehoord tot het eerste en het laatste woord dat ze hebben gesproken of geschreven. Taal wordt verworven, er klinken altijd andere stemmen in door. Van Ostaijens verzameld werk is daar een duidelijk bewijs van, denk maar aan zijn belangstelling voor de film en de neerslag daarvan in zijn gedichten, de invloed van de oorlog, enz.

Ondertussen is poëzie een intertekstueel verschijnsel geworden, gedichten zijn transformaties van al bestaande teksten en betekenisvelden, en daardoor zouden ze geen aanspraak kunnen maken op authenticiteit en onwrikbare waarheid. Voor mij betekent dat echter niet dat er geen lyrische waarheid meer bestaat. Volgens Kierkegaard is waarheid subjectief, anders gezegd: er is niet één universele en eeuwigdurende waarheid. In ons huidig tijdsgewricht is dichterlijke waarheid, zoals dat altijd al het geval was, intersubjectief, d.w.z. veranderlijk en afhankelijk van de deelnemers aan het poëtisch gesprek. Enigszins verontrustend is dat translatiepoëticale opvattingen, weliswaar op een andere manier dan bij de essayisten en critici die in Merlyn aan het woord waren, de dichter van vlees en bloed uit het beeld laten verdwijnen. Spinoy verwijst naar o.a. de Franse filosoof Derrida, die naar mijn aanvoelen in een aantal besprekingen, zijn op oorspronkelijk werk geënte commentaren even sterk heeft laten ontsporen als de Merlynisten in hun beschouwingen. De filosoof heeft meermaals uit het oog verloren dat beschouwingen over literatuur of visuele kunst een dienende rol hebben, de criticus of de beschouwer moet zich als een schaduwloper gedragen. Er bestaan nochtans benaderingswijzen die zowel recht doen aan de mens(en) achter het werk en zijn of hun werk, ik denk o.a. aan de analyses van het werk van Paul Celan door de Duitse filosoof Georg Gadamer, de inzichten van de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty – met zijn voor de poëziebespreking wellicht vruchtbare inzichten over het ‘lichaam-subject’ – en de commentaren van Martin Heidegger bij het werk van Friedrich Hölderlin.

De depersonalisatie van het poëtisch spreken en de verdringing van het schrijvende ik, komt er volgens Erik Spinoy op neer dat we een illusie koesteren wanneer we denken dat we zelf het woord voeren. Volgens de essayist is de postmoderne tekstverzamelaar-dichter ‘fundamenteel onteigend’. (10) De psychoanalyticus Lacan erkent het menselijke subject als wezen in een onverschillige omgeving, en de erkenning van het subject betekent logischerwijze dat authentiek spreken en schrijven wel mogelijk is. Lacan laat de spreker, de schrijver niet los, terwijl Derrida vooral oog heeft voor teksten die andere teksten voort brengen, bijna zoals in de fysica en de dialectiek waar actie of these en reactie of antithese een ketting vormen. Maar het schrijven, zelfs het intertekstueel schrijven is geen kettingreactie, het subject kan bijna altijd een andere wending geven aan de genese van een nieuwe tekst.

Spinoy keert terug naar de stelling van Paul van Ostaijen en wijst erop dat volgens de dichter de mens wel degelijk aanwezig is in zijn gedichten, maar nooit in zijn totaliteit en nooit volledig zichtbaar en toegankelijk. Om misverstanden te voorkomen, voeg ik er aan toe dat hij dat ook voor zichzelf en de anderen is in het leven van elke dag. ‘De afwezige “aanwezigheid des dichters” trekt een breed spectrum aan sporen in de tekst.’ (15) En die sporen nemen andere vormen aan tijdens de loop van een dichterleven. Zoals de levenservaring, die niet alleen cumulatieve maar ook prospectieve facetten vertoont, agglutineren de taalregisters en de gesprokkelde tekstfragmenten waardoor het voorwaarts geleefde leven rugwaarts begrepen en voorwaarts geprojecteerd kan worden. Een zinvolle toekomst is in een eerste fase niet meer dan een subjectief verhaal. Wie oog heeft voor de vele facetten van een gedicht ‘stoot op de sporen van een aanwezigheid die méér is dan de som van geschiedenis en samenleving, dan het quotiënt van poëtica, posture en discours.’ (15) Zelfs al is een gedicht nooit geheel toegankelijk, door de talige horizon van de dichter en de lezer is een horizonversmelting, of een zinvolle lezing mogelijk die recht doet aan de dichter of dichteres en de gelezen tekst als tekst, waarin per definitie altijd echo’s meeklinken uit de massa- en de samenspraak. Elke lezer voltooit op zijn of haar manier een gelezen gedicht, en geeft op die wijze ook een (nieuwe) deelinhoud aan het leven van de schrijver achter de tekst.

Er is echter nog een ander element dat door de essayist wordt aangekaart: de problematiek van het onuitspreekbare – en hij wijst erop dat het reiken naar woorden of beelden nooit een volledig bereiken wordt, en die ervaring ‘moet dichters als De Haes en Bartosik er dus toe hebben aangezet steeds vaker het zwijgen dat volgens Van Ostaijen bij de “ogenblikken van volkmaakte volheid” hoort, te verkiezen boven het dichten.’ (30) Zwijgen en witregels zijn inderdaad zeer betekenisvol. De Deense schrijver Martin A. Hansen heeft in veel novellen de onuitspreekbaarheid treffend in aarzelende woorden gevat, en zijn in het Noors schrijvende landgenoot Aksel Sandemose schreef in de roman Ross Dane (1928): ‘Hoe meer ik zou willen zeggen, hoe minder ik het gezegd krijg.’ Het poëtische spreken is uiteindelijk ontoereikend, zowel voor de dichter als voor de lezer. Een gedicht is vaak een monoloog, zelfs wanneer de dichter zich expliciet tot een lezer of aangesprokene richt, en de dialoog die lezer met het gedicht aangaat verloopt indirect en post factum.

De ontoereikendheid is geen reden om definitief te zwijgen, het gaat om ‘een reiken  dat nooit een bereiken wordt. Een cirkel die geen vicieuze cirkel is.’ (37) De essayist voegt er hoopvol aan toe: ‘Fail again. Fail better.’ Het is een tweeledige opgave: zowel de dichter als de lezer moet blijven proberen en blijven falen, om zo telkens wat dichter bij de essentie van de existentiële ervaring te komen. Dat een volledige en herkenbare aanwezigheid onbereikbaar is, ligt voor de hand. Vaak worden de zwarte gaten door metaforen vervangen, en die versterken het onvatbare, want metaforen zijn bruggen én kloven. De lezer die zich over de brug waagt, kan niet tegelijkertijd door de kloof wandelen en omgekeerd. Hij of zij kan dat wel in twee tijden doen, en zo de gelijktijdigheid in een ongelijktijdige benadering ervaren. Dat betekent echter dat men twee verschillende lezingen van een gedicht als waarheidsvinding accepteert.

Het essay van Spinoy vergt enige concentratie, maar het is vlot geschreven en het bevat geen academische hindernissen. Een aanrader voor wie niet alleen interesse heeft voor gedichten, maar ook voor poëziebeschouwelijke teksten. Het impliciete pleidooi voor eerherstel van de gedeeltelijk biografische lezing van gedichten vind ik terecht en nuttig. In de beschouwingen heb ik toch enkele delicatessen ontdekt.