Recensie van We zijn er nog allemaal - Peter Mangel Schots

Gisteren gaat nooit voorbij

Peter Mangel Schots
We zijn er nog allemaal
Uitgever: Poëziecentrum
2016
ISBN 9789056553166
€ 19,90
70 blz.

Nieuwe vormen van hebberigheid verstoren grondig het gemeenschapsleven. Gelukkig zijn er nog maatschappelijk georiënteerde dichters die gevoelig zijn voor de vele aanvallen van wild om zich heen trappende concernheren. De biodiversiteit en de menselijke waardigheid worden onophoudelijk bedreigd. Elke dichter reageert op zijn manier op de ontwrichtingen. In de debuutbundel Onder normale omstandigheden wordt het ik-perspectief van Frank Keizer opgeslorpt door het wij-perspectief, maar de toon is wat defaitistisch. In We zijn er nog allemaal – een titel die op meer dan één manier kan worden geïnterpreteerd –, de debuutbundel van Peter Mangel Schots (1972), valt een tegengestelde houding op. De dichter is voluntaristisch ingesteld, en dat is niet verwonderlijk, want in Leuven coördineert hij het sociaalliteraire project ‘De eenzame uitvaart’. Het project – waaraan ook Herlinda Vekemans en Paul Bogaert meewerken – zorgt ervoor dat mensen die in eenzaamheid zijn overleden op een respectvolle manier de Styx kunnen overvaren.

We zijn er nog allemaal bevat twee reeksen gedichten zonder overkoepelende titel en vier cycli: ‘Rachel’, ‘Berlijn – Polen’, ‘Ons Huis’ en ‘Westwaarts (Chi Peng)’. Het eerste gedicht, ‘Een Oostzee’ (9), toont onmiddellijk aan dat de debutant ook andere aspecten van het dichterschap beheerst. Hij combineert schitterende, sobere natuurbeelden met de broosheid van de menselijke aanwezigheid. De handen van een naamloze zij ‘hebben […] verwachtingen gebouwd / muren van verzet opgetrokken,’ maar dicht bij de ooit zo visrijke zee, die stilaan een dood binnenwater aan het worden is, waren ook andere (kunstenaars)handen actief. Günter Grass heeft dezelfde omgeving nog als ‘ongerept’ natuurgebied geschilderd en geëtst, en wie langs de Zweedse scherenkust zeilt, voelt nog steeds de wind, hoort nog steeds de vogels die altijd aanwezig zijn. Scheppende handen proberen het verval tegen te gaan. Op de zandstranden spoelt nog altijd betoverend barnsteen aan, en ongeveer zeventig jaar geleden wilde men op het eiland Rügen Seebad Prora benutten om ‘Kraft durch Freude’ te bereiken. Misschien kan dat nog in het hele Oostzeegebied, maar dan los van een ideologie die even verwoestend was als het wereldbeeld van concernheren die nu geen krimp geven en absoluut niet wakker liggen van eenzaamheid en armoede. Met het eerste gedicht roept Peter Mangel Schots een hele wereld op die ik nog altijd associeer met de idealen van mei 1968. Maar ik besef wel, zoals Charles Aznavour in het chanson ‘Hier encore’, dat ik (of wij) na de revolte te weinig voor die idealen heb gestreden: ‘Hier encore, j’avais vingt ans / Mais j’ai perdu mon temps à faire des folies.’ Precies daarom is een nieuwe, jongere kritische stem zo hard nodig.

De eerste reeks gedichten bevat schitterende versregels zoals ‘Herinneringen zijn een knikkerdoos / die kletterend in je slaap wordt omgegooid’ (12), en in het gedicht ‘Vluchten kon nog’, waarin een kleinkind en een grootvader opgaan in verhalen en geheimen: ‘Ik glij tussen de plooien van onze zee / zet voet aan zijn land, samen / gaan we een grens over.’ (14) Het beeld kan zo ingeruild worden voor de schrijnende reportages waarin vandaag opnieuw vluchtelingen half verdwaasd een ‘veilig’ strand bereiken. Hier is de wij-dimensie (grootvader en ik) een weg die naar de actualiteit leidt. Die actualiteit wordt scherp gesteld in de cyclus ‘Rachel’. Hier duikt de Dode Zee op, en ook Rafah wordt niet vergeten. Jeruzalem en Gaza herinneren de lezer aan de ellende in de verte, aan het troosteloze kinderleven dat in angst baadt: ‘Ze schrijft tegen de wind: mama / ik heb geen woorden. / De spiegel waarin ik leef / maakt me bang.’ (22) De cyclus eindigt met een impliciete vergelijking: ‘Rachels lichaam stempelt het land / Veronica’s doek is een laken van zand.’ (24) Wie wordt hier geofferd, en zouden de kandidaten die zich hebben ingeschreven voor de hindernissenloop naar het Witte Huis, nu en dan ook aan Rachel of aan een ander meisje denken dat een ogenblik lang weet dat haar ‘adem [zich] vult met grond’ ? (24)

In de volgende cyclus duikt Peter Mangel Schots de geschiedenis in en loopt hij langs het ‘Holocaustmemoriaal’, het gedicht dat voorafgaat aan een eigentijdse ‘Piëta’. (29) En dan, in het gedicht ‘Kazimierz’, duikt een versregel op die aan de titel van de bundel doet denken: ‘Ze zijn hier nog allemaal.’ (33) Die vaststelling gebeurt door iemand die vanuit het nu naar het verleden kijkt. De afwezigen, de slachtoffers van zinloze moordexpedities kunnen niet zomaar uit het beeld van de twintigste eeuw worden gewist. De manier waarop hun aanwezigheid wordt verwoord – ‘In de tuin wat verderop leggen ze zich / lagendik te rusten, geborgen / onder kiezeldekens en papieren lakens’ (33) – is even huiveringwekkend als het verwrongen spoor in het voormalige kamp te Westerbork. In het gedicht ‘Zwarte vijver’ ‘houden de sporen op’, en in ‘Auschwitz mon amour’ – een variant op de film ‘Hiroshima mon amour’ van Alain Resnais (1959)? – ligt zeven ton haar te vergrijzen en zijn de valiezen leger dan leeg. (37) Zoals in de film volgt in de cyclus op de vernietiging een ontmoeting – een teken van hoop? Het eindvers is: ‘We zijn er nog allemaal’ (41), de titel van de bundel. Nu gebeurt de vaststelling door iemand die vanuit het verleden getuigt. De negatie is vergelijkbaar met de tactiek van de spreekwoordelijke struisvogel die de kop in het zand steekt om aan een dreiging te ontsnappen. Maar er is geen ontsnappen aan.

De cyclus ‘Huis’ is een korte introductie tot de intieme sfeer van mensen die elk apart onderdelen toevoegen aan ‘wat daar groeit / en groeit en almaar minder in de hand te houden is.’ (47) Het leven achter de muren is nog steeds verbonden met de buitenwereld, die ook als een ‘bolbliksem [het samenzijn] belaagt.’ (47) Het lyrisch subject verwacht kennelijk dat er ‘onheil in de lucht’ (50) hangt. Huizen beschermen niet alleen, ze bieden ook troost aan wie het moeilijk heeft met de buitenwereld – daar kan op een ‘morsige’ manier ‘martelaarschap’ gedijen. (50) Maar opgepast met het begrip ‘martelaarschap’, het is zeer rekkelijk en het heeft wel eens een betekenis die niet met mijn (ons?) wereldbeeld verzoend kan worden.

In de laatste cyclus, die zoals de eerste geen titel heeft, wordt de taal op de proef gesteld, en dat klinkt misschien paradoxaal in deze hypercommunicatieve tijd: ‘De taal waarnaar wij zoeken, / zij en ik, ze is niet hier, niet / tussen deze lakens die ons pogen / ingewikkeld maken.’ (58) Wanneer de dialoog al tot moeilijkheden leidt, hoe moet het dan verder wanneer veel mensen aan het woord zijn? Eigenlijk is er geen reden tot pessimisme zolang een dichter wil getuigen en ervan overtuigd is dat na een lange reis alles weer samen komt – ook al gebeurt dat in een ‘krimpende ruimte.’ (65) Misschien is die krimpende ruimte de prijs die we moeten betalen om er allemaal (voorlopig) nog te kunnen zijn, een krimpende ruimte die ook concernheren zullen moeten aanvaarden, want ook zij worden ooit een ‘puinwolk, verdwijnend, tot punt.’ (65) We zijn er nog allemaal is een debuut dat ik me lang zal herinneren.

Gedichten

My Funny Valentine

Waaruit onvermijdelijk de dingen zich
ontvouwen: de plooien van het tafelkleed,
de stoel aandachtig achteruitgeschoven waarop
een jurk zich drapeert, haar glazen muiltjes
die de uren vangen. Onder haar handpalmen
stolt water tot bestek. Lakeien fladderen af
en aan terwijl de keuze ons geboden is

uit spijzen: kogelvis,
sint-jacobsvruchten in parfait d’amour,
artisjokharten op een huwelijksbed met krieltjes
en merengue toe,
een armagnac met vreemd boeket.

En weer in de beslotenheid: haar Griekse silhouet,
haar daden onveranderlijk, het spel dat zij
met zorg in scène zet. Om middernacht
legt zij de werkelijkheid af, bouwt uit ademtochten
koetsen en kastelen.

Hoe haar vingertoppen ook bezweren en zij de tijd
ontvluchten wil, er zijn de regels die we moeten
respecteren. Het lamplicht dimt, niets kan haar
nog behoeden. Verhalen over vlees vertel ik
haar en over aardbeien die om een mes heen bloeden.

Deus Creator
(bij een glasraam van Wyspianski in Kraków)

In het glas kermt het vuur nog na en
van schepping dreunen de ogieven.

Niet zozeer een zweven
over de wateren is het, maar een kramp,
een guts, een cascade
van leven.
In geweld komt tot stand.

Toch al: draagt hij vuur en water, stuwt
de ene hand myriaden existentie en
deinst de andere in afschuw.

Alles is voorspelling: hier de bokken,
daar de schapen, het splinteren van wat
nu nog in lood zit gevangen: de toorn van
de schepper, gewikt en gewogen,

het teken aan de wand:
na genesis de catastrofe.

Straks komt de slotenmaker

Ik vraag me nu al weken af: had ik niet moeten
poetsen, stofzuigen, de afwas doen? De boel
uit voorzorg aan de kant zetten? Voor wie?

Liggend op mijn rug lijken de dingen zich
pas echt aan orde te onttrekken. De post
achter de deur eist steeds meer ruimte op,
schuift alsmaar dichter in de richting
van mijn bril, waarin een glas ontbreekt.

Het enige dat nog beweegt. De staande klok
viel gisteren stil. Wat in mij is gezonken
geeft zich stilaan vrij. Enkele straten verder
wordt een huurcontract ontbonden.

En dan komt hij
als houtworm in het sleutelgat.