Recensie van Houdingen - Sylvie Marie

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Sylvie Marie
Houdingen
Uitgever: Vrijdag
2018
ISBN 9789460016257
€ 16,50
53 blz.

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik laten

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagen

bijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Recensie van Altijd een raam - Sylvie Marie

Een appel die verschil maakt

Sylvie Marie
Altijd een raam
Uitgever: Vrijdag | Podium
2014
ISBN 9789057596735
€ 16,50
64 blz.

Een appel is behalve lekker nog veel meer. Ik heb het weer gelezen. In een bundel die al dagen op mijn bureau ligt en die ik niet kan wegnemen:

appel

al dagen ligt een appel op het aanrecht,
ik kan hem niet wegnemen.

er staat een mand in de kast, daar past hij bij,
maar ik laat hem liever op het graniet
en beeld me in dat hij onderaan al krimpt.

ik wandel dagelijks tien keer in de keuken
aan de appel voorbij en ik zou meer
van de wereld moeten weten,
meedoen, vloeken, naar buiten.

maar zolang ik blijf, laat ik hem zijn,
nu nog is hij rond als de aarde,
ik, zijn satelliet.

als hij rot, ruk ik me los.
als ik me kan losrukken, gooi ik hem weg.

Wat gaat er in dit gedicht allemaal wel niet schuil achter de verboden vrucht! Inderdaad, van een gedicht dat nog in de maak is bij de dichter, tot een hele wereld: rond als de aarde als hij is. Sylvie Marie – want over haar nieuwe bundel Altijd een raam heb ik het – laat een appel een wereld van verschil maken!
‘Niet om te happen, maar om te snappen’ had er op een bordje naast de boom moeten staan: als Eva dat begrepen had was de vloekende ‘zondige’ wereld ook voor ons terra incognito gebleven. Helaas, het mocht niet zo zijn. En ja, onszelf beheersen is moeilijk wanneer we een obsessie hebben. De dichteres bedwingt zich nog een beetje, maar de lezer hapt toe. En trotseert de gevaren… De gevaren van fixatie. Wat valt daarover te zeggen?
Wie zich fixeert completeert met zijn bewustzijn in zekere zin het ding waarop het bewustzijn zich richt. Hoe groter de fixatie, hoe kleiner (nauwer) het bewustzijn. Bedenk ik bij mezelf. Even uitproberen… Ja, blindstarend ben ik er echt helemaal van overtuigd: de appel staat voor de toekomst (of wellicht voor ons lichaam), en de ‘ik’, zijn satelliet, is ons bewustzijn! Het harde graniet in de tweede strofe is een beeld voor de onherroepelijkheid van de tijd, die de toekomst (ons lichaam) laat verschrompelen. Hebbes! Geweldig! Nu stoppen!
Staan er nog meer goeie gedichten in deze bundel? Jawel:

zakdoek

mensen zijn niet voor elkaar gemaakt
als ze zeggen: je hebt zo’n mooie neus,
daar zou je iets mee moeten doen.

ik had je kunnen houden als je me zo nam
dat jij schelp werd, ik slak, we perfect sloten,
maar slijm was het enige wat kwam.

toch dacht ik bij je uitzwaaien
aan de zakdoek in mijn broek, het idee
een knoop te moeten leggen, die vast

te grijpen zodat telkens je verder trekt,
hij aanspant, ik me alles
almaar beter herinner.

Na de mooie neus in de eerste strofe kan het geen kwaad om te bedenken dat een schelp en een slak(kenhuis) als onderdelen van een oor kunnen worden opgevat (ja, ja, men moet daar een neus voor hebben). In de tweede strofe is er echter geen sprake van een oor en (dus) ook niet van oorsmeer. De slak en de schelp laten alleen ruimte voor ‘slijm’, en dat laat de ontmoeting zeker niet ‘gesmeerd’ verlopen… Maar de tegenstelling tussen ‘slijm’ en ‘smeer’ werkt wél gesmeerd: een gave illustratie van hoe een metafoor die alleen in de lucht hangt toch functioneert!
In de laatste twee strofen wordt deze miskleun van een date fraai verder uitgewerkt: het woordje ‘toch’, aan het begin van de derde strofe, zet de lezer even op het verkeerde been: alsof de ik-persoon toch iets voor de ‘je’ voelt. Maar dat blijkt ijdele hoop waar het woordje ‘als’, dat men zou verwachten na ‘telkens’ in de vierde strofe, schitterend is weggelaten: het is alleen de ervaring (de opgedane kennis), die door de ‘ik’ wordt gewaardeerd. Wellicht om zichzelf dergelijke ontmoetingen in de toekomst te besparen. Prachtig specimen van het kunnen van de dichteres, dit gedicht. Ondanks dat dunne breuklijntje dat stiekem loopt tussen de eerste en de tweede helft; die zoals een neus en een zakdoek bij elkaar horen, dat wel.

Heel mooi is:

slaapliedje

leg gerust je volle lengte neer.
je arm mag onder die van mij, je benen
rondom de mijne gestrengeld en ik
kan zelfs je hand in mijn hand
aan. het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil
lossen en de nacht is zacht, maar ook hard zwart.
jij, ik, we hebben enkelvouden te delen,
het bed, de hitte, het duister. vreemd,
we houden zo veel over.

Voor wie denkt dat dit niet veel om het lijf heeft: dat klopt (ook). Plakkerig sfeertje: twee mensen die tegen elkaar liggen tijdens een zwoele nacht. Gaat het over liefde (seks)? Het lijkt er even op, maar ‘het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil…’ neemt in de volgende regel een andere wending. Nee, met die enkelvouden verderop is dit meer een gedicht over de onmogelijkheid dan de mogelijkheid om iets met elkaar te delen.
Voor wie meer wil lezen dan er staat – en wie wil dat niet – is het einde van de tweede zin interessant: ‘ik kan zelfs je hand in mijn hand aan’. Dat lees ik met een flinke dosis fixatie en enige fantasie als: ik kan zelfs je hand, terwijl die zich in mijn hand bevindt, aan (als een handschoen!). Natuurlijk heeft ‘aan kunnen’ hier vooral ook die andere voor ‘de hand’ liggende betekenis van ‘ertegen kunnen’, maar een hand die tegelijkertijd in en om (en dus buiten) een andere hand zit, raakt wel aan de kern van dit gedicht (en misschien van de hele bundel), die de paradoxale opgave stelt van elke relatie: want hoe kunnen we onze verschillen delen? Hoe zit dat met die eenheid die zich als een dualiteit presenteert?

Goeie gelegenheid om mijn fixatie te botvieren. Wat als ‘jij’ en ‘ik’ helemaal niet twee mensen zijn, maar zoals in het appel-gedicht weer lichaam en geest (bewustzijn)? Natuurlijk, ik weet het: de geest bestaat helemaal niet: enkel een handige constructie van ons brein, een praktisch homunculusnusje (bla, bla, bla). Maar toch, even (het is maar een gedachte): wat als de geest wél zou bestaan en als een ‘ik’ in dit gedicht zijn relatie met het lichaam becommentarieert? Legt dan niet het lichaam zich in zijn volle lengte neer, zoals het leven zich in de tijd uitstrekt? En ‘bewoont’ dan niet, zoals in ‘Het Veer’ van Martinus Nijhoff, het lichaam de geest, omdat de geest zich misschien verder in de tijd kan uitstrekken dan het lichaam? Allemaal verbeelding natuurlijk, maar in deze bundel met zoveel binnens en buitens geen onmogelijkheid. De hitte van het lichaam en het duister van de dood en van de geest…(wauw!) Het is maar hoe gefixeerd je bent – hoe je bent gefixeerd. En tenslotte is daar nog die andere dualiteit: die van taal en werkelijkheid.

Taal is een wonder, waarin dingen kunnen die praktisch niet kunnen. Dat maakt taal een beetje een wereld op zichzelf: een wereld apart van de ‘echte’ wereld. Juan Ramon Jiménez schreef in het Spaans al dat onze gedachten (onze woorden) meer ons thuisland zijn dan de wereld zelf. Ook andere dichters lopen (heel) soms tegen de grens tussen die beide aan: Sylvie Marie in dit één na laatste gedicht van haar bundel?

het laatste wat ik van haar zag,
was haar hand.

of neen, niet eens haar hand was het
die uit het treinraam zwaaide,
het was haar hand met schoen omheen,
hoes van dik katoen en wol.

ik kon al haar vingers bedenken:
een voor een, en toch ook niet.
haar echte hand werd het nooit.

altijd bleef het iets anders,
een boog met snuit,
een want.

Alleen al door deze grens te naderen levert de dichteres een grote prestatie. Nooit zullen we de wereld helemaal begrijpen, zullen we haar precies vatten in de taal, die niet hand in hand, maar hand in want meegaat. ‘Het’ ontglipt ons waar de taal van verschilt en waar ze uiteindelijk ook alleen maar een want is, een verlangen: het uiterst bereikbare.

***
Sylvie Marie (Tielt, 1984) debuteerde met Zonder (2009). Haar tweede bundel Toen je me ten huwelijk vroeg (2011) werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs.
Site: http://www.sylviemarie.be/

Gedichten

TOEN JE ME TEN HUWELIJK VROEG, WOU IK NOG HET VOLGENDE

in je dagen bladeren als stonden ze in een archief,
ze kaften, hoofdstukken openslaan
en bovenal verbanden leggen.

hoe je in kamers zonder deuren sliep bijvoorbeeld,
wat dat van je maakte en waarom je zoveel schrijft
over grootouders, rimpels en dood.

ik zou graag teruggaan naar die avond
bij de haard waarop ik je iets vroeg en
je ogen trilden alsof je in een trein zat.

een goede archivaris zet die rubrieken
binnen handbereik.

‘S NACHTS

en als ik nu eens niet wakker werd
maar bleef: sneeuwwitje achter glas.
zou een autopsie je smaken, prins?

betast mijn borst die onbeweeglijk blijft,
mijn tepels stijf van kilte. schrik niet
wanneer mijn hart roder wordt, je bevende handen
op mijn rug wroeten, je trillende vingers
in het weefsel rond mijn onderrib klemmen
als in de nok van een door- en doorzocht pand.

stel vast: ik ben niet langer het meisje met de lolly,
niet langer het kousenvoetensluipende mensje
dat je met de handen voor je ogen verrast
met een ontbijt.

besluit: er steekt geen appel
in mijn keel, er is er ook nooit een geweest.
ik stikte in de valse nagels van de heks.

JIJ, DE STILTE

ik heb al geprobeerd te doen alsof
je weer hier bent. ik dek de tafel voor twee,
schuif de stoel voor me wat naar achteren,
luister en knik.

ik hoor je een grap vertellen.
je lacht en ik lach mee, niets mooier
dan uitbundige tranen.

dit doen is als zoenen
op het venster. het koude glas,
dat je eerst schrikken,
dan walgen doet.

ALLES OP AFSTAND

zo zitten we bijna in een woonkamer,
onze banken op de pier en de zee
als een salontafel tussen beiden,
glazen en rietjes ontbreken nog
om er het leven door te zuigen.

er is niets dat me naar je hand doet neigen,
niets dat mijn trillende vingers op je lippen
legt of me doorheen
je haren laat gaan.

de redenen staan in koffers
naast mijn voeten, zwaar en onhandig.
ik tors ermee, maar elders
wil ik nu niet zijn.

jij weet niets van de living en de koffers
vol bezwaren, het is de wind
die over je hand en mond glijdt en je haren
in de war brengt.

toch tuit je je lippen
om ‘zo’ te zeggen.
‘zo is het wel genoeg.’

Alle vier de gedichten komen uit Toen je me ten huwelijk vroeg, uitgeverij Vrijdag/Podium, 2011

Ellen Deckwitz debuteert met 'De steen vreest mij'

 

Van Ellen Deckwitz die twee jaar geleden nog de Meander Dichtersprijs won, verschijnt eindelijk haar langverwachte debuut. ‘De Steen Vreest Mij’ verschijnt deze maand bij Nijgh en Van Ditmar. Meander brengt u een voorpublicatie van maar liefst vijf gedichten.

Deckwitz (1982) publiceerde in o.a. Tirade, Dietsche Warande en Belfort en Bunker Hill. In 2009 won ze ook het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. Ze trad op in binnen- en buitenland, van Lowlands tot Carre, van Edinburgh tot Warschau, van Berlijn tot Parijs. Haar verzen werden tot dusver in het Zweeds, Engels en Duits vertaald en gepubliceerd. Daarnaast staat ze met Ingmar Heytze en Spinvisbassist Cor van Ingen op de planken als de poetische rockfolkdubstepsensatie Asfaltfeeen en bracht ze met het Scapino Ballet Rotterdam een poetische bewerking van G.F.Handels Scherza Infida ten tonele.

Deckwitz behaalde aan de Rijksuniversiteit Groningen een dubbele bachelor in Nederlandse Taal en Cultuur en rondde aan dezelfde instelling de Research Master Literary and Cultural studies af. Ze is supporter van FC Twente en werkt momenteel aan haar eerste roman, die in 2012 het levenslicht zal zien.

Lees hier het interview dat Jeroen Dera drie jaar geleden van haar afnam.
Lees
hier het verslag van de Meander Dichtersprijs. Deckwitz won het toen van Lieke Marsman en Anna De Bruyckere.
Lees
hier het interview met Ellen naar aanleiding van haar overwinning in de Meander Dichtersprijs.

Interview met Anne Broeksma

'Ik wil nog eens een roman over een tuincentrum schrijven'

 

Anne Broeksma (1987) studeert Nederlandse literatuur in Utrecht. Ze schrijft sinds haar 15e gedichten, deed al vele dichtpodia aan waaronder Onbederf’lijk Vers en Dichters in de Prinsentuin en won enkele poetry slams. Onlangs stond ze in de top 100-bundel van de Turing nationale gedichtenwedstrijd. In Utrecht organiseert ze vanuit het Poëziecircus iedere tweede woensdag van de maand de literaire talkshow Slok op Utrecht, met nieuws, dichters en muziek.

Je bent eigenlijk al geen onbekende meer voor Meander. Deze zomer nam Ingmar Heytze je al op in zijn keuze. Toen kwamen we al heel wat over je te weten. Zo zou je begonnen zijn met schrijven onder het pseudoniem Kamerplant.
Ka-mer-plant?
Ja, Kamerplant. Toen ik me jaren geleden wilde aanmelden bij een gedichtenwebsite om mijn gedichten eens aan de buitenwereld te staven, moest ik een gebruikersnaam verzinnen. Ik koos de naam van het ding dat mij het eerst in het oog sprong. Ik merkte dat mensen van alles bij die naam gingen bedenken, als ik een somber gedicht plaatste kreeg ik reacties als: ‘een beetje Pokon voor Kamerplant’ en ‘dat je maar geen kasplantje mag worden’. Kamerplant bleek later goed aan te sluiten bij een terugkerend thema in mijn gedichten: de spanning tussen dode en levende dingen, tussen binnen en buiten. Ik wil nog eens een roman over een tuincentrum schrijven.

Anne BroeksmaJe veroverde al je plaats op het podium door het winnen van enkele poetry slams. Wat trekt je aan in die wedstrijden?

De eerste keer dat ik op een podium stond, was het vooral een prettige gewaarwording dat iedereen stil was en ik mocht praten. Optreden met gedichten vind ik iets bijzonders. Een muzikant kan zich vastklampen aan zijn melodie of instrument. Als dichter heb je alleen je woorden en als je geluk hebt: een microfoon. Dat jongeren deze vorm van podiumkunst ook weten te waarderen, blijkt wel uit de deelnemers en bezoekers bij Poëziecircusshows als U-slam en iPoetry. Een echte poetryslammer ben ik overigens niet. Het wedstrijdelement trekt me niet bijzonder en mijn gedichten zijn wellicht te ingetogen en te kort om een heel café mee te slepen. In het schrijfproces krijgt het papier ook meestal voorrang.

Samen met Alexis De Roode vorm je een koppel. In hoeverre stimuleren jullie elkaar tot schrijven? En in hoeverre beconcurreren jullie elkaar?
We leggen elkaar weleens wat voor, maar we bespreken vooral de poëzie van andere dichters. Dat is echt een gezamenlijke hobby. Mijn eigen gedichten leg ik liever voor aan mensen die verder van me af staan. Alexis is wel een bron van inspiratie voor mijn gedichten, hij is mijn muze en is aanwezig in regels als de man die geen tv heeft / en ’s ochtends naar zijn planten staart. En hij pakt er al gauw een viltje bij als ik begin te praten over mijn obsessie met bijzondere diersoorten. In mijn ogen zijn het op hol geslagen kinderfilosofietjes, maar hij maakt er wat moois van. Daar zijn veel readymades uit voortgekomen. Bij optredens merken we dat mensen juist naar die gedichten vragen, daarom willen we ze nog eens bundelen vergezeld van oude dierenprenten. Van concurrentie kan geen sprake zijn als ik zijn lijst met optredens en publicaties bekijk. Wat dat betreft kom ik nog maar net kijken.

Hoe sta je zelf tegenover je poëzie? Heb je al je stijl gevonden, denk je, of ben je nog zoekende?

Mijn poëtica is gevaarlijk terrein, die kan bijna dagelijks veranderen. Misschien is het beter te kijken naar terugkerende thematiek in de gedichten die ik tot nu toe geschreven heb. Een verwondering over de schijnbare vanzelfsprekendheid van de dingen bijvoorbeeld, of het verlangen naar een situatie zonder verantwoordelijkheid.
Ook heb ik de neiging het zwarte gat van de zinloosheid lieflijk te decoreren, maar dan wel met een versieringslaag die in paniek is aangebracht. Je kunt de beesten, de uitzichten, de kitscherige rituelen ervan af vegen als je zou willen, maar ik wil er juist mee laten zien dat die decoratie van grote waarde is, dat het interessant kan zijn om naïef te blijven.
Voorts wordt er in mijn gedichten veel geografisch en historisch gereisd. Daarbij maak ik soms gebruik van een soort sample-techniek, waarbij ik feiten en flarden uit bijvoorbeeld natuurkundige of geschiedenisboeken door mijn gedichten mix. Ik wil in een gedicht echter niets verklaren, alleen iets laten zien. Als het goed is, hoeft er dan geen uitleg bij. Maar zoals ik al zei, ik begeef me nu op gevaarlijk terrein. Je zult net zien dat dit in de gekozen gedichten niet naar voren komt. In mijn thematiek zie ik een duidelijk patroon, in de zoektocht naar een eigen stijl doe ik voorlopig een beroep op de ‘veelstijligheid’.

Je kunt de poëzie van Andrea Voigt en Esther Naomi Perquin wel waarderen, twee jonge Nederlandse vrouwen. Toeval, of heb je wel iets met de jongere (vrouwelijke) generatie schrijvers?

Daar zou ik graag Eva Cox aan toe willen voegen. Ik heb inderdaad wel iets met de jonge vrouwelijke generatie dichters, hoewel de stijlen van deze dichteressen nogal uiteen lopen. Andrea Voigt lees ik graag om de subtiele, zintuiglijke gedichten met woordcomposities die lang blijven hangen. Esther Naomi Perquin vind ik naast technisch knap ook erg geestig en Eva Cox kan als geen ander grimmig lyrisch de dierentuin, haar tv of een postbeambte bezingen. Ik zou niet weten of deze dichteressen iets gemeen hebben, in ieder geval liggen hun bundels altijd binnen handbereik naast mijn bed. Ik lees veel meer poëzie dan proza en verbaas me er soms over dat ik in grote boekhandels naar een tochtige uithoek word verwezen voor een klein, verlaten kastje met bundels. Dat is ook de reden dat ik dit jaar ga afstuderen op een onderzoek naar het functioneren van dichtbundels in het huidige literaire systeem, aan zowel de productie- als de receptiekant.