Gedichten

Huil

 

I

Ik zag de besten van mijn generatie voort duwend achter winkelwagens zich volproppend met pizza’s en ham en voorgekauwde reclamewaren succesvol autorijdend naar hun plekje onder de hemel dat beschut was en onder de stromende regen scholen ze in kerken van het apparaat waar verkooppraat gepreekt werd door de speakers en rustgevende muziek ze kalmeerde terwijl de fabrieken in verre landen gonsden van zwetende slaven die sliepen in onbegonnen dromen en de reisgids toonde hoe mooi alles was in perfect geschilderde hoogglans en ze dronken de dag door alsof niets dan voetbal, voetbal, voetbal en een blinkende reclame voor oranje krakende chips met hun rookwaar die kankerveel kostte terwijl hun moeder hoestend overleed in een wit gestuct hotel voor eenzame zielen waar de magnetron alles eenvormig opwarmde als Antarctica. Stomgeslagen volgers wachtend op kansen op zoek naar verbinding met de aarde waar een netwerk ze hielp hun positie te bepalen in hemelhoge kantoren draaiend om geld. Ik zag ze knielen onder knallende beats voor hun hoofdpijn vol huiswijn en uitgelijnde banen gegoogled uit glossy magazines waarin ze hun verzonnen levens etaleerden en problemen omschreven als kansen vol nut en een toekomst glimmend als Ikea in vers gelegd laminaat zonder enige speling en export en topsport en Huizen vol Holland en bier en polonaise met boottocht door de grachten met een Venetiaans gondelbekdier. Ik zag ze echo’s rapen in de straten met Oud en Nieuw vol gelukkige wensen afgekaart in gedrukte sneeuw en vers ontvette schaatsen voor Friesland en ontdooide kalkoenen met uitgelegde recepten met een toetje uit een Duits geketende kruidenier. Terwijl ze hun kinderen op bed legden en voor bereidden op de wedstrijd van hun leven voor zingen en dansen en veel fluitend heg snoeien in keurige tuinen met opgeschoren sprieten en afgezette hekken waarin lentes opbloeiden en koolmeesjes nochtans hun pinda’s afhaalden in een plastic tas verkochten ze hun zolders vol kitsch op Koninklijke dagen en lieten zich daarvoor telefonisch ondervragen en op de gok betalen met een staatslot en een code die ze deelden met hun uitgewoonde buren die een auto leasten met behoud van de zaak terwijl rinkelende collectanten vrijwillig werden afgescheept met een directeur in een driedelig pak. Ik zag ze smartlappen braden vol afschuw en vinyl op tafels draaien en dansen met hun buiken en opgelapte vrouwen die vreemdgingen tussen de smetteloze lakens en daarover spraken in jankende tweets waarna ze hun handen over de trekker haalden bij blondines, brunettes, tieners en dominante incontinente bejaarden die ze betaalden per minuut. Ik zag ze boekbindend instappen in virtuele verhalen hun status bepalen met tikkende vingers vegend over de bladen van hun heilige telefoon. Met apps en verbinding en 24 uurs berichten en nieuws en muziek en hijgend verspringen voor het fonkelend nieuwste in een appelig model uit oprukkend China waar Tibetanen knielden en hun zelf verbrandden voor Olympische vlammen, ik zag ze met containergevaar in de haven, lossend onder de toren met de draaiende euro een aandeel verliezen en pensioen afbouwend in woord en gebaar hun toekomst kiezend met een mindful vergeven en toets drie voor meer informatie kiezend terwijl een Mohammedaanse engel hun geestelijke ambassadeurs onthoofdde en een vliegtuig een toren invloog en verbanden verbrandde beseften ze niets dan hun gelijk als opgelapt stemvee verkozen tot uitgemolken mening van klappend publiek in een geoliede heilstaat waar kiezers hun mening verloren aan grootkapitaal en ideologen werden ingefluisterd door hysterische contribuanten van massapsychologisch onderzoek en in de avond alles stil gesust werd in praatshows op de tevreden tv. Ik zag ze hun wilde haren verliezen in gestapelde kapsalons met patat, shoarma drie soorten saus en kaas en salade afgegoten met cola en bier kotsend over kunst en gedichten en de oppas berichten dat het iets later zou zijn.

 

II

Welke idioot verbood ze te dromen en liet ze dagen baden in led licht en geloven in glimmende verhalen van een verzegelde verzekering met eeuwigheidswaarde? Wie liet ze hun namen graveren op pasjes en keurig betalen en met piepjes en pakjes langs leesogen dwalen? Wie liet ze marcheren op de Multinationale en scanderen dat ze kopen moesten, kopen en kopen: de economie. De goedschikse adder en ader de toevoer van roze stokkende zuurstof en grazige weiden en uiers vol melk en honing zoekende vierbladige klaver, alles vertrapt door de economie die abstract schuilging achter de wolken en uithing als een regenbui en zich verstopte achter krantenkoppen maar zich anoniem liet dienen door keurig geklede kapelaans met uitgelekte monden onder hun rokken en missen liet schrijven door wetenschappelijke bureaus en zich tot centrum liet wijden van een oneindig uitdijend universum vol economie. Wie haalde hun kinderen uit de schappen op zoek naar chocolade en ontleerde ze verliezen en zichzelf gelukkig te maken zonder zorgen of het wel goed was en alles was weerloos voor de economie. Wie sloot concertzalen sloopte subsidiale genoegens van krijtsteen en glimlach vol vette verbazing en onthaasting en eeuwig onbetaalbare verbeelding met een zweepslag vol realiteit dat deze ruiten aan diggels maar dan nog daar de waarheid die telde, de economie. Groeiend als een roofdier en alles belagend in de nacht en rustend op dagen dat alles prat ging op opgejaagde taxi’s op Madison Square Garden uitmuntend op banken in Londen, ingegraveerd als een groot Madurodam in huidgeslagen tatoeages met een streep door Moeder en Liefde en piercings beschoten met pijn en verwarring door navels met afgebonden oerzucht naar knapperende vuren en zelf gespeelde muziek tussen de houten wagens met paarden en ezels en zwierende rokken en klappende handen, rond draaiende parasols op een kermis vol liefde met trillende lippen en armen om armen en alles ineen tijdens veel lange en langzame jaren waarin de verhalen van vader op zoon met gewoon geluk als een verliefdheid en blosjes op rood gevonkte wangen met een onbezonnen toekomst met vrijheid voor de boeg als opspringende dolfijnen maar voor ging de waarheid en alles was waarheid en waarheid was een ding, de economie.

 

III

Ik blijf bij jou pappa, ook als je nooit meer zult verhalen over de wereld en zee en chagrijnige uithalen van woede als de klok niet tikte bij wat jij deed met je vroeger geweeste haat en onbetekenende idealen op poppenhuisschaal en je dertiger jaren met kleinkinderlijke Hitlergroet en mijn moeder die nooit van je hield en de steunende daken en een rubberfabriek waarin je nooit zou kunnen aarden en een dorp dat niet begreep hoe een mens ooit kan verdwalen en nooit terug kan om het gelijk op te halen. Ik blijf bij je ook als de dood je komt halen en je magnetron piept dat het gaar is en je niet langer zult staren naar het beeld van glas. Met je hang naar het normale je boekenkasten vol voorgelezen en verteerde verhalen waar alles kunstmatig encyclopedisch volmaakt staat te wezen. Ik blijf bij je tot de jazz weerklinkt. Tot je weer terugspringt naar de vijftiger jaren en baanzoekend vindt dat je weer moet gaan varen naar het overal waar de kade opdoemt. Zou ik met je ruilen en herinneringen bepalen door mijn schoenen te poetsen voor vertrek naar de wereld? Je koers in de krant en de reis uitgelegd en de dingen gezegd hoe het weer en het nooit over liefde en de muur tussen ons van ongeziene jaren waarin moeder een scheermes langs haar polsen joeg en opgenomen. Nog weet ik hoe angst, hoe ik nooit iets meer kon schrijven en dichter werd ik nooit en jij bleef je later verbazen van wie ik het had en ik herinnerde je aan oma’s verhalen maar ik was wel gek je hebt gelijk. Je leerde me sambal eten bij het ontbijt met opgebakken rijst. Je abonneerde me levenslang op Nationaal geografische bladen omdat we dezelfde initialen en ik je overleven zou. Maar nooit was ik thuis toen je later verdween. Ik ben pas thuisgekomen in rotsland. Met sneeuw onder dichtbije wolken en driemaal daags rijst. Ik kwam pas thuis in rotsland waar de kinderen met me ontwaakten en mijn dromen openbraken en we zagen hoe de nevel opbrak en hoe de nieuwe dag opkwam boven het troost zoekende land. Waar de huizen onaf, waar het water bleef stromen en we bleven maar staren naar de voortgaande stroom die ijskoud en helder ons vulde met vragen en Kumar die vroeg waar dat water, waar al dat water van kwam. Ga je mee naar rotsland en kalm en sereen en ohm machtig verklaren dat adem in een en een in een adem? Je antwoord zal nee, maar ik zal ja bewaren. Ik zal je bewaren in rotsland in een reusachtige lade. Het zal sneeuwen in rotsland en de tijd zal bepalen dat een polshorloge opgewonden zal als een eeuwige rollade in rotsland. Ik kom terug en thuis en neem je mee als een steen van het rotsland en alles wordt een en blijft een in rotsland waar water blijft stromen van hemel naar bergen van bergen naar land en van land naar de zee.

(gebaseerd op Ginsberg’s “Howl”)

Gedichten

Stilleven

Ik denk soms ook: ach, laat ze maar
ik heb de taal niet uitgevonden en de tijd
die veegt me uit met een streep verf
op een woest schilderij

-ik weet die namen niet van schilders-
ik kijk naar strepen veeg ze uit
mijn ogen. Ik kijk alsof de tijd
een zoete roze limonade is die

door een rietje kruipt mijn tong
wil spreken maar de tijd die sluipt
over mijn papillen verbittert tot zoet

het tast mijn tanden aan ze waren
wit en onbeschreven tot ik lopen
leerde. Nu denk ik alleen in tijd.

Prehistorie

Juist als je goedheid wilt bereiken kruipt
uit de modderige sloot een koe
die melk geeft je neemt gewassen
handen en een kruk, plaatst de emmer

en begint. Je zwijgt. Neemt leven
in ontvangst. Je buigt voorover
bij wijze van dank. Je leegt
de emmer in collectiviteit.

Duikt onder in de dorspkroeg.
Je stoot met ballen over tafel
drinkt een glas, je proost.

Op de radio klinkt Elvis Presley.
Iemand spreekt van Vietnam.
De kroeg loopt langzaam leger.

Vier Seizoenen

Nooit had je beweerd dat de sprookjes die je las
zouden eindigen. Nooit had je beweerd dat alles
goed zou komen dat de wolven in het bos daar
zouden blijven. Ik geloofde alles. Angst sloot

mijn keel en langzaam kroop het donker door
de kamer met de jaren steeg de verwarring.
Jij vertrouwde je tijd met een ander die drank
verdronk in zijn keel en vuur bulderend huis

hield. In de mijn kamer rook ik brand. Onraad nam
alles in bezit. De kachel likte blauw vlammend.
Alles wist ik werd gewist door de vlammen

oranje en blauw. Warmte werd koude. Zomer
zon op winter. Bladen vielen kleurend af.
Ik wist hoe alles stil en willoos.