Recensie van Lichtgezichten - Jan van meenen

De beleving van licht en schaduw

Jan van meenen
Lichtgezichten
Uitgever: Uitgeverij P
2014
ISBN 9789491455100
€ 16,-
64 blz.

Jan van meenen (1951) is een dichter uit het Schelde- en Leieland, de streek waar Stijn Streuvels Het glorierijke licht (1912) schreef en de schilder Emiel Claus met veel gevoel het licht boven de weiden en de rivier aan het doek toevertrouwde. De bundel Lichtgezichten is echter niet streekgebonden. Van meenen heeft het licht ook in het zuiden, in het Vondelpark en in herinneringen aan de schilderijen van James Ensor gezocht, en het er soms niet gevonden.

Door de klankwaarde van de samenstellende delen van het ongewone substantief ‘lichtgezicht’ drukt de titel van deze bundel de bijzondere relatie van licht met zicht uit. Zonder licht(inval) is zien in principe onmogelijk. De gedichten worden bovendien ‘geordend’ aan de hand van begrippen die Van meenen onderaan de pagina’s heeft vermeld: glimlicht, klimlicht, grimlicht, dimlicht, dringlicht, dwinglicht, springlicht, liklicht, drillicht, vlimlicht, spinlicht, driftlicht, draallicht, zeillicht, glijlicht, vlijlicht, leilicht, schijnlicht, kwijnlicht, schrijnlicht, deinlicht, klijflicht, lijflicht, drijflicht en blijflicht. Het lijkt wel alsof er een kunstfotograaf of een schilder aan het woord is, die noodgedwongen op zoek moest gaan naar neologismen. Bovendien heet het laatste gedicht ‘Wellicht’. (p. 61) Gedicht ‘Corpus 05’ (p. 25) is waarschijnlijk niet toevallig een ‘tribute to Spencer Tunick’, de bekende Amerikaanse fotograaf die op zijn manier controverse heeft uitgelokt door grote aantallen naakte mensen midden in een stad of in de natuur op de gevoelige plaat vast te leggen. Licht, zien en beeld worden al lang gebundeld in het verouderde zelfstandig naamwoord lichtbeeld, dat niet alleen een omschrijving van een geprojecteerd beeld is. Nog meer verouderd is het oorspronkelijke lichtdrukprocedé en het door Guido Gezelle in het gedicht ‘Moederken’ (1891) gebruikte woord lichtdrukmaal (= foto). Bij Van meenen treft men geen verouderde substantieven aan. Zijn versregels zijn vrij direct, hoewel de wat ongewone syntaxis met ontbrekende zinsdelen de aandacht vestigt op het dichterlijk karakter van de ‘beelden’.

Niet alleen de titel van de bundel heeft een bijzondere klankwaarde, ook de versregels vallen op door de frequent gebruikte alliteratie, de eind- en de binnenrijmen en de kruisstelling van sommige beklemtoonde rijmende woorden, zoals ‘weten’ en ‘gescheten’ en ‘gezoend’ en ‘zoemden’ in het gedicht ‘Vondelpark’ (p. 18) dat tot de reeks ‘dringlicht’ behoort. Ik citeer het gedicht met de kruisstellingen waarbij ik het eerste werkwoordenpaar cursiveer en het tweede cursiveer en onderstreep: 

Het was mei en we zouden het weten:
er werd gezoend en op blote rugjes gestreeld dat
het een aardje had,
 
er werd gekwinkeleerd en op de wandelhoedjes
gescheten en er werd gelachen, heel veel gelachen
en gefluisterd van het kan niet op.
 
De wereld sloop ons binnen. Terwijl de stammen
glimmen gingen en de kruinen zoemden en het
adembenemend zacht te regenen begon,
 
zoals alleen in mei dat kon. 

 

‘Weten’ en ‘gescheten’ en ‘gezoend’ en ‘zoemden’ versterken elkaar of vallen alleszins meer op. Het eindrijm van de twee laatste versregels was alleen mogelijk door van de normale zinsbouw af te wijken. Met de tweevoudige kruisstelling en het loslaten van de gewone zinsbouw heeft Van meenen de gereedschapskist van de dichter gebruikt. Deze kunstgrepen hebben, zoals de formalist Viktor Sjklovski (1893-1984) beklemtoonde, een vervreemdend effect en precies daardoor rukt de taal van een dichter de lezer los van zijn gewone denk- en observatiepatronen. Los van het zien ook, en in de bundel van Van meenen ook los van de alledaagse – bijna onbewuste, nonchalante – omgang met licht. Alleen wanneer de seizoenen wisselen en kunstlicht noodzakelijk wordt, staan velen pas stil bij het begrip licht. In het eerste gedicht, ‘Ochtend’ (p. 5) maakt de titel deel uit van de eerste versregel – en ook dat is ongewoon – en de dichter verwijst naar kunstlicht zonder dat er daadwerkelijk kunstlicht bij te pas komt: ‘Ochtend, / maar nog niet helemaal. Een gaslampblauw / begin…’ Wie is nog vertrouwd met gaslampen, en was dat licht bij gebruik van de beste gloeikousjes inderdaad blauw? Ik twijfel eraan, maar dat doet geen afbreuk aan het vervreemdend effect waaruit blijkt dat licht allesbehalve evident is.

Opvallend is ook het gebruik van neologismen die min of meer aan de experimentele poëzie van de Vijftigers doen denken: ‘kikkervismiddag’ (p. 22), ‘varkensrood’ (p. 25) en ‘poederzucht’ (p. 46). Ook het gebruik van bestaande werkwoorden in een ongewone context valt sterk op, zoals ‘Reigers vervliegen, zoals vissen vervloeien.’ (p. 43) Maar Van meenen past als dichter toch geheel en al in deze tijd, vooral met een gedicht als ‘Afscheid’ (p. 45) dat bijna klassiek is. In dat gedicht gedenkt de schrijver zijn overleden vader: 

Ik zie je nog met lichte handen door het huis
alsof je alles nog es aan wou raken.
Toen moest er langzaam worden losgelaten.
 
We hebben veel gezwegen samen,
met wuivend in de mond de woorden
die we in de ogen namen,
 
tot ze uiteindelijk als zijden vliegers
liggen gingen, ongeschreven,
ongesproken, in het land van Amen. 

Op momenten dat het er werkelijk toe doet, zijn ook dichters vaak sprakeloos. Het besef bevindt zich dan in de houdgreep van het sterven dat het leven tot op- en overgave dwingt. Dezelfde sfeer kenmerkt het gedicht ‘Moeder’ waaruit ik de eerste vier versregels citeer: ‘We zitten samen maar je ziet me niet / zo glazig als je kijkt, verzeild ergens in wat // verwant met slapen met open ogen / maar geen voet nog aan de grond.’ (p. 59) Het is een gevoelig gedicht over de breekbaarheid van de mens, over het doorzichtig worden en over ‘de tijdloosheid’ die uiteindelijk verbleekt en waarin de moeder ‘broos doorzichtig wordt.’ Dezelfde gevoeligheid valt op in ‘Vladslo’ (p. 58) waar zich een ‘deutscher Soldatenfriedhof’ bevindt. Daar ‘rusten’ 25.644 gesneuvelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, onder de bevroren en treurende blikken van het stenen ouderpaar van Käthe Kollwitz (1867-1945). Lichtgezichten is een bundel om traag te lezen en te herlezen.

Gedichten

Ochtendlijk A’dam

Leeg Amsterdam: de grachten zijglad nog,
de huizen stil, als wie er nog in slapen,

de meeuwen weifelziek, het water
nauwelijks rakend.

Een fietsster die belachelijk haast voor een stoplicht
wacht, met ver in het verschiet, een oprijlaan van wijdte.

Wij zitten winters anachroon, genietend op een Leids terras
de wereld overwegend.

We zeggen niets, zolang de zon ons zoent,
zolang het licht ons zegent.
 

Zomerterras

Zon was er stilaan gewoonte. Glanswangen van glas
onder de avondlinden. Jou er te vinden

Kenden mekaar louter van kijken. Jij had zoveel
om me te laten zien. Ik duizend redenen om te bezwijken

Hadden gewoon kunnen praten natuurlijk
over hoe mooi het weer bijvoorbeeld
Deden het niet

Verkeken tijd met het volgen van kelners, leegdrinken
van kopjes, hebben van spijt…

Want natuurlijk hadden we al wat voorafging
willen opdoeken, ringen verbergen,
leuk hotelletje boeken

Natuurlijk wilden we schreeuwen dat het ons echt niet kon
schelen…

Wisten wel beter. Brandden ons niet.
Hielden het hoofs bij ‘oogstrelen’ in het al blauwend licht.

Gingen nachtenlang slapen met elkaars gezicht.
 

Lethargie

De wanhoop in jouw ogen om al dat lege in de hare:
verdwaalde blik die eindeloos zoekt te verklaren wat jij
allengs uit boeken hebt geleerd:

dat zij niet ophoudt te verdwijnen, de koffie koud,
je bloemen voor niets hun best staan te doen.

En dat het haar niet deert dat -als een kind-
jij telkens weer te wenen staat als je haar achterlaat:

zo onbewogen is haar zoen.
 

Een boom. Als bij wonder weggewandeld
uit een heel dicht bos

Zo ongehoorzaam, zo heilig is geen mens

En ver het landschap in, daar is de wind
geweld van woorden dat in takken vloekt
En met de nacht de stilte
die naar woorden zoekt

Daar is hij,
weggewandeld uit een heel dicht bos
Wie naar hem luistert laat zijn lichaam los.