Drie gedichten

Bert Struyvé  (1952)

Met taal probeer ik vanaf een afstand commentaar te leveren op de -soms beklemmende- werkelijkheid.

Van huis

Zie ze scharrelen langs de monding,
van water, lucht en vaste land
Ze sprokkelen vissen, krabben, wier.

Ze willen het liefst alles hangen in de wind,
nieuw behangen, maar nergens is een lijn
in de delta van de rivier.

Ze kijken naar al die vrije vogels,
die uitgelaten zwaaien en in patronen duiken.
Zij hebben hun draai ergens gevonden.

Straks zoek je zelf beschutting
ver van en ga je op in iedereen.
Maar eerst

zal ik je schetsen, zacht
met houtskool en geen strakke potloodlijn;
de grens is vaag
en de lucht is aan het harden.

Marije Geerts (1976)

Poëzie betekent heel veel voor me. Het is alsof je wordt meegenomen naar een andere wereld, of je meereist in iemand anders zijn hoofd. Het maakt het tijdloos en grenzeloos.

Onderweg

In mijn kinderjaren
Wilde ik altijd weten
Hoe lang iets rijden was,

Alsof de wetenschap
Van minuten
Me grip op reizen gaf.

Niet hoe ver we gingen,
Maar hoe lang
de reis zou duren.

Nog altijd zegt
afstand me weinig
Maar trek ik rond in uren.

Huibert van der Meer (1964)

Ik kan niet zonder poëzie. Het is een levensbehoefte. Zowel het lezen van andermans werken als het fabriceren van eigen werk.

PANG!

want het is altijd zo geweest
dat ergens een verdwaalde kleur is
die wordt teruggevonden

in half vergeten restanten
van iets wits

in snippers zwart
van een nacht vol drank

een destructieve gedachte
een impulsieve druk
op een gevaarlijke knop

een kleur die bijvoorbeeld
met gierende snelheid de loop
van een vuurwapen verlaat

PANG! ik ben bang