Gedichten

DE EERSTE MENS

De eerste mens is een kind voor de klas
wat wankel rechtop zo ineens
in haar schoot de baarmoeder van een apin

ze heeft nog niet hoeven paren
ze denkt dat dat zonder liefde niet kan

ze zegt: ik doe mijn spreekbeurt over krassen
je hebt krassen op de grond en op de rots
die op de grond zijn toevallig
die op de rots van mijn vader en broers

ze laat een stenen speerpunt zien zonder bloed
alle kinderen mogen hem vasthouden

ze doet het voor op het bord, ze tekent
dode en levende mannen met speren en knotsen

een horizon is er nog niet, net zomin als het perspectief
daardoor lijkt alles even dichtbij en gebeurt alles gelijktijdig
en haar gekras wekt een gegil als uit duizend kelen

zijn er nog vragen, vraagt ze maar denkt: liever niet
liever was ik een dier in een warm nest

ze is veertien, ze heeft een spiegeltje in haar agenda
daarin ontwijkt ze de jongen schuin achter haar.

VLOEKSCHRIJVERS

1.

Deze vloekschrijvers
die onze muren bekladden
en onze boeken bang maken
blijken kinderen die overdag slapen

nageroepen door ouders aan een leeg bed
verbasteren ze hun namen
letters omklemd op een verlaten perron

we lezen niet waar ze heengaan
we lezen niet waar ze vandaan komen

we lezen hoe ze elkaar vasthouden
schreeuwziek onder een natrium maan.

2.

Aan menig weggaan valt te ontkomen
dat van je pa, van je ma, van je maat

maar in dit treinraam ontsnap je aan niets
hoeveel palen komen er nog, hoeveel draden
gaan er weer terug?

hier en daar wekt een huis iets van een verblijf op
een ring tussen wisselgeld op een schoteltje in een keuken

o glassnijder voor op mijn vuist
kras alle uitzichten dicht!

alleen bij het slag hoor ik thuis
dat ramen inslaat
en zijn hand laat zakken in andermans nacht.

GRAFFITI

(ter nagedachtenis van mijn vader)

Het zou u niet ontgaan zijn
die zondvloed aan spraakwater
die onze stad overspoelt als wij slapen

u zou het gesis van zijn slangentaal hebben gehoord
tegen klimop en ingemetselde glasscherven

u zou naar spelfouten hebben gezocht
in dat kleurige slib dat ramen verblindt en gevels verplat
tot een smoezelig schotschrift

ik zie u op een droge zeebodem staan en omhoog kijken
naar kreten die niemand meer leest
naar geraas dat niemand meer hoort
onthutste stokoude man in een rolstoel

alles schreeuwt om uw gefluister
u bewasemt meer dan u spreekt

in uw gestamel richt zich een muur op
die om beschrijving smeekt
om armen die als woorden vermomd
naar de hoogste richels reiken

en snakken naar een platdak
waarop men staan kan en zwaaien
naar een onbeschrijflijk verschiet.