Gedichten

Buitenstebinnen

de zon stak
verdoofde mijn lichaam draaide zijn as
benen en armen zakten op het gras

ik zag dat het licht veranderd was
de omgeving krulde vreemd op
als een oude foto

langs een vaart trok een man aan touwen
een sjofele schuit kromde zijn lijf
een opstapplaats dacht ik later

en ik werd zijn enige passagier
schreef brieven die bewogen
een reisverhaal op schaal

het water rook, verbrande turf
jeneverflessen en dronkenmanliederen
handen zochten er het harde brood

ik sloot de ogen, voelde de zon om het veen
verlangen schuilde

dagreisje

in mij zijn letters gedrukt
ik ben niet van gisteren

dwars gevouwen
zwart-wit gedachten

glijden door de gleuf
van het huis op de hoek

hoe mijn huid kreukelt
als ik gevonden word

uitgelezen wachten

tot een hand mijn kop pakt
zinnen in stukken scheurt

dan spoel ik met wat nat
door een donker gat

zinloosheid?

ik wist niet dat uilen
naar Athene werden gedragen

op oude gebogen ruggen
de ogen groot en wijs
het in de verte kunnen zien

wie wegwijzer zou zijn
mocht kronkelen, zo’n dode tak
het lot wees mij aan

er werden ballen gebraakt
– veren, haar en botten –
benige mannen met eelt
bleven achter om te schaven

ik kraste de tocht op perkament
later zongen we
wijs geworden liederen

– dat was al in Athene –