Interview met Bart Moeyaert

'De stad zit nu echt onder mijn huid'

 

Bart Moeyaert schrijft al zijn hele leven gedichten, maar kreeg pas op latere leeftijd de behoefte om ze te bundelen. Tussen het verschijnen van zijn eerste jeugdroman, het autobiografische Duet met valse noten, en zijn eerste dichtbundel Verzamel de liefde zit twintig jaar. Slechts een kleine drie jaar na het verschijnen van dit debuut werd hij uitgeroepen tot stadsdichter van Antwerpen voor een periode van twee jaar. Nu die twee jaar bijna om zijn, blikt Meander samen met Moeyaert terug.

(c) Diego Franssens

‘Het is als met de verhalen die ik als achtjarige schreef, en het boek dat ik op mijn twaalfde en mijn veertiende schreef. Er was geen waarom. Daarom’, is het antwoord van Moeyaert op de vraag waarom hij dicht. ‘Ik heb altijd al gedichten geschreven.’ Het resultaat is in de bundel Verzamel de liefde te lezen, verschenen in 2003. Daarin staan – hoe kan het ook anders – gedichten over de liefde. Die gedichten kunnen natuurlijk rekenen op herkenning bij een groot publiek, maar volgens Moeyaert is dat alleen niet voldoende voor een goed gedicht: ‘A1s het bij een gedicht alleen bij ‘herkenning’ blijft, vind ik het vaak niet de beste poëzie. Er moet méér zijn: verrassing, verbazing, ontregeling ook, of mysterie. Het mooiste is het als een gedicht zich pas na een paar keer lezen voor je opent, omdat je nieuwe dingen ontdekt, of ineens de essentie ziet.’
Moeyaert is naast dichter een bekende kinderboekenschrijver. Hij beaamt dat het schrijven van kinderboeken het dichten beïnvloedt, maar veel meer wil hij daarover niet kwijt: ‘Sinds enige tijd leg ik niet meer uit hoe het precies met mijn boeken zit, en welke boeken ik dan wel schrijf. Ik heb mijn verhaal al vijfentwintig jaar lang herhaald, en dat is een kwart eeuw. Weinig mensen begrijpen blijkbaar dat ik me op geen enkel moment wil beperken. Ik ga ervan uit dat alles wat ik geschreven heb en geleerd heb bij het schrijven, in mijn gedichten zichtbaar is of wordt.’

Stadsdichter van Antwerpen
Het stadsdichterschap van Antwerpen is niet te vergelijken met dat van een andere willekeurige stad. Nergens anders lijkt de stadsdichter zo zijn stempel te kunnen drukken op het culturele leven. ‘Ik ben er niet van op de hoogte hoe het er precies aan toegaat in andere steden, omdat ik niet in die steden woon, maar ik heb inderdaad ‘van horen zeggen’ dat het stadsdichterschap nergens zo’n impact heeft als in Antwerpen’, licht Moeyaert toe. ‘Daarvan kan ik ook getuigen: het stadsdichterschap leeft, mensen spreken me aan. Het heeft er waarschijnlijk mee te maken dat het ambt vanaf het begin een status meekreeg, en dat wie stadsdichter wordt, die functie ook op zijn of haar manier ten volle uitdraagt.’ Maar ook in tal van andere steden in Nederland en Vlaanderen geniet het fenomeen stadsdichter steeds meer populariteit. Moeyaert vindt dit een goede zaak: ‘Daarbij denk ik niet aan de stad zelf, maar aan de poëzie: gedichten komen dichter bij de mensen, die anders misschien nooit met poëzie zouden worden geconfronteerd.’
Door het stadsdichterschap is zijn band met Antwerpen hechter geworden: ‘De stad zit nu echt onder mijn huid. Als mens ben ik ook veranderd. Ik ben — tijdelijk — cynischer geworden. Tijdelijk, dat benadruk ik. Het lachen is me een beetje vergaan, maar dat komt terug. Mag ik hopen.’

Gedichten voor gelukkige mensen
In januari verschijnt Gedichten voor gelukkige mensen. In deze bundel zullen alle achttien stadsgedichten en andere gedichten voor gelukkige mensen staan. ‘Het eerste gedicht verwijst naar zeven jaar geleden, toen ik uit mijn vorige leven stapte. Ik heb toen een aantal beslissingen genomen die alles hebben omgegooid, soms zonder dat dat zichtbaar was. Het gedicht ‘Nu’, waarmee de bundel eindigt, zegt: ‘Ik ben blij dat ik besta’. En daar moest het ook mee eindigen. De bundel vat voor mij de afgelopen zeven jaar samen, maar niemand heeft daar een boodschap aan’, zegt Moeyaert. De heftigste periode was zonder twijfel die van de moord op Luna en Oulemata, door de achttienjarige Van Themssche. ‘Ik zat in de auto, kwam van een lezing en was onderweg naar Antwerpen, toen ik op de radio een vrolijke presentatrice zichzelf hoorde onderbreken. Er volgde een lichtgewicht verslag met de verzuchting ‘goh wat erg, twee moorden!’. En ze gooiden er Shakira tegenaan, bij wijze van spreken. Die nacht kreeg ik een mail van de grootmoeder voor wie ik op de Antwerpse Boekenbeurs voor Luna een boek heb gesigneerd. En alsof alles plotseling in mijn gezicht sloeg, heb ik al mijn afspraken van die vrijdag afgebeld. Ik wist meteen waar mijn beginregels lagen, het gedicht (‘Vrouw en kind’) viel als een puzzel in elkaar. Het kwam met grote heftigheid naar boven.’

Veel aan de gang
Nu hij bijna aan het eind van zijn stadsdichterschap is, blikt hij met tevredenheid terug. ‘Ik kijk naar de gedichten die ik wel heb geschreven, ik kijk niet naar de gedichten die ik niet heb geschreven’, zegt Moeyaert, ‘In een stad en in een mens is er altijd veel aan de gang, dus maak je als dichter altijd de keuze van dat moment, een keuze die je met je gevoel maakt.’
De naam Bart Moeyaert komt nu in het rijtje te staan van Lanoye en Nasr. ‘Of er een wezenlijk verschil is tussen mij als stadsdichter en mijn voorgangers? Als u mijn bundel Gedichten voor gelukkige mensen leest, dan merkt u dat ik net zo sociaal en politiek geëngageerd ben als zij, maar het spreekt voor zich dat mijn stem, mijn toon, mijn aanpak anders is.’
Zijn opvolger is Joke van Leeuwen, volgens Moeyaert een goede keuze. Hij wil haar een goede raad meegeven: ‘Toen ze mij vertelden dat het stadsdichterschap druk was, zag ik daar de agenda bij die ik van mezelf kende: veel te doen. Maar het is totaal anders. Het is ongelooflijk druk en slopend. Twee jaar is lang, erg lang, om een constante deadline te hebben voor het volgende gedicht, en daarna het volgende. Dus: blijf rustig.’

Gedichten

GEDICHT VOOR GELUKKIGE MENSEN

Van alle mensen die
het lachen is vergaan,
loopt een op de drie blind over je heen
en kijkt dan om.
De wereld is juist niet van iedereen,
dat slag.
De overige twee vallen niet op.
Hun armen bungelen halfstok.
Onder hun tong zit gram.
Ze kennen haast geen zinnen
zonder tss.
Zo zuinig zijn ze op hun lucht.
Je staat erin voor je het weet.
Heb ik iets van je aan misschien
is uit hun mond geen vraag.
Een wenk: kijk naast hun kleren.
Wijs naar elkaar, wijs naar
het water met de zon erboven.
Zeg blije dingen als:
wij moeten zeer de moeite zijn,
als zelfs de zee tot hier komt,
weggaat
en zich weer bedenkt.

(c) Stadsdgedicht Antwerpen
Uit Gedichten voor gelukkige mensen (uitgeverij Querido, 2008)

 

ZIE:

Niets is voor u. Niets is voor u bedoeld.
U wordt nochtans gewenkt. Onbekend is
onbemind. Dat is de naam voor alles
wat uw leven lastig maakt. Van jassen
vindt u vast de kraag het mooist. Het is
de heg die u graag hebt. Hij dient niet om
er overheen te kijken. Hij houdt uw adem
dichtbij uw gezicht. Van decemberdassen
heeft u er een paar. Het kan niet gauw genoeg
gaan vriezen. Dan mag u kop in kas het waaigat in.
Waarom zo bang. Het is vergissen wat ons bindt.
Het zijn de fouten die ons op elkaar doen lijken.
Zie: de spons erover. Zand. Als u van koud houdt,
denk aan januari. Dat is wat heet een fris begin.

(c) Stadsdgedicht Antwerpen
Uit Gedichten voor gelukkige mensen (uitgeverij Querido, 2008)

 

VROUW EN KIND

voor D.

Was je niet liever thuisgebleven?
Had je de oceaan niet moeten laten,
breed als hij is, en heb je onze kou
dan nooit gehaat? Dichtbij de evenaar
is de maan een boot, een hand, een kom.
Daar kan wat in. Veel zorg. Hier niet.
Hier wast de maan als een doof oor.
Ze leunt en luistert niet. Je hebt de man
die jong maar moe was niet gekend.
Hij leed waarschijnlijk aan het draaien
van de aarde. Dat moet haast wel, als je
de waarde van de warmte vergeet en
op een middag vindt dat de zon nu
lang genoeg geschenen heeft. "Hoezo
heb je het koud. Last van mijn blik?
Koud om je hart? Koud als je valt?
Jij was hier nog niet eerder, wel.
Went het een beetje onderhand.
Heb je het naar je zin of niet. Vind je
dit land geen land voor jou misschien,
geen land van melk en honing.
Hoor ik je taal, hoor ik je heimwee,
hoor ik je, hoor ik je, het is je geraden,
van wie is dit kind?" Het duurt geen tel
en de stad is veranderd. Dat dacht ik
vannacht toen de maan hier een oog was,
en boven het land van je moeder een hand.
Een boot. Een kom. Ik vroeg me af
of jij ook na je dood blijft zorgen
voor het kind. En zal ik eens in jouw plaats
vragen wat een ander daarvan vindt?

(c) Stadsdgedicht Antwerpen
Uit Gedichten voor gelukkige mensen (uitgeverij Querido, 2008)