Gedichten

       TOT KONSTANDINOS KAFAVIS

Verwijten doe ik je niets, natuurlijk (in godsnaam!),
maar, met alle respect,
het verbaast me wel dat je de Nijl niet bezongen hebt,
dat je de Nijl volkomen genegeerd hebt,
dat je níets gezegd hebt
over die kalme, gehoorzame stroom, dag in dag uit,
waarzonder het niet bestaan had, dat Alexandrië van jou
met alles erop en eraan.
Het verbaast me dat je als iets vreemds genegeerd hebt,
als iets irrelevants,
de rivier die als enige
van alle rivieren ter wereld
van het Zuiden naar het Noorden op weg toog
om Alexandrië gebouwd te laten worden
(dat Alexandrië van jou, man!)
in de omarming van de Middellandse Zee
en om alles te laten ontstaan wat bij die stad hoort.

       IN HET MUSEUM VAN KORINTHE

De toeristen sloegen geen acht
op de twee kleine stukjes aardewerk
met de eerste voorbeelden van het Griekse schrift.
De grote beelden eisten al hun aandacht op,
de fraaie vazen trokken hen naar zich toe.
Wij echter bleven daar staan,
wij echter bleven daar staan voor die stukjes aardewerk
om de Gamma te bewonderen en de Mu
en de Tau en de Omikron en de Sigma en de Bèta
en de Alfa en de Ro en de Chi.
Daar stonden wij,
voor onze dierbare meesters.

                  HET GRIEKS EN GRIEKENLAND

       Griekse dichters
Haast niemand leest ons,
haast niemand kent onze taal,
miskend en zonder applaus wonen we
in deze verre uithoek –
maar ertegenop weegt dat we Grieks schrijven.

       *

Vreemd – we spreken Grieks.

       *

Kleine, verre, Griekstalige dichter!

       De vriendinnen van de Griekse zeelui
De vriendinnen van de Griekse zeelui
die je in havens van het Verre Oosten ontmoet,
die bleke, dromerige meisjes
die blij hun ogen opensperren
als ze horen dat je Grieks bent
en een gebroken ‘yá-sou’ spartelen –
en het laatste ‘yá-sou’ spartelen
dat die tegen hen gezegd hadden.

       *
De pogingen der vertalers zullen vergeefs zijn –
dit vers werd geschreven om Grieks te blijven,
dit vers is alleen voor Grieken.

       *
Ik vond het vreemd dat ik vanavond
Grieks kende en las –
ik vond het heel vreemd dat ik het begreep.

DE ANTIEKE VOOROUDERS

       *
Knappe lui, die antieke voorvaderen van ons –
maar wat zal ik zeggen, geen die het overleefd heeft.

       *
Wist ik maar welke norse Cyprioot uit de XIIIe eeuw v.C. ik ver-
       tegenwoordig –
welke idioot in de XIIIe eeuw v.C. voor mij de kiem heeft gelegd.

       *
Met alle respect –
maar we hebben wel wat anders aan ons hoofd dan de Akropolis.

       *
Wat die Akropolis ook wezen mag –
als hij maar weet dat hij op onze nek zit.

       *
Wat die Akropolis ook wezen mag,
zonder ons bestaat hij niet.

       *
Dat prikkeldraad ook van de voorouderlijke deugden,
dat prikkeldraad ook van de voorouderlijke geschiedenis!

De ‘voorouders’
Maar hoezo eigenlijk –
hebben ze ons iets gevraagd voordat ze ‘geschiedenis’ gingen maken,
hebben ze ons iets gevraagd voordat ze ons die nalieten?

       *
Nou, die Akropolis zit wel op onze nek, zeg!

       *
Als het aan mij lag,
zeg ik u, zou ik de opgravingen verbieden!