Gedichten

O, de ode aan de ode aan

Ik ken een vrouw: ze sterft op uw bodem
zij mag het niet weten zij zou huilen als bij
het afscheid van haar favoriete personage

in die soap heet ze Carmen zo heetten ze
allemaal zij die tevergeefs op u wachtten.
Ik heb u slechts vertaald gelezen, hoe anders

klonk ge in de zachte g mineur van uw eigen
tong. Ik heb uw verzameld werk gelezen, ze
dansen en dansen en nog sterft het in vertaling

ssst, nee, ik verwijt u niks ik heb geen oorlog
geen vijand dan mezelf god’domme
hoe kan ik dan ooit dichter

misschien is het dat: Het is moeilijk leven
zonder hiernamaals. Misschien is het dat

wat ik bij u zoek: de schaduw van het licht
het hierna nogmaals van letters in een boek.

Windturbine

ik wiek en jij wij wieken evenwijdig:
schijngevecht, rapieren van papier

wij snijden met de tijd mee zonder
snee wij schrijven niet wij zijn

(een kroontjespen zonder inkt)
geen wolk die dondert. Niet meer

dan wind die drijft wij weten niet
van wissel/stroom wij kennen geen gelijk

wij vragen niet waarom wij draaien
maar wij draaien maar wij draaien
maar

Finale

ge liet iets achter maar niemand kan het vinden
ge deed iets goed maar niemand weet wat ge zijt
(nen held) maar niemand weet waarom ge
heel uw leven vocht en wie zo hard terug sloeg
het doet er niet toe ge haalde de finale

maar niemand weet van wat: Het was niet
hardlopen ge liep kreupel. Het was niet hoogspringen
ge zat voltijds aan de grond, ge trok geen treinstellen
voort (met uw vals gebit) ge zijt een vraagteken,
maar wie schreef de zin en wie stelt

de vraag. Ik zoek een schone foto en ik vind:
uw handen: Uw stompe vingers. Uw vergeelde vinger-
toppen en uw kromme nagels. Mijn kind heeft die

ook. Dat was het dan. Wat ge achterliet.