Recensie van Gebroken wit - Victor Vroomkoning

Tekens van vervlogen leven

Victor Vroomkoning
Gebroken wit
Uitgever: De Arbeiderspers
2018
ISBN 9789029523622
€ 17,99
75 blz.

De bundel Gebroken wit van Victor Vroomkoning heeft iets van een familiealbum, waarin een dichter aan de hand van een reeks gedichten terugblikt op zijn leven. Uit de ‘Verantwoording’ achter in de bundel blijkt dat de gedichten her en der zijn gepubliceerd in allerlei tijdschriften en in thematische verzamelbundels. Soms gaat het om gelegenheidsgedichten bij een afscheid van een bekende, soms om gedichten die op verzoek zijn geschreven. Veel van de gedichten zijn met kleine wijzigingen van de oorspronkelijke vorm in deze bundel opgenomen. Gezien de hoge leeftijd van de dichter is het niet verwonderlijk dat de nodige gedichten over de dood gaan. In het volgende gedicht komt de actuele thematiek van de ‘zelfgewilde’ dood aan de orde. De ik-figuur is in gesprek met zijn vader.

Aan de rand

Een paar passen nog voor het is gedaan.
Ik heb een afspraak met de dood.
De laatste zet is uitbesteed aan mij
we zijn dit overeengekomen.

Wat houdt me op, wat is ertegen om
dit loze lichaam af te scheiden? Hoe
hard is een woord, vader, hoe zacht
een zelfgewilde

Herinneringen aan gebeurtenissen in zijn leven komen in allerlei vormen aan bod. De dichter heeft bijzondere momenten vastgelegd op foto’s, zoals in het gedicht Souvenir of hij reflecteert op een oude foto zoals in Ecce Nobel. Hij is in dit laatstgenoemde gedicht helemaal niet ‘de koning der dieren’ die lachend op de foto staat, maar ‘een mak / schaap met een muil waarin de oppas / zijn hoofd mag steken in ruil voor een / half jong hert dat hij me dagelijks schenkt.’ Hij vindt het leven in gevangenschap saai (‘De dag is hier één lange geeuw.’) en met een verwijzing naar de leeuwmascotte van de Hollywoodstudio Metro-Goldwyn-Mayer (MGM) brult hij af en toe als Leo the Lion ‘om er / de passanten in dit park mee te vermaken.’ Met een variant op Willem Kloos’ dichtregel eindigt het gedicht aldus: ‘Elke foto toont / zijn eigen waarheid, deze liegt de wilde god / die ik ben in het diepste van mijn genen.’

In het gedicht Anamnese in M. gaat het om de gesprekken over gezamenlijk beleefde herinneringen, die hij houdt met een vriend en leeftijdgenoot, ‘Broos en gemankeerd als ik zelf’. De vriend gaat ‘Slalommend door de dagen’ en ‘kriskras / door ons geheugen’. Het gemis van allerlei mensen en zaken is voelbaar, maar ze hebben via hun herinneringen steun aan elkaar, hoewel het geheugen geen zekerheden biedt van hoe alles precies verlopen is. De eerste strofe, die over hun ontmoeting gaat, kenmerkt zich door ‘de lucide middaghitte’. De herinneringen in de tweede strofe roepen het beeld op van sneeuw, een slalom een snelle afdaling. De ervaringen uit hun leven beslaan dan ook een periode van ‘een halve eeuw’, het zijn er ongelooflijk veel. De laatste strofe, die ook als thematische tekst van de bundel op de achterflap is afgedrukt, luidt als volgt:

Wij verliezen ons in het gemis en vinden
ons door elkaar terug in wie wij
ongetwijfeld moeten zijn geweest – hoor ons
ernaar raden. Voor even kunnen we
tegen het gebroken wit van ons heden.

In het nu heeft de dichter nog de mogelijkheid deze herinneringen vast te leggen op papier. Voor hem een buitenkans. Het gedicht dat daarop geschreven is of afgedrukt, maakt het witte blad papier tot ‘gebroken wit’. Het teruggaan naar een oude plek van vroeger is bij herinneringspoëzie een voor de hand liggende onderneming. In het gedicht Reünie heeft de dichter een herinnering uitgewerkt en gekoppeld aan het heden. Het gaat om de plek ‘waar zij mij haar eerste kus gaf’ en hem had aangesproken met ‘Jonge god’. En nu zijn ze beiden weer ‘met hangen en wurgen maar we zijn er nog’ op de oude plek en ze omhelzen elkaar ‘genadeloos terloops’ om daarna ‘getroost huiswaarts’ te keren ‘naar onze tweezitsbank’. De afsluiting van het gedicht bevat een vorm van niets ontziende zelfspot die vooral troosteloosheid uitdrukt, lijkt me.

Enigma en Visioen behoren tot de mooiste gedichten van de bundel. Het gaat hier om beelden van de moeder van de dichter die erin voorkomen. In deze gedichten botst de wereld van de harde realiteit met het opgeroepen droombeeld. In Visioen komt zijn moeder uit de dood getreden en was ‘hij weer bij haar voor / zij stierf’. In Enigma vraagt de hij-figuur zich af hoe de moeder zijn hotelkamer is binnengekomen. De moeder zit daar doodstil met haar handen om de knieën voor het open raam. Het speelse, ietwat erotische verstilde beeld doet me heel in de verte denken aan het schilderij Vrouw bij het venster van Salvador Dalí.

Enigma

Hoe kwam zij binnen? Hij heeft de sleutel
in zijn hand. Het is zijn bed, zijn kamer,
zijn hotel dat hij zijn huis acht.
De handen om de naakte knieën
zit daar zijn roerloze moeder voor het open
venster. Er is te veel bloot aan haar, zal hij haar
toedekken? Als hij nadert, glijdt een lach over
haar gelaat. Zij merkt dat zij nog in hem bestaat
als toen hij haar ontdekte met een ander dan zijn vader.    

In deze bundel hebben de gedichten Enigma en Visioen de functie om een belangrijke persoon uit het verleden terug te halen, daar stil bij blijven te staan, deze persoon te benaderen en aan te raken. Daarna beseft de dichter dat uiteindelijk het beeld van de moeder niet vast te pakken is, ook voor de lezer. Ondertussen heeft voor deze laatste de tijd even stil gestaan. Daarna leest hij zich weer andere werelden binnen.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Sommige gedichten zijn te simpel, te gemakkelijk, roepen in de verbeelding van de lezer niets verrassends op. Handen is zo’n gedicht. Het is een terugblik naar het aanschuiven van de trouwring ‘hoe jij je naam / aan míjn linker schoof’ maar nu ‘zonder altaar’. In Psychoanalyse wordt een verbinding gelegd tussen ‘een imposant kruis tegen een kerktoren’ en het kruis van een vrouw. En als ze beiden luisteren naar het klokkenspel en de vrouw roept: ‘Wat een twee schattige klokjes hangen daar!’ is de associatie helder. Het gedicht eindigt met de versregel ‘Hou het dan maar droog’. Nou, dat lukt me moeiteloos moet ik zeggen. De dialogen Proeve en Help! zijn zwakke voorbeelden van kinderpoëzie. Het gedicht Litanietje, met een stapeling van voornamelijk aparte verkleinwoorden, is niet meer dan het taalspel dat eronder zit. Opties doet me vooral vanwege de vorm denken aan zijn muurgedicht ‘Hallo’ aan de wand van cultureel centrum De Lindenberg in Nijmegen. Waarom het vierdelige gedicht in deze bundel is opgenomen, is me onduidelijk.

Victor Vroomkoning is een traditionele dichter, die in zijn ontwikkeling is blijven hangen. Wanneer hij kritischer naar zijn eigen poëzie had gekeken en zo’n 10 à 15 gedichten had geschrapt, dan was Gebroken wit een compacte bundel geweest met een aantal goede gedichten over (jeugd)herinneringen, huwelijk, familie en gezondheid, een familiealbum in de positieve zin van het woord. Ondanks de genoemde zwakke gedichten die de bundel ontsieren, blijft er veel moois te lezen in Gebroken wit.

Tot slot. Mocht ik als lezer vragen hebben en daarop adequate antwoorden willen, het is de dichter die aan het woord is. Ik heb niets te willen. Of zoals Vroomkoning in Het is niet zegt: ‘Het is niet / het antwoord / waarom je / verlegen zit / noch je vraag / doet ertoe’. En daar valt niets tegenin te brengen.

***
Victor Vroomkoning (1938) studeerde Nederlands en filosofie. In 1983 verscheen zijn debuutbundel De einders tegemoet. Sindsdien kwam een groot aantal bundels uit. In november 2008 verscheen ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag Ommezien, Gedichten 2008-1983. Hij ontving vele prijzen waaronder de Publieksprijs Beste Poëziebundel (2005) voor zijn bundel Stapelen en de Karel de Grote Prijs (2006), een oeuvreprijs van de gemeente Nijmegen. In de periode 2006-2008 was hij stadsdichter van die stad.

Recensie van Lucebert. Biografie - Wim Hazeu

De ruimte van het volledig leven

Wim Hazeu
Lucebert. Biografie
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403104706
€ 39,99
927 blz.

Nu het wat rustiger is geworden rondom het verschijnen van Lucebert. Biografie van Wim Hazeu komt er ruimte om het over andere zaken te hebben dan over zijn correspondentie vanuit Duitsland met zijn vriendin Tiny Koppijn. ‘Onder die brieven Heil Hitler en Sieg Heil zetten’, is nogal wat, hoorde ik iemand zeggen, ‘dat moet in deze tijd gevolgen hebben voor de waardering van zijn werk’. Daar dacht ik niet meteen aan. De laatste dagen heb ik veel gedichten van Lucebert herlezen. Ik ontken niet dat ik als lezer anders lees, anders oplet wanneer ik nu zijn gedichten lees. Echter, ik kom niet tot een andere waardering van zijn werk, laat staan tot een afkeuring. Als ik eerlijk ben, vraag ik me af waarnaar ik op zoek was bij het herlezen van zijn werk. Wilde ik in zijn poëzie bewijzen vinden dat hij als jongeman met zijn ideeën fout zat in de oorlog? Wilde ik dat concreet kunnen aanwijzen in een aantal gedichten van hem? Was poëzielezen voor mij ineens verworden tot spoorzoekertje spelen? In een interview in de Volkskrant zegt Hazeu dat hij niet gelooft dat Luceberts tekeningen en schilderijen ‘met terugwerkende kracht besmet zijn door de oorlog’. Gelukkig maar. Wel gelooft Hazeu dat ze voortkomen uit de oorlog: ‘Lucebert neemt in zijn werk wraak op de oorlog. Wraak op zichzelf.’ Die conclusie lijkt me net een stap te ver, zeker wanneer het zijn totale oeuvre betreft. Moet zijn werk zo geïnterpreteerd en zijn zwijgzaamheid na de oorlog zo verklaard worden?

Wanneer ik de gedichten van Lucebert lees, dan valt het me op dat veel van zijn poëzie over angst gaat. Waar die angst vandaan komt, dat is een van de mysteries van zijn gedichten. Is dat de angst dat zijn sympathieën voor nazi-Duitsland uit zijn jeugd bekend worden? Dat lijkt me een te beperkte opvatting. Ik kom eerder uit bij een vorm van een persoonlijke existentiële angst, een angst die leidt tot een groot eenzaamheidsgevoel. Ik vind dat we zijn gedichten los van de maker moeten zien. Ik wil al heel lang naar de ‘achterkant’ van Luceberts poëzie en de biografie van Wim Hazeu heeft mij daarin niet verder geholpen. Dat neem ik Hazeu niet kwalijk, want ik weet al lang dat de koppeling van Luceberts gedichten aan allerlei biografische gegevens in veel gevallen weinig tot niets oplevert. In een brief van Lucebert op 7 april 1947 aan Piet Kuyk, die een verslag had gemaakt van een lezing die hij had gehouden onder de titel ‘Stervend Contact’, geeft hij inzicht in zijn gevoel van ‘innerlijke gespletenheid’. Wellicht is dit citaat een ingang om vat te krijgen op het werk en op de persoon van deze woordenaar-beeldenaar. Na een uitgebreid zelfbeklag schrijft Lucebert: ‘…’t Is een interessante gespletenheid, ik denk dat wanneer ik eens een zekere roem krijg, een object van biografennieuwsgierigheid zal worden. Die gespletenheid openbaart zich in alles, letterlijk alles. Neem bijvoorbeeld mijn kunstenaarschap, aan de ene zijde een beeldend talent, aan de andere kant een zuiver literaire gave. En die twee bevechten elkaar niet zo mis, neem dat van mij aan. Dan m’n karakter, eenerzijds ben ik stil, gedienstig, ascetisch, knielzuchtig zelfs, anderzijds ben ik oproerig, onrechtvaardig, dictatoriaal, ongelooflijk heerszuchtig. Ik houd van de aarde, van al wat sappig en vlezig is, maar ik houd ook van de hemel, van de zuivere zielsstaat waarin het lichaam gekastijd wordt.’ De gespletenheid en de grote zelfkennis herken ik wanneer ik deze biografie lees, maar de persoon en de kunstenaar Lucebert is daar niet volledig onder te vangen. Het lukt me niet. De kikkers blijven uit de kruiwagen springen. Lucebert blijft je verrassen.

Bronnen van deze biografie zijn de gesprekken van Hazeu met Luceberts weduwe Tony, de archieven van het Literatuurmuseum te Den Haag, het Stedelijk Museum te Amsterdam en de Lucebert Stichting te Amsterdam/Bergen en talrijke persoonlijke archieven. Luceberts dochters Henny, Noa en Maia verleenden alle medewerking aan de biografie van Hazeu. Ook het Lucebert-archief van biograaf Peter Hofman – hij publiceerde in 2004 Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert – was van betekenis voor deze biografie. Opmerkelijk is de grote lijst met Lucebert-interviews die Hazeu heeft kunnen raadplegen. Over de dichter-schilder Lucebert zijn veel journalistieke artikelen, essays en wetenschappelijke publicaties verschenen. Hazeu heeft er ruimschoots gebruik van gemaakt.

De biografie verdrinkt niet in een overdaad aan feiten. Luceberts levensverhaal is verdeeld in korte thematische hoofdstukken. Het geeft de lezer de mogelijkheid gericht naar bepaalde zaken te zoeken. In het algemeen zijn de biografische gegevens op een aantrekkelijke manier verweven met historische gebeurtenissen. De tekst is vlot te lezen. Hazeu maakt veel gebruik van citaten van Lucebert zelf. Belangrijke personen uit zijn omgeving bespreekt hij kort in relatie tot Lucebert. De ontwikkeling van Lucebert als dichter en schilder is langs een groot aantal lijnen te volgen. Hazeu heeft uitgebreid aandacht voor de invloed van buitenlandse kunstenaars als Hans Arp, Paul Élouard, Friedrich Hölderlin en Rainer Maria Rilke. Ook bewondert Lucebert de Nederlandse dichters Paul van Ostayen en Herman Gorter. Hij behoort tot de kring van Vijftigers die verder bestaat uit de dichters Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Jan Elburg, Bert Schierbeek en Simon Vinkenoog. Rudy Kousbroek en Hans Andreus, ook een broeder in zwijgzaamheid, behoren tot zijn vriendenkring. Wat hen bindt, is niet alleen hun antiburgerlijke levenshouding en de nieuwe, experimentele poëzie, maar ook de voortdurende armoede en het gebrek aan een fatsoenlijke woonruimte. De dichters zijn dagelijks op zoek naar verbetering van hun wooncomfort. Ze verhuizen continu van hot naar her en wonen bij elkaar in. De invloed van Karel Appel op zijn schilderscarrière is groot geweest. Beiden bedienden zich van de zogenaamde poème-peintures. Appel was verder in zijn ontwikkeling als beeldend kunstenaar dan Lucebert. Voor Lucebert was Karel Appel een voorbeeld, niet alleen artistiek maar ook zakelijk, vooral omdat hij wereldwijd zijn vleugels uitsloeg. Lucebert bleef thuis in zijn atelier op de Boendermakerhof in Bergen. Zijn vrouw Tony was zijn reizende manager, zij ging met zijn beeldende werk langs de galeries en creëerde een uitgebreid Lucebert-netwerk.

Hazeu gaat uitgebreid in op de kritiek die de jonge Lucebert kreeg op zijn werk als dichter. Dit doet hij vooral aan de hand van citaten uit kritieken. Michel van der Plas, Hendrik de Vries, Hans Gomperts, Bertus Aafjes en later ook B. Polak hebben grote moeite met de vorm, inhoud, betekenis en toon van zijn gedichten. In de gangbare tijdschriften keuren zij de gedichten af. Ze vinden deze in het zwart geklede, altijd trui dragende dichter maar een rare snuiter, gevaarlijk zelfs. De critici doen zijn poëzie af als onbegrijpelijk en vinden dat zijn  gedichten niet boven het niveau van infantiel gestamel uitkomen. Hazeu citeert uitgebreid uit de reacties van Lucebert op deze kritieken; het zijn juweeltjes om te lezen. Lucebert weet op venijnige en meedogenloze wijze de aanvallen van zijn criticasters te pareren en duidelijk te maken dat hij als naoorlogse dichter ‘oude vormen en hoogdravendheid’ achter zich wil laten. Het duurt enige jaren voordat hij als dichter waardering krijgt. Zijn collega-dichters – en dan vooral Gerrit Kouwenaar – nemen het consequent voor hem op en herkennen zijn buitengewone talent. Ook Harry Mulisch erkent zijn grootheid.

Luceberts ontmoeting en vriendschap met Bertold Brecht is in de hoofdstukken 23 en 24 fraai uitgewerkt. Hij verblijft in Berlijn, maakt een mislukte reis naar Bulgarije, en komt amper tot schrijven. Brecht en Lucebert zijn gewaagd aan elkaar. Dat leidt niet alleen tot interessante politiek-ideologische gesprekken, maar ook tot onbegrip. Tegelijkertijd wordt een boeiend beeld geschetst van het toenmalige Oost-Berlijn. West-Berlijn wordt met Oost-Berlijn vergeleken en in Oost-Berlijn herkent Lucebert veel van het naoorlogse Amsterdam. Brecht was teleurgesteld dat de ‘talentvolle Hollandse dichter’ er niet toe kwam een toneelstuk voor zijn theatergroep te schrijven. Lucebert ging naar Bulgarije en om daarnaar toe te kunnen reizen was hij ondertussen lid geworden van de communistische partij, anders kwam hij het land niet binnen. Een aardig detail.

Lucebert. Biografie is een goed verzorgde, lezenswaardige biografie geworden. Tegelijkertijd is het ook een oerdegelijk boek. Omdat het over de dichter-schilder Lucebert gaat, een kunstenaar met een grillig, soms explosief karakter, zou je wensen dat het taalgebruik van Hazeu stilistisch gezien op een aantal momenten spectaculairder zou zijn. Gelukkig staat het boek boordevol citaten en fragmenten van Lucebert zelf. Deze zijn goed gekozen en zorgen ervoor dat biografie de aandacht van de lezer blijft trekken. Het boek bevat zwartwit- en kleurenfoto’s van Luceberts beeldende werk, van de dichter tussen zijn vrienden en van de beeldend kunstenaar aan het werk in zijn atelier. De dood van Lucebert wordt in het laatste hoofdstuk beschreven aan de hand van fragmenten van gedichten van collega-dichters. Hazeu geeft aan het slot de tekst weer die op een plaquette van glas op zijn graf te lezen is: ‘Als ik geen dichter was zou ik uit honderden woordwonden bloeden niets zou mij helpen geen gevleugeld woord geen hemels woord zou het bloeden stelpen.’ Lucebert is dichter, een groot dichter. 

***
Wim Hazeu is schrijver, dichter, journalist, radio- en televisieprogrammamaker en biograaf. Hij schreef o.a. A. Marja, dichter en practical joker (1917-1964), een biografische schets (1985) en biografieën over Gerrit Achterberg (1988), Slauerhoff (1995), M.C. Escher (1998), Vestdijk (2005) en Marten Toonder (2012).

Recensie van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs - Maaike Meijer en Anikó Daróczi

Engagement heeft vele gezichten en nieuwe ogen

Maaike Meijer en Anikó Daróczi
De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029516105
€ 10,00
144 blz.

‘Poëzie in nood – nood aan poëzie’ luidt de titel van het ‘Voorwoord’, waarmee de uitgave De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs opent. Het is een verwijzing naar de actuele situatie, waarin de poëzie zich bevindt en naar de opheffing van de VSB Poëzieprijs dit jaar. Joost Baars is met zijn dichtbundel Binnenplaats de laatste winnaar. Jammer, maar wil je dat poëzie zich blijft ontwikkelen en nieuwe uitdagingen zoekt, dan is het ook goed dat zo nu en dan een prijs verdwijnt en er een nieuwe prijs of een andere vorm van waardering voor terugkomt. Dat levert meestal ook een ander type laureaat op. Poëzie, de prijzen, de kritieken moeten vooral in beweging blijven.

Het ‘Voorwoord’ van deze selectie gedichten is een handzame leidraad voor de poëzielezer. Lezers die op de hoogte willen raken van de representatieve gedichten van 2018 krijgen een mooi beeld van wat er allemaal aan gedichten gepubliceerd is, hoewel de keuze van de gedichten natuurlijk een persoonlijke voorkeur is van de juryleden Maaike Meijer en Anikó Daróczi. Dit tweetal maakt aan de hand van (fragmenten van) een groot aantal gedichten duidelijk, waar het in de poëzie anno 2018 om gaat, zonder te vervallen in uitgesponnen theoretische beschouwingen of literair-historische benaderingen. Hun schrijfstijl is helder en direct. Er staat geen overbodig woord in deze inleiding. Poëzie als levensredder, als magische gebeurtenis, het belang van de zintuiglijke waarneming, het belang van de vorm, de vrijheid, het experiment en de vernieuwing, het komt allemaal langs.

De bundel is geen boek dat je van voor naar achteren leest. Het is meer een bladerboek, een bundel om even ter hand te nemen, er enkele gedichten in te lezen en daarna weer weg te leggen. De lezer moet zich laten verrassen, ongeacht tijdstip en plaats. Wanneer er van een dichter in dit poëzieoverzicht enkele gedichten uit een bundel zijn opgenomen, dan krijgt de lezer sneller een beeld van thematiek en stijl, dan wanneer er slechts één gedicht is opgenomen. Dat zegt overigens niets van de kwaliteit, want een gedicht als ‘De luit van mijn oom’ van Abdelkader Benali is de moeite van het lezen waard. En ook ‘Nimfje in het wit’ van Jacques Hamelink, een ‘schrikgerucht’ over de dood van de Tilburgse ‘Marietje Kessels hinkelmeisje van tien’ en de daaraan gekoppelde ‘gelofte van zwijgen’ aan de familie, die door de Rooms-Katholieke kerk werd opgelegd, is fraai. Bijzonder is ook de Europese geschiedenis in een notendop van Joke van Leeuwen. Een reeks oorlogen, veldslagen en veroveringen met de woorden ‘en’ en ‘toen’ als een historische halssnoer aan elkaar geregen, die als volgt begint:

Karel de Grote trok vijfenvijftig keer ten strijde daarna vochten Lodewijk de Duit-
ser Karel de Kale en Lotharius om hun grondgebied toen kwamen de Noormannen
en plunderen de hele boel toen was er oorlog  tussen het Heilige Roomse Rijk en
Lotharingen toen begonnen de kruistochten toen won Vlaanderen de Guldenspo-
renslag en het leger van Gelre rukte op naar Brabant en het leger van Jan zonder

En zo gaat haar poëtische geschiedenisles nog even verder. De droge feiten uit de vaderlandse geschiedenis zullen de lezer bekend voorkomen, soms alleen de namen zonder dat hij precies weet wie tegen wie vocht of wat de historische achtergrond van een confrontatie was. Het gedicht krijgt iets van: het houdt nooit op. Het einde is een opvallende paradox:

en de schoolstrijd en de Vlaamse strijd en de uitbuiting van Congo en de Groote
Oorlog en de Tweede Wereldoorlog en toen werden we welvarend en heel bang.

Maaike Meijer en Anikó Daróczi groeperen dichters in hun inleiding en dat geeft houvast aan de lezer. Deze weet ogenblikkelijk dat hij de bijbehorende gedichten – als hij dat wil – vanuit een bepaald perspectief kan lezen. In de poëzie van Myrte Leffring, Charlotte Van den Broeck en Marije Langelaar staat de vrouw centraal, met aanverwante onderwerpen als liefde, moederschap, scheiden en verlies. De inleiders spreken van ‘innerlijke transformatieprocessen’ en ‘Woorden zijn manieren om te transformeren en uiteindelijk zichzelf te bevrijden.’ Ook zetten Meijer en Daróczi geëngageerde dichters bij elkaar. Elly de Waard dicht over de MH17, met een openingszin die de lezer meteen op zijn plaats zet: ‘Overal een mening / over hebben mag – / maar val ook stil’. Jana Arns dicht over asielzoekers (‘Ik haal geld uit de muur / en geef het aan de vluchteling die erover klom.’) en de scherpe tegenstelling rijkdom-armoede, die de lezer een ongemakkelijk gevoel geeft, staat als een huis. Anne Vegter schrijft naar aanleiding van de aanslagen op 13 november 2015 in Parijs ‘Het monster van de angst’, een gedicht dat sterk doet denken aan het milieugedicht ‘Tegen de ketterij der straaljagers’ van Guillaume van der Graft uit de bundel ‘Vogels en vissen’ (1954). De eerste zes versregels luiden:

kom vanavond uit je huizen
tien keer honderd, duizenden
slecht vanavond alle grenzen
sluit je aan bij al die mensen
die verhalen van hun harten
die op zaterdag verschroeiden

In dit activerende gedicht worden de eerste twee versregels tweemaal herhaald net als het openingsvers ‘Laten de vogels protesteren’ in Van der Grafts gedicht, waar deze regel in verschillende varianten achtmaal voorkomt. Overigens verbinden Meijer en Daróczi engagement niet alleen aan concrete gebeurtenissen. Bij hen krijgt het begrip engagement een ruimere betekenis. Ze geven veel voorbeelden van gedichten die ook als geëngageerd beschouwd kunnen worden.

In ‘Nieuwe ogen inzetten’, het laatste deel van hun ‘Voorwoord’ gaan de samenstellers van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs in op wat een belangrijke functie van de poëzie is: het leven in zijn verschillende fasen van binnenuit beschrijven en tegelijkertijd de grenzen van de poëzie voortdurend verleggen. Dit deel van het ‘Voorwoord’ bevat nog een andere indeling van de dichters, een driedeling: (1) de ‘éminences grises’, zoals Cees Nooteboom, Armando, Jacques Hamelink en Hans Tentije, (2) de iets jongere Pieter Boskma en Joke van Leeuwen en de minder bekende Martin Reints en Gerry van der Linden en tot slot (3) de nieuwe experimentele en hermetische dichters, die steunen op de oudere poëten, zoals Piet Gerbrandy, Anne Vegter, Micha Hamel, Joost Baars en Bart Janssen. Komt hiermee het denken in generaties als indelingscriterium terug? Nee toch? Ik kan althans geen inhoudelijke of vormovereenkomsten ontdekken tussen de dichters die in de verschillende groepen vertegenwoordigd zijn. Gezamenlijke poëtica’s zijn afwezig. In deze tijd van individualisme zijn er hoofdzakelijk individualistische dichters te vinden, met hun eigen opvattingen over hun eigen poëzie en soms die van anderen. Laat het ladekastje maar dicht, zou ik zeggen.

Natuurlijk kom je in deze rijke bloemlezing dichters tegen, waarvan je vindt dat je er meer van moet gaan lezen. Ik ken de dichter Jos Versteegen als een dichter van de eenvoud, de ogenschijnlijke toegankelijkheid, van breekbare subtiliteiten. Versteegen interviewde mensen in een verzorgingstehuis en verwerkte hun verhalen in Woon ik hier, een dichtbundel die me meer dan de moeite waard lijkt. Hij is op een eigen persoonlijke wijze geëngageerd en heeft een opmerkelijke blik op de werkelijkheid. De laatste strofe van ‘In de natuur’ loopt van een nuchtere constatering van de ik-figuur naar een ontroerend slot:

‘Ik heb een nieuwe heup, ik kijk naar buiten,
mijn man gaat naar de winkel,
alleen voor mijn cyclamen zorg ik zelf,
en voor de hyacinten.
Laatst zag ik op de hoek van ons balkon
een duivennest, wat takjes,
daar lag zo lief en wit een eitje in,
dat heb ik opgegeten.’

***
Maaike Meijer was tot haar pensionering in 2013 hoogleraar genderstudies in Maastricht en directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Haar aandacht gaat uit naar onderwerpen als leestheorie, gender in het literaire systeem, poëzie, cultuur en migratie. De publicatie M. Vasalis: een biografie, die in 2011 op de markt kwam, was zeer succesvol. In 2018 verschijnt van haar, samen met Joost Kircz een biografie over F. Harmsen van Beek.
Anikó Daróczi studeerde Engelse, Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde in Boedapest. Zij specialiseerde zich in de literatuur van de Middeleeuwen. In 2005 promoveerde zij aan de KU Leuven met het proefschrift Spreken, zwijgen en zingen bij Hadewijch. Zij werkt als hoofddocent Neerlandistiek aan de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest.

Recensie van We komen van ver - Carmien Michels

We leven geen kladversies

Carmien Michels
We komen van ver
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102919
€ 19,99
80 blz.

Dit is me na het lezen van de bundel We komen van ver van Carmien Michels duidelijk geworden: deze poëzie moet vooral voorgedragen en beluisterd worden. Het zelf lezen van deze gedichten is daaraan ondergeschikt. Carmien Michels is een uitstekende slammer. Veel gedichten van haar zijn stromen van woorden, die met een persoonlijke dynamiek en toon vanaf het podium gebracht kunnen worden. Ongetwijfeld zullen ze bij een daadwerkelijke performance in een stroomversnelling terechtkomen en reacties vanuit de zaal oproepen. Slammen is per definitie verbaal en visueel spektakel. Maar deze gedichten een voor een lezen werkt vertragend, omdat je als lezer het allemaal in één keer wil begrijpen en verklaren. Voordat je het weet is dan het lot van deze gedichten stilstaande poëzie en dat verdienen de verzen in deze bundel niet. De toegankelijkheid van deze poëzie wordt vooral bepaald door de sfeer, de snelheid en de muzikaliteit. Met deze gedichten moet je de toehoorder overdonderen en ze niet op papier aan de lezer voorleggen. Dit is nou zo’n bundel waarbij ik me afvraag: waarom geen CD of liever nog een CD-ROM uitgegeven, met het tekstboekje erbij als extra? Dat doet meer recht aan deze poëzie. Maar ik weet het: ook de opmerkelijke poëzie van slammers zal in papieren bundels terechtkomen. Het lijkt het lot van elke slammer die bijzondere teksten schrijft en dat doet Carmien Michels zeker.

De gedichten in deze bundel zijn qua onderwerp ondergebracht in tien afdelingen. Het gedicht met de titel ‘Middenrif’ in de derde afdeling ‘Eindelijk aarde’ roept meteen een bekend beeld op:

Een aangespoeld kind in garnaalpose
de golf zo woest dat hij mijn ogen brak
ik keek weg tot alles was opgeruimd
en ingebeeld

De foto van de verdronken driejarige Aylan Kurdi, aangespoeld op het strand van het Turkse Bodrum is de gehele wereld overgegaan. Het beeld dat we allemaal hebben van dit kind in een ‘garnaalpose’ is mooi uitgewerkt in deze strofe met de verschuiving van het breken van de ogen van het slachtoffer naar de ik-figuur en met de dubbele betekenis van ‘ingebeeld’, namelijk ‘in je fantasie denken dat het waar is’ en ‘in beeld brengen’. Ook de Klaagmuur in Jeruzalem (‘een gevierendeelde stad’) in dit gedicht is herkenbaar. De dichteres ziet mogelijkheden: ‘Als je de wereld tot droom verbouwt / heb je geen last van nachtmerries / motief voor de muur’. Dromen blijven overeind, muren kunnen geslecht worden. Ze stelt in het gedicht wel voorwaarden aan deze verbouwing tot droom: ‘Vergeet het indutten’ en ‘We leven geen kladversies’. Aan het eind van het gedicht stelt ze vast

We bouwen muren bij en leren prevelen
van de oude vrouw die briefjes uit gleuven steelt
vrede smeekt en geruchten doodslaat
vliegen die de krantenkoppen niet halen

Carmien Michels laat zich inspireren door de steden Münster, Parijs, Caïro en Montreal waar ze verblijft, graaft diep in haar eigen jeugd en familiegeschiedenis en gaat op een eigenzinnige manier met de liefde om. Aan de ene kant krijgt het toeval bij haar een plaats in haar gedichten, aan de andere kant zoekt ze bewust naar beginpunten waar het met de ontwikkeling van allerlei zaken fout is gegaan. In het gedicht ‘Het begon’ presenteert ze vijf historische data waarop het geweld op verschillende plekken op de wereld begon en de mensen op de vlucht sloegen om uiteindelijk vast te stellen dat al deze momenten door ‘onze aders onze voorvaders’ met elkaar verbonden zijn. Met andere woorden: het geweld houdt nooit op. De geschiedenis bestaat niet uit gewelddadige momenten, maar uit verbindingen van gewelddadige momenten die allemaal op elkaar lijken.

Die zoektocht naar haar voorouders en haar jeugd vindt de lezer niet alleen in de gedichten van de eerste afdeling ‘Vacuümbaby’ terug, maar ook in het gedicht ‘Jimmy’. Het was het openingsgedicht van haar optreden op de Nacht van de Poëzie 2017. Mede door haar bijzondere wijze van presenteren heeft dit gedicht bij veel bezoekers een onuitwisbare indruk achtergelaten. Het is een van de kerngedichten van deze bundel, niet alleen door de aanstekelijke Vlaamse toon (‘Weet ge nog Jimmy…’), maar het beschrijft de lessen die de ik-figuur en Jimmy in hun jonge jaren geleerd hebben of hadden moeten leren. Er is van hun zijde een behoefte aan rust, aan stilte, maar ze komen beiden terecht in de hectiek van het volle leven. Ze staan ‘op de barricades’ en gooien ‘een stinkbommeke naar de flikken’. Mooi is de geleidelijke ontwikkeling in het gedicht van het kinderlijk naïeve in ‘de vooravond van het echte leven’ naar de felle, opstandige toon aan het slot: ‘De afwijking in het systeem Jimmy / de afwijking zijn wij’. 

In de afdeling ‘Blauwe beloftes’ dicht Carmien Michels in het gedicht ‘In Memoriam’ enigszins berustend: ‘alle vrouwen weten dat ook mannen verwelken’ en ‘dat beloftes op het sterfbed van de liefde altijd ijdel zijn’. Het voortgaan van de tijd is een vijand van de liefde, ‘die ander’ een stoorzender pur sang, maar het is een geluk ‘dat de liefde steeds opnieuw wordt geboren’. Zo ziet Michels dat. Opwekkend zijn de liefdesgedichten, waarvan er enkele in sonnetvorm zijn geschreven bepaald niet. Titels geven dat al aan. ‘Middelmatige mannen’, ‘To kill or not to kill’ en ‘Kreupelhout’ zijn wat dat betreft veelzeggend. Van het gedicht ‘Britse oma’s’ werd ik wel vrolijk:

Die Britse dame
die op zondag aan ballroomdansen deed
zo aan haar wekelijkse wip kwam
in de Royal Festival Hall

Zwiepend met haar kunstheup
ouwe geiten zijn het geilst around noon

Een gedicht met een verrassende afloop. Dit ontdek ik op de valreep. Carmien Michels kan ook de humor als wapen hanteren. In veel gedichten is zij (terecht!) boos op van alles en nog wat, maar vooral op de wereld waar zij met haar levensvisie niet inpast. Zaken relativeren, een satirische benadering van de werkelijkheid kan de dichteres lucht geven. Hier ligt voor haar nog een wereld open. We komen van ver is een opvallende debuutbundel met kwalitatief goede gedichten. Iets strenger selecteren bij de samenstelling van deze bundel zou welkom geweest zijn. Niet alle gedichten overtuigen, sommige blijven echt ontoegankelijk en het verschil tussen de beste en de minder geslaagde gedichten is soms te groot. In de toekomst valt nog veel mooie poëzie van Carmien Michels te verwachten, maar ‘Vlieg niet uit voor de storm / beklim de zon op armkracht’.

***
Carmien Michels (Leuven, 1990) is schrijfster en performer. In januari 2016 werd ze Nederlands kampioen Poetry Slam. Op het wereldkampioenschap Poetry Slam in Parijs haalde ze in mei 2016 de derde plaats. Sinds november 2016 is ze Europees kampioen in deze discipline. Haar debuutroman We zijn water verscheen in 2013. Haar tweede roman Vraag het aan de bliksem kwam in 2015 uit. De bundel We komen van ver is haar poëziedebuut. Carmien Michels ontwikkelde diverse projecten met anderen uit de theater- en museumwereld. Ook richt ze zich als woordkunstenaar op doelgroepen als anderstalige nieuwkomers, kinderen in psychiatrische ziekenhuizen en mensen in armoede.

Recensie van Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd - Madelon de Keizer

Zes vriendschappen en één liefde

Madelon de Keizer
Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635201
€ 39,99
767 blz.

Wanneer je denkt aan de Tachtigers en aan de beginjaren van het roemruchte tijdschrift De Nieuwe Gids, dan komen er ogenblikkelijk drie namen bovendrijven wanneer het om de prominente dichters van deze generatie gaat: Jacques Perk, Willem Kloos en Albert Verwey. De jong gestorven dichter Perk wordt gezien als de voorloper van Tachtig, Kloos als de voorman van deze beweging. Van deze twee zullen veel belangstellenden ook wel enkele versregels en gedichten kennen, maar hoe zit dat met Albert Verwey? Voor velen van ons is Verwey niet meer dan een naam, een van de redactieleden van De Nieuwe Gids. Anderen zullen zich herinneren dat hij betrokken was bij het Tweemaandelijksch Tijdschrift, De XXe Eeuw en De Beweging, zonder te weten waarvoor indertijd deze tijdschriften precies stonden. Wat weten we van globaal van hem? Een poging: hij was als dichter zeer jong begonnen, hij was bevriend met Kloos, kreeg ruzie met hem, ging zijn eigen weg door enkele tijdschriften te beginnen, trouwde met de aantrekkelijke Kitty van Vloten en werd zonder wetenschappelijke opleiding hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden. Zie hier in één lange zin de levensloop van Verwey, waarin titels van gedichten of uitgegeven bundels ontbreken, dat moet eerlijkheidshalve opgemerkt worden.  

De aanpak

Madelon de Keizer heeft met haar biografie Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd de beschrijving van het leven van Verwey anders aangepakt dan we bij een biografie gewend zijn. Ze geeft geen lineaire levensloop, maar in haar boek staan zeven relaties van Albert Verwey centraal. Het zijn bijzondere, langdurende contacten met andere kunstenaars en literatoren, waar overigens bij een aantal van hen na verloop van tijd de klad in komt. Ze heeft deze uitgewerkt in zeven hoofdstukken, waar in elk hoofdstuk de chronologie wel een plaats krijgt. En zo worden in zeven hoofdstukken zeven belangrijke personen die in het leven van Albert Verwey een belangrijke rol hebben gespeeld besproken. Het zijn achtereenvolgens de schilder Jan Veth, de dichter-criticus Willem Kloos, zijn echtgenote Kitty van Vloten, de schrijver Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter Stefan George, de dichter Pieter Nicolaas van Eyck en Maurits Uyldert. Deze laatste was dichter, journalist en een persoonlijke vriend. Na zijn dood schreef hij een driedelige biografie over Verwey.     

De biografe begint haar boek met een heldere en in mijn ogen vooral slimme inleiding om de lezer het boek in te trekken. Ze gaat op de stoel van de lezer zitten, die zich met dit volumineuze boek van 767 pagina’s in de hand zal afvragen wat de betekenis van Albert Verwey is geweest voor de Nederlandse literatuur. In de ‘Inleiding’ schrijft De Keizer dat bij het overlijden van Albert Verwey in 1937 weliswaar in de kranten en tijdschriften een groot aantal herdenkingsartikelen van gerenommeerde dichters, schrijvers en critici verscheen, maar tegelijkertijd stelden deze auteurs vast dat zijn werk slechts in een kleine kring in binnen- en buitenland bekend was. Kort gezegd, de lezer hoeft zich niet te schamen dat hij zo weinig van Verwey weet en wordt met deze biografie op zijn wenken bediend. De Keizer heeft geen literaire, maar een cultuurhistorische biografie geschreven. Het leven van Verwey, zijn relaties en positie in het literaire en culturele krachtenveld staan daarin centraal. De biografie gaat ook in op nationale en internationale maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en de standpunten die Verwey daarin inneemt. Voor mij is de kern van de biografie zijn ontwikkeling als dichter, die vanaf zeer jonge leeftijd in contact komt met Willem Kloos (hoofdstuk 2) en na de breuk een vriendschap en samenwerking met Lodewijk van Deyssel opbouwt (hoofdstuk 4). De ‘Literatuurlijst’ achter in het boek maakt duidelijk dat er veel bronnenmateriaal in de vorm van persoonlijke briefwisselingen tussen de verschillende dichters en kunstenaars beschikbaar is. Deze correspondentie maakt het mogelijk om allerlei kwesties, die spelen in het literaire landschap vanuit verschillende perspectieven te belichten. Het derde hoofdstuk, dat de titel ‘Zo gelukkig als klaar water. Albert Verwey en Kitty van Vloten’ meekreeg, gaat in op Verweys huwelijk met Kitty van Vloten. Zijn levenslange, stabiele relatie met haar speelt een cruciale rol in de beeldvorming van de dichter in relatie tot zijn kunstzinnige vrienden. Wanneer Verwey ruzie krijgt met Willem Kloos en later met Lodewijk van Deyssel, dan krijgen we die conflicten vanuit verschillende gezichtspunten door De Keizer voorgeschoteld. Natuurlijk vanuit het perspectief van de direct betrokkenen, maar de intensieve briefwisseling die Verwey onderhoudt met zijn vrouw Kitty geeft een eerlijk – en in veel gevallen een ander – beeld van hoe Verweij een bepaald probleem ervaart. En omdat allerlei anderen, zoals bijvoorbeeld Frederik van Eeden en Frank van der Goes, ook met elkaar corresponderen en zich uitlaten over de handel en wandel van wie dan ook, wordt iets als waarheidsvinding tamelijk ingewikkeld. Het levert wel boeiende leesstof op, dat moet gezegd worden. Later blikken ook zijn broer Christoffel en enkele van zijn kinderen via brieven en andere publicaties terug op het leven van hun vader, waardoor we weer een andere kijk op bepaalde zaken krijgen. Ondanks dat veel correspondentie verloren is gegaan, stel ik toch vast dat van alle kanten het leven van Verwey belicht kan worden. Madelon Keizer heeft dan ook dankbaar gebruik gemaakt van de beschikbare bronnen. Ik was er al van overtuigd dat de periode 1880-1920 op literair gebied uitermate boeiend en dynamisch was. Als een meeuw op de golven benadrukt dat alleen maar.   

De uitwerking

De dichters, schrijvers en beeldende kunstenaars bespreken in hun correspondentie aan elkaar en in hun kritieken de meest uiteenlopende onderwerpen. Er wordt serieus ingegaan op de kwaliteiten van elkaars werk en er heerst afgunst ten opzichte van elkaar als het gaat om mogelijkheden om te publiceren, niet in het minst omdat geldtekort voor veel dichters een groot probleem was. Soms maakt men elkaar ronduit af in de tijdschriftkritieken of in de briefwisselingen. In veel gevallen komt het niveau van de correspondentie niet boven de eenvoudige dorpsroddel uit. Als lezer ervaar ik het op sommige momenten als kleinzerig. Ik zucht wel eens diep, maar ik geef volmondig toe dat het boek boeiend blijft om te lezen. Dat komt omdat Madelon de Keizer op het juiste moment overstapt op een nieuw cultuurhistorisch onderwerp, de alledaagse perikelen laat voor wat ze zijn en al te grote banaliteiten vermijdt. Daarbij heeft ze een toegankelijke stijl van schrijven, een stijl die zich richt op een breed lezerspubliek. Zowel de belangstellenden voor oudere literatuur als degenen die zich beroepsmatig bezighouden met de letterkunde kunnen met deze biografie goed uit de voeten.

De biografie geeft de lezer ook toegang tot de poëzie van Albert Verwey. In alle hoofdstukken worden feiten uit zijn leven of gebeurtenissen waarbij hij zich betrokken voelt niet alleen beschreven, maar ook voorzien van gedichten of fragmenten van gedichten. Zo bevat deze biografie gedichten – veelal sonnetten – over Oudjaar, zijn overspannenheid die enkele malen opstak, over Kitty, over het Alhambra, over de Boerenoorlog en naar aanleiding van een kritische recensie van Van Eeden op zijn bundel Het Zichtbaar Geheim om de variëteit aan onderwerpen te laten zien. Ook de poëzie van anderen, waarmee hij contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld de Duitse dichter Stefan George, wordt afgedrukt in dit boek. Een aantal gedichten getuigt van de invloed van de ideeën van Spinoza, die hij steeds meer ging bestuderen. In 1893 verscheen een reeks van twaalf sonnetten in Van Nu en Straks. In 1894 de gedichten publiceerde hij bovendien ‘Tot het leven’ en De natuurlijke aarde’ die refereren aan het ideeëngoed van Spinoza, zodat Verwey met recht een spinozist genoemd kan worden. De Keizer laat goed zien dat Verwey zich ontwikkelt tot een breed georiënteerde letterkundige, die schrijvers als Potgieter en Vondel herlas en bestudeerde. Dat leidde tot de uitgave van een biografie van Potgieter in 1902 en een nieuwe editie van Vondels werken in 1937. Uiteindelijk leidden zijn letterkundige studies, zijn vertalingen en zijn edities tot een hoogleraarschap in Leiden. Dat was bijzonder voor iemand zonder wetenschappelijke opleiding, die overigens van de Groningse universiteit in 1914 wel een eredoctoraat had ontvangen, omdat hij een culturele bijlage had geleverd aan de bouw van de Beurs van Berlage in Amsterdam.

Albert Verwey woonde met Kitty en zijn zeven kinderen in de op een duin gelegen Villa Nova, van waar zij over Noordwijk konden uitkijken. De villa was een grote woning, waarin veel gasten gastvrij ontvangen werden en voor langere tijd konden logeren. Vanuit deze belvédère bespeelde hij het literaire veld met zijn op schrift gestelde opvattingen in de vorm van gedichten, kritieken en studies in de verschillende tijdschriften. Het tijdschrift De Beweging dat hij vanaf 1905 leidde, kan gezien worden als zijn meest persoonlijke medium. De Keizer wijst erop dat enig arrogant gedrag hem niet vreemd was. Gedurende zijn leven publiceerde hij talloze dichtbundels met soms zonderlinge titels als De kristaltwijg (1903), Het blank heelal (1908), Het eigen rijk (1912), Het zwaardjaar (1916), De getilde last (1927) en Het lachende raadsel (1935) om er enkele te noemen. Het boek Als een meeuw op de golven geeft de lezer nieuwe feiten en een goed overzicht van wat zich in de culturele wereld tijdens het leven van Verwey allemaal afspeelde. De afzonderlijke hoofdstukken zijn tevens te beschouwen als korte biografieën van zijn vrienden en van zijn echtgenote. Na lezing van deze biografie stel ik vast dat de opbouw ijzersterk is, ondanks dat de uitwerkingen van bepaalde kwesties op sommige momenten in een hoofdstuk wat algemeen zijn en dan enigszins los komen te staan van de twee personen, waarvan Verwey er altijd een is. Zo komt de paragraaf ‘De biografie van Potgieter’ in het vijfde hoofdstuk ‘Een dichterschap over de grenzen. Albert Verwey en Stefan George’ over als een wat vreemd intermezzo in een relaas over zijn vriendschap met een gewaardeerde Duitse dichter.      

Het portret

Er loopt af en toe een bijzondere rode draad door een hoofdstuk. De ziekte tbc slaat in de jonge jaren van Albert Verwey in de familie meedogenloos toe. Geldtekort is bij schrijvers en kunstenaars, zoals ik al zei, een voorwerp van aanhoudende zorg. Het verschil in godsdienstige opvattingen tussen protestanten en katholieken komen bij tijd en wijle aan de oppervlakte. Politieke tegenstellingen tussen verschillende ideologieën steken geregeld de kop op. Een mooi uitgewerkte lijn is te vinden in het eerste hoofdstuk ‘Het portret. Albert Verwey en Jan Veth’. Het toont dat Madelon de Keizer een prima schrijfster is. Jan Veth, schilder in opleiding, had aan de negentienjarige Albert Verwey gevraagd om voor hem te poseren. Het portret, dat ook de omslag van deze biografie siert, was in 1885 klaar en werd op een tentoonstelling van kunstenaarsvereniging Arte et Amicitiae gepresenteerd. Het kreeg veel aandacht in de besprekingen. Veel literatoren en kunstenaars vroegen zich af wie de afgebeelde jongeman was en Verwey zelf legde steeds meer contacten in de wereld van de beeldende kunst. Toen het tot een breuk kwam met Jan Veth, die in Bussum woonde, verhuisde het portret van Veths kamer naar zijn atelier. De vriendschap tussen beiden werd hersteld en na Verweys huwelijk kwam het portret in zijn huis in Noordwijk te hangen. De reis van het schilderij is de rode draad in dit hoofdstuk over Verwey en Jan Veth, die zich ontwikkelde tot een portretschilder met een hoog aanzien. Nu hangt de afbeelding van Verwey in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar in 1927 was het schilderij aanwezig op de tentoonstelling ter ere van Jan Veth in Dordrecht. Jan Slagter, recensent van Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, beschreef Veths portret van de jonge dichter Albert Verwey. Hij zag een ‘…nog wat slungelige jongeman in zijn onvoorname kleren, maar met een kop vol sterke eigenzinnigheid en vol plannen, idealen en poëzie, met een paar ogen die helder vooruitzien naar de toekomst en tegelijk zoo teder van uitdrukking…’. In 1885 is hij afgebeeld met dit uiterlijk, met deze expressie en met deze uitstraling van ambities. Echter, ook in deze moderne biografie kun je Albert Verwey, zijn vrienden en zijn echtgenote nog steeds zo ontmoeten.

***
Madelon de Keizer (1948) is historicus, biograaf en beeldend kunstenaar. Ze studeerde geschiedenis en Ruslandkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was docent geschiedenis in het voortgezet onderwijs. Ze promoveerde in 1991 cum laude aan de Rijksuniversiteit Leiden op Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd. Vanaf 1982-2013 was ze als onderzoeker verbonden aan het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies). Madelon de Keizer publiceerde o.a. biografieën over de schrijfster Carry van Bruggen (2006) en de journalist-politicus Frans Goethart.