Recensie van Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten - Andreas Oosthoek

Vroegere geluiden verlengen

Andreas Oosthoek
Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten
Uitgever: Cossee
2018
ISBN 9789059367579
€ 29,99
277 blz.

De verzamelde gedichten van Andreas Oosthoek Witheet nadert de ijsberg is een bijzondere uitgave. De bundel bevat hoofdzakelijk een keuze uit nieuwe gedichten die geschreven zijn in de periode 1959-2017. Het verzameld werk is geen stapeling van de uitgegeven dichtbundels die Oosthoek tijdens zijn leven gepubliceerd heeft. In feite is het slechts een keuze uit vier bundels en enkele gedichten die gepubliceerd zijn in Maatstaf, zoals hij in de ‘Verantwoording’ schrijft. ‘Nieuwe gedichten’ was wellicht een betere ondertitel geweest voor deze uitgave. Het schijnt dat de dichter nauwelijks de behoefte heeft gehad om de gedichten die hij had geschreven te publiceren. Wanneer ze geschreven waren en hij vond dat ze in de juiste vorm gegoten waren, was het voor hem klaar en werden de verzen op zolder opgeborgen. Het was een kwestie van een keer opruimen, waarbij allerlei manuscripten en losse blaadjes tevoorschijn kwamen en het voortdurend aandringen van de liefhebbers van zijn poëzie, die leidden tot deze uitgave ervan. In een interview met de dichter bij het verschijnen van de bundel las ik dat hij zelf ook niet blij was met de ondertitel ‘Verzamelde gedichten’. ‘Gedichten sinds 1959’ zou volgens hem beter geweest zijn.

Oosthoek heeft de gedichten niet chronologisch gerangschikt, maar ze in acht thema’s ondergebracht. De thematische indeling maakt de bundeling van zijn gedichten wel overzichtelijk, maar het lezen ervan niet spannender of verrassender. Soms is het lezen van een aantal thematisch verwante gedichten een pas op de plaats. Het lezen van Oosthoeks poëzie gaat traag, ook al omdat niet alle gedichten direct toegankelijk zijn. Er moeten zaken opgezocht worden, versregels herlezen worden, er moet nagedacht worden over wat de betekenis kan zijn van wat op papier staat. Anderen echter zullen het toejuichen dat een aantal gedichten over hetzelfde onderwerp, zoals die over Parijs in de tweede afdeling ‘Landelijk vertier & een beetje stad’ bij elkaar gezet zijn. In de zevende afdeling ‘Vuurland’ is de groepering van gedichten over de oorlog en zijn werk voor de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht, waaraan hij als dienstplichtig militair verbonden was, terecht zo samengesteld. De titel van deze afdeling is dezelfde als die van de roman Vuurland, die in 2016 verscheen.

Andreas Oosthoek wordt getypeerd als een Zeeuwse dichter die over de dijken en de duinen heen kijkt, veel naar overzeese oorden trekt, maar altijd weer terugkeert naar zijn geboortegrond en dan zijn reiservaringen in dichtvorm aan het papier toevertrouwt. Het landschap, de flora en fauna, het voortgaan van de tijd en het vat krijgen daarop, het weer en het klimaat zijn vaste thema’s in zijn werk, zoals in de eerste strofe van het gedicht ‘Het landschap’ uit de afdeling ‘Een poppenhuis vol lijsters’ te lezen is:

Aan wie behoort vandaag het landschap?
Het droeve paard dat staande slaapt
en ouder wordt, heeft elke dag
een afspraak met het groen.
Ook alle bomen zijn reeds ingevuld,
elk op zijn welgekozen plaats.
De sneeuw misschien,
een hagelbui met bovenmaatse stenen?
Alles is, door de jaren heen,
Vertrouwd aan fotograaf en schilder.
De dichter schikt en scharrelt,
strijkt hier en daar een plooitje glad
maar kan het tij niet keren:
het landschap heeft geen woorden nodig
en wil een beetje regen op zijn tijd,
de estafette der seizoenen.

In deze strofe positioneert hij zichzelf als dichter in een wereld die al ingevuld lijkt met fauna, flora en het weer. Het landschap is ingericht. Is hij als dichter wel nodig? Alles heeft toch al zijn plaats? Hij relativeert op subtiele wijze zijn dichterschap, waarin zijn machteloosheid als dichter om te zorgen voor een ommekeer de boventoon voert. Hij is een dichter die wat schikt en scharrelt en hier en daar een plooitje gladstrijkt. Als dichter is hij overbodig: het landschap heeft geen woorden, maar regen nodig. En natuurlijk de afwisselende seizoenen die elkaar snel (‘de estafette’) opvolgen.

De verwijzingen naar schilderijen, andere gedichten en bepaalde locaties die in gedichten voorkomen worden verklaard in de ‘Aantekeningen’ die achter in de bundel zijn opgenomen. Het verhoogt de leesbaarheid van Oosthoeks poëzie, want het gaat in vrijwel alle gevallen om specifieke informatie. Een gedicht doorgronden eist in een aantal gevallen diepere kennis van de geschiedenis, geografie, kunst en literatuur. De bundel bevat ook een interview van tien vragen met breed uitgewerkte antwoorden van uitgever Christoph Buchwald met de dichter ‘over ambacht en inspiratie, traditie en moed’. Ik vind dat dit niet in een bundel ‘Verzamelde gedichten’ thuishoort, ondanks dat het interview interessante informatie over Oosthoeks dichterschap geeft. Blijkbaar vindt de uitgever het een goed idee om de lezer te begeleiden of te sturen bij het lezen van de poëzie van deze wat teruggetrokken dichter. Maar hoe aantrekkelijk het ook lijkt, ik wil niet aan de hand meegenomen worden. Ik ben een autonome lezer.

Oosthoek wordt beschouwd als een dichter met een authentiek idioom. Zijn woordkeus is in veel gedichten onnavolgbaar, zijn waarnemingsvermogen bij tijd en wijle uniek. Nooit heb ik zo’n indringende beschrijving van kraaien gelezen als in het gedicht ‘De kraaien van Sjaelland’:

De uitgegraasde kraaien van Denemarken
zijn grijzer, deftiger en van ernstiger komaf
dan de stappers, hoppers, krauwers, krassers
die het zonder blauwe tanden moeten stellen.

Ze zijn gesteven, van gisteren, dragen een al
te lage hoge hoed en een gladde lakense
frak, waaronder – bij wijze van plastron – een
kogelvrij vest de veertjes op hun plaatsen
houdt. In het drukke eethuis, dat men Kro
noemt, zijn vooral de klauwen zeer gegeerd.

De kraaien van Denemarken geven korte
kopjes. Ze zwalken mal boven gele velden
vol koninklijk koolzaad en bezoeken met
pijnlijke regelmaat uitsluitend witte kerken.

De bundel krijgt een motto van de surrealistische dichter Paul Éluard mee: ‘Je m’obstine de mêler des fictions aux redoutables réalités.’ Andreas Oosthoek geeft in zijn ‘Verantwoording’ een vrije vertaling van dit citaat. Hij spreekt ‘over de durende vermenging van fantasieën met de ijzingwekkende werkelijkheid’. Deze koppeling herken ik ogenblikkelijk in zijn gedichten, maar ik moet toegeven dat het me soms moeite kost om inhoudelijk die verbinding te duiden. Dan begint voor mij het spel van grip krijgen op de tekst door beelden te associëren, verschillende gedichten naast elkaar te leggen en de (andere) betekenissen van woorden op te zoeken. Dat proces levert me enkele door mijzelf samengestelde reeksen van boeiende gedichten op, maar ook losse gedichten die ik opzij leg, omdat ze nog niet in een door mijzelf gevormde rij passen. Ik leg de gedichten niet voorgoed opzij, maar slechts voor even. De tweede strofe in zijn laatste gedicht ‘Monologue intérieur’ stelt me gerust. Ik lees de versregels rustig voor mezelf:

Het zou er – dacht hij – zeker nog van komen,
het wonderlijk verband
dat lijnen vlecht tussen begeerte en vervulling.

***
Andreas Oosthoek (Nieuwdorp, 1942) is een Zeeuwse dichter en journalist. Zijn eerste gedichten verschenen sporadisch in tijdschriften, zijn eerste bundel De bladen terug werd in 1987 gepubliceerd. Daarna kwamen nog enkele kleinere bundels tot stand. In 2014 verscheen zijn vierde dichtbundel Een zandloper in zee. In 2015 publiceerde hij de roman Het relaas van Solle op basis van een oude, teruggevonden versie. De roman Vuurland schreef Andreas Oosthoek in 1965, kort na zijn vertrek bij de identificatiedienst. Vijftig jaar later heeft hij het manuscript herzien voor publicatie in 2016.

Recensie van Alle gedichten - Gerrit Komrij

De eerste regel is om te beginnen

Gerrit Komrij
Alle gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 97894031088308
€ 39,99
899 blz.

Alle gedichten is de vermeerderde druk van de uitgave Alle gedichten tot gisteren uit 1994. De bundels Spaans benauwd (2005) en Boemerang (2013) zijn aan deze editie toegevoegd, maar de gedichten die Komrij als Dichter des Vaderlands heeft geschreven (2002-2004) zijn niet opgenomen. Dat is beslist geen gemis, in de volumineuze bundel Alle gedichten die er nu ligt, raak je voorlopig niet uitgelezen. Er wordt de lezer veel moois en bijzonders voorgeschoteld. Op de voorkaft staat een foto van Komrij als Julius Ceasar, zoals we deze kennen als beeld, met een quasi-Romeinse haardos en de bijbehorende hautaine blik in de ogen.

De poëzie van Gerrit Komrij komt over als vormvast en is ogenschijnlijk toegankelijk, op het eerste gezicht in ieder geval niet hermetisch, hoewel ik als lezer voorzichtig blijf met deze vaststelling. Om vat op zijn poëzie te krijgen, wordt hij als een neoromantisch dichter beschouwd, omdat zijn gedichten een reactie zijn op de naoorlogse poëzie van de vijftigers en de volgende generaties. Hij lijkt terug te keren naar negentiende-eeuwse tendensen, zeker in zijn vroege dichterschap. Zijn virtuoze taalgebruik en zijn ironische, soms cynische benadering van bepaalde thema’s als eenzaamheid, ziekte en dood zijn kenmerkend voor zijn gedichten en ook voor zijn andere werk. Het is recht-voor-zijn-raap-poëzie met de taal als onweerstaanbaar wapen, waarmee hij anderen meedogenloos kan raken. Tegelijkertijd spaart hij zichzelf als dichter niet, stevige zelfspot en zwarte humor zijn andere ingrediënten van zijn poëzie. Voorbeelden van gedichten, waarin deze aspecten moeiteloos terug te vinden zijn, zijn er talloze. Het gedicht ‘Een verre reis’ uit Alle vlees is gras of Het knekelhuis op de dodenakker (1969) laat bovenstaande kenmerken zien:

Je ging, gezeten in een emmer, naar een
Zekere streek op reis, waar enkel grote,
Pokdalige dokters en goede heelkruiden waren.
Dat was een reis, die je nooit heeft verdroten.

Je was immers een emmer vol ziekte. Ja,
Een door en door krank vat, en je zocht
Beterschap. Er vloog jou een regen achterna
Van scheldwoorden van het grauw. Maar toch,

Je zocht beterschap, al het krapuul ten spijt.
En waarlijk, je kreeg hoestsiroop, en vond
Een heilzaam gewas, genas, maar sinds die tijd
Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.

De ontwikkeling (‘reis’) van de nog jonge dichter Gerrit Komrij (‘je zocht beterschap’ wordt tweemaal vermeld) dringt zich op, maar niet iedere lezer zal in deze opvatting meegaan. Wie is de toegesproken ‘Je’? Wie zijn die ‘Pokdalige dokters’? Wat zijn de ‘goede heelkruiden’? Hij ‘vond / Een heilzaam gewas, genas’, maar het negatieve beeld dat hij bij anderen had opgeroepen, raakte hij nooit meer kwijt. Zie de laatste versregel: ‘Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.’

Dat boven de andere dichters uitgroeien is een bekend thema in het werk van Komrij, een thema dat hij verantwoordt door gedichten te schrijven over het maken van poëzie als pure ambacht, zoals ‘Een gedicht’ uit zijn poëziedebuut de Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968), dat een opsomming is van wat de inhoud van de twaalf versregels is, niet meer en niet minder. Uiteindelijk lijkt het een recept om als dichter zelf aan de slag te gaan. Gedichten, bestaande uit twaalf versregels, verdeeld in drie kwatrijnen en vijfvoetige versregels zijn favoriet bij hem. Hij heeft zich ontwikkeld tot een grootmeester in het toepassen van deze strakke vorm. Van ideologische  uitgangspunten en politieke standpunten in de poëzie moet hij niets hebben; stilistische hoogtepunten, daar houdt hij van. Gedichten zijn taalconstructies, ze worden gemaakt, in elkaar gezet, geknutseld. Ze komen niet uit een gevoel of sentiment aanrollen en dat ze gekunsteld zijn, is geen probleem. ‘Lichaam en geest’ uit de bundel Variété is een aardig voorbeeld. Het bevat twee acrostichons van de naam van de dichter. De twee gedichten zijn bizarre opsommingen van voornamelijk lichamelijke en geestelijke aandoeningen. In dezelfde bundel vinden we ook de zoveelste persiflage op Marsmans ‘Denkend aan Holland’, ditmaal als een vlijmscherp gedicht over geldzucht onder de titel ‘De binnenring van Holland’. Komrij bouwt zijn gedichten woord voor woord en regel voor regel op. Niet voor niets had hij veel belangstelling voor architectuur en heeft hij daarover met de nodige kritiek op de hedendaagse bouwkunst gepubliceerd.

Komrij is nergens zweverig wanneer het om het proces van het schrijven van poëzie gaat. Hij is geen poëtische beschrijver van de werkelijkheid, het gaat hem niet om een persoonlijke expressie van een innerlijk gevoel of sentiment. De lezer met een morele kwestie lastig vallen is helemaal uit den boze. Wat men ook van de gedichten van Komrij vindt, als dichter heeft hij een antwoord op zijn critici. De hierboven genoemde bundel Alle vlees is gras sluit af met het volgende dialooggedicht:

Afgeluisterde tweespraak

A
Waarom pronkt die Komrij toch steeds zo banaal
Met die verborgen bedoelingen? Z’n verhalen
Getuigen waarlijk van Schraalhans’ brabbeltaal
Met een ijselijke inslag van het anale.
’t Zijn koekoekszangen waar ik niet om maal.

B
’t Zijn lege spelen, Mijnheer, ’t is voos geklater.
En wat te zeggen van z’n malicieuze
Dédain? Hij verbeeldt zich op sterk water
Te schrijven tussen literaire gazeuse.
Zo’n hoogmoed bewaart hij maar voor later.

Wat een ironie als je jezelf als dichter zo wegzet en op deze wijze een bundel afsluit! Daar raak je als lezer even (of wat langer) van in de war.

In de poëzie van Komrij zijn voortdurend tegenstellingen te vinden. Het hoge staat tegenover het lage, het ongewone tegenover het gewone, het verkeerde tegenover het juiste. Veel van de poëtische werelden die Komrij schept, zijn gedeeltelijk of geheel absurdistisch en ontsproten aan een breidelloze fantasie. De gedichten van Komrij zijn volledig autonoom, de lezer zal vooral naar de tekst van het gedicht zelf moeten kijken. Het privéleven van Komrij koppelen aan de inhoud van zijn gedichten is gedoemd te mislukken. De autobiografische prozabundel Verwoest Arcadië (1980) geeft je meer kansen, wanneer je dat wil proberen.

De uitgave bevat achterin een goed verzorgde ‘Inhoudsopgave en verantwoording’. Eerste drukken en aantallen van de oplage worden vermeld, fouten in de uitgaven besproken en eerste en latere versies genoemd. Tevens is een ‘Register van beginregels en titels’ opgenomen. De gedichten van Gerrit Komrij zijn vrij gemakkelijk in deze bundeling van de gedichten van Komrij terug te vinden. Het werk is opgedragen ‘Aan C. H.’, zijn partner Charles Hofman. Alle gedichten is een fraai uitgegeven, geslaagde editie, die recht doet aan de betekenis van Gerrit Komrij als dichter.

Hoe meer je thuis raakt in de poëzie en in de poëtica van Gerrit Komrij, des te meer krijgt het slotvers ‘Modern gedicht’ van de bundel Variété een stekelige betekenis. Het is een gedicht dat bij veel dichters zal schuren: met name de dichters die op inspiratie hopen en wachten op de grote ingeving moeten het ontgelden. Ik kan erom glimlachen of is grijnzen een beter woord? Even terzijde, de slotgedichten van de verschillende bundels en gedichtenreeksen in Alle gedichten zijn op zich al bijzonder en altijd betekenisvol in relatie tot de bundel zelf, waarvan ze deel uitmaken.

Modern gedicht

Ik wacht.
Er gebeurt niets.
Ik wacht nog steeds.
Er gebeurt nog steeds niets.
Als ik maar lang genoeg blijf wachten
Zal er een eeuwigheid niets gebeuren.

In de twee slotverzen van ‘Modern gedicht’ zit het pure venijn van zijn authentieke dichterschap. Slechts enkele simpele woorden heeft hij nodig voor deze harde stellingname. Gerrit Komrij wachtte niet, hij ging aan de slag, een leven lang.

***
Gerrit Komrij (1944-2012) was dichter, schrijver, vertaler, criticus, polemist en toneelschrijver. Hij debuteerde in 1968 met de poëziebundel Maagdenburgse bollen en andere gedichten. In 1979 verscheen De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten, een bundel die een groot succes werd. Alle gedichten tot gisteren zag in 2004 het levenslicht. Komrij laat een enorm oeuvre na met poëzie, essays en romans. Ook zijn er veel bibliofiele uitgaven, soms in heel kleine oplagen, van zijn werk. Vanaf 1984 woonde hij met zijn partner Charles Hofman in Portugal. Van 2002 tot 2004 was hij Dichter des Vaderlands. Hij ontving vele prijzen voor zijn werk, waaronder in 1993 de P. C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza.

Recensie van Gebroken wit - Victor Vroomkoning

Tekens van vervlogen leven

Victor Vroomkoning
Gebroken wit
Uitgever: De Arbeiderspers
2018
ISBN 9789029523622
€ 17,99
75 blz.

De bundel Gebroken wit van Victor Vroomkoning heeft iets van een familiealbum, waarin een dichter aan de hand van een reeks gedichten terugblikt op zijn leven. Uit de ‘Verantwoording’ achter in de bundel blijkt dat de gedichten her en der zijn gepubliceerd in allerlei tijdschriften en in thematische verzamelbundels. Soms gaat het om gelegenheidsgedichten bij een afscheid van een bekende, soms om gedichten die op verzoek zijn geschreven. Veel van de gedichten zijn met kleine wijzigingen van de oorspronkelijke vorm in deze bundel opgenomen. Gezien de hoge leeftijd van de dichter is het niet verwonderlijk dat de nodige gedichten over de dood gaan. In het volgende gedicht komt de actuele thematiek van de ‘zelfgewilde’ dood aan de orde. De ik-figuur is in gesprek met zijn vader.

Aan de rand

Een paar passen nog voor het is gedaan.
Ik heb een afspraak met de dood.
De laatste zet is uitbesteed aan mij
we zijn dit overeengekomen.

Wat houdt me op, wat is ertegen om
dit loze lichaam af te scheiden? Hoe
hard is een woord, vader, hoe zacht
een zelfgewilde

Herinneringen aan gebeurtenissen in zijn leven komen in allerlei vormen aan bod. De dichter heeft bijzondere momenten vastgelegd op foto’s, zoals in het gedicht Souvenir of hij reflecteert op een oude foto zoals in Ecce Nobel. Hij is in dit laatstgenoemde gedicht helemaal niet ‘de koning der dieren’ die lachend op de foto staat, maar ‘een mak / schaap met een muil waarin de oppas / zijn hoofd mag steken in ruil voor een / half jong hert dat hij me dagelijks schenkt.’ Hij vindt het leven in gevangenschap saai (‘De dag is hier één lange geeuw.’) en met een verwijzing naar de leeuwmascotte van de Hollywoodstudio Metro-Goldwyn-Mayer (MGM) brult hij af en toe als Leo the Lion ‘om er / de passanten in dit park mee te vermaken.’ Met een variant op Willem Kloos’ dichtregel eindigt het gedicht aldus: ‘Elke foto toont / zijn eigen waarheid, deze liegt de wilde god / die ik ben in het diepste van mijn genen.’

In het gedicht Anamnese in M. gaat het om de gesprekken over gezamenlijk beleefde herinneringen, die hij houdt met een vriend en leeftijdgenoot, ‘Broos en gemankeerd als ik zelf’. De vriend gaat ‘Slalommend door de dagen’ en ‘kriskras / door ons geheugen’. Het gemis van allerlei mensen en zaken is voelbaar, maar ze hebben via hun herinneringen steun aan elkaar, hoewel het geheugen geen zekerheden biedt van hoe alles precies verlopen is. De eerste strofe, die over hun ontmoeting gaat, kenmerkt zich door ‘de lucide middaghitte’. De herinneringen in de tweede strofe roepen het beeld op van sneeuw, een slalom een snelle afdaling. De ervaringen uit hun leven beslaan dan ook een periode van ‘een halve eeuw’, het zijn er ongelooflijk veel. De laatste strofe, die ook als thematische tekst van de bundel op de achterflap is afgedrukt, luidt als volgt:

Wij verliezen ons in het gemis en vinden
ons door elkaar terug in wie wij
ongetwijfeld moeten zijn geweest – hoor ons
ernaar raden. Voor even kunnen we
tegen het gebroken wit van ons heden.

In het nu heeft de dichter nog de mogelijkheid deze herinneringen vast te leggen op papier. Voor hem een buitenkans. Het gedicht dat daarop geschreven is of afgedrukt, maakt het witte blad papier tot ‘gebroken wit’. Het teruggaan naar een oude plek van vroeger is bij herinneringspoëzie een voor de hand liggende onderneming. In het gedicht Reünie heeft de dichter een herinnering uitgewerkt en gekoppeld aan het heden. Het gaat om de plek ‘waar zij mij haar eerste kus gaf’ en hem had aangesproken met ‘Jonge god’. En nu zijn ze beiden weer ‘met hangen en wurgen maar we zijn er nog’ op de oude plek en ze omhelzen elkaar ‘genadeloos terloops’ om daarna ‘getroost huiswaarts’ te keren ‘naar onze tweezitsbank’. De afsluiting van het gedicht bevat een vorm van niets ontziende zelfspot die vooral troosteloosheid uitdrukt, lijkt me.

Enigma en Visioen behoren tot de mooiste gedichten van de bundel. Het gaat hier om beelden van de moeder van de dichter die erin voorkomen. In deze gedichten botst de wereld van de harde realiteit met het opgeroepen droombeeld. In Visioen komt zijn moeder uit de dood getreden en was ‘hij weer bij haar voor / zij stierf’. In Enigma vraagt de hij-figuur zich af hoe de moeder zijn hotelkamer is binnengekomen. De moeder zit daar doodstil met haar handen om de knieën voor het open raam. Het speelse, ietwat erotische verstilde beeld doet me heel in de verte denken aan het schilderij Vrouw bij het venster van Salvador Dalí.

Enigma

Hoe kwam zij binnen? Hij heeft de sleutel
in zijn hand. Het is zijn bed, zijn kamer,
zijn hotel dat hij zijn huis acht.
De handen om de naakte knieën
zit daar zijn roerloze moeder voor het open
venster. Er is te veel bloot aan haar, zal hij haar
toedekken? Als hij nadert, glijdt een lach over
haar gelaat. Zij merkt dat zij nog in hem bestaat
als toen hij haar ontdekte met een ander dan zijn vader.    

In deze bundel hebben de gedichten Enigma en Visioen de functie om een belangrijke persoon uit het verleden terug te halen, daar stil bij blijven te staan, deze persoon te benaderen en aan te raken. Daarna beseft de dichter dat uiteindelijk het beeld van de moeder niet vast te pakken is, ook voor de lezer. Ondertussen heeft voor deze laatste de tijd even stil gestaan. Daarna leest hij zich weer andere werelden binnen.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Sommige gedichten zijn te simpel, te gemakkelijk, roepen in de verbeelding van de lezer niets verrassends op. Handen is zo’n gedicht. Het is een terugblik naar het aanschuiven van de trouwring ‘hoe jij je naam / aan míjn linker schoof’ maar nu ‘zonder altaar’. In Psychoanalyse wordt een verbinding gelegd tussen ‘een imposant kruis tegen een kerktoren’ en het kruis van een vrouw. En als ze beiden luisteren naar het klokkenspel en de vrouw roept: ‘Wat een twee schattige klokjes hangen daar!’ is de associatie helder. Het gedicht eindigt met de versregel ‘Hou het dan maar droog’. Nou, dat lukt me moeiteloos moet ik zeggen. De dialogen Proeve en Help! zijn zwakke voorbeelden van kinderpoëzie. Het gedicht Litanietje, met een stapeling van voornamelijk aparte verkleinwoorden, is niet meer dan het taalspel dat eronder zit. Opties doet me vooral vanwege de vorm denken aan zijn muurgedicht ‘Hallo’ aan de wand van cultureel centrum De Lindenberg in Nijmegen. Waarom het vierdelige gedicht in deze bundel is opgenomen, is me onduidelijk.

Victor Vroomkoning is een traditionele dichter, die in zijn ontwikkeling is blijven hangen. Wanneer hij kritischer naar zijn eigen poëzie had gekeken en zo’n 10 à 15 gedichten had geschrapt, dan was Gebroken wit een compacte bundel geweest met een aantal goede gedichten over (jeugd)herinneringen, huwelijk, familie en gezondheid, een familiealbum in de positieve zin van het woord. Ondanks de genoemde zwakke gedichten die de bundel ontsieren, blijft er veel moois te lezen in Gebroken wit.

Tot slot. Mocht ik als lezer vragen hebben en daarop adequate antwoorden willen, het is de dichter die aan het woord is. Ik heb niets te willen. Of zoals Vroomkoning in Het is niet zegt: ‘Het is niet / het antwoord / waarom je / verlegen zit / noch je vraag / doet ertoe’. En daar valt niets tegenin te brengen.

***
Victor Vroomkoning (1938) studeerde Nederlands en filosofie. In 1983 verscheen zijn debuutbundel De einders tegemoet. Sindsdien kwam een groot aantal bundels uit. In november 2008 verscheen ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag Ommezien, Gedichten 2008-1983. Hij ontving vele prijzen waaronder de Publieksprijs Beste Poëziebundel (2005) voor zijn bundel Stapelen en de Karel de Grote Prijs (2006), een oeuvreprijs van de gemeente Nijmegen. In de periode 2006-2008 was hij stadsdichter van die stad.

Recensie van Lucebert. Biografie - Wim Hazeu

De ruimte van het volledig leven

Wim Hazeu
Lucebert. Biografie
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403104706
€ 39,99
927 blz.

Nu het wat rustiger is geworden rondom het verschijnen van Lucebert. Biografie van Wim Hazeu komt er ruimte om het over andere zaken te hebben dan over zijn correspondentie vanuit Duitsland met zijn vriendin Tiny Koppijn. ‘Onder die brieven Heil Hitler en Sieg Heil zetten’, is nogal wat, hoorde ik iemand zeggen, ‘dat moet in deze tijd gevolgen hebben voor de waardering van zijn werk’. Daar dacht ik niet meteen aan. De laatste dagen heb ik veel gedichten van Lucebert herlezen. Ik ontken niet dat ik als lezer anders lees, anders oplet wanneer ik nu zijn gedichten lees. Echter, ik kom niet tot een andere waardering van zijn werk, laat staan tot een afkeuring. Als ik eerlijk ben, vraag ik me af waarnaar ik op zoek was bij het herlezen van zijn werk. Wilde ik in zijn poëzie bewijzen vinden dat hij als jongeman met zijn ideeën fout zat in de oorlog? Wilde ik dat concreet kunnen aanwijzen in een aantal gedichten van hem? Was poëzielezen voor mij ineens verworden tot spoorzoekertje spelen? In een interview in de Volkskrant zegt Hazeu dat hij niet gelooft dat Luceberts tekeningen en schilderijen ‘met terugwerkende kracht besmet zijn door de oorlog’. Gelukkig maar. Wel gelooft Hazeu dat ze voortkomen uit de oorlog: ‘Lucebert neemt in zijn werk wraak op de oorlog. Wraak op zichzelf.’ Die conclusie lijkt me net een stap te ver, zeker wanneer het zijn totale oeuvre betreft. Moet zijn werk zo geïnterpreteerd en zijn zwijgzaamheid na de oorlog zo verklaard worden?

Wanneer ik de gedichten van Lucebert lees, dan valt het me op dat veel van zijn poëzie over angst gaat. Waar die angst vandaan komt, dat is een van de mysteries van zijn gedichten. Is dat de angst dat zijn sympathieën voor nazi-Duitsland uit zijn jeugd bekend worden? Dat lijkt me een te beperkte opvatting. Ik kom eerder uit bij een vorm van een persoonlijke existentiële angst, een angst die leidt tot een groot eenzaamheidsgevoel. Ik vind dat we zijn gedichten los van de maker moeten zien. Ik wil al heel lang naar de ‘achterkant’ van Luceberts poëzie en de biografie van Wim Hazeu heeft mij daarin niet verder geholpen. Dat neem ik Hazeu niet kwalijk, want ik weet al lang dat de koppeling van Luceberts gedichten aan allerlei biografische gegevens in veel gevallen weinig tot niets oplevert. In een brief van Lucebert op 7 april 1947 aan Piet Kuyk, die een verslag had gemaakt van een lezing die hij had gehouden onder de titel ‘Stervend Contact’, geeft hij inzicht in zijn gevoel van ‘innerlijke gespletenheid’. Wellicht is dit citaat een ingang om vat te krijgen op het werk en op de persoon van deze woordenaar-beeldenaar. Na een uitgebreid zelfbeklag schrijft Lucebert: ‘…’t Is een interessante gespletenheid, ik denk dat wanneer ik eens een zekere roem krijg, een object van biografennieuwsgierigheid zal worden. Die gespletenheid openbaart zich in alles, letterlijk alles. Neem bijvoorbeeld mijn kunstenaarschap, aan de ene zijde een beeldend talent, aan de andere kant een zuiver literaire gave. En die twee bevechten elkaar niet zo mis, neem dat van mij aan. Dan m’n karakter, eenerzijds ben ik stil, gedienstig, ascetisch, knielzuchtig zelfs, anderzijds ben ik oproerig, onrechtvaardig, dictatoriaal, ongelooflijk heerszuchtig. Ik houd van de aarde, van al wat sappig en vlezig is, maar ik houd ook van de hemel, van de zuivere zielsstaat waarin het lichaam gekastijd wordt.’ De gespletenheid en de grote zelfkennis herken ik wanneer ik deze biografie lees, maar de persoon en de kunstenaar Lucebert is daar niet volledig onder te vangen. Het lukt me niet. De kikkers blijven uit de kruiwagen springen. Lucebert blijft je verrassen.

Bronnen van deze biografie zijn de gesprekken van Hazeu met Luceberts weduwe Tony, de archieven van het Literatuurmuseum te Den Haag, het Stedelijk Museum te Amsterdam en de Lucebert Stichting te Amsterdam/Bergen en talrijke persoonlijke archieven. Luceberts dochters Henny, Noa en Maia verleenden alle medewerking aan de biografie van Hazeu. Ook het Lucebert-archief van biograaf Peter Hofman – hij publiceerde in 2004 Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert – was van betekenis voor deze biografie. Opmerkelijk is de grote lijst met Lucebert-interviews die Hazeu heeft kunnen raadplegen. Over de dichter-schilder Lucebert zijn veel journalistieke artikelen, essays en wetenschappelijke publicaties verschenen. Hazeu heeft er ruimschoots gebruik van gemaakt.

De biografie verdrinkt niet in een overdaad aan feiten. Luceberts levensverhaal is verdeeld in korte thematische hoofdstukken. Het geeft de lezer de mogelijkheid gericht naar bepaalde zaken te zoeken. In het algemeen zijn de biografische gegevens op een aantrekkelijke manier verweven met historische gebeurtenissen. De tekst is vlot te lezen. Hazeu maakt veel gebruik van citaten van Lucebert zelf. Belangrijke personen uit zijn omgeving bespreekt hij kort in relatie tot Lucebert. De ontwikkeling van Lucebert als dichter en schilder is langs een groot aantal lijnen te volgen. Hazeu heeft uitgebreid aandacht voor de invloed van buitenlandse kunstenaars als Hans Arp, Paul Élouard, Friedrich Hölderlin en Rainer Maria Rilke. Ook bewondert Lucebert de Nederlandse dichters Paul van Ostayen en Herman Gorter. Hij behoort tot de kring van Vijftigers die verder bestaat uit de dichters Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Jan Elburg, Bert Schierbeek en Simon Vinkenoog. Rudy Kousbroek en Hans Andreus, ook een broeder in zwijgzaamheid, behoren tot zijn vriendenkring. Wat hen bindt, is niet alleen hun antiburgerlijke levenshouding en de nieuwe, experimentele poëzie, maar ook de voortdurende armoede en het gebrek aan een fatsoenlijke woonruimte. De dichters zijn dagelijks op zoek naar verbetering van hun wooncomfort. Ze verhuizen continu van hot naar her en wonen bij elkaar in. De invloed van Karel Appel op zijn schilderscarrière is groot geweest. Beiden bedienden zich van de zogenaamde poème-peintures. Appel was verder in zijn ontwikkeling als beeldend kunstenaar dan Lucebert. Voor Lucebert was Karel Appel een voorbeeld, niet alleen artistiek maar ook zakelijk, vooral omdat hij wereldwijd zijn vleugels uitsloeg. Lucebert bleef thuis in zijn atelier op de Boendermakerhof in Bergen. Zijn vrouw Tony was zijn reizende manager, zij ging met zijn beeldende werk langs de galeries en creëerde een uitgebreid Lucebert-netwerk.

Hazeu gaat uitgebreid in op de kritiek die de jonge Lucebert kreeg op zijn werk als dichter. Dit doet hij vooral aan de hand van citaten uit kritieken. Michel van der Plas, Hendrik de Vries, Hans Gomperts, Bertus Aafjes en later ook B. Polak hebben grote moeite met de vorm, inhoud, betekenis en toon van zijn gedichten. In de gangbare tijdschriften keuren zij de gedichten af. Ze vinden deze in het zwart geklede, altijd trui dragende dichter maar een rare snuiter, gevaarlijk zelfs. De critici doen zijn poëzie af als onbegrijpelijk en vinden dat zijn  gedichten niet boven het niveau van infantiel gestamel uitkomen. Hazeu citeert uitgebreid uit de reacties van Lucebert op deze kritieken; het zijn juweeltjes om te lezen. Lucebert weet op venijnige en meedogenloze wijze de aanvallen van zijn criticasters te pareren en duidelijk te maken dat hij als naoorlogse dichter ‘oude vormen en hoogdravendheid’ achter zich wil laten. Het duurt enige jaren voordat hij als dichter waardering krijgt. Zijn collega-dichters – en dan vooral Gerrit Kouwenaar – nemen het consequent voor hem op en herkennen zijn buitengewone talent. Ook Harry Mulisch erkent zijn grootheid.

Luceberts ontmoeting en vriendschap met Bertold Brecht is in de hoofdstukken 23 en 24 fraai uitgewerkt. Hij verblijft in Berlijn, maakt een mislukte reis naar Bulgarije, en komt amper tot schrijven. Brecht en Lucebert zijn gewaagd aan elkaar. Dat leidt niet alleen tot interessante politiek-ideologische gesprekken, maar ook tot onbegrip. Tegelijkertijd wordt een boeiend beeld geschetst van het toenmalige Oost-Berlijn. West-Berlijn wordt met Oost-Berlijn vergeleken en in Oost-Berlijn herkent Lucebert veel van het naoorlogse Amsterdam. Brecht was teleurgesteld dat de ‘talentvolle Hollandse dichter’ er niet toe kwam een toneelstuk voor zijn theatergroep te schrijven. Lucebert ging naar Bulgarije en om daarnaar toe te kunnen reizen was hij ondertussen lid geworden van de communistische partij, anders kwam hij het land niet binnen. Een aardig detail.

Lucebert. Biografie is een goed verzorgde, lezenswaardige biografie geworden. Tegelijkertijd is het ook een oerdegelijk boek. Omdat het over de dichter-schilder Lucebert gaat, een kunstenaar met een grillig, soms explosief karakter, zou je wensen dat het taalgebruik van Hazeu stilistisch gezien op een aantal momenten spectaculairder zou zijn. Gelukkig staat het boek boordevol citaten en fragmenten van Lucebert zelf. Deze zijn goed gekozen en zorgen ervoor dat biografie de aandacht van de lezer blijft trekken. Het boek bevat zwartwit- en kleurenfoto’s van Luceberts beeldende werk, van de dichter tussen zijn vrienden en van de beeldend kunstenaar aan het werk in zijn atelier. De dood van Lucebert wordt in het laatste hoofdstuk beschreven aan de hand van fragmenten van gedichten van collega-dichters. Hazeu geeft aan het slot de tekst weer die op een plaquette van glas op zijn graf te lezen is: ‘Als ik geen dichter was zou ik uit honderden woordwonden bloeden niets zou mij helpen geen gevleugeld woord geen hemels woord zou het bloeden stelpen.’ Lucebert is dichter, een groot dichter. 

***
Wim Hazeu is schrijver, dichter, journalist, radio- en televisieprogrammamaker en biograaf. Hij schreef o.a. A. Marja, dichter en practical joker (1917-1964), een biografische schets (1985) en biografieën over Gerrit Achterberg (1988), Slauerhoff (1995), M.C. Escher (1998), Vestdijk (2005) en Marten Toonder (2012).

Recensie van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs - Maaike Meijer en Anikó Daróczi

Engagement heeft vele gezichten en nieuwe ogen

Maaike Meijer en Anikó Daróczi
De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029516105
€ 10,00
144 blz.

‘Poëzie in nood – nood aan poëzie’ luidt de titel van het ‘Voorwoord’, waarmee de uitgave De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs opent. Het is een verwijzing naar de actuele situatie, waarin de poëzie zich bevindt en naar de opheffing van de VSB Poëzieprijs dit jaar. Joost Baars is met zijn dichtbundel Binnenplaats de laatste winnaar. Jammer, maar wil je dat poëzie zich blijft ontwikkelen en nieuwe uitdagingen zoekt, dan is het ook goed dat zo nu en dan een prijs verdwijnt en er een nieuwe prijs of een andere vorm van waardering voor terugkomt. Dat levert meestal ook een ander type laureaat op. Poëzie, de prijzen, de kritieken moeten vooral in beweging blijven.

Het ‘Voorwoord’ van deze selectie gedichten is een handzame leidraad voor de poëzielezer. Lezers die op de hoogte willen raken van de representatieve gedichten van 2018 krijgen een mooi beeld van wat er allemaal aan gedichten gepubliceerd is, hoewel de keuze van de gedichten natuurlijk een persoonlijke voorkeur is van de juryleden Maaike Meijer en Anikó Daróczi. Dit tweetal maakt aan de hand van (fragmenten van) een groot aantal gedichten duidelijk, waar het in de poëzie anno 2018 om gaat, zonder te vervallen in uitgesponnen theoretische beschouwingen of literair-historische benaderingen. Hun schrijfstijl is helder en direct. Er staat geen overbodig woord in deze inleiding. Poëzie als levensredder, als magische gebeurtenis, het belang van de zintuiglijke waarneming, het belang van de vorm, de vrijheid, het experiment en de vernieuwing, het komt allemaal langs.

De bundel is geen boek dat je van voor naar achteren leest. Het is meer een bladerboek, een bundel om even ter hand te nemen, er enkele gedichten in te lezen en daarna weer weg te leggen. De lezer moet zich laten verrassen, ongeacht tijdstip en plaats. Wanneer er van een dichter in dit poëzieoverzicht enkele gedichten uit een bundel zijn opgenomen, dan krijgt de lezer sneller een beeld van thematiek en stijl, dan wanneer er slechts één gedicht is opgenomen. Dat zegt overigens niets van de kwaliteit, want een gedicht als ‘De luit van mijn oom’ van Abdelkader Benali is de moeite van het lezen waard. En ook ‘Nimfje in het wit’ van Jacques Hamelink, een ‘schrikgerucht’ over de dood van de Tilburgse ‘Marietje Kessels hinkelmeisje van tien’ en de daaraan gekoppelde ‘gelofte van zwijgen’ aan de familie, die door de Rooms-Katholieke kerk werd opgelegd, is fraai. Bijzonder is ook de Europese geschiedenis in een notendop van Joke van Leeuwen. Een reeks oorlogen, veldslagen en veroveringen met de woorden ‘en’ en ‘toen’ als een historische halssnoer aan elkaar geregen, die als volgt begint:

Karel de Grote trok vijfenvijftig keer ten strijde daarna vochten Lodewijk de Duit-
ser Karel de Kale en Lotharius om hun grondgebied toen kwamen de Noormannen
en plunderen de hele boel toen was er oorlog  tussen het Heilige Roomse Rijk en
Lotharingen toen begonnen de kruistochten toen won Vlaanderen de Guldenspo-
renslag en het leger van Gelre rukte op naar Brabant en het leger van Jan zonder

En zo gaat haar poëtische geschiedenisles nog even verder. De droge feiten uit de vaderlandse geschiedenis zullen de lezer bekend voorkomen, soms alleen de namen zonder dat hij precies weet wie tegen wie vocht of wat de historische achtergrond van een confrontatie was. Het gedicht krijgt iets van: het houdt nooit op. Het einde is een opvallende paradox:

en de schoolstrijd en de Vlaamse strijd en de uitbuiting van Congo en de Groote
Oorlog en de Tweede Wereldoorlog en toen werden we welvarend en heel bang.

Maaike Meijer en Anikó Daróczi groeperen dichters in hun inleiding en dat geeft houvast aan de lezer. Deze weet ogenblikkelijk dat hij de bijbehorende gedichten – als hij dat wil – vanuit een bepaald perspectief kan lezen. In de poëzie van Myrte Leffring, Charlotte Van den Broeck en Marije Langelaar staat de vrouw centraal, met aanverwante onderwerpen als liefde, moederschap, scheiden en verlies. De inleiders spreken van ‘innerlijke transformatieprocessen’ en ‘Woorden zijn manieren om te transformeren en uiteindelijk zichzelf te bevrijden.’ Ook zetten Meijer en Daróczi geëngageerde dichters bij elkaar. Elly de Waard dicht over de MH17, met een openingszin die de lezer meteen op zijn plaats zet: ‘Overal een mening / over hebben mag – / maar val ook stil’. Jana Arns dicht over asielzoekers (‘Ik haal geld uit de muur / en geef het aan de vluchteling die erover klom.’) en de scherpe tegenstelling rijkdom-armoede, die de lezer een ongemakkelijk gevoel geeft, staat als een huis. Anne Vegter schrijft naar aanleiding van de aanslagen op 13 november 2015 in Parijs ‘Het monster van de angst’, een gedicht dat sterk doet denken aan het milieugedicht ‘Tegen de ketterij der straaljagers’ van Guillaume van der Graft uit de bundel ‘Vogels en vissen’ (1954). De eerste zes versregels luiden:

kom vanavond uit je huizen
tien keer honderd, duizenden
slecht vanavond alle grenzen
sluit je aan bij al die mensen
die verhalen van hun harten
die op zaterdag verschroeiden

In dit activerende gedicht worden de eerste twee versregels tweemaal herhaald net als het openingsvers ‘Laten de vogels protesteren’ in Van der Grafts gedicht, waar deze regel in verschillende varianten achtmaal voorkomt. Overigens verbinden Meijer en Daróczi engagement niet alleen aan concrete gebeurtenissen. Bij hen krijgt het begrip engagement een ruimere betekenis. Ze geven veel voorbeelden van gedichten die ook als geëngageerd beschouwd kunnen worden.

In ‘Nieuwe ogen inzetten’, het laatste deel van hun ‘Voorwoord’ gaan de samenstellers van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs in op wat een belangrijke functie van de poëzie is: het leven in zijn verschillende fasen van binnenuit beschrijven en tegelijkertijd de grenzen van de poëzie voortdurend verleggen. Dit deel van het ‘Voorwoord’ bevat nog een andere indeling van de dichters, een driedeling: (1) de ‘éminences grises’, zoals Cees Nooteboom, Armando, Jacques Hamelink en Hans Tentije, (2) de iets jongere Pieter Boskma en Joke van Leeuwen en de minder bekende Martin Reints en Gerry van der Linden en tot slot (3) de nieuwe experimentele en hermetische dichters, die steunen op de oudere poëten, zoals Piet Gerbrandy, Anne Vegter, Micha Hamel, Joost Baars en Bart Janssen. Komt hiermee het denken in generaties als indelingscriterium terug? Nee toch? Ik kan althans geen inhoudelijke of vormovereenkomsten ontdekken tussen de dichters die in de verschillende groepen vertegenwoordigd zijn. Gezamenlijke poëtica’s zijn afwezig. In deze tijd van individualisme zijn er hoofdzakelijk individualistische dichters te vinden, met hun eigen opvattingen over hun eigen poëzie en soms die van anderen. Laat het ladekastje maar dicht, zou ik zeggen.

Natuurlijk kom je in deze rijke bloemlezing dichters tegen, waarvan je vindt dat je er meer van moet gaan lezen. Ik ken de dichter Jos Versteegen als een dichter van de eenvoud, de ogenschijnlijke toegankelijkheid, van breekbare subtiliteiten. Versteegen interviewde mensen in een verzorgingstehuis en verwerkte hun verhalen in Woon ik hier, een dichtbundel die me meer dan de moeite waard lijkt. Hij is op een eigen persoonlijke wijze geëngageerd en heeft een opmerkelijke blik op de werkelijkheid. De laatste strofe van ‘In de natuur’ loopt van een nuchtere constatering van de ik-figuur naar een ontroerend slot:

‘Ik heb een nieuwe heup, ik kijk naar buiten,
mijn man gaat naar de winkel,
alleen voor mijn cyclamen zorg ik zelf,
en voor de hyacinten.
Laatst zag ik op de hoek van ons balkon
een duivennest, wat takjes,
daar lag zo lief en wit een eitje in,
dat heb ik opgegeten.’

***
Maaike Meijer was tot haar pensionering in 2013 hoogleraar genderstudies in Maastricht en directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Haar aandacht gaat uit naar onderwerpen als leestheorie, gender in het literaire systeem, poëzie, cultuur en migratie. De publicatie M. Vasalis: een biografie, die in 2011 op de markt kwam, was zeer succesvol. In 2018 verschijnt van haar, samen met Joost Kircz een biografie over F. Harmsen van Beek.
Anikó Daróczi studeerde Engelse, Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde in Boedapest. Zij specialiseerde zich in de literatuur van de Middeleeuwen. In 2005 promoveerde zij aan de KU Leuven met het proefschrift Spreken, zwijgen en zingen bij Hadewijch. Zij werkt als hoofddocent Neerlandistiek aan de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest.