Recensie van Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd - Madelon de Keizer

Zes vriendschappen en één liefde

Madelon de Keizer
Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635201
€ 39,99
767 blz.

Wanneer je denkt aan de Tachtigers en aan de beginjaren van het roemruchte tijdschrift De Nieuwe Gids, dan komen er ogenblikkelijk drie namen bovendrijven wanneer het om de prominente dichters van deze generatie gaat: Jacques Perk, Willem Kloos en Albert Verwey. De jong gestorven dichter Perk wordt gezien als de voorloper van Tachtig, Kloos als de voorman van deze beweging. Van deze twee zullen veel belangstellenden ook wel enkele versregels en gedichten kennen, maar hoe zit dat met Albert Verwey? Voor velen van ons is Verwey niet meer dan een naam, een van de redactieleden van De Nieuwe Gids. Anderen zullen zich herinneren dat hij betrokken was bij het Tweemaandelijksch Tijdschrift, De XXe Eeuw en De Beweging, zonder te weten waarvoor indertijd deze tijdschriften precies stonden. Wat weten we van globaal van hem? Een poging: hij was als dichter zeer jong begonnen, hij was bevriend met Kloos, kreeg ruzie met hem, ging zijn eigen weg door enkele tijdschriften te beginnen, trouwde met de aantrekkelijke Kitty van Vloten en werd zonder wetenschappelijke opleiding hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden. Zie hier in één lange zin de levensloop van Verwey, waarin titels van gedichten of uitgegeven bundels ontbreken, dat moet eerlijkheidshalve opgemerkt worden.  

De aanpak

Madelon de Keizer heeft met haar biografie Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd de beschrijving van het leven van Verwey anders aangepakt dan we bij een biografie gewend zijn. Ze geeft geen lineaire levensloop, maar in haar boek staan zeven relaties van Albert Verwey centraal. Het zijn bijzondere, langdurende contacten met andere kunstenaars en literatoren, waar overigens bij een aantal van hen na verloop van tijd de klad in komt. Ze heeft deze uitgewerkt in zeven hoofdstukken, waar in elk hoofdstuk de chronologie wel een plaats krijgt. En zo worden in zeven hoofdstukken zeven belangrijke personen die in het leven van Albert Verwey een belangrijke rol hebben gespeeld besproken. Het zijn achtereenvolgens de schilder Jan Veth, de dichter-criticus Willem Kloos, zijn echtgenote Kitty van Vloten, de schrijver Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter Stefan George, de dichter Pieter Nicolaas van Eyck en Maurits Uyldert. Deze laatste was dichter, journalist en een persoonlijke vriend. Na zijn dood schreef hij een driedelige biografie over Verwey.     

De biografe begint haar boek met een heldere en in mijn ogen vooral slimme inleiding om de lezer het boek in te trekken. Ze gaat op de stoel van de lezer zitten, die zich met dit volumineuze boek van 767 pagina’s in de hand zal afvragen wat de betekenis van Albert Verwey is geweest voor de Nederlandse literatuur. In de ‘Inleiding’ schrijft De Keizer dat bij het overlijden van Albert Verwey in 1937 weliswaar in de kranten en tijdschriften een groot aantal herdenkingsartikelen van gerenommeerde dichters, schrijvers en critici verscheen, maar tegelijkertijd stelden deze auteurs vast dat zijn werk slechts in een kleine kring in binnen- en buitenland bekend was. Kort gezegd, de lezer hoeft zich niet te schamen dat hij zo weinig van Verwey weet en wordt met deze biografie op zijn wenken bediend. De Keizer heeft geen literaire, maar een cultuurhistorische biografie geschreven. Het leven van Verwey, zijn relaties en positie in het literaire en culturele krachtenveld staan daarin centraal. De biografie gaat ook in op nationale en internationale maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en de standpunten die Verwey daarin inneemt. Voor mij is de kern van de biografie zijn ontwikkeling als dichter, die vanaf zeer jonge leeftijd in contact komt met Willem Kloos (hoofdstuk 2) en na de breuk een vriendschap en samenwerking met Lodewijk van Deyssel opbouwt (hoofdstuk 4). De ‘Literatuurlijst’ achter in het boek maakt duidelijk dat er veel bronnenmateriaal in de vorm van persoonlijke briefwisselingen tussen de verschillende dichters en kunstenaars beschikbaar is. Deze correspondentie maakt het mogelijk om allerlei kwesties, die spelen in het literaire landschap vanuit verschillende perspectieven te belichten. Het derde hoofdstuk, dat de titel ‘Zo gelukkig als klaar water. Albert Verwey en Kitty van Vloten’ meekreeg, gaat in op Verweys huwelijk met Kitty van Vloten. Zijn levenslange, stabiele relatie met haar speelt een cruciale rol in de beeldvorming van de dichter in relatie tot zijn kunstzinnige vrienden. Wanneer Verwey ruzie krijgt met Willem Kloos en later met Lodewijk van Deyssel, dan krijgen we die conflicten vanuit verschillende gezichtspunten door De Keizer voorgeschoteld. Natuurlijk vanuit het perspectief van de direct betrokkenen, maar de intensieve briefwisseling die Verwey onderhoudt met zijn vrouw Kitty geeft een eerlijk – en in veel gevallen een ander – beeld van hoe Verweij een bepaald probleem ervaart. En omdat allerlei anderen, zoals bijvoorbeeld Frederik van Eeden en Frank van der Goes, ook met elkaar corresponderen en zich uitlaten over de handel en wandel van wie dan ook, wordt iets als waarheidsvinding tamelijk ingewikkeld. Het levert wel boeiende leesstof op, dat moet gezegd worden. Later blikken ook zijn broer Christoffel en enkele van zijn kinderen via brieven en andere publicaties terug op het leven van hun vader, waardoor we weer een andere kijk op bepaalde zaken krijgen. Ondanks dat veel correspondentie verloren is gegaan, stel ik toch vast dat van alle kanten het leven van Verwey belicht kan worden. Madelon Keizer heeft dan ook dankbaar gebruik gemaakt van de beschikbare bronnen. Ik was er al van overtuigd dat de periode 1880-1920 op literair gebied uitermate boeiend en dynamisch was. Als een meeuw op de golven benadrukt dat alleen maar.   

De uitwerking

De dichters, schrijvers en beeldende kunstenaars bespreken in hun correspondentie aan elkaar en in hun kritieken de meest uiteenlopende onderwerpen. Er wordt serieus ingegaan op de kwaliteiten van elkaars werk en er heerst afgunst ten opzichte van elkaar als het gaat om mogelijkheden om te publiceren, niet in het minst omdat geldtekort voor veel dichters een groot probleem was. Soms maakt men elkaar ronduit af in de tijdschriftkritieken of in de briefwisselingen. In veel gevallen komt het niveau van de correspondentie niet boven de eenvoudige dorpsroddel uit. Als lezer ervaar ik het op sommige momenten als kleinzerig. Ik zucht wel eens diep, maar ik geef volmondig toe dat het boek boeiend blijft om te lezen. Dat komt omdat Madelon de Keizer op het juiste moment overstapt op een nieuw cultuurhistorisch onderwerp, de alledaagse perikelen laat voor wat ze zijn en al te grote banaliteiten vermijdt. Daarbij heeft ze een toegankelijke stijl van schrijven, een stijl die zich richt op een breed lezerspubliek. Zowel de belangstellenden voor oudere literatuur als degenen die zich beroepsmatig bezighouden met de letterkunde kunnen met deze biografie goed uit de voeten.

De biografie geeft de lezer ook toegang tot de poëzie van Albert Verwey. In alle hoofdstukken worden feiten uit zijn leven of gebeurtenissen waarbij hij zich betrokken voelt niet alleen beschreven, maar ook voorzien van gedichten of fragmenten van gedichten. Zo bevat deze biografie gedichten – veelal sonnetten – over Oudjaar, zijn overspannenheid die enkele malen opstak, over Kitty, over het Alhambra, over de Boerenoorlog en naar aanleiding van een kritische recensie van Van Eeden op zijn bundel Het Zichtbaar Geheim om de variëteit aan onderwerpen te laten zien. Ook de poëzie van anderen, waarmee hij contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld de Duitse dichter Stefan George, wordt afgedrukt in dit boek. Een aantal gedichten getuigt van de invloed van de ideeën van Spinoza, die hij steeds meer ging bestuderen. In 1893 verscheen een reeks van twaalf sonnetten in Van Nu en Straks. In 1894 de gedichten publiceerde hij bovendien ‘Tot het leven’ en De natuurlijke aarde’ die refereren aan het ideeëngoed van Spinoza, zodat Verwey met recht een spinozist genoemd kan worden. De Keizer laat goed zien dat Verwey zich ontwikkelt tot een breed georiënteerde letterkundige, die schrijvers als Potgieter en Vondel herlas en bestudeerde. Dat leidde tot de uitgave van een biografie van Potgieter in 1902 en een nieuwe editie van Vondels werken in 1937. Uiteindelijk leidden zijn letterkundige studies, zijn vertalingen en zijn edities tot een hoogleraarschap in Leiden. Dat was bijzonder voor iemand zonder wetenschappelijke opleiding, die overigens van de Groningse universiteit in 1914 wel een eredoctoraat had ontvangen, omdat hij een culturele bijlage had geleverd aan de bouw van de Beurs van Berlage in Amsterdam.

Albert Verwey woonde met Kitty en zijn zeven kinderen in de op een duin gelegen Villa Nova, van waar zij over Noordwijk konden uitkijken. De villa was een grote woning, waarin veel gasten gastvrij ontvangen werden en voor langere tijd konden logeren. Vanuit deze belvédère bespeelde hij het literaire veld met zijn op schrift gestelde opvattingen in de vorm van gedichten, kritieken en studies in de verschillende tijdschriften. Het tijdschrift De Beweging dat hij vanaf 1905 leidde, kan gezien worden als zijn meest persoonlijke medium. De Keizer wijst erop dat enig arrogant gedrag hem niet vreemd was. Gedurende zijn leven publiceerde hij talloze dichtbundels met soms zonderlinge titels als De kristaltwijg (1903), Het blank heelal (1908), Het eigen rijk (1912), Het zwaardjaar (1916), De getilde last (1927) en Het lachende raadsel (1935) om er enkele te noemen. Het boek Als een meeuw op de golven geeft de lezer nieuwe feiten en een goed overzicht van wat zich in de culturele wereld tijdens het leven van Verwey allemaal afspeelde. De afzonderlijke hoofdstukken zijn tevens te beschouwen als korte biografieën van zijn vrienden en van zijn echtgenote. Na lezing van deze biografie stel ik vast dat de opbouw ijzersterk is, ondanks dat de uitwerkingen van bepaalde kwesties op sommige momenten in een hoofdstuk wat algemeen zijn en dan enigszins los komen te staan van de twee personen, waarvan Verwey er altijd een is. Zo komt de paragraaf ‘De biografie van Potgieter’ in het vijfde hoofdstuk ‘Een dichterschap over de grenzen. Albert Verwey en Stefan George’ over als een wat vreemd intermezzo in een relaas over zijn vriendschap met een gewaardeerde Duitse dichter.      

Het portret

Er loopt af en toe een bijzondere rode draad door een hoofdstuk. De ziekte tbc slaat in de jonge jaren van Albert Verwey in de familie meedogenloos toe. Geldtekort is bij schrijvers en kunstenaars, zoals ik al zei, een voorwerp van aanhoudende zorg. Het verschil in godsdienstige opvattingen tussen protestanten en katholieken komen bij tijd en wijle aan de oppervlakte. Politieke tegenstellingen tussen verschillende ideologieën steken geregeld de kop op. Een mooi uitgewerkte lijn is te vinden in het eerste hoofdstuk ‘Het portret. Albert Verwey en Jan Veth’. Het toont dat Madelon de Keizer een prima schrijfster is. Jan Veth, schilder in opleiding, had aan de negentienjarige Albert Verwey gevraagd om voor hem te poseren. Het portret, dat ook de omslag van deze biografie siert, was in 1885 klaar en werd op een tentoonstelling van kunstenaarsvereniging Arte et Amicitiae gepresenteerd. Het kreeg veel aandacht in de besprekingen. Veel literatoren en kunstenaars vroegen zich af wie de afgebeelde jongeman was en Verwey zelf legde steeds meer contacten in de wereld van de beeldende kunst. Toen het tot een breuk kwam met Jan Veth, die in Bussum woonde, verhuisde het portret van Veths kamer naar zijn atelier. De vriendschap tussen beiden werd hersteld en na Verweys huwelijk kwam het portret in zijn huis in Noordwijk te hangen. De reis van het schilderij is de rode draad in dit hoofdstuk over Verwey en Jan Veth, die zich ontwikkelde tot een portretschilder met een hoog aanzien. Nu hangt de afbeelding van Verwey in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar in 1927 was het schilderij aanwezig op de tentoonstelling ter ere van Jan Veth in Dordrecht. Jan Slagter, recensent van Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, beschreef Veths portret van de jonge dichter Albert Verwey. Hij zag een ‘…nog wat slungelige jongeman in zijn onvoorname kleren, maar met een kop vol sterke eigenzinnigheid en vol plannen, idealen en poëzie, met een paar ogen die helder vooruitzien naar de toekomst en tegelijk zoo teder van uitdrukking…’. In 1885 is hij afgebeeld met dit uiterlijk, met deze expressie en met deze uitstraling van ambities. Echter, ook in deze moderne biografie kun je Albert Verwey, zijn vrienden en zijn echtgenote nog steeds zo ontmoeten.

***
Madelon de Keizer (1948) is historicus, biograaf en beeldend kunstenaar. Ze studeerde geschiedenis en Ruslandkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was docent geschiedenis in het voortgezet onderwijs. Ze promoveerde in 1991 cum laude aan de Rijksuniversiteit Leiden op Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd. Vanaf 1982-2013 was ze als onderzoeker verbonden aan het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies). Madelon de Keizer publiceerde o.a. biografieën over de schrijfster Carry van Bruggen (2006) en de journalist-politicus Frans Goethart.

Recensie van Het waaide er - Jan Glas

Dingen kunnen gek lopen

Jan Glas
Het waaide er
Uitgever: kleine Uil
2017
ISBN 9789492190567
€ 15,00
48 blz.

‘I can make you put your phone down’ van de R&B- en hiphopzangeres Erykah Badu is het motto van de bundel Het waaide er van Jan Glas. Nou, dat is aardig gelukt. Ik heb me niet door mijn ‘phone’ af laten leiden bij het lezen van deze bundel, hoewel ik toegeef dat ik bij sommige gedichten de dichter had willen bellen om hem enkele vragen te stellen. Eerst ben ik in deze bundel behoorlijk verstrikt geraakt, voordat ik er enig vat op kreeg, maar dat is op zich niet verkeerd. Dichten is ook een spel spelen met de lezer, een spel dat gespeeld moet worden. Dat verstrikt raken heeft achteraf gezien vooral te maken met mijn manier van lezen, waarmee ik aan deze bundel begonnen ben. Met in mijn achterhoofd vragen als ‘Wat is de thematiek van deze bundel?’, ‘Hoe is de opbouw?’ en welke stilistische middelen gebruikt de dichter, dacht ik op gemakkelijke wijze antwoorden op mijn vragen te krijgen. Nou, mooi niet! Het waaide er is een verzameling gedichten – ik durf het woord reeks niet te gebruiken, omdat het een lineair verband veronderstelt – die zich niet zomaar prijs geeft aan de lezer. De bundel kent geen indeling in afdelingen die al dan niet voorzien zijn van sturende tussenkopjes. Wel valt het me op dat er vijf gedichten met de titel ‘Abstract’ in de bundel staan. Ze hebben net als enkele andere verzen de vorm van een prozagedicht. Inhoudelijk behelzen ze een mededeling of een nieuwsfeit. Een vast gegeven in de gedichten is het moment van een gebeurtenis dat hij beschouwt en beschrijft en daarop door redeneert, zo je wilt door fantaseert. De toon is nuchter, welhaast onderkoeld, waardoor naast de ernst van het onderwerp een lichte, bevrijdende vorm van humor ontstaat, zoals bijvoorbeeld in ‘Abstract V’:

Na de dood van mijn ouders hoefde het in principe
met mij niet meer goed te komen. Voor die tijd stak
alles nogal nauw en was het bestaan vooral een lang-
gerekt gedoe geweest. Een man gezien door de ogen
van een paard. Hol en kegelvormig, een soort trechter.
Nu word ik zijwaarts geopend, dacht ik, terwijl ik het
crematorium verliet. Maar ik heb mij daarin vergist.
De dood herkent geen individuen. Het grote verhaal
gaat verloren, belangrijke details worden gemist.

Het gedicht lijkt anekdotisch opgebouwd, maar ik kom er wat de inhoud betreft niet goed uit: het aspect tijd (moment, tijdsduur) blijft voor mij een probleem in dit gedicht, vooral wanneer ik naar de laatste vier versregels kijk. Op welk moment verlaat de ik-figuur het crematorium en wanneer is ‘Nu’ in relatie tot de vijf eerste versregels? Deze vragen houden mij bezig. De man wordt gezien door de ogen van een paard. Waarom het beeld ‘paard’? Wie of wat is in het gedicht het perspectief ‘paard’? In het gedicht ‘Vijandelijke overname’ zegt hij over de vrouwen van de Amerikanen ‘Hun vrouwen zijn paarden.’ Moeten mijn gedachten die kant op om betekenis aan het gedicht te geven?

Bij het lezen van de bundel ontstaat langzamerhand het besef dat het om alledaagse zaken gaat in Jan Glas’ poëzie, waarvan je in eerste instantie denkt: wat interesseert mij dat nou? Zo’n onverschillige houding is ongepast. De dichter mag van de lezer verwachten dat deze probeert de tekst op persoonlijke wijze te doorgronden. Laat het gedicht bij je binnenkomen, laat je verrassen en verwonder je. Wanneer je per se iets van het gedicht wil opsteken of er iets van wil meenemen en niet meer, dan zit je als lezer hoogstwaarschijnlijk verkeerd. Laat dat soort beïnvloeding aan het toeval over, laat vooral persoonlijke denkstrategieën achterwege. Laat je levenservaring, je belezenheid en zogenaamde intellectuele bagage thuis en ga eens écht lezen, misschien wil de dichter dat wel. Of toch niet?

Op de voorkaft staat een straatprullenbak afgebeeld. Ongetwijfeld wil de dichter daar het vluchtige effect van een gedicht mee uitdrukken, zeker wanneer je de titel Het waaide er bij dit beeld betrekt. De titel is afkomstig uit het gedicht ‘Abstract II’. Het gaat over een illegaal gebouwde kamer, die midden in de nacht verschijnt: ‘In de / kamer zat een gat. Het waaide er. Door het gat / kwam mijn vader de kamer binnen, hij droeg / een kip die legnood had.’ In de poëtische fantasiewereld mag alles en dat moet vooral ook zo blijven, het is de basis van het dichterschap van elke dichter. Metaforiek kent geen grenzen, maar of de lezer altijd meekan, meegaat of meewil met de beeldtaal van een dichter is een ander verhaal.    

Ik lees met genoegen het gedicht ‘De hersenen’. De subtiele humor is zonder meer een constante kwaliteit van de dichter, maar desondanks kom ik niet verder dan een reactie in de trant van: ‘Hé, ja… leuk’. En een gedicht alleen maar ‘leuk’ vinden, is dodelijk, dat weet ik. Nu is de vraag of dat moet: verder komen. Waarom als lezer geen pas op de plaats maken? Helaas, het is niet mijn gangbare leeshouding. Het zal ongetwijfeld aan mij liggen dat ik blijf steken in dit gedicht. Ik herken de alledaagse spreektaal en de begrippen rondom het woord armoede: ‘weinig te besteden’, ‘Uit besparing’ en ‘Stille armoede’ en de lichte toon bevalt me. Maar toch.

De hersenen

De hersenen zijn arm. Ze hebben
weinig te besteden. Overal
hetzelfde goedkope behang. 

Uit besparing leggen gedachten
de kortste route af.
Bijvoorbeeld: je bent net gaan zitten
en denkt: hè hè, blij dat ik zit.

Het regent, en je denkt:
daar moet ik straks doorheen.
Je bent klaar met eten:
zo, dat heb ik weer gehad.

Stille armoede. Dat is het.
Vaak merk je het zelf niet.
Een ander ziet het niet.

Thema’s die in zijn gedichten terugkomen zijn seksualiteit: ‘Ik deelde het bed met een man die goede pakken droeg’, ‘Maandagnacht had ik een Chinees in bed die zijn bril / ophield en gaandeweg het liefdesspel verdrietig werd.’ En ‘Die dag, de eerste nacht / met Berend.’ De twee wereldoorlogen behoren tot zijn thematiek, met o.a. een gedicht over Albert Speer, waarin zijn reputatie als architect en stedenbouwkundige in het Derde Rijk wordt afgebroken. Het gedicht heeft de ironische ondertitel ‘Aanvullingen & verbeteringen’. Landen als Denemarken, Zwitserland, Duitsland, Roemenië, Rusland, de VS en Oostenrijk passeren de revue. Het verblijf in hotels is voor hem een inspiratiebron. Mensen die fietsen, een dansende beer, een vluchteling uit een Bulgaars circus, de ijsbaan van Leermens en George Clooney, zelden ben ik zoveel verschillende onderwerpen in een dichtbundel tegengekomen. Het gedicht ‘Speciaal voor haar’ dat begint met de openingszin: ‘Speciaal voor mij had ze borsten op haar rug / laten tatoeëren.’ maakt me razend nieuwsgierig. Dat dan weer wel.

De volgende fictieve, in mijn ogen spitsvondige ready made mag ik de lezer niet onthouden:

Hoogezand zoekt vrouw.
Wie ontvangt?

Komt naar u toe als man.
Kleedt zich na aankomst bij u thuis om.
Is niet bang zich te verliezen in
ideeën en bedenksels gelinkt aan
reële omstandigheden en mensen.
Is geen faker.

Kan alleen doordeweeks en overdag.
Reist met het openbaar vervoer.
Discretie gevraagd en geboden.

Wil je spelen?
Laat een bericht achter.    

‘Dingen kunnen gek lopen als ze eenmaal / hun eigen dynamiek krijgen’, dicht Jan Glas in ‘Dynamiek’. Even verder schrijft hij in hetzelfde gedicht ‘Je zou ook gewoon over alle dingen / heen kunnen stappen.’ Echter, dat doet hij niet. Natuurlijk doet hij dat niet! Hij weet drommels goed dat de lezer dat ook niet doet, die gaat minimaal op zoek naar de dynamiek in zijn poëzie en waarschijnlijk nog naar veel meer. De lezer zet andere stappen. Net als ik vindt hij geregeld allerlei bijzonderheden, maar soms ook niet. Ik heb het vermoeden dat de dichter Jan Glas dat niet erg vindt. De dingen kunnen nu eenmaal gek lopen.

***
Jan Glas (Uithuizen 1958) is beeldend kunstenaar, dichter, vertaler, redacteur en zanger. Hij publiceerde drie Groningstalige en twee Nederlandse bundels. Voor De vangers van zummer (2004) ontving hij de Freudenthalprijs en de Literaire Prijs. Met twee jazzformaties nam hij cd’s op, namelijk Glas & Klat met pianist Boelo Klat en Diezeg Laand met Glas, Scheele en Lass. In 2013 trad hij op Poetry International op als eerste Groningstalige dichter. Het waaide er (2017) is zijn zesde dichtbundel. 

Recensie van Vrije val met hindernissen - Lief Vleugels

Je zwijgende stem tegen de mijne

Lief Vleugels
Vrije val met hindernissen
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339386
€ 17,00
64 blz.

De fraai uitgegeven, vierde dichtbundel Vrije val met hindernissen van Lief Vleugels is evenwichtig opgebouwd. Ze bestaat uit drie afdelingen van elk zestien titelloze gedichten. In de bundel verwerkt de dichteres het verlies van haar dochter, die zichzelf in 2014 van het leven benam door in Tsjechië van een brug te springen. Nadat de dichteres een jaar later zelf van de trap viel – voor haar niet alleen een parallelle, maar ook ‘een hallucinante ervaring’ – ontstond tijdens de ‘ziekenhuisopname en herstelperiode’ deze bundel met gedichten.  

Elke afdeling in deze bundel is vanuit een ander perspectief van drie personen geschreven. In de eerste afdeling staat de moeder centraal met haar rouwproces en alle gevoeligheden die daarbij een grote rol spelen, zoals o.a. het schuldgevoel. In de tweede afdeling is het leven van haar dochter met alle herinneringen en alle dierbare momenten het onderwerp van Vleugels’ poëzie. De relatie tussen hen beiden speelt daarbij voortdurend een rol. In de derde afdeling gaat het om de relatie van de dichteres met haar levenspartner. De vraag is daar: hoe gaat hij om met de situatie waarin zijn vrouw terecht is gekomen na het verlies van haar dochter?       

In de eerste afdeling ‘Met gebroken handen’ ontmoeten we in de gedichten een zoekende dichteres. Ze komt in het rouwproces terecht in een omgeving waarin goed bedoelde adviezen worden gegeven. Ze vraagt zich af wat haar positie als dichteres is, wanneer ze geconfronteerd wordt met zo’n groot verlies. Ze zoekt in haar herinneringen naar gebeurtenissen die haar helpen om afstand te kunnen nemen van het gebeurde. Het zijn vooral de vragen die ze aan zichzelf stelt, die haar gedichten emotionele diepgang geven, temeer omdat je (als lezer) weet dat veel vragen onbeantwoord zullen blijven. Ook gedichten zijn soms niet meer dan pogingen om vat te krijgen op de werkelijkheid, die zich op sommige momenten meedogenloos aan je presenteert. Het zijn vragen als ‘Waar dwaalt ze, het kind dat haar leven gaf?’, ‘waar dwaalt ze de moeder die mij de dood in zoogde?’ en ‘Waar dwaalt het kind dat haar borsten voedde?’. Het zijn de nachten die voor haar bedreigend zijn, maar ‘De nacht zelf geeft geen antwoord / stelt zijn naakte vragen’. De adviezen, de vragen, wie ze is en waar ze staat zijn terug te vinden in het tweede gedicht:

Altijd weer het slapeloze verlangen
om niet te zijn, dit slapeloze lijf.
Waar dwaalt het kind dat haar borsten voedde?
De knokkels tot bloeden geslagen

Niet doen, fluisteren de doden.
Vermijd pijnlijke woorden
ze zeggen niet wat ze tonen.
Wees op je hoede voor alles wat waar is.

Je bloedt niet, dicht het de kamer toe
de schaduw die je zelf geworden bent.
Blijf bij de les en leer met minder zetten
uit te spelen. Weet dat tenslotte de verliezer wint.

Altijd vroeg in de ochtend, de nacht is vergaan
maar niet voorbij. Als de zandman
zich eindelijk ontfermt, blijkt bedrog
en tast zij in het donker naar beduimeld leed

Naast de dichteres als moeder en haar dochter treedt in de gedichten ook ‘De man’ op, die probeert zijn partner te beschermen voor het leed dat haar is overkomen. Hij ‘waakt als een cipier’. Het breuk-motief komt in allerlei hoedanigheden voor in deze afdeling, zoals in ‘Er is meer in haar gebroken / dan haar gebroken lijf’ en ook in relatie tot haar partner: ‘Er zijn geen botten meer / die nog kunnen breken / slechts breuken die nooit zullen helen / wat hij niet kan begrijpen’. Sommige metaforen die de dichteres hanteert, zijn opvallend. Ze verwijzen naar de fantasiewereld van een spelend kind. Het begrip slaap verbeeldt ze met ‘De zandman’ en de werking van de medicijnen verwoordt ze met de omschrijving ‘toen chemische soldaatjes oorlog speelden’.

In de tweede afdeling ‘Matilde’ probeert de dichteres door gedichten te schrijven en daarin de jeugd van haar dochter terug te halen, structuur aan te brengen in haar leven. Dat kan bijdragen aan haar persoonlijke rouwverwerking. Beelden van vroeger hoe ze zich gedraagt, nauwkeurige herinneringen hoe ze er bij zit, woorden die ze spreekt, alles is bruikbaar. De dichteres is voortdurend op zoek naar de dierbare momenten, die in een volgend gedicht in één keer verdwijnen, als haar dochter wordt opgenomen:

Ze hebben haar van de straat geraapt
als een dief, een moordenaar
met loeiende sirenes naar het gekkenhuis.

Achter gesloten muren rammelen tralies
loopt ze van deur naar deur
haal me hier weg, ik ben onschuldig.

Rest het eindeloze wachten van de moeder en de nutteloze pogingen haar vrij te krijgen. Ze denkt aan haar wensen, haar gesprekken, haar uitspraken en haar levensverwachting tot de sprong van haar dochter vanaf de brug in het Tsjechische Horni en later aan haar eigen val van de trap, die zij een ‘Vrije val met hindernissen’ noemt, een ‘vertraagde versie van haar sprong’, de sprong van haar dochter dus. Ze twijfelt of ze naar Horni wil. Dit doet ze met een verwijzing naar de beginregel van ‘De moeder de vrouw’, Nijhoffs beroemde gedicht: ‘Ik wil / naar Horni om de brug te zien.’

‘Panta rhei’ ofwel ‘Alles stroomt’ is de titel van de derde afdeling. Het is een uitspraak, die wordt toegeschreven aan de Griekse filosoof Heraclitus. Het is ook de titel van de in 2015 verschenen roman van haar hand over de dood van Matilde. Het zijn de gedachten van de man die aan het bed van zijn levensgezellin waakt, nadat zij van de trap gevallen is:

Gebroken waakt hij bij het bed, zwijgt
en luistert naar wat ze niet zegt, wacht
op onuitgesproken woorden. Laat het
komen, liefste, alles wat in je brak mag
helen, laat het stromen, Panta Rhei.

De tijd gaat verder (‘Bijna winter alweer’), en de overleden dochter zorgt voor een verwijdering tussen de dichteres als moeder en haar partner: ‘Ze slaapt tussen hen, liefste van zijn geliefde’. En wanneer het Nieuwjaar is, gaan zij op de vlucht voor het jaar dat komen gaat. De tweespalt in hun verhouding wordt duidelijker. De moeder: ‘Zij noteert in een agenda / niet te vergeten dagen’ en de man schrijft ‘dagen om over te slaan’ op. Uiteindelijk wil ze op reis, de man vindt het goed. De voortdurende donkere nachten lijkt ze achter zich gelaten te hebben. Er gloort weer hoop, er dient zich weer een toekomst aan: ‘En dan lacht plots weer de dag / breekt door de nacht’. Het laatste gedicht van de bundel bevat deze wending, dit breekpunt. Eindelijk zijn de negatieve, slapeloze nachten doorbroken. De bundel eindigt aldus: de vrouw wil ver weg, ‘eindeloos ver van hier’. Het ziet ernaar uit dat zij vat gekregen heeft op tijd en ruimte. Ze wil ‘eindeloos / naar het leven happen’.        

Tot slot. Vormtechnisch is in Vrije val met hindernissen het gebruik van het parallellisme opvallend. Door de herhaling aan het begin van een nieuwe strofe in een gedicht wordt de inhoud van een strofe versterkt en krijgt het gehele gedicht de vorm van een litanie. Dit treffen we aan in de eerste afdeling in een gedicht dat is opgebouwd met zes ‘En dan’- strofen, waarin de dichter in de tegenwoordige tijd herinneringen uit het leven de dochter terughaalt. In de twee openingsgedichten (of is het er toch één) krijgt de versregel ‘Alleen maar omdat ik moeder ben’, die vier keer herhaald wordt een bijzondere kracht en geeft het de dichteres een steeds uitzonderlijker positie ten opzichte van haar onderwerp. Ook het herhalen van het woord ‘Hoe’ in drie achtereenvolgende gedichten benadrukt en verbindt het anekdotische van de herinneringen van de dichteres aan haar dochter. Er zijn er nog meer. De herhaling van ‘Gebroken…’, ‘Dat ze moe wil worden,…’ en ‘Dat alles weer…’ in de derde afdeling, geeft de poëzie een evocatieve kracht, omdat Lief Vleugels steeds weer deze stijlvorm blijft gebruiken in haar gedichten. De toepassing van deze stijlvorm is de basis van deze bijzondere, zeer persoonlijke dichtbundel.

***
Lief Vleugels (Herentals, 1953) schrijft romans en poëzie. Ze was als docent verbonden aan de Antwerpse SchrijversAcademie en de Schrijversvakschool in Paramaribo. Haar poëziebundels Getij (2005), In de adem van Zeus (2007) en Mensen (2008) werden uitgebracht door Uitgeverij P in Leuven. Zij publiceerde verhalen en gedichten in diverse bloemlezingen en literaire tijdschriften. In 2015 verscheen de (auto)biografische roman Alles stroomt, over het leven en de zelfdoding van haar dochter.

Recensie van Atlas van de tijd - Anneke Wasscher

Woorden leggen op lege plekken

Anneke Wasscher
Atlas van de tijd
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411198
€ 15,00
78 blz.

Een bundel openen met een gedicht dat ‘Hartslag’ heet, waarin de dichteres speelt met woorden als blootgeven, het zwijgen van de lichaamstaal en het spreken van dromen, daarmee trek je de lezer ogenblikkelijk de bundel in, of hij niet nu wil of niet. Atlas van de tijd van Anneke Wasscher suggereert een overzicht van poëzie die in een bepaalde tijd geschreven is. Dat is ook zo, ik lees in de begeleidende tekst dat de bundel ‘de oogst van tien jaar dichterschap’ is, maar na het lezen van het eerste gedicht vermoed ik dat vooral het kleine, het intieme, het fragiele een belangrijke plaats inneemt in haar gedichten. Dat is dus meer dan een overzicht van de tijd. Dat laatste blijkt zeker uit de eerste reeks ‘we leggen nieuwe woorden op een open plek’. Het openingsgedicht luidt aldus:

hartslag

zolang we elkaar beminnen zullen
zomers koosnamen fluisteren
geef jij je bloot in elke kus en oogopslag
lichaamstaal weet niet wat zwijgen is

we leggen nieuwe woorden op een lege plek
de zin vindt klankkleur van een liefdeslied
hemelsbreed herhaalt een vergezicht het ritme
van een oud gedicht dat ooit geschreven werd

kom bij me liggen in de wieg van diepe slaap
waar dromen spreken in een taal die tijdloos is

Wanneer je verder leest in de bundel, ga je niet alleen op zoek naar wie de ‘je’ kan zijn, maar je ontdekt ook een tijdlijn die voor veel lezers herkenbaar zal zijn: van samenzijn naar toekomst naar scheiding naar het vasthouden van (pijnlijke) herinneringen. Kortom, de eerste reeks in de bundel is het poëtisch verslag van een crisis, die een lange periode van een leven in beslag neemt. Vanuit het perspectief van de tijd ziet het voortgaan van de tijd in de gedichten van Wasscher er zo uit: de tijd is onder andere zichtbaar in een scheefgezakte schutting, in verf die loslaat. Ze is een lijn die je kunt volgen, een lijn die een houvast is: een bomenrij, strepen op de weg, hoewel de dichteres ook zegt: ‘en ik / ben niet in staat iets vast te houden’. Vooruitkijken blijft mogelijk, maar: ‘we hebben uitzicht op de tuin waar / nooit iets nieuws meer groeien zal’ tot het moment dat ‘het laatste beeld van jou verdwijnt’. Deze eerste reeks eindigt met boosheid, gemis, met ‘brieven in de la’, met de dood van de ander: ‘zijn uitvaart draagt een boetekleed / met sluiers van besloten kring’. De laatste gedichten gaan over de vermeende aanwezigheid van de ander, over de stilte met de aanwezige tekens, littekens en levenstekens.

Na de tweede reeks ‘een vleugel vangt beloftes van de zon’ met een zevental miniaturen die namen van personen dragen, pakt de dichteres het thema van de voortgang en vergankelijkheid van de tijd in de derde reeks ‘de onbegrijpelijke pantomime van eeuwigheid’ weer op. De gedichten zijn in relatie tot de thematiek wat abstracter dan de gedichten in de eerste reeks. Onderwerpen als licht en donker, de maan, het levenslicht en de winter komen langs en voeren de lezer mee naar een eindpunt: ‘nog een laatste hek in ’t landschap / opgenomen, dan een wei’. De dichteres heeft ook in deze afdeling veel aandacht voor lijnen en verbindingen die tijd zichtbaar maken, zoals een web, de smalle paden van de ouderdom, de langdradige verhalen van een vergezicht in een winterlandschap en bomen die de rijen sluiten. Wanneer het je als dichter lukt de tijdsmomenten met elkaar te verbinden, dan krijg je wellicht vat op de tijd en op je eigen tijd van leven. Mooi is het gedicht ’cirkel’ met een bloedkoralen ketting als metafoor voor de familieband, de bloedband. Het gedicht ‘de tijd’, waarmee deze reeks opent, wil ik de lezer niet onthouden. Ook hier is de hartslag aanwezig:

de tijd

ik kan niet om haar heen
ze spint het levenslicht in
een onzichtbaar web

ontsnappen is onmogelijk
ik ben gebonden aan haar
flinterdunne rag

ze is lijfelijk dichtbij
het ritme van haar hart
is hoorbaar in mijn stem

soms stelt ze me gerust
met mythes over eeuwigheid

Verrassend is de vierde afdeling ‘schuilen in de schaduw van het zwijgen’ met ontroerende gedichten over haar ouder wordende vader en moeder. Hoe mooi is de eenzaamheid van een oudere verwoord in de tweede strofe van het gedicht ‘als het later wordt’ met de versregels: ‘nu iedereen is weggegaan en niemand / meer de naam draagt van een vriend / praat hij voortdurend in zichzelf’. De gedichten in deze reeks zijn een concretisering van het ouder worden van de vader, de noodzakelijke verzorging, en zijn sterven dat te lezen is in ‘zeemeeuw’, het slotgedicht van de reeks. Even denk ik bij de titel: al weer één. Welke dichter heeft geen gedicht geschreven met een ‘meeuw’-metaforiek? De Nederlandse poëzie is overstelpt met ‘meeuw’-gedichten. Meeuwen die onbeweeglijk op meerpalen zitten te peinzen of boven de wijde zee hun rondjes vliegen. Maar dit gedicht ‘zeemeeuw’ is zeer betekenisvol als afsluiter van de reeks en als verbeelding van de dood van de vader met de fraaie openingsstrofe: ‘de morgen is bewogen / wanneer ik langs het strand / je lichaam vind’.

In de laatste afdeling ‘altijd verder dan een weg of wens begrijpen zal’ spreekt in het gedicht ‘juttersgeluk’, dat een ode is aan J. Slauerhoff, de ‘ik’ de dichteres en haar dichterschap toe met ‘je’ en met beelden als ‘jouw zee’, jouw storm’ en ‘jouw levenslied’. Daarna neemt de dichteres de lezer mee naar monumenten als het kerkje van Midwolde, Borg Nienoord te Leek en de Martinitoren in Groningen om te eindigen in Westerbork met een gedicht over de davidster.

De poëzie van Anneke Wasscher is beeldrijk. De beelden die ze in haar gedichten hanteert zijn altijd raak en begrijpelijk. Haar gedichten zijn toegankelijk, ze roepen niet alleen een bepaalde sfeer op, maar ze durven ook op verfijnde wijze beladen onderwerpen aan de orde te stellen. De dichteres schrijft heel precies en is streng voor zichzelf. Gevoeligheid is alom aanwezig in haar poëzie, alles wat neigt naar het sentimentele is vermeden. De woorden die ze op lege plekken legt, moeten precies passen en dat doen ze ook.

***
Atlas van de tijd is het debuut van Anneke Wasscher (1946). Gedichten van haar zijn opgenomen in verschillende bloemlezingen. Een interview met haar is te lezen in Meander.

Recensie van Mammie - Ronelda S. Kamfer

Er was altijd leven in mijn moeders huis

Ronelda S. Kamfer
Vertaler: Alfred Schaffer
Mammie
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598739
€ 21,50
128 blz.

Er zijn dichters die gedichten schrijven vanuit hun herinneringen zonder dat ze die verzen verfraaien met metaforen, rijm- en metrumvormen en allerlei stijlfiguren. De werkelijkheid die zij in hun poëzie publiceren, is op zich al bijzonder of schokkend genoeg. Hun gedichten behoeven geen aankleding of decoratie, ze confronteren de lezer direct met hun eigen persoonlijke historische realiteit. Mammie van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer is zo’n dichtbundel. De uitgesponnen, soms haast prozaïsche teksten presenteren een meedogenloze, rauwe wereld, waarin de dichteres de dood van haar moeder probeert te verwerken en er betekenis aan te geven. En dat in een land waar de dood op allerlei wijzen voortdurend op de loer ligt.

Ronelda Kamfer is een dichteres die midden in de culturele wereld van nu staat. Dat blijkt al meteen uit de motto’s die aan de bundel meegegeven zijn. Engelstalige fragmenten uit songs van REM (‘Nightswimming’), Elbow (‘The night will always win’) en van de jong gestorven rapper Tupac Shakur (‘Dear Mama’) leiden de bundel in. Ook in de gedichten zelf zijn talloze verwijzingen naar namen van personen in deze tijd, zoals in ‘Vetste vliegen’, een gedicht over ‘een nieuwe species / van bruine meisjes in vintagekleren’. Kamfer noemt de zwarte auteurs Idris Elbas en Alice Walker, de zangeressen Grace Jones en Jill Scott, actrice en filmmaakster Lupita Nyong’o en Michelle Obama. Echter, de meeste gedichten gaan over het leven en de dood van haar moeder, haar eigen jeugd, de opvoeding door haar grootouders en de broze relatie met haar zus. Haar moeder is een voorbeeld voor haar. Ze heeft veel, zo niet alles van haar geleerd:

Lage levens

er was een vrouw in mijn leven
die zo vaak was verraden
dat haar hart een cirkel was
ze wreef haar vernederingen
samen met haar badolie
in haar huid
ze was mijn moeder
en ze leerde mij
om niet van mezelf
te houden

Veel gedichten gaan over het moment van het sterven van Kamfers moeder zelf. De beleving, het verdriet en de rouw bepalen de sfeer van die gedichten. Voortdurend wordt daarin het gemis van de moeder voelbaar. In het gedicht ‘Moeder’ is het onder andere haar man die haar mist: ‘mijn vader doet zijn best een goede moeder te zijn / hij koopt geregeld een heleboel groente / maar er is niemand die kookt’. Haar afkomst, haar grote familie, het gewelddadige leven in Zuid-Afrika, haar school, de schoonmaakbanen en de gevangenis zijn onderwerpen die in de poëzie van Ronelda Kamfer op epische wijze uitgewerkt worden. Ook godsdienst, discriminatie, criminaliteit, seksualiteit en haar schrijverschap dat zich plots ontwikkelt, zijn vervlochten met de persoonlijke belevenissen van de dichteres.

Een enkele maal zet Ronelda Kamfer gebeurtenissen uit haar jeugd tegenover het heden, zoals in het slotgedicht met de titel ‘Wees lief voor elkaar, pas op haar, Neldie, ze is je zus…’. De titel heeft het karakter van een letterlijke uitspraak van de moeder van Ronelda. Het eerste deel gaat over het weglopen van haar zus Allisen – ze is nog heel jong – uit een speelgoedwinkel. De paniek van haar moeder is groot, ze bedreigt Ronelda: ‘ik herinner me dat mijn moeder terugkwam / me vastgreep en zei / als Allisen weg is maak ik je dood’. Het tweede deel, dat jaren later plaatsvindt, is confronterend. Weer is haar zus weg, maar nu zijn de omstandigheden anders:

mijn zus is nu al twee maanden vermist
ze is aan de drugs
ze steelt
ze papt aan met gangsters
ze heeft haar kind bij mij achtergelaten

En weer hoort de dichteres haar moeder dreigen wanneer ze de slaap niet kan vatten. De angst, het verdriet, het geweld, het houdt nooit op, niet in de werkelijkheid van alledag, niet in haar herinneringen, niet in haar dromen en dus ook niet in haar gedichten. Mammie is de willekeurige stapeling van gedichten die de chaos in het leven van Ronelda Kamfer verwoordt, zonder opsmuk en al helemaal niet chronologisch. Mooi is het citaat van haar moeder, dat voorafgaat aan de gedichten: ‘Ronelda, je bent en blijft mijn kind tot de dag dat de maan een andere naam krijgt’.

De bundel, die 77 gedichten bevat, is niet ingedeeld in afdelingen. Na de gedichten die door Alfred Schaffer vertaald werden, zijn in een kleiner lettertype de Zuid-Afrikaanse verzen geplaatst. Een versie met de oorspronkelijke gedichten links en de vertaling op de rechter pagina ernaast, zou functioneler geweest zijn. De lezer moet zeker de moeite nemen om deze poëzie in het Zuid-Afrikaans te lezen, het is een prachtige taal. Waarschijnlijk heeft de uitgever dat naast elkaar plaatsen van de gedichten niet gedaan om de kosten te drukken. Achterin de bundel is een handzame, verklarende woordenlijst opgenomen. Ik begrijp dat de uitgever de bundel van deze nog niet zo bekende dichteres wil promoten, maar de voor- en achterkaft vol zetten met aanprijzende citaten van Adriaan van Dis, Antjie Krog, Christine Otten en Maartje Wortel, stoort me. De poëzielezer is heel goed in staat de hoge kwaliteit van deze toegankelijke gedichten zelf te ontdekken, zonder al deze aanbevelingen.

***
Ronelda Kamfer werd in 1981 in Blackheath in Kaapstad geboren. Vanaf haar derde jaar groeide ze op bij haar grootouders, op haar dertiende ging ze weer bij haar ouders wonen in Eersterivier, een township op de Kaapse Vlakte. De gedichten in Noudat slapende honden (2008) handelen over het dagelijkse leven. In de dichtbundel grond/Santekraam (2011) vertelt ze het verhaal van haar familie en de wereld waaruit deze met geweld verdreven werd. Hammie (Mammie), waarin haar overleden moeder een belangrijke rol speelt, verscheen in 2016. Ronelda Kamfer heeft een dochter, Seymour. Haar laatste twee bundels zijn door Alfred Schaffer vertaald in het Nederlands.