Recensie van Mammie - Ronelda S. Kamfer

Er was altijd leven in mijn moeders huis

Ronelda S. Kamfer
Vertaler: Alfred Schaffer
Mammie
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598739
€ 21,50
128 blz.

Er zijn dichters die gedichten schrijven vanuit hun herinneringen zonder dat ze die verzen verfraaien met metaforen, rijm- en metrumvormen en allerlei stijlfiguren. De werkelijkheid die zij in hun poëzie publiceren, is op zich al bijzonder of schokkend genoeg. Hun gedichten behoeven geen aankleding of decoratie, ze confronteren de lezer direct met hun eigen persoonlijke historische realiteit. Mammie van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer is zo’n dichtbundel. De uitgesponnen, soms haast prozaïsche teksten presenteren een meedogenloze, rauwe wereld, waarin de dichteres de dood van haar moeder probeert te verwerken en er betekenis aan te geven. En dat in een land waar de dood op allerlei wijzen voortdurend op de loer ligt.

Ronelda Kamfer is een dichteres die midden in de culturele wereld van nu staat. Dat blijkt al meteen uit de motto’s die aan de bundel meegegeven zijn. Engelstalige fragmenten uit songs van REM (‘Nightswimming’), Elbow (‘The night will always win’) en van de jong gestorven rapper Tupac Shakur (‘Dear Mama’) leiden de bundel in. Ook in de gedichten zelf zijn talloze verwijzingen naar namen van personen in deze tijd, zoals in ‘Vetste vliegen’, een gedicht over ‘een nieuwe species / van bruine meisjes in vintagekleren’. Kamfer noemt de zwarte auteurs Idris Elbas en Alice Walker, de zangeressen Grace Jones en Jill Scott, actrice en filmmaakster Lupita Nyong’o en Michelle Obama. Echter, de meeste gedichten gaan over het leven en de dood van haar moeder, haar eigen jeugd, de opvoeding door haar grootouders en de broze relatie met haar zus. Haar moeder is een voorbeeld voor haar. Ze heeft veel, zo niet alles van haar geleerd:

Lage levens

er was een vrouw in mijn leven
die zo vaak was verraden
dat haar hart een cirkel was
ze wreef haar vernederingen
samen met haar badolie
in haar huid
ze was mijn moeder
en ze leerde mij
om niet van mezelf
te houden

Veel gedichten gaan over het moment van het sterven van Kamfers moeder zelf. De beleving, het verdriet en de rouw bepalen de sfeer van die gedichten. Voortdurend wordt daarin het gemis van de moeder voelbaar. In het gedicht ‘Moeder’ is het onder andere haar man die haar mist: ‘mijn vader doet zijn best een goede moeder te zijn / hij koopt geregeld een heleboel groente / maar er is niemand die kookt’. Haar afkomst, haar grote familie, het gewelddadige leven in Zuid-Afrika, haar school, de schoonmaakbanen en de gevangenis zijn onderwerpen die in de poëzie van Ronelda Kamfer op epische wijze uitgewerkt worden. Ook godsdienst, discriminatie, criminaliteit, seksualiteit en haar schrijverschap dat zich plots ontwikkelt, zijn vervlochten met de persoonlijke belevenissen van de dichteres.

Een enkele maal zet Ronelda Kamfer gebeurtenissen uit haar jeugd tegenover het heden, zoals in het slotgedicht met de titel ‘Wees lief voor elkaar, pas op haar, Neldie, ze is je zus…’. De titel heeft het karakter van een letterlijke uitspraak van de moeder van Ronelda. Het eerste deel gaat over het weglopen van haar zus Allisen – ze is nog heel jong – uit een speelgoedwinkel. De paniek van haar moeder is groot, ze bedreigt Ronelda: ‘ik herinner me dat mijn moeder terugkwam / me vastgreep en zei / als Allisen weg is maak ik je dood’. Het tweede deel, dat jaren later plaatsvindt, is confronterend. Weer is haar zus weg, maar nu zijn de omstandigheden anders:

mijn zus is nu al twee maanden vermist
ze is aan de drugs
ze steelt
ze papt aan met gangsters
ze heeft haar kind bij mij achtergelaten

En weer hoort de dichteres haar moeder dreigen wanneer ze de slaap niet kan vatten. De angst, het verdriet, het geweld, het houdt nooit op, niet in de werkelijkheid van alledag, niet in haar herinneringen, niet in haar dromen en dus ook niet in haar gedichten. Mammie is de willekeurige stapeling van gedichten die de chaos in het leven van Ronelda Kamfer verwoordt, zonder opsmuk en al helemaal niet chronologisch. Mooi is het citaat van haar moeder, dat voorafgaat aan de gedichten: ‘Ronelda, je bent en blijft mijn kind tot de dag dat de maan een andere naam krijgt’.

De bundel, die 77 gedichten bevat, is niet ingedeeld in afdelingen. Na de gedichten die door Alfred Schaffer vertaald werden, zijn in een kleiner lettertype de Zuid-Afrikaanse verzen geplaatst. Een versie met de oorspronkelijke gedichten links en de vertaling op de rechter pagina ernaast, zou functioneler geweest zijn. De lezer moet zeker de moeite nemen om deze poëzie in het Zuid-Afrikaans te lezen, het is een prachtige taal. Waarschijnlijk heeft de uitgever dat naast elkaar plaatsen van de gedichten niet gedaan om de kosten te drukken. Achterin de bundel is een handzame, verklarende woordenlijst opgenomen. Ik begrijp dat de uitgever de bundel van deze nog niet zo bekende dichteres wil promoten, maar de voor- en achterkaft vol zetten met aanprijzende citaten van Adriaan van Dis, Antjie Krog, Christine Otten en Maartje Wortel, stoort me. De poëzielezer is heel goed in staat de hoge kwaliteit van deze toegankelijke gedichten zelf te ontdekken, zonder al deze aanbevelingen.

***
Ronelda Kamfer werd in 1981 in Blackheath in Kaapstad geboren. Vanaf haar derde jaar groeide ze op bij haar grootouders, op haar dertiende ging ze weer bij haar ouders wonen in Eersterivier, een township op de Kaapse Vlakte. De gedichten in Noudat slapende honden (2008) handelen over het dagelijkse leven. In de dichtbundel grond/Santekraam (2011) vertelt ze het verhaal van haar familie en de wereld waaruit deze met geweld verdreven werd. Hammie (Mammie), waarin haar overleden moeder een belangrijke rol speelt, verscheen in 2016. Ronelda Kamfer heeft een dochter, Seymour. Haar laatste twee bundels zijn door Alfred Schaffer vertaald in het Nederlands.

Recensie van Wax Hollandais - Abdelkader Benali

Speelgoed, sportief verlies en literaire revanche

Abdelkader Benali
Wax Hollandais
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514675
€ 19,99
104 blz.

De dichtbundel Wax Hollandais van Abdelkader Benali is een waardige opvolger van Panacee uit 2006. Het is een uitdagende, gevarieerde bundel geworden. Gedichten over Nederlandse steden, over Marokko, over het huishouden en vaderschap, over culturele diversiteit en over het schrijven zelf. Kenmerkend voor zijn poëzie is de vitale toon en de speelsheid in het merendeel van zijn gedichten. De titel Wax Hollandais is een verwijzing naar een batiktechniek van het Helmondse bedrijf Vlisco, dat vooral de Afrikaanse markt bedient met zijn zeer kleurrijke textielontwerpen en stoffen. De vormkenmerken wisselen sterk in de gedichten, zowel qua strofebouw als het gebruik van hoofdletters en interpunctie. De korte openingstekst in proza ‘De ontdekking van de poëzie’, een dialoog tussen de ik-figuur als kind en een onbarmhartige deurwaarder over wat speelgoed is en wat speelgoed kan zijn, is een boeiende leidraad voor de lezer. Een klein fragment:

‘We hebben geen speelgoed,’ zei ik tegen de man. 
‘Dat zullen we nog wel zien,’ zei hij en begon door het huis te lopen, die paar kamers, en voordat ik het wist was hij naar me toe gekomen met onder zijn arm allerlei zaken waarvan ik niet had geweten dat ik ze in mijn bezit had.

Benali is een dichter die de steden waar hij komt op aanstekelijke wijze in een fraaie, korte openingszin wegzet. Het gedicht ‘Den Helder’ begint met ‘Veel marine, weinig hart’ en ‘Rotterdam’ met ‘Op de tram wachten.’ Soms gebruikt de dichter meer woorden. Boxmeer mag het hier mee doen: ‘Ik kon me niet herinneren ooit in Boxmeer / te zijn geweest totdat ik het me weer herinnerde, / ik was in Boxmeer geweest.’ Ik heb zelden de kleurloosheid van een plaats zo verwoord gezien. Hoe leer je Dordrecht kennen? Het is ‘Een stad die ik leerde kennen van de Wibra- / reclamefolder die maandelijks op de mat / viel.’ Deze afdeling ‘Urbi et Orbi’ (Voor de stad en voor de wereld) is een reis langs Nederlandse steden die de dichter bezoekt omdat hij er lezingen houdt of hardloopt. De poëzie is in zijn taalspel bijna argeloos te noemen, maar intussen word je als lezer geregeld gedwongen te stoppen met lezen en na te denken over de betekenis van de versregels. Ook het gedicht ‘Nijmegen’ begint met een opmerkelijke openingszin:

Ik was niemand nog, de Waal was alles. Ontvangen
werd ik als een schrijver van de buitencategorie – wat
ik vertelde klonk hun bekend en ook vreemd in de oren.
Later kwam ik terug om een sprintje te trekken,

zonder het te beseffen penetreerde ik Duitsland,
onderdeel van het verzet, liet een geheim spoor
achter, zestig jaar na de oorlog deelde ik de laatste
tik uit. De heuvels die in november de kleur van

molshopen aannemen. En de regen barricadeert
de ramen en de deuren. Denkt en leest men
grondig over een wereld die ooit zal komen. Dat
Nina Simone hier rust en reinheid vond. Vanzelf-

sprekend. Men werkt er serieus aan een mystiek
lichaam dat zichzelf bezweet in slaap wiegt.

Het gedicht bevat verwijzingen naar het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Ik vraag me zelfs af: wordt hier de spot gedreven met al die mensen die er na de oorlog prat op gingen in het verzet te hebben gezeten? Ook refereert de dichter aan de traditionele Zevenheuvelenloop, aan Frans Kellendonk (‘mystiek lichaam’) en aan Nina Simone, die in 1988-1990 in Nijmegen verbleef en daar blijkbaar wel ‘rust en reinheid’, maar niet de r van regelmaat vond. Veel van Benali’s gedichten in deze bundel hebben de structuur van bovenstaand gedicht, namelijk 14 versregels, drie kwatrijnen en één distichon, het zogenaamde Shakespearesonnet. Omdat andere eigenschappen van het sonnet, zoals rijmschema’s, metrum en wending ontbreken wil ik deze gedichten niet zonder meer sonnetten noemen omdat de vorm erg vrij is.  

Sport in het algemeen, niet alleen hardlopen, is een belangrijk onderdeel van de bundel. Sport gaat altijd over vormen van bewegen, zoals springen en neerkomen, stijgen en dalen, vertragen en versnellen. Dat geeft de dichter de mogelijkheid om deze bewegingen te verbinden met aspecten van tijd en ruimte. De bewegingen worden een metafoor. In ‘De polsstokhoogspringster’ schrijft de dichter wanneer hij vol bewondering de voorbereiding en de sprong van een atlete waarneemt: ‘Tot grote hoogte gekomen beroerde ze me, / ik stond op springen, ook ik.’  En in ‘Afrikaan in Lelystad’, dat uit twee gedichten bestaat, vraagt de dichter zich af: ‘Wat doet een Keniaan in Lelystad? Durf te vragen. / De weg naar huis vinden natuurlijk.’ In het tweede gedicht neemt hij als dichter achteraf wraak op zijn falen als hardloper (‘hopeloos uit vorm’) in de wedstrijd, waaraan ook de Keniaan deelnam. Hij dicht: ‘jouw hoogmoed / afstraffen door je achter me te laten, op papier, enkel, / sportief verlies is een literaire voorwaarde voor revanche’. Wat een uitspraak! Sport en dichtkunst vullen elkaar niet alleen aan, sport is een voorwaarde om in de dichtkunst het hoogste te bereiken.

Het lange gedicht ‘De luit van mijn oom’ in de afdeling ‘Marokko Express’ is een ode aan dit muziekinstrument, aan ‘zijn geliefde’. Zijn reis naar zijn geboorteland heeft in dit gedicht een louterende werking op de dichter; het is een vorm van opgelegde catharsis: ‘Fris / in de kleren gestoken / op de duizelingwekkende / boot die Europa verliet, werden we / onder de douche gezet, gewassen, / verschoond, zodat we schoner / aankwamen dan we ooit waren geweest / De nieuwe mens.’ De dichter is niet alleen een ambitieuze hardloper, maar ook een reiziger die zich in de bundel enkele malen afvraagt wat nu precies zijn geboorteplaats of -land is. Hij is op zoek naar wie hij nu eigenlijk is.    

Als recensent zeg ik niet gauw dat ik plezier heb beleefd aan het lezen van een dichtbundel. Dat kan als een negatief oordeel overkomen dat de gelezen poëzie oppervlakkig is, dat de gedichten me niet geraakt hebben. Meestal geef ik een oordeel in andere bewoordingen. Veel poëzie heeft nu eenmaal een ernstige toon, heeft een bepaalde mate van abstractie of is op een andere manier speels. Bij Abdelkader Benali ligt dat in Wax Hollandais anders. Hoe hij het leven ziet, wordt duidelijk uit de beginregels van het laatste gedicht:

We leven omdat het leven voor ons ligt,
we rollen het op als een tapijt en wat
we kwijtraken, komt nooit meer terug,
dus feest als je feesten kan, leef vrij van
dwang en ontmasker de vrijheid.

Benali’s dagelijkse levenservaringen zijn uitgangspunt voor zijn toegankelijke gedichten. Deze gedichten zijn vitalistisch van aard, ze hebben een milde toon als ze kritisch zijn en gaan het bespotten van actuele situaties niet uit de weg. Zijn poëzie is aangenaam om te lezen, zij is toegankelijk en authentiek en bevat een persoonlijke diepgang. Nergens krijg ik het gevoel dat de dichter met mij als lezer een spelletje speelt. Benali neemt zijn lezers op speelse wijze serieus.

***
Abdelkader Benali (Aghazzazen, Marokko 1975)  debuteerde met de roman Bruiloft aan zee (1997). Voor zijn tweede boek De langverwachte (2003) ontving hij de Libris Literatuur Prijs. Zijn oeuvre bevat ook verhalenbundels, gedichten en beschouwend proza. Zijn laatste dichtbundel Panacee verscheen in 2006. Hij presenteerde voor de Nederlandse televisie twee programma’s over literatuur en Nederlandse schrijvers, namelijk De schrijver en de stad (2010) en Benali boekt (2011-2012). In 2018 is hij voorzitter van de jury van de Libris Literatuur Prijs.

Recensie van Latere Overtuigingen & Inzichten - Mila Fertek

Een onbekende vrouw die onbekend blijft

Mila Fertek
Latere Overtuigingen & Inzichten
Uitgever: De Manke God
2017
ISBN 9789082585520
€ 10,00
40 blz.

In Latere Overtuigingen & Inzichten van Mila Fertek, een bundel van 27 gedichten, is het openingsgedicht ‘Zal’ een aankondiging en een belofte. Het gebruik van het hulpwerkwoord van de toekomende tijd, het niet poëtische woord ‘Zal’, is opmerkelijk. ‘Zal zij u eens verhalen van haar grote liefde’ en ‘Zal zij het u vertellen hoe ze was en droomde’, het zijn versregels uit dit drie-strofische gedicht die aankondigen wat de lezer kan verwachten. Hoe verbaasd ben ik dan ook dat in alle volgende gedichten geen zij-figuur verhaalt en vertelt, maar dat de zij-figuur zelf het onderwerp is in de gedichten. Dat kan, de dichter mag de lezer op het verkeerde been zetten. Maar wie is dan de dichtende, zo je wilt de vertellende instantie in deze gedichten? Wie is er aan het woord? Wie neemt mij als lezer mee, wie trekt mij de bundel in? In het tweede gedicht ‘Uurwerk’ denk ik dat de openingsstrofe het antwoord geeft op mijn vragen:

De klok die tikt
Heeft een oude man gezien die heel licht
En veerkrachtig scheen
Hoewel hij een oud krom mannetje leek

Zij stond over weitjes uit te kijken
Een fietser met jonge tanden ging voorbij
En riep iets
Naar een weelderige vrouw op een boot

Het gedicht presenteert aan de lezer ‘een oude man’, of nauwkeuriger: de tijd, in de vorm van een tikkende klok, heeft ‘een oude man’ gezien. Aan de buitenkant lijkt hij oud en krom, maar aan de binnenkant schijnt hij nog lichtheid en veerkracht te zitten. Is hij het perspectief van waaruit de zij-figuur gepresenteerd wordt? Is hij de dichter die op de achtergrond blijft en de zij-figuur tot leven brengt? Nee, in de tweede strofe wordt de zij-figuur geïntroduceerd als handelend personage en ze verdwijnt niet meer in deze rol uit de bundel.   

Latere Overtuigingen & Inzichten van Mila Fertek, een van de heteroniemen van Kees Engelhart, bevat prozaïsche gedichten die in parlandostijl geschreven zijn. In het algemeen wordt zijn poëzie in kritieken en interviews zo gekarakteriseerd. Dat is zeker waar, maar ik wil eraan toevoegen dat de gedichten ook registraties en interpretaties van de door hem waargenomen werkelijkheid zijn. De dichter registreert het handelen van de zij-figuur en geeft daar een persoonlijke betekenis aan. Het woord registreren zou goed in de titel passen. De gedichten zijn ogenschijnlijk eenvoudig en toegankelijk. Dat valt echter tegen wanneer je de gedichten wil interpreteren, op zoek gaat naar betekenissen. De dichter laat veel open, bijvoorbeeld door het gebruik van verwijzende woorden die hij niet invult en ik als lezer ook niet ingevuld krijg. Het gevoel dat daarbij ontstaat, bevalt me niet. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat de dichter mij impliciet zegt dat het mijn probleem is en niet het zijne. Het gebruik van het woord ‘iets’ in het tweede en derde gedicht is zo’n voorbeeld: ‘En riep iets’, ‘Achter iets dat voorbijging buitelden zwarte vogels’, ‘Zij had zich iets voorgenomen’ en ‘Of dat er iets anders gebeurde’. Is hier een dichter aan het woord die vooral voor zichzelf dicht en niet voor een lezerspubliek? Zo ja, dan is dat zijn goed recht, maar verstop niet alles in woorden zonder of met niet te achterhalen antecedent. Ik voel me teveel een dolende lezer, die uiteindelijk de weg – of míjn weg – in het labyrint niet vindt of terugvindt. Jammer is ook dat de bundel enkele slordigheden bevat, zoals op pagina 15 (‘Zij blijf er naar zoeken’). Waarom pagina 17 in de bundel ontbreekt, is mij niet duidelijk.

De bundel bevat twee interessante thema’s: het godsbeeld van de zij-figuur en de tijd, in de vorm van klokgedichten. Beide thema’s zijn in het gedicht ‘Klokgod’ met elkaar verbonden. De dichter vraagt zich niet alleen af of ‘Dat al hetgeen plaatsvindt / Niets dan toeval is’, zijn vraag gaat verder. De dichter stelt ook of het voor de zij-figuur ‘te verkroppen’ is daar ‘strikt gezien vanuit te moeten gaan’. Er is een ‘klokwerk’ aanwezig, tijd is een structurerend element dat tegen het toeval ingaat. De dichter vraagt zich in het gedicht af: ‘Waarom zou zij zo stellig moeten zijn / In haar afwijzing moeten zijn van haar godsbeeld’. Aan het eind van het gedicht lijkt de zij-figuur zich te conformeren aan ‘het godsbeeld / Dat jullie schetsen’. De zij-figuur stelt zich op tegenover ‘jullie’ – wie dat verder ook zijn – maar komt in de laatste versregel tot de conclusie: ‘Wij belijden hetzelfde geloof’. Als lezer blijf ik weer met vragen zitten als: welk geloof? Hoe ziet hun godsbeeld eruit? Eigenlijk is het gedicht ‘Stilte’ het enige gedicht dat mij bereikt, waarop ik vat krijg. Het gaat over de stilte en wat stilte met de zij-figuur doet en betekent. Dit gedicht gaat dus niet direct, maar indirect over de zij-figuur.

Na het lezen van de bundel vraag ik me oprecht af of ik als lezer de zij-figuur door middel van deze gedichten heb leren kennen? Nee dus, hoogstens voor een klein deel. Wie ben je, vrouw? Deze vraag blijft. Dat is op zich niet bezwaarlijk. Een dichter hoeft door middel van de poëzie zijn overtuigingen en inzichten niet prijs te geven. Antwoord krijgen op alle vragen maakt poëzie niet spannender, laat staan beter. De gedichten behouden in deze bundel hun mysterieuze karakter, maar het is ook jammer. Ik ontmoet graag bijzondere vrouwen, ook in of via de poëzie. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik na het lezen van de bundel niet nieuwsgierig ben geworden. Een drang om deze vrouw nader te leren kennen heb ik niet.

***
Mila Fertek (Alkmaar 1988) is een van de heteroniemen die de dichter Kees Engelhart gebruikt. Ze debuteerde met Het fijne leven dat mij wacht (2006). Engelhart publiceert ook onder de namen Fabian de Sackenay, Berty Snellens, Nol Krentsch, Maya Lensink, Engeltje Duin en onder zijn eigen naam. Zijn werk wordt uitgegeven bij zijn eigen Uitgeefhuis De Manke God. 

Recensie van de wereld onleesbaar - Jeroen van Kan

De dichter op een uitkijkpost

Jeroen van Kan
de wereld onleesbaar
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021402130
€ 16,99
72 blz.

Tot de uitgave van zijn dichtbundel de wereld onleesbaar heeft Jeroen van Kan zich bediend van het pseudoniem Westley Albstmeyer (Kaapstad, 1979), woonplaats Brussel. De dichter Westley Albstmeyer heeft zelfs – ook nu nog – een eigen facebookpagina. Nu geeft Jeroen van Kan zijn gedichten uit onder eigen naam, het is het einde van een maskerade. Een breuk met het verleden is deze bundel zeker niet, want een aantal gedichten verscheen eerder onder zijn pseudoniem in de tijdschriften Het Liegend Konijn en Dietsche Warande & Belfort. De nieuwe gedichten wijken qua inhoud of vorm niet af van de al gepubliceerde gedichten.    

Het openingsgedicht van de eerste afdeling ‘ik’ met de opvallende titel ‘einde’ gaat over het opmaken van een beginsituatie, het vaststellen van een nieuw perspectief om gedichten te schrijven. Het is een actuele stand van zaken, waarin de zintuigen van de dichter opnieuw in paraatheid worden gebracht en waarna hij aan het werk kan met de taal. De dichter noemt dit startpunt ‘een domein van niks’. In de letterlijke betekenis: een leeg gebied dat nog ontwikkeld moet worden, ‘waarin een betekenaar landschappen kerft’. De woorden in een gedicht zijn volgens hem gekerfde landschappen. Kerven als synoniem van graveren, beelden inkrassen. Inderdaad: kerven doet pijn. 

De gedichten van deze eerste afdeling kenmerken zich door een zoektocht naar grenzen, zoals in het tweede gedicht, waarin de dichter vaststelt ‘want ik ben een landschap / verkaveld / ingeperkt’. Wel vreest hij ‘grenzenangst die me het overschrijden belet en me / gevangenhoudt in nutteloos ontwijken’. Het is duidelijk dat de dichter in niets beperkt wil worden. Hij wil volledige vrijheid om te kunnen dichten, maar loopt voortdurend tegen grenzen aan die hij moet overschrijden of doorbreken. Op de flaptekst van de bundel wordt hij ‘een machteloze betekenisjager’ genoemd, die nergens houvast kan vinden. Dat weet hij zelf als geen ander, maar hij blijft onophoudelijk jacht maken op betekenisgeving van de wereld die voor hem onleesbaar is. Daarmee is de verbinding betekenaar-betekenis gemaakt. En de dichter als betekenisjager zien we terug in het derde gedicht ‘de jager’, waarin de dichter de jager die in hem zit van zich losmaakt en in de je-vorm toespreekt: ‘je tracht te ontkomen aan de jager die je zelf hebt / verwekt de jager die je opjaagt / met jouw woorden’. Het dichterschap is een levenstaak waar niet aan te ontkomen valt, maar je doet het wel zelf! Anders gezegd: ook al kun je als dichter niet anders, je bent wel verantwoordelijk voor alles wat je aan het papier toevertrouwt. Het opmaken van waar hij als dichter nu staat en hoe hij verder moet, zoals respectievelijk in de gedichten ‘waar ben ik’ en ‘voorwaarts’, leidt naar een reflecterend slotgedicht. Alles is nu in één omvattende hoe-vraag samengebracht: de grenzen, het kunnen (be)sturen, de zintuigen als waarnemingsinstrumenten, het andere zijn dat ook in de dichter aanwezig is en de uniciteit van de dichter zelf. Deze dichter staat op de uitkijk, hij staat ‘in het veld’:

uitkijkpost

hoe kan het
dat ik mij afbaken als lichaam
dat ik daar mijn grens bepaal
dat ik ik zeg tegen
dit dat ik bestuur
of denk te besturen en

dat wat ik niet bestuur als al het andere zie
dat ik niet ben maar wel zie voel hoor ruik proef

dat ik die uitkijkpost ben in het open veld
dat ander is en
dat nooit een ander
deze post
beklimmen zal

Dit gedicht is meer dan een samenvatting van het standpunt en de waarnemingswijze van de dichter. Het geeft mij als lezer betrouwbaar leesgereedschap in handen. Tot nu toe boeit de bundel me en daagt deze me uit. Mijn verwachtingen zijn hoog gespannen. Drie Scheveningen-gedichten, met ‘de pier / een uitkijkpost van dood hout’ vormen de brug naar de volgende afdeling ‘de wereld’. De dichter is er klaar voor, hij staat op zijn post en gaat de wereld te lijf: ‘ik lees een wereld / die niet weet wat / spreken is’.

De wereld is voor de dichter onleesbaar en eerlijk gezegd zijn enkele gedichten in de tweede afdeling dat voor mij als lezer ook, vooral in de zin dat ik ze niet goed kan plaatsen in het geheel van deze afdeling, zoals ‘het vuur’ en ‘littekens’. De heldere ontwikkelingslijn die in de eerste afdeling is ingezet en mij als lezer brengt naar de dichter op de uitkijkpost, wordt in deze twee afdeling losgelaten. Het kost me moeite een nieuwe lijn te vinden. Wel vallen me enkele aspecten op die herhaald terugkeren. In het tweede gedicht van de afdeling ‘ariadne’ is de dichter ambitieus met versregels als ‘ik zal je eens laten zien’ en ‘ik zal je rondom ogen geven…’. Net als Ariadne die Theseus hielp te ontsnappen uit het labyrint met een kluwen wol, probeert de dichter de weg te vinden uit het ‘web’. Dit ‘rondom’-motief of cirkel-idee vinden we op een aantal wijzen terug in de gedichten. Het geeft de dichter de mogelijkheid de wereld van alle kanten te bezien. De vuurtoren ‘draait lichtstrepen uit’ en heeft ‘rondom ogen’ en de dichter zelf loopt om de dingen heen. In het gedicht ‘dagelijkse omcirkeling’ eindigt hij na een aantal zaken die hij opgesomd heeft als een vorm van een ‘groot gemis’ met: ‘dat groot gemis lopen we dagelijks / omheen tot het keert’. In het gedicht ‘dode roofvogel’ plaatst hij het voortbewegen tegenover ‘een onbeweeglijk iets dat er is’ en ‘lopen we eromheen / als een kat rond een / roerloos vogellijkje’. In het fictieve requiemgedicht ‘hoop hulpmotor hart’ komt het woord ‘afgerond’ driemaal voor, daarna kan hij ‘puntgaaf afgerond beginnen aan uiteenvallen’.

In zijn pogingen door middel van poëzie vat te krijgen op de wereld die onleesbaar is, stuit hij op het probleem dat zijn handschrift onleesbaar is. Staat er in het gedicht ‘handschrift onleesbaar’ nu ‘grommend in slaap gevangen schaap’? Zo ja, wat is de betekenis ervan? Is er een schaap in slaap gevallen? Na ontcijfering vindt de dichter wat er echt staat: ‘nee grommend in schijngevangenschap’. Het valt ook niet mee de wereld te lezen als je eigen handschrift je in de steek laat. Ondertussen snelt de tijd voort: ‘als de wereld verjongt / en jij argeloos probeert toe te kijken /  tot stilstand gekomen / ineengedoken’. De tijd herhaalt zich ook, maar dat levert een schijnwereld op, ‘een illusie van leesbaarheid’. De dichter onderzoekt wat echt is en wat schijn in het gedicht ‘wat is en wat lijkt’. Uiteindelijk is zijn ambitie om te jagen op betekenissen om de wereld te kunnen lezen voor niets geweest. Het ‘lijk van de wereld’ ligt op tafel en je kijkt ‘naar dat lichaam als een beer / die een welp per ongeluk heeft doodgedrukt’ en van die tafel moet je de volgende dag ‘toch ook gewoon weer eten’.

In de derde afdeling ‘jij’ worden de gedichten persoonlijker, gaan ze over de ander, familieleden, vrienden en dierbaren. De gedichten in deze afdeling zijn toegankelijker dan in de vorige afdeling. Het jagen dat daar soms geforceerd overkwam, is verdwenen. In het gedicht ‘rivier’ ziet de dichter twee sleepboten langskomen: ‘ze komen leeg en vol voorbij aan het / bankje waar ik vaak zit sinds jij jezelf / het zwijgen oplegde’. De dichter heeft enige rust, maar geen berusting gevonden. Ook wanneer hij aan zijn vader denkt, blijft hij met vragen zitten. Het openhartige gedicht ‘vraagtekenvader’ opent aldus:

de dood was je laatste excuus
om er niet te zijn

voor mij
moet daar eigenlijk op volgen want
dat is wat ik bedoel

voor jou
dat is iets anders want voor wie je
ook verdween van jezelf kreeg je pas

verlof toen je stikte in de laatste slierten
rook die je doorgestoofde kamer zonder
adem maakten

Aan de ene kant zijn er in deze afdeling gedichten die herinneren aan overleden dierbaren, aan de andere kant is er ‘de nieuwe jij’, zoals de titel van een gedicht luidt, een nieuwe geliefde. Maar ‘de nieuwe jij-gedichten’ eindigen in scherven: ‘kijk ons daar staan / tussen onze voeten de vaas die jij / niet liet vallen en ik evenmin’. Jeroen van Kans de wereld onleesbaar bestaat uit drie delen, die elk een eigen karakter hebben, maar vrijwel niet onafhankelijk van elkaar te lezen zijn. Dichters uitkijkpost heeft hem veel poëzie ‘in het open veld’ opgeleverd. De wereld is leesbaar geworden, op een enkel gedicht na.

***
Jeroen van Kan (Hoorn 1968) is dichter, journalist en tv-presentator. Na het overlijden van Wim Brands in 2016 volgde hij hem op als presentator van het televisieprogramma Boeken. Van Kan maakte tot 2007 deel uit van de redactie van het tijdschrift De Tweede Ronde, later vanTirade. Tot de uitgave van zijn dichtbundel de wereld onleesbaar publiceerde Jeroen van Kan onder het pseudoniem Westley Albstmeyer.

Recensie van Verse helden - Gerry van der Linden

Winnen van de zwaartekracht

Gerry van der Linden
Verse helden
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822579
€ 19,99
64 blz.

Verse helden van Gerry van der Linden is haar elfde dichtbundel. Op de flaptekst staat dat zij ‘de absurde wereld van nu en de schijnbaar onschuldige van vroeger’ ontrafelt. Het woord ‘schijnbaar’ gekoppeld aan de ‘onschuldige [wereld]  van vroeger’ intrigeert me, roept voor mij als lezer spanning op, zeker in relatie met de titel Verse helden. Wie zijn voor deze dichter de verse helden?   

Na een eerste lezing confronteert de derde afdeling ‘Wij, pendule’ me met de poëzie over enkele familieleden van de dichter; ze zijn te zien zijn op een 8mm-film. Op film kun je het heden vastleggen en dat later op elk gewenst ogenblik terughalen. Film laat de tijd ook als een voortgaande beweging zien. Manipulatie met de tijd is mogelijk: je kunt de film herhaald afdraaien en dat biedt mogelijkheden voor de dichteres. Het gedicht doet me denken aan het bekende ‘Oom Karel: een familiefilmpje’ van J. Bernlef, waarin een film versneld, vertraagd afgedraaid en zelfs teruggedraaid wordt. De helden in ‘Wij, pendule’ zijn de vader, de moeder, de zoon en de ik-figuur die in enkele gedichten optreedt. Omdat zij in de gedichten de personen zijn over wie wordt geschreven, worden zij de nieuwe, verse helden. Het verleden, die de dichter door middel van poëzie terughaalt en wil vasthouden, wordt een nieuwe werkelijkheid, zoals in het gedicht ‘In het diepe was de zee naakt’, waarin de ik-figuur de hand van de vader vast heeft: ‘zijn vingers / ik kon ze niet vinden / ze klemden mij vast’. Wat me opvalt in deze afdeling is het gebruik van het relativerende woord ‘nogal’ in enkele titels, zoals in ‘Nogal late brief aan mijn vader’ en ‘Twee nogal vliegende gedichten voor mijn zoon’. Na het lezen van de desbetreffende gedichten krijgt dit relativerende woord het effect van een verontschuldiging, alsof de dichter eerder deze herinneringen had moeten verbeelden. De afdeling sluit af met volgende ontroerende, titelloze gedicht over het verstrijken van de tijd, dat terug te zien is in de generaties. Het gedicht heeft alles in zich om een klassiek moedergedicht te worden:

Moeder, de tijd ligt brak
onder je huid.
Je ogen wijzen naar een einder
die bijna van jou is.

Je kinderen hebben grijze haren.
In hun lijf lopen jouw bloed, sporen
glimlach en vernieling, het gaat
niet als vanzelf.

Hun kinderen buigen licht, zoveel
lichter gaat vanzelf.
Ze bloeien als rozen in het zand

drinken als de regen voorbij is.
En ooit op het erf van vroeger
staan ze in jouw voren.

In de tweede afdeling van de bundel ‘Dansen in de zon’ wordt in het openingsgedicht duidelijk wie de dansers zijn: ‘o de doden zijn dansers / hun gebaren en stem stompen in de wind’. In deze afdeling staan twee titelloze gedichten die respectievelijk zijn opgedragen aan de dichters Wim Brands en Rogi Wieg. Het aan Rogi Wieg opgedragen gedicht eindigt aldus:

Poëzie is vallende ziekte, die wint
van zwaartekracht

waar je niet gaat, blijf
waar je niet blijft, ga

vederlicht, o ja

Deze minipoëtica voert naar een ander opvallend aspect van deze bundel: de paradox als toegepast stijlmiddel, waarmee in dit fragment gezegd wordt dat de dichtkunst krachtiger is dan de aardse zwaartekracht. En meer dan dat: de dichter moet blijven op de plaats, waar hij niet naar toegaat, en naar de plaats toegaan waar hij niet blijft of van plan is te blijven. Kortom, een dichter beweegt zich op andere wijze in de werkelijkheid dan de niet-dichtende mens. De dichter legt andere routes af en komt op plaatsen waar anderen niet komen, maar via het gedicht mag de lezer er kennis van nemen. Het gedicht is een routekaart, Van der Lindens poëzie is een andere realiteit, een verbeelde herinnering van vroeger, een moment uit het heden, ‘zoals / herschikken van adressenbestand / jij erin, jij eruit, levend, dood’. Wellicht ten overvloede, ik realiseer me dat dit fragment met zijn paradoxen op een aantal andere manieren te lezen is en dat leidt tot andere interpretaties.

De vierde afdeling ‘Een boterham eten met Brodsky’ gaat over het verblijf van deze Russische dichter op Poetry International in 1989. Hij had twee jaar daarvoor de Nobelprijs voor Literatuur gekregen. De poëtica van de vorige afdeling komt in concrete vorm terug in het slotgedicht ‘In het vliegtuig  naar Wenen, verbannen, 1972’. Uitgangspunt is het opgooien van een munt. In de eerste strofe lezen we: ‘Hij gooit een munt, slaat / die neer op de rug van zijn hand / belofte, zwaartekracht’. Weer die zwaartekracht, nu verbonden aan het toeval en het lot dat Joseph Brodsky te wachten staat. Wat heeft de toekomst voor hem in petto? In de slotstrofen krijgen de werkwoorden ‘uitvliegt’ en ‘openbarst’ een opmerkelijke betekenis.

Het is een dag als alle andere
dat hij zijn land uitvliegt

zijn koffer openbarst van vrijheid
de jassen zwaaien niet

hij gooit een munt
de lucht blijft leeg.

In de vijfde en laatste afdeling ‘Wat voortbeweegt’ koppelt de dichter het (voort)bewegen aan het aspect tijd. In een van de laatste gedichten wordt de ik-figuur losgemaakt van de dichter: ‘De dichter die op onverwachte tijden / bij mij inwoont / doet de boodschappen’. Dit gedicht eindigt met de persoon van de dichter die in een supermarkt rondloopt en bij ‘een zwart wimpermeisje’ afrekent, de ‘daklozenkrantenman’ ontloopt en de muzikant geen muntje kan geven, omdat ze de handen niet vrij heeft. Weer ‘in eigen huis’ gekomen propt ze de koelkast vol: aardser kan het niet. De dichter is weer thuis, maar wat is thuis? De dichter gaat na het boodschappen doen ogenblikkelijk aan het werk, ‘pakt de stofzuiger en begint’, want ‘overal ligt taal’. Juist ja, die betekenis heeft het woord ‘stofzuiger’ ook.

Vader, moeder, haar zoon en de dichter Joseph Brodsky zijn de verse helden. Helden van vroeger die ook nu nog vereerd worden, helden van nu die een verleden en nog een toekomst hebben. De bundel Verse helden geeft kriskras lezend zijn geheimen geleidelijk prijs: de grote die je het eerst ziet en herkent, daarna is het zoeken naar de kleine verborgenheden. Die zijn er volop, maar een aantal blijft in eerste instantie onzichtbaar. Ik blijf zoeken en lezen, geef het niet op, want deze ‘Verse helden vertellen verhalen / grote gebaren en kleine nuances’. Gerry van de Linden sluit de bundel af met het gedicht ‘Nogal leugenachtig lied van de dichter’, waarin ze zich in de slotstrofe afvraagt: ‘Wie zal treuren om de leugen / die ik ben als ik niet meer ben / maar in de aarde opgegaan’. Als je als dichter een waarachtige leugen bent, dan ben je nooit betreurenswaardig.

***
Gerry van der Linden publiceerde elf dichtbundels, een novelle en twee romans. Ze werd in 1975 ontdekt door Remco Campert en debuteerde met de dichtbundel De aantekening (1978). Ze ontving in 2007 de International Poetry Reward of Izmir (Turkije) en haar bundel Glazen jas werd in 2009 genomineerd voor de Brabantse Prijs der Letteren. Gerry van der Linden is docent aan de Schrijversvakschool te Amsterdam, daarnaast is ze beeldend kunstenaar.