Gedichten

het stomste is al uren loopt het gras in
mijn nieuwe jurk rond en ik zit op de bank
van beton als een van de vijf voor de
kapsalon de eerste is gek de tweede heeft
koeienogen de derde is vals de vierde en
de vijfde dat ben ik want onder mij ligt
een plas daarin zie ik mezelf en ik trek
een grimas anders kan een van de twee die
ik ben de bontmuts op het hoofd van de
ander niet eens onderscheiden van de dode
vogel in de plas

het sneeuwt zowaar de
schoenen vormen een paar
het plein is dood ik bijt met
mijn oog in het witte brood

de vader die zoals verwacht niet terug
kwam de moeder bracht de zomer rond in
haar merelzwarte dracht de dochter vond
een bruidegom die legde haar om kreeg
levenslang tot het mes van zijn celgenoot
bij een ruzie door zijn long heen schoot
die man schoor later gedwee zijn hoofd
daarmee maar sindsdien zingt hij te hard
en wipt hij veel te snel wanneer vannacht
de plas bevriest dan komt daarop een vel

op een keer regende
het melk op het huis
in 3 ploegen kwamen
alle katten drinken
de magere op de arm gedragene de
spitsneuzige die met slim genoegen
de hemel als privébezit in hun kop
droegen de verslagene de begravene
maar tevreden geworden
met de jaren – en overreden met
granaatrode poten waren de bulgaren
verreweg de mooiste van alle katten
in de dakgoten

er komt kunstschaatsen op de tv er wordt geklopt
vader doet open hij zegt alleen u komt mij halen
de vreemde zegt je moet meteen mee
in de lente kruipt de adder naar het stijfkoppige
licht in de zomer ligt de driepotige hond als een
bontmof in het stof in de herfst is geurend blad van
slag in de winter komt er een kwade dag er wordt
geklopt en het is een envelop en moeder zegt o nee
maakt hem open er komt kunstschaatsen op de tv

dikke maan snijdt hier ’s nachts citroen ofschoon
ik er niet meer woon zwarte gang in mijn oor taxi
naar gekalkte deur kijk eens door het sleutelgat
hangt de lamp er nog vertel me dat