Gedichten

Knapperbrood en paarden

we vulden onze magen
ik at haar blauwe ogen op
met knapperbrood en paarden
draaiden vrolijk in het rond

we weken van de wereld af
en zwegen al die tijd, ze legde
net toen ik iets zeggen wou
een vinger op mijn mond

buiten goot de late zon
wat licht over een dorre stad
alsof hij het vermoeden kon
alsof hij het begrepen had.

Je lijkt nog op mijn vader

ik heb je als een kind gekend
je bent zo mooi en mooier nog
hier lig je dan, ik dek je toe
nu jouw gedachten slapen

ik voel jouw lippen en de kus
de indruk die je achterliet
je draagt je kreukelige pak
onder gesteven lakens

en bent zo mooi en mooier nog
ik heb je als een kind gekend
ik zie geen wezenlijk verschil
er klopt alleen iets niet

Ontsluiten

ze strijkt de plooien rond mijn hart
voegt het naar haar handen
ik buig over het kussen heen
leg de maan op haar kant

en kruip diep in de moedermond
een gapende wond waarin ik verdwijn
op weg naar de zon en het eerste licht
dat als een vergezicht tussen haar slapen hangt