Klassieker 221

Meander Klassieker 221

Na de onverwachte late vorstperiode tintelt het nu overal van lente. Dat was honderd jaar geleden natuurlijk niet anders. Of misschien wel veel sterker dan we ons nu, in onze centraal verwarmde huizen, kunnen voorstellen. We kennen van Gorter ‘een nieuwe lente, een nieuw geluid’. Maar na zijn ‘Mei’ was hij nog niet uitgeschreven over dit thema. Simon Mulder presenteert ons deze maand een ander lentegedicht van Gorter. 

*

De lente – ik sta midden in haar –

o daar komt ze daar daar
daar vliegt ze op mij aan, ze zoent me,
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen, woord voor woord;
o en daar vliegt ze voort
de honnege fladderende lente,
daar naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente,
de zomerige lente.

Kijk nu, ze strooit den zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar beenen
zoo donslicht omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zoo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht
en daar midde’ in haar gezicht
zie je het wel, zie je het wel –
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we het toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij me weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve oogenbegeer.

O ze valt op mijn borst,
haar mond midde’ in de dorst
van mijn mond, haar roode zachte weeke punttong –
‘t is of ze heelemaal in me drong.


Herman Gorter

Uit: Verzen (1890)
Uitgever: Versluys

In drie ademloze zinnen stort Herman Gorter deze wervelende beelden over ons heen, alle regels van de poëzie overtredend en ons toch meeslepend. Hoe krijgt hij het voor elkaar?

‘Ik tart elkeen om de onhebbelijke ‘Verzen’ te begrijpen, die Herman Gorter dezer dagen in de wereld zond. Er is geen keuze: òf die dichter òf tal van beschaafde menschen in Nederland zijn krankzinnig. Ik – gij vergeeft het mijner ijdelheid, nietwaar? – geloof het eerste’. Deze uitspraak komt uit de Nederlandsche Spectator van 11 oktober 1890. Toen de bundel waarin het te bespreken gedicht staat, eenvoudigweg Verzen (1) geheten, de burelen van de critici bereikte, was de tijd er duidelijk nog niet rijp voor; men vond Gorters gedichten een product van een verwarde geest, de verzen waren onbegrijpelijk (‘duister’ was een woord dat veel viel), en de bundel werd geparodieerd en bekritiseerd, en dit gedicht specifiek ook, bijvoorbeeld in satirisch tijdschrift Brada Redivius: Zij rijzen, rijzen, zie je ’t wel, maar dan weer gaan / Zij dalen, dalen, kijk, zij dadelen neer, / Maar komen hinkerdepinken flabbend weer, enzovoort.

Slechts enkele critici, zoals Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel, die Gorter goed kenden, begrepen de doorbraak die Gorter had bewerkstelligd, en dat zijn nieuwe richting bepalend zou zijn voor de toekomst van de Nederlandse poëzie. ‘Ik herinner mij geen verbazing uit mijn leven, die in grootte gelijk zou zijn aan de verbazing door de Verzen van Gorter mij berokkend,’ zegt Van Deyssel in een brief aan zijn vriend Alphons Diepenbrock, de componist. Van Deyssel kon daarmee ook zichzelf feliciteren, want het was door lezing van zijn roman Een Liefde, waarin hij, door de Franse romankunst beïnvloed, zijn theorie van het sensitivisme ontwikkelde, dat Gorter deze overstap maakte. Maar voor ik op het sensitivisme inga, eerst iets over een aantal verbazingwekkende eigenschappen van dit gedicht en mijn reden om het erover te hebben.

Gorter doet in zijn bundel Verzen (1890) iets bijzonders: hij is slordig met zijn metrum (zijn ritme hort en stoot, zijn regels zijn afwisselend lang en kort), hij rijmt bijzonder eenvoudig (een AABB-rijmschema, ook wel bekend als Sinterklaasrijm), hij overtreedt alle stijlregels met zijn herhalingen en niet algemeen geaccepteerde beeldspraak, maar toch schrijft hij prachtige gedichten. Het is een poëzie waar niet alleen zijn tijdgenoten, maar ook wij nu van schrikken, om zijn voortdurende moderniteit (2). Juist dit gedicht wilde ik hier bespreken, daar het bewijst dat álles mag in de poëzie, als je het maar góed doet.

Eerst maar even een korte samenvatting van de handeling. De lente wordt hier gepersonifieerd; ze komt in de eerste strofe aangevlogen en zoent de dichter. In de tweede krijgen we een uitgebreide beschrijving van haar; ze vliegt, bewonderd door de dichter, weg, en komt na een vlucht die de dichter drijft tot visionaire verklaringen over het licht dat ze uitstraalt, bij hem terug, om hem, in de derde en laatste strofe, opnieuw innig te zoenen.

Opvallend zijn de uitroepen, die telkens een nieuwe wending aankondigen. Driemaal roept de dichter o: in r.2 ziet hij de lente komen, in r.6 vliegt ze plotseling weer weg, en in r.28 is ze, even plotseling, weer terug. In de tweede strofe – alles blijft in beweging – krijgen we kijk nu (r.11) om ons de zomer te laten volgen, die om haar heen vliegt, waarbij de pracht van haar lichaamsdelen wordt omschreven. Dan volgen de climactische r.21-23, waarin we nogmaals en geestdriftig worden opgeroepen om te kijken, ditmaal komen we nader en zien we het licht in haar gezicht. In r.24-27 leidt dit tot de conclusie dat deze ervaring te veel is om te verdragen, maar het verlangen alleen maar heeft versterkt: ze moet bij de dichter terugkomen. En precies dat doet ze in de derde strofe – en hoe! Het enthousiasme spat ervan af, de erotiek is nauwelijks verholen, maar alsnog gestileerd in de mythologische gestalte van dit geïncarneerde seizoen.

Wat ook opvalt, is de hoeveelheid en de lengte van de herhalingen. Aan het einde van de tweede strofe zegt Gorter: gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve oogenbegeer. Vier keer lieve herhalen – daar kom je eigenlijk niet mee weg. Maar op de een of andere manier weet Gorter het hier te laten werken; het is mooi zo, het is precies wat je bevangen door het moment zou kunnen zeggen, in de herhaling het woord proevend en de betekenis herbevestigend en intensiverend. Gorter bevindt zich, laat hij zien, midden in de sensatie. Deze bovenmatige, maar toch of dus juist daarom alleszins begrijpelijke herhaling zien we ook bijv. in ze zoent me, / ze zoent me, ze zoent me (r.3-4), dat de herhaling hier gebruikt als teken van verbazing – Gorter roept het de lezer als het ware toe: ‘Zie je wat ze nou toch doet!’, hij kan het uit blijdschap nauwelijks geloven – en dat des te mooier wordt door het allitererende en assonerende, en ook inhoudelijk erop doorgaande, vervolg en ze noemt me / haar zoete ademen (r.4-5). Gorters herhalingen zijn hier beide op een andere manier (bevestiging in de eerste en verbazing in de tweede instantie) zeer functioneel in de overdracht van zijn emotie.

Naast de herhalingen zijn er de opsommingen. Halverwege het befaamde (of beruchte) 13e hoofdstuk van Van Deyssels roman Een Liefde (1887) loopt hoofdpersoon Mathilde koortsig van verlangen door haar tuin, en laat Van Deyssel zoals op Van Goghs Bloeiende tuin met een pad (juli 1888, thans in bezit van het Gemeentemuseum Den Haag) zijn penseel brede, kleurige streken maken terwijl zij pagina’s lang rijke, heftige indrukken van licht en kleur ervaart: ‘het grasveld, rechts, groende zijn vlakte uit […] breeder en meer, groen, donker groen, geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend’. Gorter probeert, geïnspireerd door wat Van Deyssel in zijn proza deed, in poëzie de precieze, individuele zintuiglijke ervaring, oftewel sensatie die hij ondergaat te vangen, en hij heeft daarvoor alle beeldende kracht nodig die het Nederlands hem kan geven, en wellicht meer: de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente, / de zomerige lente (r.9-10), al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht (r.20), en hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel (r.23). Je ziet hem denken: ‘Zilveren… nee, wacht: zilvervoetige, nee: zilverhandige’, hij struikelt over zijn woorden als hij het precies probeert te beschrijven. Dit werkt bijzonder innemend.

Gorterkenners Enno Endt en J. C. Brandt Corstius verwijzen naar het aan Van Deyssels sensitivisme nauw verwante estheticisme van de Britse schrijver Walter Pater (1839-1894), die lesgaf aan de universiteit van Oxford en onder anderen Oscar Wilde tot zijn volgelingen kon rekenen. Pater concludeerde in zijn standaardwerk over de Renaissance dat het belangrijkste in het leven is om gepassioneerd schoonheid, of om precies te zijn: de precieze, persoonlijke sensatie van schoonheid na te jagen –in Paters woorden: ‘impressions, unstable, flickering, inconsistent, which burn and are extinguished with our consciousness of them, omwille van die schoonheid op zich: l’art pour l’art.

Het genieten van deze opvlammende en dan weer verdwijnende indrukken, deze schone momenten, simpelweg om de beleving zelf is waar het om gaat, of zoals Pater het eerder in zijn conclusie formuleerde: ‘to burn always with this hard, gemlike flame, to maintain this ecstasy, is success in life.’ Deze woorden brengt Endt overigens zeer terecht in verband met het eerder genoemde kwijnende levende stervende opflikkerend licht (r.20), maar ook andere zinsneden uit dit en andere gedichten uit Gorters Verzen voldoen uitstekend aan Paters bewering. Het resultaat van Gorters pogingen tot het vangen van voorbijgaande sensaties (elders in de bundel roept hij uit: ga niet te gauw voorbij, voorbij, voorbij) was wat Willem Kloos zei in zijn lovende oordeel over deze bundel van Gorter: ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’.

Het gedicht is in door Gorter gereviseerde herdrukken van deze bundel weggelaten – wat mij betreft onterecht! De muzikaliteit, de moderniteit en de bevlogenheid in dit gedicht zijn nog even sterk als meer dan een eeuw geleden.

***

(1) In dit stuk wordt verwezen naar de 3e druk van de geannoteerde versie van Verzen 1890 , door Enno Endt (1987, Uitgeverij Ambo/Athenaeum – Polak & Van Gennep, Baarn/Amsterdam) en Endts Herman Gorter Documentatie, 1e druk (1964, Polak & Van Gennep, Amsterdam).

(2) Zie ook het essay van Simon Mulder in Awater-2017-3 over de invloed van Herman Gorter op hedendaagse dichters.

Simon Mulder is dichter, voordrachtskunstenaar, historisch taalwetenschapper, docent klassieke talen en oprichter van Stichting Feest der Poëzie. In 2015 maakte hij de cd ‘Verzen 1890’ met soundscapes en gedichten van Gorter.

In de Meander Klassiekers bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor een overzicht.

Reageren op deze bespreking? Neem contact op met Meander Klassiekers. Het e-mailadres is: Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Zelf een bijdrage leveren? Klik hier voor meer informatie.

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Gedichten

De mannen van de geest, die nacht aan nacht
Steeds tussen stapels boeken zijn gezeten
De mannen die, soms bladerend verbeten,
Alsof in boeken wat zij zochten wacht,

En dan weer kortaf krassend met hun pennen,
Daar kalend en uitdijend in hun stoel
De jaren tellen – en voor welk doel?
Zij denken het heelal te kunnen mennen

Met wet en stelsel op te kunnen tuigen
En jagen op de sterren in hun vlucht;
De mannen, die nog met hun laatste zucht
De wereld voor zich willen laten buigen

De mannen, die in kamertjes doorrookt
Elkaar bestrijden om een onnut feit
En zich verheugen om een nietigheid –
Het spookt om hen zoals het in hen spookt

Als men hen ziet, ziet men hen ontevreden;
De mannen van de geest, die nacht aan nacht
Steeds vrezen dat hun waarheid wordt ontkracht:
Tot deze orde ben ik toegetreden.

Uit: Avantgaerde, Leest der Poëzie, jaargang 2, februari 2011

Dat ik het, alle moed verzamelend,
toen je daar stond, niet zei zoals verwacht,
maar wankelmoedig, zacht, bedacht
op vallen, onbeholpen stamelend;

dat je gelachen hebt zoals je lacht;
dat we twijfel en vormelijk verzet
voorgewend hebben – niets heeft het belet:
we vielen, we veroverden de nacht.

Was het een wensen dat ik in je las,
een naderen met een geschenk, was het
een wenken, donker en onopgezet?
Je werd onhoudbaar mooier dan je was.

Mooier dan ik verdien. Je wist misschien
al lang dat ik ons samen had gezien.

Uit: De Titaan, literair blad uit het zuiden, no. 6, juli 2015