Gedichten

IN THE MUSIC OF LABOUR

At first the stubborn growth resists him, till each stroke
is fluently flung to clear the knee-high grass, his task
down to an art, the pendulous swing of knees slightly
giving, his right arm catching the sun wet off the blade.

All day the work, shuffling steps into shuffled clearings,
beetles and crickets rising off cordite clicks sparking
off stone, bearded chin sequinned with sweat. The heat
seems not to bother him, but steels his concentration

deep in the trials of his faith. Why the sun rises and falls,
why his jaundiced wife believes God will save them all,
is just as unclear as why his newborn’s unfinished death
hangs heavy on every dawn. In the music of his labour,

each composed thresh throws slashed grass to sunlight,
each mastered stroke floats timed beneath the weight
of the sun burning deep into his heart, the mastered art
of his arm fluent with the song the hours constantly sing.

*

Vertaling: Jabik Veenbaas

IN DE MUZIEK VAN DE ARBEID

Eerst het verzet van ’t koppig groen, tot elke slag
vloeiend wordt voortgejaagd door kniehoog gras, zijn vak
volkomen meester, knieën die zwaaien lichtjes mee-
geven, zijn rechterarm die zonglans vangt van ’t blad.

De dag lang werken, schuifelend door verschoven plekken,
kevers en krekels springend door ’t scherpe schampen vonkend
van steen, gebaarde kin in zweet gedrenkt. De hitte
deert hem schijnbaar niet, maar staalt zijn concentratie

tot in de last van zijn geloof. Waarom de zon komt en verdwijnt,
waarom zijn nijdig wijf gelooft dat God de mensheid redt,
is evenzeer de vraag als waarom ’t onaf sterven van zijn kind
zwaar op elk dagen hangt. In de muziek van zijn arbeid

werpt elke vaste slag graszwaden naar het zonlicht,
elke bekwame snee zweeft ritmisch onder het gewicht
van de zon die diep brandt in zijn hart, het meesterschap
van zijn arm akkoord met de steeds hoorbare zang der uren.

PORTRAIT OFF A WATER TROUGH

It was here the old man drank and wiped his mouth,
cupped the cool water and bathed his face with a deep
exhale – his smooth balding scalp shining beneath
the sun like polished soapstone. The day had been long,
the search forlorn, whistling and clicking his tongue,
a small sack of boiled sweet potatoes slung back over

his shoulder, bamboo cane sifting through lovegrass.
He’d walked with the rising sun – whistling, clicking,
his gait limp and slow, the blond expanse glistening
off boots rugged with repair. But where was the calf
he sought? The calf’s mother suckling on her own teat
back in the maternity pen, egrets white on the fence.

To be born in 1931 means nothing here – joints ache
with each tired step, only the sky and rural landscape
soothe the memory’s walk deep with the quiet intake
of death. The wind sings through the grass, parrots rise
from bare trees, yet youth still whispers some reprise
his hunched shadow won’t easily surrender or forget.

He knows the calf lies somewhere low and searches
for shallow disturbances, a thermal of jackal buzzards
soars west off the reclining sun, shattered skull-gourds
of wild oranges littering the bush. He walks to where
the windmill turns its sweet exercise, the steady gleam
of silver blades levelling the trough to a simple mirror;

and here the old man stops and drinks, the full moon
rising where the sun rose, the sun steadily sinking into
the horizon. And for a while he stands still, the June
air quickly turning cold, the broken look of a stranger,
toothless and bald, staring back off wrinkled water
his hands left to settle, the sky nailed wet with stars.

*

Vertaling: Jabik Veenbaas
 
PORTRET AAN EEN WATERBAK

Hier dronk de oude man en veegde hij zijn mond,
schepte koel water en waste zijn gezicht met een diepe
zucht – zijn gladde, kale kruin glimmend onder
de zon als gepolijste speksteen. De dag was lang,
het zoeken tevergeefs, fluitend en klakkend met zijn tong,
een zakje met gekookte bataten over zijn schouder

geslagen, de bamboestok vorsend door raaigras.
Hij ging met de opgaande zon – fluitend, klakkend,
zijn gang zwak en traag, het heldere uitspansel glanzend
op ruw opgelapte laarzen. Maar waar was het kalf
dat hij zocht? De moeder zoog op haar eigen speen
in het kraamhok, zilverreigers wit op de schutting.

In 1931 geboren zijn betekent niets hier – gewrichten kraken
bij elke zware stap, alleen de hemel en het landelijk uitzicht
troosten herinnerings loop diep met de stille adem
van de dood. De wind zingt door het gras, papegaaien in 
dorre bomen vliegen op, maar jeugd fluistert een herbegin,
toegeven of vergeten zal zijn gekromde schaduw zomaar niet.

Hij weet dat het kalf zich ergens schuilhoudt en zoekt
naar een kleine vertroebeling, een thermiekbel van buizerds
zeilt westelijk van de rustende zon, er slingeren schedelhulzen
van wilde sinaasappels rond in de struiken. Hij loopt tot waar
de windmolen zijn fraaie rondes maakt, gestage glans
van zilverwieken die de bak effent tot simpele spiegel;

en hier stopt de oude man en drinkt, de volle maan
komt op waar de zon opkwam, de zon die langzaam zakt
naar de horizon. En even staat hij stil, de juniavond
die snel afkoelt, de gebroken blik van een vreemde,
tandeloos en kaal, terugstarend uit rimpelend water,
al haast weer vlak, de hemel nat genageld met sterlicht.

Vertalingen zijn gepubliceerd op www.poetryinternationalweb.net