Gedichten

Niemand lijkt vandaag jarig te zijn, het knopje
aan&uit van de wasmachine is stuk
en
de rode kaart met een witte paraplu erop die je
me vorig jaar stuurde is door de regen nat
en
ik zit aan de koffie en besef dat ik nog moet
wachten op de postbode met goed nieuws
en
al heb ik je spoor op de mooiste stoel in mijn
kamer niet afgestoft, kom je niet terug
en
wat is het eenzaam om alleen met
je herinneringen te moeten leven.
Je hoeft niet het verleden in te pakken en op de schoorsteen
te zetten. Je hoeft niet in kamers van zo-nu-en-dan-verliefd
wakker te worden. Je hoeft niet na iedere omhelzing om te kijken
de gordijnen gade te slaan of aan wrevel te zuigen.

Je mag wel je haar kammen, je mooiste pak uit de kast
halen en je veters strikken. Ongeacht het weer mag je
op een terrasje zitten, naar de zwevende voeten kijken
of alleen aan het water denken.

Je hoeft niet je portemonnee mee te nemen. Je hoeft
niet voor een bestelling over de schaduwen heen te
struikelen. Je hoeft niet uit beleefdheid om iedere grap
te lachen. Je hoeft niet naar mijn favoriete vogel te vragen.

Je mag wel naast me zitten, van mijn koffie drinken en
in mijn ogen kijken. Je mag mijn geboortedag weten, mij
naar Wind, Zee of Kiezel noemen en weer vergeten. Je
mag ook alleen een koekje met mij delen.

Je hoeft niet de kleur van mijn ogen te onthouden. Je hoeft
niet meer van mij te houden. Je mag wel later deze dag
herinneren. Je mag denken dat ik er was, dat ik er ben
en dat ik voorbij gisteren naar een fluwelen tijd ga.

Sprong

Blauw strekt zich tot het eind
Een val, de lucht vult mijn
longen, knijpt mijn gezicht,
neemt mijn haren mee

We staan in een rij en zijn nog
niet aan de beurt. Wie weet wordt
het wachten nog beloond.
Voelt de meeuw zich hetzelfde?
De zee is zeker een veren bed.

Hoog hoger nog hoger
Zelfs de bal verlangt naar zijn val
Hij springt van de ene hand naar
de andere, smeekt voor genade en
zucht. Zich tot een val dwingend,
laat hij het evenwicht varen. Hij
valt, wat een opluchting! Een paar
handen rapen hem weer op. Het
genot herhaalt zich.

Niet bij de eerste sprong, niet bij
de tweede, we behoren de laatste toe.
Hoog hoger nog hoger
De hond blaft kwispelend, zou hij
ook naar het vliegen verlangen?
Heeft hij een verlanglijst?

Hier mag iedereen de lucht in,
de jongste is vijf jaar geweest,
de oudste negentig, de Laatste
is optioneel. Je valt als een steen,
je zweeft als een veer en je
landt als een lindeblad.
Daarna rest mij een brede lach.

De eerste twee gedichten komen uit de nog te verschijnen bundel 26 woorden voor schoonheid. Het derde gedicht staat in De momenten wachten ons voorbij (2012).

De gedichten van de finale (2)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Stefan Heulot

maten

we hebben geen vast ritueel, onze ontmoetingen
blijven bij hun eerste keer, om de beurt herhalen
we elkaars woorden, jij spreekt over essentie

vangt aan met ‘leuk weerzien’, glazen wijn
vertragen het einde, hoewel dat het er nooit
komt, zeg je, kijken we samen door het raam

naar de boom in de tuin, waar hij bladeren
neerlegt, intussen zien we stilte groeien
verplaatst de tijd ons afscheid
naar de volgende afspraak

een heel klein heelal

vandaar dat ze snel moet praten
haar adem is als een touw
waar steeds meer stukjes worden afgeknipt

zo vertelt ze over het leven toen
er nog licht uit kaarsen kwam
en de eetkamer als een klein
heelal de wereld bevatte

hoe men koffie uit witloof
dronk, eten door bonnetjes
in stukken werd gesneden

en over bommen die ver van nu
vielen en gebroken
glazen deden trillen

ze valt stil, enkel haar klok
tikt op hartritme, ze opent
haar mond, bijt zuurstof uit de lucht
toont wat ze denkt, ze vouwt haar handen
in elkaar, legt ze in haar schoot

ze kijkt door me heen
en weer bloeit haar hart.

Droomland

kloppen we nagels in de muren
met onze vuisten, hangen we
schilderijen scheef en vragen
voorbijgangers om te komen inwonen

onze voordeur waakt over de tuin
struiken groeien, we trimmen
het gras niet en de schommel
valt stil

we verstommen echo’s
schrapen veel te jonge voetstappen
van de traploper
recht het fotoalbum in

zodra de nacht in de gangen hangt
doven we het licht, leeg
draaien de vragen zich om

Nafiss Nia

Je komt hem op een verjaardagsfeest tegen
vraag niet wanneer hij gevlucht is of hij
heimwee heeft en zijn familie mist. Als
je hem perse in een hokje wil stoppen,
stop hem in het hokje ‘mens’, laat zijn
wereld jouw wereld worden voor
een avond. Vraag niet waarom hij
gevlucht is, want jouw nieuwsgierigheid,
die je oprechte interesse noemt, duurt even
maar neemt hem keer op keer mee naar de
zweepslagen, eenzame lichtloze dagen in
zijn isoleercel zonder groet, naar het bloedige
eelt op zijn voeten, de hartverscheurende
kreten van zijn dochter, naar een hel die
niet ophoudt en de pijn die verder graaft.
Laat hem op een verjaardagsfeest even
als jij in het heden zijn en niet het verleden.
Vraag hem gewoon hoe het nu met hem
gaat, en of hij ooit verliefd is geweest.

Ze zit in het midden van de altijd
hongerige duiven en meet de
opkomende zuchten op.
Ben ik aan het dromen of ben ik
in het droom van iemand anders?
Wat een uitputtende bezigheid
moet het zijn, hets en de’s te
overwegen in gisteren
de weervoorspelling raadplegen
de waarschijnlijkheden optellen
opnieuw leren glimlachen
de voorbijkomende illusies inlijsten
fusion food uitspugen
dromen schrappen
dromen schrappen
dromen schrappen
in een klein heelal.
 
uit welk raam ben ik gevallen?

Cadeautje

Bij aankomst kreeg ik
een geruite jurk cadeau
dat was aardig, dacht ik.
iedere ruit had een kleur en
ik verheugde me op de
regenboog die me zou omarmen

ik mocht kiezen achter
welk raam ik wilde zitten om
mijn mooiste ding te verkopen
mijn raam had drie hoeken
aan ieder hoekje hing een deel
van mijn wezen in een andere kleur

vrouw-zijn in roze
Iraans-zijn in paars
vluchteling-zijn in rood

ik begon gelijk met mezelf te
verkopen door woorden te
bedenken en beelden te verzinnen

ik kreeg staande ovaties omdat ik
mijn moeder en onze vijgenboom miste
werd getroost omdat ik om mijn verre
vader rouwde, geprezen omdat
ik moedig tegen de tirannie opstond en
aangemoedigd omdat ik mooi uit
mijn raam keek, beeldig en lachend
en vooral omdat ik dankbaar was
mijn wenkbrauwen niet fronste en
niet meer in de regenboog geloofde
Ik ben zo geliefd in mijn raam.

Astrid Arns

Kind

Je loopt op een lijn op het strand en de wind wist je uit.
Onder je jas je krimpende huid.
De tijd komt tot stilstand op de golven.

Je hurkt op het bevroren zand en wacht.
De grond verdraagt maar moeizaam je gewicht
.Je ziet  een schip dat schuim trekt in het water dat zo gulzig is.

Je proeft het zout in de vochtige lucht en denkt terug
aan het kind op je heup.
Net geen zomer en zij zingt voor zeilers en matrozen.

Ze lacht van oor tot oor terwijl jij rondvliegt als een adelaar.
Kort het geluid van sneeuw, de kleine stappen van haar voeten.

Niets is ooit voorbij of stil

Hommage

Ze loopt behaaglijk in mijn kielzog. Ik plak een glimlach op.
Het kind van mijn kind. Het huis maakt zich op voor haar.

Ze lijkt op een hond in een kegelspel. Wie brengt haar tot bedaren?
Het kind van mijn kind. Spiegelbeeld van vlees en stof.
Een klein heelal.

Ik zit voorgoed in haar donkere bloed.
In haar bewoon ik deze onbekende kamer.

Zout van de zee

In een jas zonder knopen en met tegenwind door het zout van de zee lopen,
op een zondagse oktoberdag met een steen in de maag.
We ademen maar dat wil nog niet zeggen dat we leven.

Wat zal oktober brengen nu alles onomkeerbaar lijkt?
Het huis opnieuw gevloerd. Werkmannen leggen ons het zwijgen op
en alle stof verdicht de binnenplaats.

Geen wonder dat de muren scheuren.

We breken het hoofd aan de rand van een verzonnen weide
onder de blauwste hemel ooit,
zowel kleiner als groter dan we lijken.

Winnende gedichten

Met deze gedichten wonnen Nafiss Nia en Peter Vermaat de vierde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Nafiss Nia (1968)

Cadeautje

Bij aankomst kreeg ik
een geruite jurk cadeau
dat was aardig, dacht ik.
iedere ruit had een kleur en
ik verheugde me op de
regenboog die me zou omarmen

ik mocht kiezen achter
welk raam ik wilde zitten om
mijn mooiste ding te verkopen
mijn raam had drie hoeken
aan ieder hoekje hing een deel
van mijn wezen in een andere kleur

vrouw-zijn in roze
Iraans-zijn in paars
vluchteling-zijn in rood

ik begon gelijk met mezelf te
verkopen door woorden te
bedenken en beelden te verzinnen

ik kreeg staande ovaties omdat ik
mijn moeder en onze vijgenboom miste
werd getroost omdat ik om mijn verre
vader rouwde, geprezen omdat
ik moedig tegen de tirannie opstond en
aangemoedigd omdat ik mooi uit
mijn raam keek, beeldig en lachend
en vooral omdat ik dankbaar was
mijn wenkbrauwen niet fronste en
niet meer in de regenboog geloofde
Ik ben zo geliefd in mijn raam.

Peter Vermaat (1963)

Hoe ruikt een woord?

Hoe ruikt dit woord? De klinkers uit
het gras, tegen de avondval, met uitgestorven
bloemen en een vreemde kever, die zo afgemeten
in de vele tinten groen loopt te verdwalen.
Eetlust blijft er ver van. Nu handen wassen
denk je, maar het kleeft, het zeurt.

Hoe smaakt jou deze zin? Opengesneden huid
tongen de tegenvoeters zich een dieptepunt
van dierlijkheid en taalbegrip. Slurp je
de glottisslag het vruchtvlees uit en laat
het zoet logeren op je tongpapillen.

Hoe kijkt de klank je luchtpijp in?
Volgt zij je adem op het ritme van je
harteklop de aders door, of er een slagorde
je lichaam in marcheert. Geen spoor
van oorlog, loog de mondmachine.

Hoe steekt een punt? Tegen je huig.

Recensie van De momenten wachten ons voorbij - Nafiss Nia

Het thuis van een ontheemde

Nafiss Nia
De momenten wachten ons voorbij
Uitgever: De Boekfabriek
2012
ISBN 9789490177188
€ 15,00
60 blz.

De titel van de bundel van Nafiss Nia is ontleend aan het eerste gedicht.

[…]
De momenten wachten voorbij.
Alles smaakt anders in het hart van regen
zeker een trek aan de natte sigaret.
Hevig opzuigen heviger inademen langzaam uitblazen
de natte rook drijft de druppels in        minnekozend
het rode stipje gloeit
genoeg voor een brand
soms wel       soms niet.

Uit: ‘Ontheemde kangoeroe’

In deze vorm komen we de titel voor het eerst tegen: ‘De momenten wachten voorbij.’ In de volgende strofe vervolgt ze:

Alles is nieuws!
De geur van het aangebrande vlees bij de buren
de niet op tijd rijdende trams
televisieseries over ongelukkige mensen
nieuws nieuws nieuws.
Het toiletpapier is duurder
het plafond lekt
de klok is een uur vooruit
                                            weer achteruit
iedereen wil naar de maan.

Ik weet niet of het die betekenis nog heeft, maar in mijn kinderjaren was iets naar de maan wanneer het kapot was, maar het zal hier wel betekenen dat iedereen weg wil van waar hij is, ver weg. Verlangen naar het onbereikbare als onze chronische ziekte.

En dan volgt de titel van de bundel: ‘De momenten wachten ons voorbij.’ De momenten in een eindeloze stroom, wachten voorbij. Ongezien verdwijnen de talloze momenten, ze wachten op erkenning, op herkenning. Ze liggen voor, zijn niet in te halen, we worden ons pas van ze bewust wanneer ze voorbij zijn.
Tot twee keer toe schrijft zij: ‘voor blijven en leven!’ De herinneringen voorblijven is in haar optiek leven, in het nu leven. De Zen-opvatting van een ontheemde Iraanse.

Nia geeft een overstelpende hoeveelheid waarnemingen, ervaringen, gedachten en denkbeelden op de ogenschijnlijk willekeurige manier waarmee ze doorgaans worden verwerkt en die zet zij buitengewoon helder neer. Maar, en dat is het mooie van Nia: in een prachtige, nergens geforceerde ritmische ordening, waarin geen woord teveel is:

Opnieuw leef ik

Met zwart    groen    rood met    kleuren leef ik.
Met vriend    vijand    pijn met    genoegen leef ik
Met dood
met leven leef ik.
Opnieuw leef ik.

Hier    daar    overal    nergens leef ik.
Ver    dichtbij     halverwege leef ik.

Ik weet dat de zegen voor mij zingt
dat de rode loper mijn sandalen af en toe streelt
dat het beeld van de zon geen valse tekening is.

Gisteren loopt nog steeds met me mee
de spiegel herinnert me iedere dag aan mijzelf
en naar de volwassenheid ligt een diepe vallei.

Ik weet het     ik weet het    ik weet het

nog nestelt de kindertijd zich in mijn maag
gloeit het brandmerk van het ochtendgebed op mijn netvlies
verbergen zich handgeschreven brieven achter gesloten deuren.

Misschien herken je me niet meer, vijgenboom
mij!
Ik ben vrouw geworden met je rood
misschien vergeef je me nu, tuin
mij!

Ik heb je aarde vertrapt
je dauw opgedronken
je bloemen gestolen
ik heb ze geschonken
de tijd geschonken
de toekomst geschonken.

Ik leef     ik weet het    nee     ik weet het niet.
Misschien leef ik
met kleuren    zwart    groen     rood.
Nergens leef ik    overal     hier    daar
ver     dichtbij      halverwege leef ik.
Met licht     met geluid     met stilte     met kabaal
met lucht leef ik    mooi leef ik.    Opnieuw leef ik.

Ik weet het    nee    ik weet het niet.
Maar misschien    misschien leef ik
en als ik er niet meer ben, in woorden leef ik.

(geïnspireerd door het gedicht ‘Woningloze’ van J.J. Slauerhoff)

Wat een geestkracht in de kwetsbaarheid die deze vrouw durft bloot te geven! Alles wat er in haar leven plaatsvond, kan een plekje krijgen in haar poëzie. Dat moet je niet alleen durven, maar ook kunnen. Het lijkt zoveel gemakkelijker dan het is, vooral wanneer de taal wordt gebruikt met de virtuoze vanzelfsprekendheid die Nia eigen is.
‘Wellicht ben ik hier gekomen om niet te blijven’, schrijft zij in ‘ontheemde kangoeroe’. Het is de strijd tussen het hier zijn, het in Nederland wonen, en het Iran dat in haar herinnering leeft, de strijd tussen het hier en nu, en het voorbije.

‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, schreef de eeuwige zwerver Slauerhoff. Wat is deze vrouw thuis in haar poëzie. Het groen en rood herinneren aan de vlag van haar moederland. Het zwart aan de alles bedekkende vrouwenkleding. Wat mij onverwacht trof was het erotische element. Het lichaam wordt niet genoemd, geen seksuele handeling beschreven, maar wat is zij expliciet in deze zinnen:

Misschien ken je me niet meer, vijgeboom
mij!
Ik ben vrouw geworden met je rood.

Vanouds staat de vijg voor het vrouwelijk geslachtsorgaan. D.H. Lawrence schreef een prachtig gedicht over erotiek dat ‘Figs’ heet. Ook het Duitse woord ‘ficken’ is afgeleid van ‘ficca’, het Latijnse woord voor vijg.
Daarna roept zij het groen op van de tuin. Tuinen, bloemen zijn belangrijk in Iran. De meeste meisjesnamen zijn bloemennamen. Het zwart, evenals het groen en het rood twee maal genoemd, staat natuurlijk ook voor de dood.

Opnieuw leef ik.

Heden en verleden, ergens, nergens, overal leeft zij, misschien. In dat misschien speelt de vraag of dat wat wij leven noemen wel het leven, het echte leven is.

Halverwege leef ik.

Het Farsi is door de eeuwen niet of nauwelijks veranderd, in tegenstelling tot het Nederlands, waarmee ons taalgebied bijna beroofd is van zijn literaire bronnen. Mijn moeder kon nog stukken Vondel voordragen, maar van de huidige generatie kent nauwelijks iemand een gedicht van bijvoorbeeld Achterberg uit het hoofd.
Dat is in Iran anders; middeleeuwse mystieke dichters als Saadi en Rumi spelen nog altijd een rol in het Iraanse leven. Het transcendente van het bestaan lijkt daar dan ook meer aanwezig dan hier:

[…]
Ik weet dat ik besta maar van het bestaan weet ik weinig.
Dat ik weinig weet van het bestaan weet ik zeker
of ik genoeg weet van mijn bestaan weet ik niet.
Ik weet alleen dat ik nog lang niet weet of ik besta om te weten.

Uit: ‘Analytisch leven’

Wereldmuziek is een geijkte term voor niet-Europese muziek. Voor mij is dit wereldpoëzie, maar in dubbele betekenis. Ik kan het niet laten tot slot nog een strofe te citeren uit ‘Denkbeeld’:

[…]
Goed dat je haar kus hebt
bewaard, een herinnering
smaakt nooit naar groene thee.

De momenten wachten ons voorbij is een bundel om te koesteren.

***
De Iraans-Nederlandse dichter, vertaler en filmer Nafiss Nia (1968) schreef eerder de bundel Esfahan, mijn hoopstee (2004). In 2007 verscheen van haar Stegen van Stilte, een keuze uit 100 jaar moderne Perzische poëzie.
Enkele jaren geleden besteedde Sander de Vaan in de Meanderrubriek Wereldpoëzie uitgebreid aandacht aan haar.
Zie verder http://nafissnia.blogspot.nl/

Gedichten

Dode vissen

De voetstappen van de nacht
op de veranda van de vergeten lente
zijn ongetwijfeld het neuriën voor het onvindbare.

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is berouwvol dichtbij,
de blikken van mijn zusters
zijn nog altijd in afwachting
en het zout dat de gedachten van de zee
bezig houdt, grijnst
pronkend de dode vissen toe:
"Jullie geheim is veilig bij mij"

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is zo berouwvol dichtbij.

 

Onderweg

Met een vlinderjas
twee goudvissen
en een koffer vol blauw
stap ik de stilte in;
reis rond in de lucht.

Af en toe logeer ik bij de wind
wandel ik met de maan
of schommel op een blad.

Niets is me afgenomen
behalve alles.

Ik reis naar binnen en buiten
dichtbij gefluister en ver van kabaal.
Ik reis dromerig naar mijn einde:

het vliegen.
 

Zonder geel, rood en bruin

Gesloten vensters doen mij
denken aan het verdriet
van de sterrenloze hemel
aan de bruiloft van de doden
aan de thuisloze herfst
zonder geel, rood en bruin.

Gisteren dat in niets op vandaag leek
sloeg de vensters voorgoed dicht,
de morgen die de dood van vandaag uitzwaait
opent de gesloten vensters van gisteren.
 

Herschepping

De zon is nog niet op.

Ik neem afscheid van de tuin
die naar hemeltranen verlangt
en de waslijn die altijd zucht.
Ik groet de kievitskooi van de buren,
de paardenbloem, het gevecht
tussen rode en de zwarte mieren
de pyjama van mijn jeugd, de hoelahoep.
Ik gooi alle seizoenen weg en
de regenboog schrap ik uit het woordenboek.
Ik vlucht van de besproeide veranda, de eikenboom
de speelse spelletjes van toen, het gevoel van vreemdheid

van haar, van hem
en bovenal van mijn moeder.

Ik val in de vijver van
volwassenheid en verdrink.
 

Dwaas

Vleugels die ik niet heb wil ik breken,
het vliegen dat ik niet kan, stoppen
ik wil thee drinken met
de noga die ik niet lust
mijn ogen dichtplakken van licht
afscheid nemen en slapen.

Ik wil terug naar het verloren moment
naar de vergeten lach
naar de tuin en de vijgenboom.

Maar ik ga huiverig voorwaarts
naar het blinde vooruitzicht,
het voorspelbare toeval,
het stille gezelschap,
naar morgen met de hoop een tros druiven
te plukken in het ochtendgloren.