Gedichten

Het leven is precies wat het is
(Lívið er just tað, sum tað er)

Nog maar een paar stappen,
dan ben je er niet meer.
Een restant van je lucht blijft altijd hangen
in je kledingkast,
de druppelende kraan in de keuken beseft niet goed dat je weg bent.
Wanneer een baarmoeder, ontstoken bij middernachtlicht, op je wacht,
wat dan nog?
En wat
als je opnieuw het niets wordt wat je was voordat je
in de baarmoeder gegoten werd?

Het heeft geen zin om te verlangen naar wat voorbij is.
Je bent nooit te laat of te vroeg geboren.
Knies niet, mijn vriend,
er is geen adres dat graag geknies ontvangt.

Op aarde ben je alleen.
Boven je het zwerk,
de sterren
en een vermoeden van iets, dat niet helemaal hetzelfde formaat
woorden gebruikt als wij.
Het hart zinkt naar de diepte, waar alleen de lampen van
diepwatervissen zwak oplichten.
Het leven is precies wat het is.
En een beetje meer.


Balkon
(Balkongin)

Zolang de maan de avond tooit
en kiosken kranten en drop verkopen,
of een oude kinderwagen als bloembak
gebruikt wordt in een tuin,
en de regen in lege klompen op een balkon roffelt.
Zolang messen en vorken worden afgedroogd en
in een lade gelegd
en het bloed van een kleine droom gestold
in baardstoppels hangt,
worden gedichten geschreven.

Een dichter kan niet sterven,
ook geen vrouw vol liefde, darmen en bloed en
melkklieren en geluiden die alleen bij kinderen, een
man en een kat horen.
Wie onvermoeibaar liefheeft,
heeft altijd een balkon.

Hoewel het nergens geschreven staat
twijfel ik er niet aan, dat de bomen die zich met moeite
de Hardangervidda op werken
oorspronkelijk voor de papierproductie bestemd waren.
Bomen en woorden horen bij elkaar.
Op een station in Moskou
staat een koffer vol woorden.
De poëzie ligt zeeziek in een fles op zee.
De poëzie ligt ondergesneeuwd in een hart.
Ik breek de sinaasappel open.
In het geurende vlees
druppels sappige dichtkunst.
‘s Ochtends open ik je armen
bespeur een vochtig spoor van een gedicht langs je wangen.

In alle tuinen groeien gedichten.
De allermooiste verzen
schitteren als dauw
geuren naar berk
en hebben vleugels van ruisend loof.


Geef mij maar echte dromen
(Eg vil hava ordiligar dreymar)

Ik ben meer en meer allergisch geworden voor wat mooi is.
Geurige poëzie staat me tegen.
Geef mij maar woorden die stinken.
Woorden moeten knetteren als vonken in een kapot stopcontact.
Doe mij maar bloemen die in de natte grond
rond septictanks groeien.
Ik weet niet van welk materiaal dromen geweven zijn,
maar geef mij maar echte dromen.
Van die dromen die in je hand liggen als een vrouwenborst,
of een handgranaat.

Wanneer je jezelf kwijtraakt
(Tá tú missir teg sjálvan burtur)

6 juni ’67 zetten we koers naar Groenland.
Het was mijn beurt aan het roer, toen Mykines van de radar verdween;
een klein stukje vaderland danste op het scherm.
Ik voelde
dat mijn jeugd nu voorbij was.
Ik was net 14 jaar oud,
een armzalige vlaggenstok, amper in staat om een vlag te dragen.
In het duister van mijn kooi huilde ik,
schaamde me, omdat ik verlangde naar mijn moeder en een gave wereld,
die plotseling was ondergegaan.
Hoewel ik nooit veel interesse had voor onze tuin,
zag ik hem opeens voor me,
al het loof, de bloemen, spreeuwen en zonneschijn.
Ver weg op zee
dreef een geurende tuin op me af!

Later werd het meer een gewoonte om weg te zijn
tijdens de lichte zomers.
Het voelde alsof mijn ruggengraat met de jaren de vorm kreeg van een kiel.
Door onzichtbare openingen dronk ik de zee mijn aderen binnen.
De Faerøer veranderde in een fraai herfst- en winterland.
Ik hield van de eilanden zoals men een oud huis liefheeft,
een oudere persoon,
of iets met littekens, dat veel tegenslagen overwonnen heeft.
Maar ook de dauw, die de keel van spreeuwen vochtig maakte en als parels
aan iedere grashalm kleefde,
verlichte de duisternis tot diep in mijn kooi.
Onder felle neonbuizen streed ik op de banjo,
gooide de kabeljauw op hopen.
“Wees trots dat je je vaderland zo jong kunt dienen”,
zei Petra Djurhuus tegen mij, de vrouw van de lichtvoetige dichter
van Áarstova.
Maar trots laat geen sporen achter in de zee.
Slechts wat planken en ijzeren platen beschermen je
tegen de Atlantische Oceaan.
Tussen leven en dood zit niet meer dan een duim.
Spreek geen kwaad van de dood.
Op een dag komt hij je tegemoet op de gele
straat, die de maan over de zee heeft gelegd.

In de zomer van ’74 stierf pa.
De schipper bracht op een dag het nieuws, we visten ten noorden
van Langanes.
Het hart van een kabeljauw lag zachtjes stuiptrekkend aan mijn voeten.
De zon scheen niet echt, was hier in het westen slechts zichtbaar als een
beetje bloed.
De woorden van de dichter J.H.A. Djurhuus kwamen in me op:
“… het misstaat een man om te huilen
wanneer zijn aantal vrienden afneemt.”
Idioot! dacht ik,
maar ik kon niet huilen.
Jarenlang koesterde ik een diepe wrok tegen de duistere
dichter van Áarstova.
Later werd me duidelijk, dat hij mij in werkelijkheid had
ontmaskerd.
Ik had geen tranen voor pa!

Pas wanneer je jezelf kwijtraakt,
begint het je te dagen wie je bent.
De wereld is groot.
Ergens vind je een plekje,
waar je je vlaggenstok kunt planten.
In mijn tanden draag ik zilver uit Zuid-Afrikaanse mijnen.
Het leer van mijn jas lag ooit om het lichaam van een stier.
In mijn computer zit een uitbouw voor de ziel,
een garderobe, waar mijn zondagse kleren hangen.
De woorden haalde ik uit open handen,
uit boeken,
tussen grassprietjes vandaan
en in het lauwe duister, waar de liefde groeit.
Maar de krachtigste woorden
kwamen daar tot me, op zee.
En hoewel ik het niet bewijzen kan,
ben ik er zeker van
dat de ziel op natte, stormachtige dagen gewikkeld is in zilte bloemen
die nooit verwelken.

Ik ben een Faerøerse nationalist
(Eg eri ein føroyskur nasjonalistur)

Ik ben een Faerøerse nationalist.
Onder mijn voeten het duizendjarige, hardhandige vaderland,
tussen mijn vingers de pen,
in mijn mondhoek een sigaret en een korst van doorgekauwde woorden,
ik ben niet van plan mijn biezen te pakken.

Ik ben een Faerøerse nationalist
en het doet me pijn
dat de Faerøerders zelf de smoel van hun
vrije landgenoten niet verdragen.
We hebben het enorm naar ons zin als geografisch niemendalletje.
We houden ervan om een feestje te geven in bedelaarskleren.
Door onze aderen stroomt geen bruisend bloed.
We zijn niet de bijzondere natie, waar Poul F. over dichtte.
In iedere Faerøerder schuilt een vulkaan.
Die bonst in onze droom,
maar barst niet uit in gezang of een grootse klaagzang.
Dat geeft terugslag.
Onze handtekening is de wind, met een korst van poep.

Ik ben een Faerøerse nationalist
en het bevalt me niet, dat ons land steeds meer gaat
lijken op een verzameling snuisterijen.
Geef mij maar de confrontatie
liever dan geroddel achter mijn rug,
ik ben altijd op mijn hoede, wanneer de woorden te ver
uit mijn handen groeien.
Het leven kent ook geen vaste bedoeling,
het leven kent slechte kortere en langere noodoplossingen.
Toch bevalt het me niet, dat wij als museumstukken op
de plank terechtkomen, waar voorzangers, nationale helden en
andere amateurgoden huizen.

In ’53 was ik voor de eerste keer gedwongen mijn biezen te pakken.
Het dak van mijn takje was van huid.
Een pendule van vlees sloeg veilig bij mijn hoofd.
De geheime trap leidde naar beneden, de onderbroeken van moeder in.
Maar toen ik mezelf min of meer onbeschadigd uit het moederhuis
geperst had,
godsamme,
toen mocht ik aan ’s werelds rondste en gelukkigste tafel zitten.
Of de Faerøerse republiek een even heerlijke tafel wordt,
dat is stof tot dromen.

Ik ben een Faerøerse nationalist;
ik probeer de tweeslachtigheid van dit bijland uit mijn ziel te verdrijven,
die pest, die in goede tijden een hele bevolking
politiek ontoerekeningsvatbaar kan maken
en tot klagende stakkers in slechte tijden.
De doden hebben hun klauwen in onze nek.
We volgen de geulen die zij groeven met de nagels van hun duimen,
volgen hun wetten,
zingen hun liederen,
verkiezen en haten wat zij verkozen en haatten.
We worden gestuurd door een kompas vol ouderlijke wrok en liefde
van onze voorouders.
We prijzen Magnus Heinason,
maar vooral omdat de Denen hem in 1589 onthoofden.
Dat er geen goud glanst op de Faerøer dat ouder is dan 1813,
is omdat onze voorouders hun geldkisten tot op de bodem leeg schraapten
en samen met andere onderdanen de Deense oorlogsschuld aflosten.
Ik heb de meeste neurosen die beschreven worden
in politieke artsenijboeken.
Maar dat betekent niet, dat ik zin heb om de brug
over de Storebælt op te blazen
of de skalp van Hare Majesteit aan een
spijker in mijn schuurtje te hangen.

Ik ben een Faerøerse nationalist
en soms zijn er momenten van haat, waarop je ongeluk toewenst aan
het volk dat ons in 1992 vernederde en beroofde.
Maar het enige wat werkelijk iets oplevert
en waar ik diep van binnen vertrouwen in heb,
is de mooie, dagelijkse strijd om het bestaan.
Dat is de oorsprong van mijn droom over een Faerøerse republiek,
de oorsprong van mijn woorden.

Jóanes Nielsen
Vertaling: Roald van Elswijk