Gedichten

door Nell Nijssen (1956)

De IJzige Stilte

hij zwijgt leegte compleet
zonder handen of voeten

waarom luistert zij
als niets de bodem raakt

in de boodschap zit het geheim
verpakt in stille vingerknippen

onuitgesproken beelden glijden
rakelings achter haar gladde rug

– het gezegde van gisteren is de kiem
voor de dag van morgen –

alsof zij niet bestaan heeft, hij nooit
de ronding van haar hals beroerde

wachten maar
tot de woorden komen

en de buigzaamheid in haar
zal breken

Podiumkunsten

Praten hoeft al lang niet meer. Handen die futloos
voorwerpen verschuiven – van a naar b om meteen
de handeling te zien – is het goedgekeurde uitgangspunt.

Kamers vullen zich met troebel luisteren, ertussendoor
prikt een flard modernisme door het membraan. Het
heelt en brengt luchtiger denken met zich mee.

Combinaties in diverse kwadraten. Eenvoudig wordt
het nooit meer. Alles is ten minste één keer vervangen.
En o wee, diegene die als eerste durft te lachen, zal
als laatste dit toneel verlaten, zittend op een zeepkist.

Een kwestie van kiezen. Ertussen of ernaast. Met de
troost dat boten blijven varen als er voldoende water staat.

Respijt

Eindelijk worden de kleuren voelbaar.
Zomergeel. Winterblauw.

Dat heet afgescheurde tijd vullen.
Schaduwen wegmoffelen. Geen uur te verwaaien.

Bomen. Vogels. Orakels in groen.
Dagen. Nachten vol licht.

Verschijningen in onbekend gebied. Liefde
lijkt warmer als eindigheid regeert.

Het mag eigenlijk niet: praten
terwijl het gebed wordt opgezegd.

En al zal mijn aanraking de blijmoedigheid
nooit meer tot leven wekken, probeer ik het toch.

Met geslepen vingertoppen.