Recensie van Anagrammen van een blote keizer - Tijl Nuyts

‘Misschien breng jij het er beter van af’

Tijl Nuyts
Anagrammen van een blote keizer
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463101738
€ 19,95
64 blz.

Anagrammen van een blote keizer, het debuut van Tijl Nuyts (1993), is vermoedelijk een zoektocht van een dichter naar taalkleuren (of gekleurde taal ), de macht van taal, het wezen ervan dat je steeds ontsnapt, de verhouding tussen verschillende talen en naar taal en werkelijkheid.
Ik zeg ‘vermoedelijk’, want Nuyts maakt het je niet makkelijk. Zo zijn de titels van de meeste gedichten Maltees. De eerste vijf: ‘ABJAD’, ‘ISWED’, ‘KANNELLA’, ‘VJOLA’ en ‘ĦADRA’. ‘ABJAD’ is een anagram van een ander gedicht, ‘BAJDA’, en beide zijn verbonden aan ‘BOJOD’, waarin je aan het eind van de eerste strofe de volgende regel leest: ‘abjad (mannelijk) bajda (vrouwelijk) bojod (meervoud)’. In ‘BAJDA’ staat diezelfde strofe in het Spaans.
Waar is Nuyts op uit? In ‘LOGĦBA’ schrijft hij:

het spel: de regels klapperen in je hand als spreeuwen
in paniek – gespikkelde kelen vol worm en verwijt
en dan: de geboorte van het brein in het heetst van de strijd
een oceaan van lichamen, de zweep van het woord

De lezer moet moeite doen, evenals de dichter. In zijn verbeelding begint het verhaal in de Himalaya, bij de afdaling van Kuluri, een figuur die net als de ‘ik’ Maltese klanken van ‘een sierlijke rauwheid’ ontdekte. Kuluri heeft zijn handen ‘vuilgemaakt’ aan de taalkleuren, ruwweg gezegd: aan de werking van taal. De ‘ik’ zoekt hem gedurende de hele bundel en eindigt bij het begin, in de Himalaya en min of meer tevreden: ‘ik sta op de hoogte, kijk naar alles beneden en / wijd me aan de kunst van het heldere denken’ – meer zeg ik er niet over om een spoiler te vermijden. Zoals gezegd gaat om een reis in de geest. In ‘ĦADRA’ (een anagram van het gedicht ‘AĦDAR’) is het 16 juni 1904 – de dag waarop Joyce’s Ulysses zich afspeelt; uiteraard moet de lezer zich afvragen of de ‘Anagrammen’ een vergelijkbare Odyssee vormen.

Waarom zo ingewikkeld? Is het allemaal flauwekul? Anagrammen van een blote keizer associeer je onvermijdelijk met het gezegde ‘de kleren van de keizer’. En waarom die nadruk op zo’n alledaags verschijnsel als anagrammen? Talen zonder anagrammen bestaan niet: het aantal letters en betekenisonderscheidende klanken is immers beperkt, terwijl het aantal woorden dat je kunt vormen in principe oneindig is, ook door de mogelijkheid homoniemen te vormen. Wil Nuyts zijn lezers dan imponeren met gepuzzel? Misschien, maar onzinnig is de bundel niet. In de eerste plaats schrijft hij mooie gedichten, al blijven ze raadselachtig:

AĦMAR

in het beenzwarte licht van een stroboscoop
staat een dwerg met gesprongen lippen naar me te wuiven
ik wou dat hij mijn zoon was

ik kan het niet aanzien en ga op reis

halfweg september kom ik aan in de vossenstad
in het gras tussen de rails van het station
zitten sleutels verstopt, maar zelfs de simpele tover
van een anagram ontgaat de luie lezer:
azimut de stoter die slaand de verzen vouwt

rum met een reukje eraan in de bultenaarsschaduw van
de radcliffe camera, de snijbloemgeur van kaneel en uraan

de jongens die op onze kleuterklasfoto’s staan
kijken toe hoe ik de taal die mensen spreken
naar mijn roofridderburcht sleep

kijk!
onze silhouetten op slot tegen de akelmuur
een superman-t-shirt als een vlag om haar gespierde lichaam
in de nok voorbij de knik hikt ze soera’s in het schrift

In de tweede plaats is het maar de vraag of de lezer houvast moet krijgen in de taalwereld; misschien zou de dichter daarmee zijn doel voorbij schieten. Aan het eind van de fictieve inleiding zegt de ‘ik’: ‘Sinds die zomer van 1993 zoek ik elke ochtend en avond wereldwijd naar Kuluri’s naam op de borden met vluchtinfo. Ik ben er nog niet zeker van of ik hem heb gevonden. Misschien breng jij het er beter van af’. Dat zal niet lukken: taal is ongrijpbaar. Neem de duistere verhaalfiguur ‘arrak’: ‘in de haven runt hij een slavenhandel van namen’; ze zitten gevangen in een kooi. Zijn naam kan verwijzen naar een softwareprogramma om anagrammen te maken, maar ook naar de drank met zo’n hoog alcoholpercentage dat je al snel teveel neemt en niet scherp meer ziet – net als de lezer, of in ieder geval: deze lezer.

Veel heb ik in deze recensie niet behandeld, zoals de grote invloed die de ‘ik’ ondervonden zegt te hebben van Gerard Manley Hopkins en Ibn ‘Arabi (een sunnitisch dichter en filosoof uit de elfde eeuw). Ook de zoektocht naar ‘de stem van La ‘Ultima’ liet ik onvermeld. Het is aan de lezer om zich verder in de bundel te verdiepen.

Ik denk dat de procédés die Nuyts in deze bundel heeft gehanteerd maar één keer werken, maar hij
heeft genoeg talent om je nieuwsgierig te maken naar een bundel met een heel ander karakter.

Gedichten

aborg 2

het is bijna zoals italiaanse schilderijen
of flirten in een stomme film:
het gevaar de dingen te noemen

tussen handelspanden verzonken in
tijdloze kronkelstraten schrikt
een man op een stapel perzische tapijten wakker;
hij verontschuldigt zich voor zijn dutje:
‘hoofdpijn’, zegt hij

toen werd ik ziek, het was augustus
en terwijl zij beneden tevergeefs hun kleuren tonen
– paradijsvogels vol ‘origo ik ik ik!’ – plaats ik,
gebogen over scarabee en avondmaal,
een injectie in de bloedbaan van het denken

zij begrijpen niet dat wij niet
naar de woorden luisteren
maar naar hun eelt

daar staat hij, op het grasveld onder mijn raam: wilhelm kostrowicky;
als een kind dat vrienden zoekt om mee te fietsen

zijn snor stijf van de pommade, messen kwetterend in zijn handen
zijn stem een auto-alarm in de stenen nachtlucht

(2015)

la última

nog geen maand geleden staarden we in wijnegem shopping center
in de loop van een politiegeweer
¿qué faré mamma? mio al-habib eštad yana!

we waren met 80.000 op de oevers die zomeravond van 3 juni 1910
‘stuur de honden naar hayırsızada,’ hadden ze gezegd

kuluri en la última in de u-bahn
in het klad van hun gedachten schreeuwen
ze naar elkaar als op de poëziewedstrijd
tijdens de jaarmarkt van ‘ukaz

is dit dan het raadsel van de hoedenmaker?

kuluri en la última worden uitgenodigd in zijn aderen voddenkraam
vluchtelingen op een theepartijtje zonder alice

de hoedenmaker legt hen op de schrijftafel achter in de u-bahn
met een kromme adamsvork prikt hij in hun lichamen
zij: verraden kameleons, bang toekijkend
hoe de snavel daalt als een vraag:

¿qué fareyo au ké serád de mibi?
habibi, non te tuelgaš de mibi!

de u-bahn zwenkt als een oude vis
en de patxarán giert door kuluri heen als een jonge god

ik, kuluri, word een pelikaan, kinderbeul in kladpapier
in het halflicht haal ik mijn borst open
en geef mijn snaterende kuikens bloed te eten

ondertussen neemt voltaire een sabbatjaar en wordt astronaut
op de maan is er tenminste geen verlichting
dag in nacht uit sleept hij puin van hypathia naar rimae guthenberg,
rangschikt de brokken in sierlijke schijngestalten: woorden bijna

kuluri en la última lezen het op het tv’tje in de u-bahn: 
‘rien n’est plus connu que le siège de malte’
dollartekens fonkelen in voltaires ogen

paulus leed hier schipbreuk
in 1565 deden de ottomanen zich te goed
aan harde witte aarde

opnieuw zwenkt de u-bahn als een oude vis
in het donker wordt een juwelendiefje van acht
de lippen dichtgenaaid

¿qué fareyo au ké serád de mibi?
habibi, non te tuelgaš de mibi!
fluistert la última opnieuw, verborgen achter haar krant

werd kuluri doodgeschoten door een afghaanse theejongen?

ondertussen paradeert ibn sana’ al-mulk tussen de weesfietsen
zijn mond een verzopen hond, zijn handen te groot
hij klampt studenten aan om over jarchas te oreren – uitleven in inleven

in de mond van een personage dat niet de dichter is
klinken woorden van vrouwen, knechten, dronkaards
als duiven die koeren tussen de takken
de vergeten stem van een kapperschaar, een helikopter, een theepot

grauwnonnen woonkinderen proefdochters
zoeken een plaats bij de rivier om wol te wassen en linnen te bleken

kuluri is tegelijk de man met het mes en de oranje gevangene
kuluri drinkt kidibul op het kerkplein
kuluri is de likker, de killer met de pruillip
kuluri is de kolibrie in de keel van ibn ‘arabi

als een oude vis zwenkt de u-bahn 

achter de blauwe deur, onder de ribben, kijkt kuluri uit
over het kwartier, de kerk, de kraaien in de kweepeerboom
op het gras stoeien zottinnen met hoeven
onzinnigheden in zonnetijd en hondentong geschreven
zanggodinnen met vingers van honing
hijgen in nog natte volzinnen

samen met de dingen die hij verzonnen heeft
wil kuluri 1 2 3 piano spelen
met de verzen verdwijnen door het afvoerputje
de moshpit midden in het gedicht

la última spreekt tot moeder merrie, tot haar zussen

op de keukentafel wachten brieven met bruine huiden
soms krijgt la última vuurvingers wanneer ze schrijft
maar meestal gebeurt er niets

wat kuluri ervoor overheeft om te stollen tot iets nieuws
als de mooie man met de maan op de rug te sterven aan moeraskoorts
te reïncarneren in de driepotige hond van josé el pepe mujica
eenzame brievenschrijver in de uruguayaanse jungle

ruik ik naar zeep uit europa?

alsa-me min hali
mon hali qad bare!
que faray, ya ‘ummi?
faneq bad levare!

wanneer na de plingplong van het eindstation
kuluri de u-bahn uitstapt, la última
nooit meer ziet en de vis al lang vergeten is
valt de valk aan

en kijk nu toch eens naar dat licht

(2016)