Gedichten

Stilte

Deze ochtend praat niet
ze verkent –samen met ons-de stilte

jij en ik-de ledematen gestapeld
onder doekzweet
het roet van gisteravond
nog op onze kolenmijnhanden
trekken de tijd uit elkaar-tot ze wijkt

wij hebben geen beweging nodig
in leegte raken we het zeer
doezelen zweer tot litteken-
tot er geen onderscheid meer is

de bedspiralen raken onze ogen-
met een ongekende hardheid
onder wenkbrauwbogen-
wisselen we irissen uit
om het beeld wat te verzachten.

Wachtkamer

wij- drie musketiers in spe-strijders
begeven ons naar een plek
waar we zachter dan het zwaard kunnen blijven
daar drinken we- overmatig- thee
dat zich laat druipen-over rooibos-tongen
vanuit een schuurpapieren luchtigheid

we kijken hoe de buurman losse kruimels raapt
vanonder hordeurwimpers, over tafel schaatst
langs lezerijen-en afgekloven nagelbedden
-op zoek naar nieuws- en wat onaangedane tijd

we zien kauwgum- met de tanden er nog aan
dat zich kleeft aan de net gemoduleerde stoelen
tussen afgeveegde vingers-en een bosje fronzen
vinden we- in handzaam strooibiljet
een nummer -dat kan leiden tot ons eigen hulpbeleid

we blazen ons gedrieën nog wat op
waarbij we grote delen van de lucht beslaan
met een gedeeld en daarmee sterk verlangen.
soms raken we een glimp van andere helden
laten vreemde blikken –zonder weg te zien-
onwennig schurken tegen onze naakt gespierde wangen

Er vrede mee hebben.

Ook van je laatste afscheid heb ik geen afdruk gemaakt
ik hield mijn eigen handen- jij ging er met een aai vandoor
een moment probeerde ik je stem vast te houden
klank te filteren- de tijdsgebonden hiaten te vullen
nam ik loop met mijn innerlijk gehoor- echter je klonk niet.
wat nimmer is geweest kan men ook niet missen-
letters in koptekst-gelezen door mensen zoals jij en ik.
met mijn nachtlamp op vier uur-vraag ik me af
als licht met donker schemer baart
wordt er uit verlangen en gemis dan; zij het op termijn
een kind geboren- van het soort dat zelfstandig ademen kan