De gedichten van de finale (4)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Maria van Oorsouw

WIE NIET WEG IS, IS GEZIEN

Niemand weet hoe lang ik gisteren
in Uithuizen ben geweest
niemand weet hoe veel eenzame huizen
ik zag in het uitgestrekte groene land
met die blauwe lucht erboven
kleuren die niet vloekten
zoals vroeger toen je nog geen
blauw bij groen aan mocht doen

Niemand weet dat ik een geheim gedicht
heb geschreven over een bange bruid in de regen
die van haar moeder een scheepje had gekregen
‘vaar maar kind,’ had ze gezegd,’ het lukt vast wel’
hoe haar vader bemoedigend lachte
en dat de bruidegom toen zei: ‘kom’

Hij nam een roeispaan
hij reikte haar de andere aan
hoe ze knikte en dacht, ja
en hoe niemand toen zag of hoorde
dat ze zacht begonnen was te zingen
‘het regent nu al dagenlang
ik ben een bruid, ik ben niet bang’

Niemand weet dat ik in het echt
tot nu toe drie keer in mijn leven
een bruid heb gezien in de regen
de eerste in 1970 op de Wandelweg in Wormerveer
de tweede in 1981 bij de Oude Gracht in Utrecht
de derde, pas geleden nog in Elswout, Overveen
zoiets vergeet je niet

Net zoals die keer, ik was nog klein
dat ik achterop de fiets zat bij een vrouw
die me meenam naar haar huis
om een jurk te passen
‘kijk maar niet opzij,’ zei ze
waarop ik meteen het hoofd van een man
in een plas bloed op de grond zag liggen
naast een omgevallen motor
de man droeg een lange leren jas
die jurk was voor een bruiloft
waar ik me niet veel van herinner
maar dat ernstige bruidsmeisje op de foto
met een tuiltje bloemen in haar hand
ben ik dus

Sommige mensen weten altijd precies
welke kant ze op moeten
dat ze zich nooit vergissen
vinden ze niet erg
anderen kunnen niet kiezen
waardoor ze verdwalen
wat zij juist niet erg vinden
zo kwam het misschien dat ik in de trein stapte
naar Roodeschool en terechtkwam in Uithuizen
waar ik niets te zoeken had
maar wel een felgroen truitje vond
dat prachtig bij mijn blauwe rokje stond

SCHAREND

soms zet ik de schaar in mijn haar, gisteravond keek ik naar
een televisieprogramma over gelukkig worden, dat was ik niet
in het reclameblokje was een spotje over het weldadige effect
van een nieuw soort shampoo met zoutkristal dat zou werken
als een klein heelal waarin je dan zou opgaan  

vanmorgen was ik ondersteboven van een druppel die ik zag op
een vrouwenmantelblad, blijf dicht bij jezelf dacht ik, met allebei
je benen stevig op de grond, wees spaarzaam met grote woorden
vermijd wijdlopige metaforen die kunnen ontsporen in clichés

Jan Hendrik Leopold schreef over het leven weerspiegeld in een
regendruppel nadat de bui was weggedreven, hij gebruikte zijn
schaar voor de Frankfurter Allgemeine en was jarig op 11 mei

in het programma werd een man geïnterviewd, die er les in gaf
hoe dat kan en hoe dat dan voelt, vroeg iemand uit het publiek
het ene geluksgevoel is het andere niet, vaak zie je het pas
als het voorbij is, dan krijg je heimwee, heimwee is een ziekte
las ik in de krant, nostalgie daarentegen een gegeven waarmee
je kunt leven, soms zet ik de schaar in mijn haar
hoe volmaakt kan een perfecte dag zijn geweest

Zeewiergroen

Ik was tien en had nog nooit een huilende man gezien
kitesurfers bestonden toen nog niet
en badpakken konden je beschermen
dat van haar was groen
het kan zijn dat ze Duits was
durf jij tot de zandbank
van veraf lijkt de zee veilig

eindelijk mocht ik met mijn broertjes voor het eerst alleen
zonder vader en moeder naar het strand van Wijk aan Zee
zeezeilers zweefden nog niet boven het water
de luchtkussentjes van haar zeewiergroene badpak hielpen niet
ga niet verder dan tot je heupen
van dichtbij is de zee onrustig

iemand knielde bij haar neer
iemand zwengelde aan haar armen
iemand probeerde haar tot leven te slaan
er kwam zwarte modder uit haar mond
haar vader huilde
mijn broertjes schoten elkaar nat
met hun waterpistooltje
later toen het vloed werd gingen we golven springen
ik hield ze stevig vast

ik kon mijn ouders geruststellen ‘s avonds
alles was goed gegaan, het was een fijne dag geweest
ik was tien en had een huilende man gezien

zee trekt altijd

Kate Schlingemann

zo hier zijn zo

ik schrijf je groot
zo groot dat je hier komt
zo hier dat je niet meer heen kunt
alleen terug, hier
zo

ik praat je warm
zo warm dat je zacht wordt
zo zacht dat je niet meer weg wilt
alleen hier, zijn
zo

en dan kijk ik je los
zo los dat je opstijgt
zo opstijgt dat je niet meer naast mij
alleen om mij, heen
zo

Tas

Ik had in mijn eerste schooltas
Een ruimte waar ik dacht dat ik hoorde
Schreef er mijn straat en huisnummer in
De plaats en het land werelddeel wereld
Onze planeet tenslotte de maan  
Verder wat sterren universum de zon
Daaronder mijn naam, die van mijn vader
Dag maand en jaar van geboorte
Gooide iedere dag over mijn schouder
Ik huppelde zo tussen huis en school
een klein heelal in beweging
Door ruimte door tijd werd ik groter
Waar ik later ook heenging bewoog ik
Hemel en aarde tot ik er was

buiten gesloten

na het zien van Birds die film
durfde ik tien dagen het huis niet uit
omdat ik zeker wist

de hoogspanningskabel boven de witte stad
is in werkelijkheid een snoer
aaneengeregen kraaien

waaronder de wind de meeuwen
schreeuwend met de zwarte raven
door mijn kale straat heen blaast

tot de allerkoudste dag
een roodborstje met een grote klap
dwars door mijn raam

buiten binnen vloog
het tikte warm, het tikte rood
nestelde zich diep in mijn hand

en alles klopte in mijn hoofd: laat me
erin tik tik tik laat me
erin

Merel van Slobbe

Misschien is het zomer

De hele middag ben ik bezig de geur
van zonnebrandcrème te beschrijven, op zoek
naar dingen die me de weg naar huis kunnen wijzen.

Zoals de vakantie dat ik over haringen struikelde
erachter kwam dat tenten meer kunnen hebben dan je denkt.

Sindsdien weet ik hoe weinig er voor nodig is
om waterdicht te zijn:
een dun laagje tussen jou en alles om je heen.

Ik heb al mijn naaktheid opgespaard
genoeg materiaal verzameld om een huis te bouwen.

Ik heb je kinderfoto’s op sterk water bewaard.

Op een dag zal ik naar de pleister op je knie wijzen
vertellen van de keer dat je over de rand
van je eigen silhouet heen viel.

En ook: misschien is het zomer
in het huis waar je groot werd.

Plekken waar het misgaat

We zitten op het dak en denken
als we het verschil tussen dicht en te dicht
bij de rand maar zouden weten.

We proberen woorden te verzinnen
voor het moment vlak voor je breekt
bij gebrek aan beter noemen we elkaar astronaut.

Ik zeg: op sommige dagen raak ik nog steeds
in elk winkelcentrum mijn moeder kwijt.

Het liefst zou ik navelstrengen verzamelen
ik zou ze bewaren op de plekken waar het misgaat:
tussen dode vetplanten
in een lege agenda.

In plaats daarvan leren we
op hoeveel verschillende manieren een koffiekopje
kan breken op de keukenvloer.

Het is niet erg:
ooit zal elk kopje het opgeven.

Dus gooi jezelf voorzichtig van de rand
ik vond een klein heelal tussen je lichaam
en alle dingen waar het aan kapot gaat.

Tot we stevig genoeg zijn

Je komt zachtjes binnen zodat het blijven
minder op zal vallen en we praten over dingen
als stofzuigerzakken en wasverzachter.

Alle woorden nemen de vorm van mijn ruggengraat aan:
alleen maar bedoeld om dingen overeind te houden.

Ik druk mijn ellebogen in mijn zij zodat elk afscheid
binnen het deurkozijn past en ik zeg: weet je nog

dat we papieren vliegtuigjes door het huis gooiden
zodat we groter leken en weggaan kleiner.

Je knikt en zegt dat je ergens las dat kauwgum lang
tot zeer lang op straat blijft liggen, afhankelijk van

hoeveel mensen eroverheen lopen. Die nacht huilen we
om landschildpadden en alles wat langer leeft dan wij.

Vouw je handen voor mijn ogen en duw net zo lang
tot we stevig genoeg zijn

om niet te verdwijnen.

Winnende gedichten

Met deze gedichten wonnen Merel van Slobbe en Maria van Oorsouw de zesde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Merel van Slobbe (1992)

Tot we stevig genoeg zijn

Je komt zachtjes binnen zodat het blijven
minder op zal vallen en we praten over dingen
als stofzuigerzakken en wasverzachter.

Alle woorden nemen de vorm van mijn ruggengraat aan:
alleen maar bedoeld om dingen overeind te houden.

Ik druk mijn ellebogen in mijn zij zodat elk afscheid
binnen het deurkozijn past en ik zeg: weet je nog

dat we papieren vliegtuigjes door het huis gooiden
zodat we groter leken en weggaan kleiner.

Je knikt en zegt dat je ergens las dat kauwgum lang
tot zeer lang op straat blijft liggen, afhankelijk van

hoeveel mensen eroverheen lopen. Die nacht huilen we
om landschildpadden en alles wat langer leeft dan wij.

Vouw je handen voor mijn ogen en duw net zo lang
tot we stevig genoeg zijn

om niet te verdwijnen.

Maria van Oorsouw (1948)

Zeewiergroen

Ik was tien en had nog nooit een huilende man gezien
kitesurfers bestonden toen nog niet
en badpakken konden je beschermen
dat van haar was groen
het kan zijn dat ze Duits was
durf jij tot de zandbank
van veraf lijkt de zee veilig

eindelijk mocht ik met mijn broertjes voor het eerst alleen
zonder vader en moeder naar het strand van Wijk aan Zee
zeezeilers zweefden nog niet boven het water
de luchtkussentjes van haar zeewiergroene badpak hielpen niet
ga niet verder dan tot je heupen
van dichtbij is de zee onrustig

iemand knielde bij haar neer
iemand zwengelde aan haar armen
iemand probeerde haar tot leven te slaan
er kwam zwarte modder uit haar mond
haar vader huilde
mijn broertjes schoten elkaar nat
met hun waterpistooltje
later toen het vloed werd gingen we golven springen
ik hield ze stevig vast

ik kon mijn ouders geruststellen ‘s avonds
alles was goed gegaan, het was een fijne dag geweest
ik was tien en had een huilende man gezien

zee trekt altijd

Gedichten

Maria van Oorsouw (1948)

Poëzie is de verbinding tussen mij en de buitenwereld. Inspiratie is de niet aflatende verbazing en verwondering om alles op de wereld om me heen. Daar doorheen loop ik en leef ik.

Dipsaus

Het lijkt zo eenvoudig
gewoon een rugzakje terugvinden
van lang geleden
een flesje vullen met water

met het flesje en de rugzak
fietsen naar zee
lopen door golven
als tranen zo zout
proef maar

het waren Nivea-dagen
iets liet zich zweven in de wind
je dreef op een oude binnenband

en je had van die zakjes met poeder
in flauw roze geelgroene bruinige kleuren
die je mengde met water

klaar was je dipsaus
het smaakte nergens naar.

Alexander Peters (1959)

Poëzie is mijn leven. Ik ga ermee slapen en sta ermee op. Het geeft invulling aan een anders klinisch leven waarin dan alleen mijn ziekte centraal zou staan. Daar pas ik voor.

Jas

De dag doet een jas van tranen aan
ze knippert wat met haar ogen
laat het zonlicht niet toe
kijkt uit op het nietig bestaan

zij zeult de tijd met zich mee
telt de seconden
laat de uren slaan
de dag heeft een jas van tranen aan.

Geert Viaene (1963)

Poëzie is ademen.

Zij ziet de bui hangen

In de verte zwellen de wolken.
Zij zeilen langzaam dichterbij.

Tussen de man en het meisje
in is het gras plat. De bliksem

treft zijn stem, de vogel schrikt
op van de draad, langs een lek

druppelt het licht naar binnen.
Leonard zingt slaapdronken

in zijn Midnight Choir.

Geduldig wacht het meisje af
tot hij recht staat om de stad

in te nemen, steen voor steen.
En iedereen weet dat zij graag

samen het spraakwater delen,
eindeloos walsen in de haard

van de orkaan, hoe zij wacht
tot de dominosteen wankelt.

Jacobus Bos (1943)

Poëzie is mijn leven.

Le peintre (Jean Le Gac)

Een goede schilder schildert niet.
Hij zet zijn ezel bij de bosrand neer.
De camera dicht langs de watermolen
met zijn driepoot van oud geloogd hout
op een plateautje van stenen en mos.

Stapt met zijn eigen toestel zoekend rond
tot hij zowel de camera als de ezel
in één zorgvuldig beeld heeft vastgelegd.
De foto uiteindelijk zo groezelig zwartwit
dat het de plaats van een misdaad lijkt.

Het waterrad schept met veel geklater
het water van hoog naar laag
waar het weer vrolijk verder stroomt.
Een man met een kano ondersteboven
over zijn hoofd loopt de camera omver.

Struikelt en duikelt met kano en al
in het woelige water met zijn hoofd
door de bodem om zo geleidelijk uit
uit het oog te verdwijnen terwijl de schilder
hem vloekend volgt met zijn blik.

Gedichten

Wij en juli

Een paraplu vaart over het water
tegen de nu al dagenlange juliregen
en voor ons, want wij hier binnen
boven bij het raam met wijn en vis
en uitzicht dat door ons gevangen is

zien hoe zoveel stil verdriet
van jaren zomaar voorgoed in
zomerdruppels voorbij kan varen.

Mooi, dat we dit voor onszelf houden
anders zouden ze allemaal weten dat
het regent en meteen met een paraplu
in een bootje de rivier opgaan.

Mandarijntje

Thomas kocht een netje mandarijnen
en een halfje gesneden bruin
dat was genoeg

hoe goed is genoeg
als de dag
je met warmte omarmt
als je het water hoort
likken tegen de kade
en een schip ziet van vroeger
zo een met een zwaard opzij

of voldoende voldoet voor
zo’n volmaakte ochtend
en waar passie dan past
vroeg het gekuste meisje
zich af in de trein

ze dacht aan de schipper
en pelde bedachtzaam
haar mandarijn.

Texel tijdelijk verblijf

Vader met zoontje
dat nog precies
in de warme holte
van zijn arm past
loopt het water in

‘Kijk’, zegt hij
‘de zee’

Op het strand is
een krans gelegd
een vleugel
kun je nog zien

‘Geniet van het leven
wij logeren hier maar even’
zegt de kapster uit De Koog
terwijl ze afrekent
met de stroopwafelverkoper.