Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Gedichten

Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Rik Sprenkels (1988)

Au pair

Ik draag een oneven aantal dienbladen naar buiten.
Ze druipen noodlottig
dwars door het grint.
Een regenworm boogiewoogiet
onder mijn laarzen.

Er groeien littekens in de tuin
op plaatsen waar ik ooit een steen brak,
of in het raam verdween.

Kortom, genoeg om over naar huis te schrijven.
Maar de vader vindt schrijven niks voor vrouwen.
Als ik voorbij loop, lijmt hij
enveloppen en ongepaste momenten.
Ik weet me met zijn tong geen raad.

’s Avonds verstop ik een
klavertje vier in mijn slip.
Ik wacht tot de kansen keren.

Willem Tjebbe Oostenbrink (1963)

Mama

Ik moet beter luisteren
vaak luister ik ook goed
naar een stemmetje in mijn hoofd.
Ik doe dan iets wat niet mag
dat komt omdat ik me verveel.
Knoeien is een afgeleide van verveling
dan wordt het een bende.

Papa en mama houden niet van bende
Papa houdt van grapjes.
Weet je wat het meervoud is van kan?
Kans, zegt papa.
Ik heb ook een grapje bedacht.
In Zuid-Afrika woont een mevrouw die Grapjas heet
en weet jij hoe haar voornamen zijn?
Hinke Hendrika
Ha Ha.

Mama kan andere dingen
soms maakt ze zelf zorgen
ze kan ook heel goed naaien.
Mama kan van een speld een hooiberg maken.

Mirjam van Teeseling (1964)

Interview

Wat heb ik met u te doen en
doen wij dat inderdaad?
Of zijn wij afgeleid
wat leidt ons dan en stemmen
wij daarmee in op elk
niveau van ons of is
er ergens onmin? Wie
trekt er dan (waarom wanneer)
aan het langste eind
met welke kracht, mandaat, valt dat
nog onder de vrije wil
of begint daar ontoerekeningsvatbaarheid? Bevindt
u zich in mijn blinde vlek, bent u tot mij gekomen
via mijn dode hoek en dringt u in mij door
waar ik een gebroken spiegel ben
u eindeloos weerkaatsend, kan ik mij daarom
niet van u ontdoen? Of zag ik u meteen
van aangezicht tot aangezicht maar ben ik dat daarna
weer grotendeels vergeten en raakte zo in deze
hulpeloze staat – ik weet niet wat de vragen
zijn om u te stellen
wat zou u willen
dat u wordt gevraagd?

Gedichten

Willem Tjebbe Oostenbrink (Grijpskerk, 1963) dicht in het Westerkwartiers (West-Gronings) en in het Nederlands. Hij debuteerde in 2013 met de Groningstalige bundel Opdreugde troanen (Opgedroogde tranen) en ontving de Duitse Borslaprijs (2014) en de Freudenthal Aanmoedigingsprijs (2010). Zijn poëzie ademt warmte, humor, liefde voor de taal en cultuur. Zij lijkt op het eerste oog verbonden met zijn geboortegrond, het Groninger Westerkwartier, maar bij nadere beschouwing breder, universeler. Dichten is voor hem de werkelijkheid vangen, doorgeven en weer loslaten. Hij heeft gepubliceerd in tijdschriften als het Groninger Krödde, het Friese Ensafh, het Drentse Roet, Noach’s Kat. Gedichten verschijnen in beleidsrapporten en bloemlezingen en op monumenten in het landschap.
Oostenbrink draagt voor in het Gronings. In 2016 trad hij voor het eerst op met Nederlandstalige gedichten op het Penrose-festival te Amsterdam.
Hij werkt als projectleider gebiedsontwikkeling; heeft voorheen gewerkt aan samenwerkingsprogramma’s in Midden- en Oost-Europa. Hij organiseert workshops over creativiteit en conceptueel denken.
Zijn lijfspreuk is “Life is not about the path you follow, but the trail you leave behind”.
Volgend jaar verschijnt zijn nieuwe bundel met gedichten, waaruit hieronder het tweede gedicht. Het andere gedicht komt uit de eerste bundel.

 

Teken an e waand

Rogge en riepeltocht hemmen e ruumte opgeven,
minsen hemmen heur haanden òftrokken
van dit laand niet meer van melk en hunneg,
van koeien toal noch teken vernommen.

Ien dizze onder de duum holden palternaksie
gijt hier n doar n peerd deur verruugde velden
met pitrussen as teken an de waand
mor zunder grond veur paniek.

n Mins viendt ien zien streven tekens
speult bij t leven met symbolen,

n kiend tekent met kriet op e stroatklinkers,
schrift woord veur woord zien toal, en zoekt

et hogerop as t kin veur t achterloaten
van zien kras ien e muur van t leven.

*

Teken aan de wand

Koren en kleefkruid zijn verdwenen,
mensen hebben hun handen afgetrokken
van dit land, niet meer van melk en honing,
van koeien taal noch teken vernomen.

In deze onder de duim gehouden wildernis
lopen paarden verloren door ruige velden
met pitrussen als teken aan de wand
maar zonder grond voor paniek.

Een mens vindt in zijn streven tekens,
speelt bij het leven met symbolen;

een kind tekent met krijt op de straatklinkers
schrijft woord voor woord zijn taal en zoekt het

hogerop als het kan voor ´t achterlaten
van zijn kras in de muur van het leven.

Golven nemmen gien òfscheid

Golven nemmen gien òfscheid
gliek de Titanic t gevoel veur wotter verloor
tegen de golven gien dag zee.

t Roepen en reren overstemde de störm
as of minsen levendeg begroaven werden.
Drenkelengen klampen heur vast an n stuk
holt of reddengssloep. n Aanderkaant raand
klumen minsen bijeen, vol ellende en verwarreng.
n Vraauw wordt uut t wotter vist.

Der mos met ruumte schipperd worden,
n man stond op
voaren van eigen koers, geft zien noam
met veur zien vraauw, en volgt zien ankers
van leefregels en staand.

Ien e oceoan schut elk taauw tekört.

Doaden drieven niet
principes kommen altied boven

schuum op e golven.

*

Golven nemen geen afscheid

Golven nemen geen afscheid
zoals de Titanic het gevoel voor water verloor,
tegen de golven geen dag zei.

Het huilen en roepen overstemt de storm
alsof mensen levend begraven worden.
Drenkelingen klampen zich vast aan een stuk
hout of reddingssloep. Aan de andere kant
kleumen mensen bijeen, vol ellende en verwarring.
Een vrouw wordt uit het water gevist.

Er moest met ruimte geschipperd worden.
Een man stond op
het varen van eigen koers, geeft zijn naam mee
voor zijn vrouw en volgt zijn ankers
van leefregels en stand.

In de oceaan schiet elk touw tekort.
Daden drijven niet,
principes komen altijd boven

schuim op de golven.