Recensie van Lange armen. Gedichten over de politie - Ester Naomi Perquin

Met een kop vol poëzie tussen de uniformen

Ester Naomi Perquin
Lange armen. Gedichten over de politie
Uitgever: Van Oorschot
2018
ISBN 9789028280731
€ 12,50
32 blz.

Zelf was ze nogal verbaasd over de opdracht zegt Ester Naomi Perquin in het nawoord van de gelegenheidsbundel Lange armen. Waarom viert de politie een lustrum van een niet-afgesloten reorganisatie? Waarom doen ze dat met gedichten? Zit Bromsnor wel te wachten op een mooie metafoor? Ze nam de opdracht aan. Haar nieuwsgierigheid stuurde haar op pad én er was de belofte van vrijheid om alles te kunnen opschrijven. Een idylle ontstond: “Er waren veel politiemensen waar ik gaandeweg een beetje verliefd op werd. Mannen en vrouwen met kennis van zaken, harde grappen en kleine hartjes. Doeners. Denkers. Wakker­liggers. Betweters. Redders. Hun vaak heel persoonlijke verhalen liggen ten grondslag aan bijna alle regels die ik schreef – en ik ben ze daar dankbaar voor. Het is vreemd om je thuis te gaan voelen, wanneer je met een kop vol poëzie tussen de uniformen zit – maar het gebeurde wel.”

Tien gedichten zijn het geworden en de agenten zijn er blij mee. Dinsdag 9 januari zaten ze naast elkaar bij De Wereld Draait Door: de korpschef en de dichter. Korpschef Erik Akerboom moest nog een paar keer door het stof omdat er de laatste jaren toch best veel gekke dingen waren gebeurd bij de politie en de dichter mocht twee gedichten voorlezen, bijgestaan door tekst op het scherm zodat ook de doven en slechthorenden eens een gedicht mee konden krijgen. Diender en dichter waren min of meer per ongeluk tot elkaar veroordeeld, hadden er het beste van gemaakt en nu zat iedereen te stralen in de opnamestudio.
Waarom? Eindelijk had iemand het eens een keer zo gezegd zoals zij, de agenten die de straat op gaan, het ook voelen. Poëzie had opeens nut gekregen. Politiewerk is meer dan de champagne bij de Ondernemingsraad en discussies over hoofddoekjes. Politiewerk is willen helpen en inzien dat je soms niets anders kunt doen dan falen. Zoals in het gedicht Terug: ‘Iemand zei: wie je niet redt blijft je langer bij / dan hele rijen op het droge.’

Dat is ook de kracht van het werk van Ester Naomi Perquin. Zij kan zich verplaatsen in een karakter en dan een beschrijving geven geheel vanuit het perspectief van haar ‘slachtoffer’. Dat is ook de kracht van de bundel Celinspecties uit 2012, impressies vanuit het gezichtsveld van de mensen die worden bewaakt door de cipier (pardon, de medewerker penitentiaire inrichting). In Celinspecties gaat het om de misdadigers, zeg maar de ‘lange vingers’. In Lange armen gaat het om de mensen die deze mensen gevangen moeten nemen en hun slachtoffers. 

MONOLOOG IN PORTIEK

Wat ik me nou toch afvraag hè, hoe past-ie door een keukenraam?
Zou het een jochie zijn geweest? Moet je nou kijken wat er ligt,
mevrouw, d’r is een bende van gemaakt

dat vind ik nog het ergste. En wat ze hebben meegejat, daar kan je
bij je eigen toch niet bij? M’n man z’n visgerei, m’n zoon z’n jas.
En hier, daar lag m’n tas met geld nog van de markt.

Waarom nou toch? Wij hebben van ons leven niks misdaan,
terwijl we niks te makken hadden. God, die ouwe hanger
die van m’n man z’n moeder is geweest – wordt daar
nou geld voor neergelegd?

Dat gaat toch nergens om? Die grote vaas en m’n kristal.
Dat hartje dat hier op een voetje stond, die had
ik van mijn zus d’r feest en hier die mooie blauwe.

Da’s nou dus weg. Schrijft u dat op? En wat ik erger vind
mevrouw, dat nou m’n huis zo’n bende is
en ook nog m’n vertrouwen.

Het is knap hoe authentiek deze monoloog overkomt. Je ziet een mevrouw voor je in haar huiskamer die niet alleen spullen maar vooral zichzelf kwijt is. Herkenning is dan ook het enige criterium dat voor deze gedichten een rol speelt. Niemand heeft er behoefte aan om bij deze gedichten na te gaan of de geest van de grote Nijhoff wel voldoende tussen de regels waait. Wat kan die agent dat schelen?

Zoals de korpschef zegt in zijn voorwoord: ik heb het nog niet gelezen, ik ben er benieuwd naar en ik hoop dat het herkenbaar is voor jullie, collega’s van de politie. Erik Akerboom: “Ik ben heel benieuwd wat ze gezien en ervaren heeft. Of ze in haar gedichten iets laat oplichten van de essentie van ons mooie werk en van de mensen die dat werk doen. Een dichter vindt soms woorden voor wat aangevoeld kan worden, maar moeilijk te vatten is. Kijkt met andere ogen naar wat vanzelfsprekend lijkt, roept nieuwe beelden op. Ik hoop dat ze me verrast en dat ik het herken. Ik hoop ook dat mijn collega’s het herkennen en het zullen ervaren als een trefzeker eerbetoon aan hun inzet en vakmanschap.” Herkenning en erkenning.

De tien gedichten belichten elk een ander aspect van het alledaagse politiewerk: het preventieve aspect (‘de eindeloze lijst van dingen die niet zijn gebeurd’), de ontmoeting met de steeds terugvallende junk (‘De reddeloze koningin / van zwerfvuil, klanten, schemering.’), het papierwerk op de bureaus, het keuzes kunnen maken in een fractie van een seconde, de troosteloosheid van een huisbezoek in een hopeloze buurt (‘De storthoop van de post.’) en alsmaar terugdenken aan een incident waarbij een kind niet tijdig uit een auto te water kon worden gehaald. De rauwe werkelijkheid via het goed gekozen woord leefbaar gemaakt. Geen poging tot mooischrijverij, geen hermetiek maar het leven aangevlogen vanuit de blik van de frisse buitenstaander met inlevingsvermogen en talent voor formuleren.

De bundel is uitgegeven in een oplage van duizend exemplaren en was snel uitverkocht. Voor wie er ook een wil aanschaffen moet wachten, de uitgever zorgt voor een extra levering eind januari. En anders moet je net zoveel geduld hebben totdat je er eentje aantreft op een tweedehands boekenmarkt. Er zullen toch ook nog wel agenten zijn die spijt krijgen van hun aankoop en die, ondanks het enthousiasme van hun korpschef, toch niets met poëzie blijken te hebben?

***
Ester Naomi Perquin (1980) groeide op in Zeeland maar woont al een tijd in Rotterdam. Ze volgde schrijfonderwijs in Amsterdam terwijl ze werkte als gevangenisbewaarder. In 2007 debuteert zij bij Uitgeverij Van Oorschot met de dichtbundel Servetten halfstok. In januari 2017 verscheen haar vierde bundel Meervoudig afwezig. Voor haar dichtwerk ontving ze verschillende prijzen waaronder de VSB Poëzieprijs 2013 voor Celinspecties. Perquin schrijft naast gedichten ook essays, columns en korte verhalen. Ze presenteert naast Piet Piryns de jaarlijkse Nacht van de Poëzie in Utrecht. Voor de periode 2017 – 2019 is zij benoemd tot Dichter des Vaderlands.

Recensie van Meervoudig afwezig - Ester Naomi Perquin

De raadselachtigheid van Perquin

Ester Naomi Perquin
Meervoudig afwezig
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261631
€ 16,99
37 blz.

In de nieuwe bundel van Ester Naomi Perquin Meervoudig afwezig (2017) trekt de dichter ons op intelligente wijze herkenbare levenservaringen binnen en laat ons er met nieuwe ogen naar kijken. Ze vraagt daarbij veel van onze voorstellingsvermogen vanwege haar verrassende wendingen van het concrete naar het abstracte en omgekeerd, haar omkering van voorstellingen, zienswijzen en gedragingen, zoals bijvoorbeeld het meebrengen naar een feest van ‘een kleine gedachte, mooi ingepakt//’ of de gedachte van ‘leegte’ als associatie met ‘oppervlaktewater’. Het paradoxale, het tegenstrijdige en het onoplosbare dat in veel situaties schuilgaat, is in deze bundel haar handelsmerk. Evenals Leonard Nolens beschouwt ze de stijlfiguur van de paradox als de enige hygiënische manier van denken. We moeten het ja niet scheiden van het nee, zoals Paul Celan haar leerde. Daarin gaat de raadselachtigheid van het leven schuil. Perquin neemt haar scherp waar, heeft niet zozeer de neiging daar een oplossing aan te verbinden, maar wil je de ingewikkeldheid van het leven laten zien. Het maakt voor een groot deel de spanning en de charme van de menselijke conditie uit. Genot is in dit geval misschien wat te veel gezegd, maar enig mild moralistisch realiteitsbesef weet Perquin ons wel voor te houden. Ze laat ons goed zien in hoeverre in de delen het totale zich het best laat zien, en in het totale de schoonheid en de waarheid van de delen zich kan aftekenen. Haar toon in deze bundel ligt dicht bij haar persoonlijke ervaring.
     Het motto van deze bundel ‘Er schuilt ongeloof in ieder uur’ is haar ingegeven door Fernando Pessoa, de dichter die voortdurend twijfelde aan zijn eigen identiteit, en niet voor waar wenste te houden wat anderen hem voorhielden en/of voordeden. Identiteit was voor hem drijfzand en aan een voortdurende verandering onderworpen. Wat is dat eigenlijk: er zijn, aan- en afwezig zijn? Perquin vraagt zich terecht af of we van onszelf wel weten wie we zijn en waarom we de dingen doen zoals we ze doen, laat staan dat we dat van anderen zouden kunnen weten. Ze begint met een mysterieus introductiegedicht. Daarin spreekt een professor zijn studenten toe:

De aard van de afwezigheid, dames en heren,
is zodanig afhankelijk van ons verdwijnen
dat zij niet valt waar te nemen.

Ook wat blijft, valt lang niet altijd goed waar te nemen, neem bijvoorbeeld de ‘maan’. ‘U zult de grootheid niet in het totale vinden.’ […] ‘Maar het totale in de delen!’ De professor die deze uitspraken doet, besluit in laatste strofe met het voorbeeld van een olifant om daarmee zijn theorie te illustreren:

Een olifant (…) lijkt pas de olifant die hij
daadwerkelijk is wanneer u
wegens kijken door een sleutelgat
een groot deel van hem mist.

Met onze verbeelding voltooien wij het beeld van onze werkelijkheid. Wat er onder oppervlakte aanwezig is, zien we vaak over het hoofd; wat in de werkelijkheid afwezig is, krijgt in onze verbeelding zijn entourage.
     Het eerste deel van deze bundel heet ‘De delen’. Hierin staan onder meer enkele gedichten die refereren aan een relatie, scheiding en kinderen, over wat zoek raakt, verdwijnt en pijn doet, zoals het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’, ‘Berekening’ en ‘Therapie’. Wat er leek te zijn, was er niet. Wat er niet was, bleek er wel te zijn. Schijn bedriegt: ‘slaap niet in vertrouwde armen / als andere aanlokkelijk ontbreken’ zegt de ik in het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’. Zij hebben een ander beeld van de relatie dan de ik zelf. De ervaring van een scheiding doet de ik mismoedig en ironisch oproepen:

…………………………..Zoek naar de aarzeling
en ongemak. De raadselachtigheid. Ik zou nu graag
een lelijke die mij weer aan het lachen maakt
en die mij prachtig vindt. Prachtig.

In het gedicht ‘Therapie’ vraagt de ik – die zichzelf als een stad beschouwt – zich af hoe ze zich van de angst kan bevrijden: ‘We vragen ons af wie de ander/ beter leest. Wie wint. Waarom we eenzaam zijn/’. Wie heeft het beste zicht op de ‘klont in [het] brein’? De cliënt of de therapeut? In het laten zien van wat aanwezig is maar afwezig lijkt te zijn, bedient Perquin zich van verdwijntrucs die thuishoren in sprookjes, zoals in het gedicht ‘Wegens logistieke problemen’. De ik mocht de doos die gearriveerd was, niet openen. Uiteindelijk stapt ze er toch binnen, opdat ze daarmee voor even zou vergeten wat haar te wachten staat. Blijkbaar werd het openen van de doos belemmerd door een angstgedachte dat er iets in de doos zat wat gevaarlijk was. Wat niet zichtbaar was, was aanwezig in al zijn afwezigheid. Tweemaal afwezig: de angst en het verdwijnen in de doos.
     In het gedicht ‘Een troost’ ontleent Perquin troost aan de roekeloze en waar te nemen groei die de natuur in al zijn facetten kenmerkt: ‘Wat groeit, groeit roekeloos.//’ Wij mensen bestaan massaal niet, we zijn ‘feilloos in het niet-bestaan.//’ Ze gaat daarna verder met:

We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

( … )
Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

Onze af- en toekomst rust in de onbegrijpelijke afwezigheid van een schepper die in ons zijn aanwezigheid tot uitdrukking heeft gebracht. In het gedicht ‘Ondersteunende troepen’ zijn daar de angstige vaders die vrees hebben voor de oorlogshandelingen. Ze hebben angstvisioenen die niet bewaarheid worden, maar weten zich gesteund en getroost door de vooruitzichten die hun kinderen hen bieden voor na de oorlog. In beide gevallen berusten die vooronderstellingen op wat er niet is. Ook hier is er sprake van tweemaal afwezigheid. Zo zie je maar weer hoezeer mensen gedreven worden door wat zich in hun verbeelding vormt en vastzet, en niet op de feiten is gebaseerd. Door de vreesaanjagende deelaspecten wordt het verlossend geheel vaak niet zichtbaar meer.
     Het tweede deel heet ‘Het totale’ begint met een reeks nabeelden, zoals ‘Zelfs in de koppen van gevangen apen, las ik,/ treft bij de sectie vaak nog/ hele stukken oerwoud aan.//’. De conversatie met de snurkende, vaag geurende God is vermakelijk en hilarisch te noemen. “Je hebt veel dingen nooit gedacht,” zegt God ineens./’ tegen de ik. De ik repliceert: ‘U bent er niet.’ God houdt zijn ogen dicht en gaat verliggen. ‘Gratis dicteer ik / dit gedicht’, zegt hij. “Probeer het zelf / maar te verpesten.”//’. Het maken van het gedicht ligt wel en niet in onze handen, of God er nu wel of niet bij aanwezig is. Het scheppingsproces blijft een oneindig raadsel. Perquin laat haar lyrisch subject in dit tweede deel worstelen met de oorsprongs- en bestaansreden. Ook al kunnen we tegenwoordig heel ver het heelal inkijken, uiteindelijk keren we terug ‘bij het noodgedwongen wezen / van de mens: ons vermoeden. //’ In onze handelingen, hoe aarzelend en klein dan ook, ligt de bestaans(on)zekerheid. Het gedicht ‘Handelingen’ legt die existentiële vraag op tafel. Het lyrisch subject van Perquin cirkelt voornamelijk in deze bundel rond de vraag wat de vaste grond van dit bestaan is. Ze is er al lang achter dat die grond niet in de materie en de mens alleen te vinden is. Ze accepteert dat ook en bepleit enerzijds de permanente modus van de onzekerheid, maar blijft anderzijds naar een vermoedelijke aanwezigheid van een bestaansgrond zoeken: ‘Vermoeden omlijnt ons bestaan, een silhouet van onze krijt, / de dunne omtrek van een lijk; wij zijn wat niet meer / verder komt, voorgoed is vastgesteld. //’. In het gedicht ‘Had het hierbij maar gelaten’ blijft die finale vraag opspelen:

Je neemt een been (een lang, bruin been dat iemand over heeft)
een meeuw of twee en het uitzicht op zee.

Gelukkig zijn is gemakkelijk wanneer iemand anders steeds
je drankje brengt en diepe gesprekken kunnen vrij eenvoudig zijn:
je begint met de herkomst van het been en voor je het weet ben je
toe aan het hart, het eerste verlies, de innemende lach
en als je dood gaat, wat je dan denkt
dat men vermoedt dat je dacht.

Vraag als de zon zakt nog even of God het zo bedoelde en je zult zien
dat ook Hij, als Hij met ons klaar zal zijn,
de schepping uit de knoop haalt, leeg laat lopen,
de boel inpakt (zorgvuldig droogwrijft) en opbreekt,
nog één keer omkijkt en verdwijnt – je zult zien dat ook Hij
graag kijkt naar betere omstandigheden.

Naar één zuiver idee als dit. Een huis
met een trap naar de zee.

Perquin heeft met deze nieuwe bundel een zeer leesbare, verrassend knappe bundel geschreven die voor mij een aards-metafysische inslag heeft, zonder dat hij humor en directheid mist. In haar pogingen het afwezige in het aanwezige te laten zien vanuit het deel of het geheel, maakt zij deze bundel tot een existentiële ervaring met een spirituele kwaliteit.

Recensie van Jij bent de verkeerde
en alle andere gedichten tot nu toe
- Esther Naomi Perquin

Een voorlopige balans

Esther Naomi Perquin
Jij bent de verkeerde
en alle andere gedichten tot nu toe

Uitgever: Van Oorschot
2016
ISBN 9789028261310
€ 19,99
169 blz.

Jij bent de verkeerde bevat de drie tot nu toe verschenen bundels van Ester Naomi Perquin: Servetten halfstok (2007) Namens de ander (2009) en Celinspecties (2012). De lezer krijgt een goed inzicht in haar ontwikkeling als dichter. Het overkoepelende thema is het menselijk tekort: liefdesproblemen, angst voor verlies, de onmacht iets aan belemmerende omstandigheden te veranderen. Toch zijn het geen sombere bundels: daar zijn ze te beweeglijk voor en over het algemeen ondergaan de personen dat tekort niet lijdzaam.

Een van de mooiste gedichten uit de eerste bundel is ‘Meisjes’, waarin zij met weinig woorden een wereld weet op te roepen die herkenbaar zal blijven zolang er meisjes van een jaar of veertien bestaan. Ze liggen ‘zij aan zij’ in de duinen. ‘Duingras kietelt hun benen en hoog / klinkt de pas bedachte lach ( … )’. Al in dit gedicht toont Perquin haar voorkeur voor een spel met woorden en gezegden: ‘Van kop tot teen onaangeraakt / liggen zij, met allemaal dezelfde stem / dezelfde moeder te bespreken.’ Mooi is ‘onaangeraakt’, in beide betekenissen.
Uiteraard ontbreken de jongens niet: reëel of in de verbeelding van de meisjes:

Maar over het zand lijkt een vreemd,
steeds lager grommen aan te zwellen
en jaagt een rilling door de rij.

Elke seconde komen de jongens
op onverbiddelijke brommers
in grote golven dichterbij.

In Servetten halfstok is Perquin nog zoekende en dat zie je in de uitglijders. In ‘Winter’ laat zij de ‘ik’ zeggen dat zij geen lammetjes meer kan verdragen vanwege ‘twee blauwe kinderwantjen naast een wak’; liever heeft zij dat na deze winter nog een winter volgt. Een gruwelijke gebeurtenis, maar door de wijze waarop zij die beschrijft, begeeft zij zich op het randje van de sentimentaliteit. En een enkele keer is de inhoud weinig belangwekkend. In ‘Lea’ bijvoorbeeld beschrijft zij een fragment uit Genesis, waarin niet Rachel, maar haar oudere zus Lea door een list met Jacob trouwt. Zij doet verder weinig met dat gegeven.
In datzelfde gedicht komt een regel voor als: ‘zijn lief, een list? Zij lacht.’ Ze is dan al te kwistig met alliteraties. Haar aandacht voor de vorm is soms zo nadrukkelijk zichtbaar dat het ten koste gaat van de levendigheid en de spontaniteit van haar gedichten. Of liever: de ervaring van spontaniteit, die de dichter oproept door een sterke maar onnadrukkelijke vormbeheersing.

De tweede bundel is aanzienlijk complexer en haar vormbeheersing is gegroeid. Gedichten zijn vaak open: ze laat veel te raden over, waardoor de gedichten uitnodigen tot herlezing.
Het best vind ik de gedichten waarin verschillende interpretaties elkaar aanvullen. In ‘Verbinding’ voeren een man en een vrouw een moeizaam telefoongesprek over een relatie die is stukgelopen. Beide betekenissen van de titel zijn van toepassing: er is zowel sprake van een telefonische als relationele verbinding en beide zijn tijdelijk. De laatste twee strofen:

Als het moet, zei jij, bel ik je morgen weer.
Jij schermt wat met een leegte die zich
eenvoudig laat ontwrichten.

Leg me naast je neer. Soms droom ik
nog kinderen van je, spelenderwijs.
Mooie, betraande gezichten.

In de eerst geciteerde strofe staat tweemaal ‘jij’. Gaat het hier om een of twee personen? Wordt de verteller hier aangesproken (‘ik bel je morgen zo nodig nog een keer, want je schermt nu met een leegte’) of constateert de verteller dat juist haar gesprekspartner schermt met een leegte? Dat kan naast elkaar bestaan: ze kunnen allebei die mening zijn toegedaan. En ‘Leg me naast je neer’: spreekt hier een verlangen uit naar het herstel van de relatie of geeft zij haar gesprekspartner de nuchtere raad: ‘Vergeet mij maar’? Beide. Ze droomt de kinderen, maar wel met betraande gezichten.

Dat ze in beide bundels nog zoekende is, laat ze in Namens de ander op een humoristische wijze zien. ‘Gevolgde adviezen’ bestaat uit twee gedichten. In het eerste stelt ze: ‘Dat het schimmiger moest, ik wist het, verbeet me, / probeerde krampachtig de helderste lijnen // te wissen ( … )’ en in het tweede: ‘Dat het helderder moest, ik begreep het, verbeet me / hervatte gewiste verbanden ( … )’.

Alles valt op zijn plaats in Celinspecties, waarvoor ze de VSB-prijs 2013 kreeg. De bundel heeft een sterke thematische samenhang en gedichten met een knellende vorm staan er niet in. Perquin gebruikt beelden die zowel mooi als huiveringwekkend zijn. Op een schietpartij in een winkelcentrum, die lijkt op die in Alphen aan de Rijn, is een meisje neergeschoten: ‘Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’
Zoals bekend, werkte Perquin enige jaren als cipier en in deze bundel maakt ze gebruik van haar ervaringen, wat uiteraard niet per se betekent dat het hier gaat om één-op-éen-beschrijvingen van de werkelijkheid.
Een gevangenis is een mini-maatschappij die niet principieel verschilt met het leven buiten de poort, maar waarin de machtsverhoudingen onwrikbaar vastliggen en hartstocht, wanhoop, liefde, verdriet en pijn op een veel heftiger en ongepolijster manier naar voren komen. Het is een leven in een hogedrukpan.
Ze beschrijft tien keer een gevangene van binnenuit en groepeert daaromheen enige andere gedichten. Er zitten meesterkrakers tussen, vrouwenmoordenaars, psychopaten. In een paar regels weet ze zo iemand treffend te typeren. Samen met de titel ‘Er is nog heel veel over’ zijn de volgende regels ijzersterk: ‘Aangereden vogels kun je laten liggen, kun je klapwiekend en al / terzijde schuiven, vergeten voor je zelf de straat uit bent’.
Machthebbers – de cipiers in dit geval – blijven niet buiten schot. In de epiloog ‘Lied’ krijgt de aandoenlijke psychisch gestoorde Bennie zijn definitieve straf te horen of tbs opgelegd, waarna hij zelfmoord pleegt. De dichter: ‘Ik kreeg niet de schuld, eiste de schuld ook niet op, de schuld lag / op de vergadertafel voor het grijpen’. Zij en haar collega’s doen er niets mee: gedane zaken nemen geen keer, ze moeten weer aan het werk. Maar ze is er niet klaar mee, want ze hoorde zijn laatste woorden en voelt zich schuldig over haar reactie daarop: ‘mijn laatste adem wil ik graag voor thuis bewaren / en ik lachte om je woorden, lachte even om je Bennie. / Sloot de deur achter je rug.’ Een ontroerend lied, vond ik na de eerste lezing. Bij de tweede vond ik dat Perquin zich hier net als in ‘Winter’ begaf op het randje van sentimentaliteit.

Maar al met al heb ik genoten van Jij bent de verkeerde en ik hoop daarom dat een nieuwe bundel niet lang op zich zal laten wachten. Celinspecties kwam immers al uit in 2012.

***

Ester Naomi Perquin (1980) ontving onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2009 (voor haar beide eerste bundels), de Jo Peters Poëzieprijs 2010 en de J.C. Bloem-poëzieprijs 2011 (beide voor Namens de ander) en De VSB Poëzieprijs 2013 (voor Celinspecties). Van 2011 tot 2013 was zij Stadsdichter van Rotterdam.

Recensie van Celinspecties - Ester Naomi Perquin

Iedereen is altijd maker van keuzes

Ester Naomi Perquin
Celinspecties
Uitgever: Van Oorschot ,Van Oorschot ,Van Oorschot
2012
ISBN 9789028241954
€ 14,50
72 blz.

Wat hebben een cipier, een gevangene en een dichter gemeen? Die vraag kwam direct bij me boven, toen ik de inhoud van de nieuwe bundel Celinspecties van Ester Naomi Perquin een eerste keer doorlas. Alle drie worden ze in hun vrijheid beperkt. Een cipier als bewaker van gevangenen is gebonden aan de spelregels van het gevangenissysteem: betrokken afstand te bewaren. Gevangenen zitten net als ieder mens vast, aan wie ze zijn en aan de keuzes die ze in het verleden hebben gemaakt: onderdrukte emotie te beheersen. Een dichter zit vast aan de taal: zich aan het creatieve proces te onderwerpen. Als jongleur is hij niet zozeer uit op directe communicatie, maar het gaat hem er in de eerste plaats om met die invallende woorden uiting te geven aan een nog niet gedeeld inzicht, een verrassend nieuwe kijk op bestaande zaken, een overrompelende emotie. In deze bundel toont Perquin binnen de beperkingen van de cel introspecties van gevangenen.

Celinspecties is Perquins derde bundel. Zij debuteerde met Servetten halfstok (2007), vervolgde met Namens de ander (2009 en is inmiddels een gelauwerd dichter: Debuutprijs, C.Buddingh-prijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Ze schrijft columns voor De Groene Amsterdammer en De Avonden (VPRO), is redacteur van Tirade en sinds 2011 stadsdichter van Rotterdam.

Perquin is een tijd lang cipier geweest in een huis van bewaring. Haar nieuwste bundel is een weerslag van die ervaringen en geeft ons inzicht in de gedachte- en gevoelswereld van de gevangenen die zij dagelijks bediende.
Ze begint veelzeggend: ‘Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven,’. Geen ‘Ik liet …’, maar ‘Liet’. Daaruit kunnen we al direct afleiden, dat de ik zich op de achtergrond wenst te houden. Toch weet ze de levens van deze gefnuikte en gekooide mensen binnen te dringen. Ze raakt aan hun intieme overwegingen. ‘Binnen beperkingen’ bevat inbeeldingen en droombeelden, op het hallucinerende af. Altijd maar dat doordenken binnen de muren van je cel.
Perquin heeft hun wereld wonderwel boven de alledaagse observaties en gesprekken uitgetild en op een soort van poëtisch metaniveau gebracht. Je kijkt met de ik van opzij, dwars door, van onder en boven langs mee naar de voorgeschiedenissen van tien delinquenten en hun status aparte nu. Ze zit ze dicht op de huid. Nu eens zijn de verzen opsommend, sterk ritmisch en dynamisch, dan weer in trage lange versregels die overweging en argwaan tonen. Veel klanken en kleuren van stemmingen en schakeringen van zelfinzicht komen langs. Diverse verschijnselen komen en/of zetten zich in beweging als waren het mensen. De dingen nemen hun loop: ‘Ook daglicht speelt met wat het kenbaar maakt;/’. Dat maakt haar teksten beheerst, scherpzinnig en speels tegelijk. Het houdt je als lezer alert. In die zin vind ik haar taalgebruik caleidoscopisch van aard: kleurrijk, afwisselend en beeldrijk. Ambiguïteit en ambivalenties liggen permanent op de loer.

Het openingsgedicht slaat een verwonderlijke, tegendraadse toon aan om ons ervan te doordringen dat we anders naar die gevangeniswerkelijkheid dienen te kijken dan we gewoonlijk doen:

ik stormde bont en blauw geslagen vrouwen huizen uit,
schuifelde bedelaars kastelen in, liet een kille moeder
tijdig knielen bij een kind dat viel
was het kind dat viel.

De versregels met bont en blauw geslagen vrouwen die uit huizen zijn verjaagd, laten een verstrengeling aan uitdrukkingen zien die zo’n dichtregel extra spankracht meegeeft. Perquin contamineert vaker. Zo’n versregel doet je even de wenkbrauwen fronsen en daarna vanwege de gelaagdheid tevreden verder lezen. De ik maakt zich in deze bundel tot meer dan alleen maar toeschouwer, maar weet zich betrokken bij de drama’s die ze aanhoort en onder ogen ziet.

Perquins poëzie blijft dicht bij de spreektaal: ‘Ik hoef hun televisie niet.’ De inkijkjes in de tien uiteenlopende mensenlevens hebben allemaal het karakter van opgetekende innerlijke monologen en flarden van dialogen. De ik laat zich weinig invoegen in het spreken van de delinquenten. Hun verhalen heeft zij elk een persoonlijke kleur, maar bovenal een algemeen menselijke dramatiek meegegeven: ‘dat hebben we heus wel geweten.’
Niet voor niks gebruikt Perquin in de aanhef van de meeste gedichten voornaam met achternaam ingekort tot een hoofdletter: Frans van A.. Criminelen, maar zeker ook mensen die stuk gelopen zijn op hun eigen leefomgeving, onvermogen, onwil en gebrek aan discipline om de koers te verleggen.

Wat ons betreft

Van alle dingen die ze ons daar leerden – hoe rechtop te staan bij tegenwind,
een pak te kopen, das te knopen, geld te sparen, hoe je stem te vormen
tot een schoon geweten, weg te lopen, vast te houden, af te wachten,
te praten met vrouwen, netjes eten – er bleef weinig achter.

We waren onverbeterlijk gebouwd voor roof en braak, met handen
als grote doelmatige klauwen, ogen als gaten, met tanden om
ijzer te bijten, kloppende plannen, een pikzwart verleden,
hersenen gemaakt voor smerig leven. Onze taal
vol kogels, ziektes, lichaamsdelen.

Het ‘ding zijn’ biedt wellicht bescherming tegen het mens zijn. Bovenal zijn er de innerlijke pijn, de schuldgevoelens, het onvermijdelijke te aanvaarden dat je bent die je bent. Menno F. laat in het gedicht ‘Verkeerd begrepen’ zien dat hij wel wilde

dat het goed afliep. […]

ik wilde géén lamaarwaaien, wat dan ook, moet
maar gaan zoals het gaat, ik wilde wél
het toonbare, vastomlijnde zijn.

Mensen van goede wil, maar helaas hun wil is niet krachtig genoeg gebleken tegen hun neiging tegemoet te komen aan plots opkomende impulsen.
Gevangenen – allemaal mannen – komen in beeld. Ieder met hun eigen afwijkend gedrag. Jakob de B.:

Altijd denk je aan de meisjes, zo gauw de wereld ’s morgens openklapt
aan hun huppel het huis uit, hun sprong in het zicht, hun dansende
fietsende benen je dansende fietsende hart

Zo droomt hij:

Dat ik droomde dat ik wakker werd in een lichaam dat niemand had verteld,
de buik een wolwerk van verzet, niet in te snoeren vel, de borsten
monsterlijk gezwollen. Iets met hormonen dat ik niet meer weet,
het viel niet in te tomen zo weelderig rond

Jacob die zichzelf in de gedaante van een vrouw waant. Hij sluit zich op in zijn eigen droomwereld als verweer tegen zijn realiteit.
En Frederik C. die zichzelf op de been houdt met te zeggen:

De straf hangt af van hoe je het zegt. […]

[…] In plaats van moordenaar
kies je ‘dader’. Ruimtelijker. Minder beladen.

Hij bedient zich van woorden ter verzachting en vergoelijking van zijn situatie. Of David H. die bekent:

Omdat ik haar gezicht veel beter heb gekend dan zij het mijne – ik liet haar
eerst een klein beetje verdwijnen, daarna steeds meer tot ook ik
niet zeker wist waar ze gebleven was –

Hij vraagt zich zelfs af of hij er zelf wel bij was toen het gebeurde:

Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
Dat er werd gedronken, je hoort wel eens wat, dat ze
verkeerde dingen deden heb ik nu pas begrepen.

[…] Maar dingen gebeuren nou eenmaal bij jou en bij mij,
bij volslagen onbekenden, dingen gebeuren
in huizen waar je nooit bent geweest.

Niet hij maar een ander was erbij betrokken. Hij tracht aan zichzelf te ontkomen. Misdaad voltrekt zich uit zichzelf, zo lijkt het. De cipier observeert. De gevangene kijkt de cipier indringend aan en hoopt op een andere kijk op hem en zijn gedrag dan hij denkt dat ze van hem heeft:

Ik kan dit verhaal maar één keer vertellen, ik vertel het daarom
liever in één keer goed. Ik vertel het daarom aan u.

Carlo ‘de veroveraar’ da C. is er trots op dat ze wel hem maar niet de buit te pakken hebben gekregen:

Wat er te halen viel heb ik nóg.
Ze nemen me geen meter af van elke afstand die ik won,
van elke kamer die ik zag en ieder dak dat ik
beklom en waar ik stond en koning was.

Een moord heeft:

iets ambachtelijks heeft als goede
zelfgemaakte worst met kruidnagel en stukjes been,
dat huisgemaakte van de hele onderneming,
de eer die je schept in bij wijze van
spreken je eigen recept.

Ze hebben allemaal een ernstig delict op hun geweten. Een ieder heeft daarmee zijn eigen omgang, zijn eigen rechtvaardiging gevonden.
De bundel opent met een titelloos gedicht waarin de ik allerlei activiteiten in vogelvlucht laat langskomen; de bundel eindigt met een tragisch lied waarin verteld wordt dat Bennie ineens een beetje raar is gaan doen, waardoor hij in de gevangenis is terechtgekomen. Bennie slaat op het laatst de hand aan zichzelf:

Bennie, er is heel veel gepraat toen jij gevonden was
en niemand wilde denken aan het laatste
wat je deed, niemand stelde vragen.

De hele bundel wordt gedragen door een raamwerk van observaties en innerlijke dialogen, omgeven door een openings- en slotgedicht. De cirkel blijft gesloten. Geen enkele gevangene ontkomt aan zijn eigen levensverhaal en zijn eigen keuzes uit het verleden: ‘ik heb niet geleerd/ te ontroeren. Ik ben achttien./ Ik zit vast voor moord.//’ De mens in de gevangene pelt Perquin naar buiten toe af. Verwondering over het feit dat je bent die je bent wordt niet alleen deelachtig aan de ik en de gevangene, maar ook aan de lezer. Het mens zijn blijft staan, wat er ook gebeurd is. In Perquin is een invoelende cipier verloren gegaan! Knappe bundel.

Gedichten

Mens blijft staan

Waren we nuttiger dingen geweest, onze buiken groenblauwe globes,
onze harten de motors (eenzaam, knalroze) onze handen door
goden omwikkeld met plakband, aan draden tot grotere dingen bewogen

en waren we draagbaar geweest (handvat aan de bovenkant) vraag dan
hoeveel keer beter, hoeveel keer meer – waren we eenmaal
doorzichtig geweest, de lijnen kwijt, we hadden het beter begrepen.

We hechtten tot nu toe geloof aan een mond en twee ogen
maar dit heeft geen gezicht, heeft geen gezicht nodig.
Het is hoe het kijkt en laat je hier achter.

Niemand verplaatst je in wat je betekent, geen mens laat je opstaan
en zweven, we zijn ons beperkte bewegen gewend.

We zullen niets zinnigs meer worden, zijn het misschien al geweest.
Afwezig. Helder ingetekend. Ontdaan van wisselvalligheden.
Iets dat klaar is en waar je, voor even,
de eerste getuige van bent.
 

(In opdracht van Wintertuin / De Ingreep, bij een tentoonstelling van Elspeth Diederix, 2009.)

Toespraak bij doorstart

We weten wie hij is (zegt hij, hij weet dit zelf ook goed) want in die dagen
na de klap, toen hier de boel stond afgezet, rood-wit lint
om tijd te winnen, heeft hij met één gebaar
de nieuwe status opgevraagd.

De diensten heeft hij uitgekleed, (deze dingen zegt hij graag:)
de werkvloer opgeruimd, het vakjargon vertaald,
de winst herzien, het speelgoed weggedaan.

Als er al een wereld heeft bestaan sterker dan deze, valser, begeriger, beter
dan waren wij volmaakt onwetend (zegt hij straks),
steeds nieuwe koppen aan hetzelfde beest.

Hij ziet er naar uit (hij trekt even aan zijn das, klein moment van ongemak)
die wereld te vergeten, leeft toe naar de herinnering,
verheugd zich om zichzelf te schamen.

We zijn niet wat we zijn geweest (zegt hij bemoedigend en lacht)
maar we zijn hier. Een glanzend merk. We overleven
ook onszelf. Herhaal dit elke dag.
 

(In opdracht van kwartaaltijdschrift CDV ‘De crisis voorbij’, winter 2009).