Gedichten

Sneeuwwitje

De heks is boos,
De prins wacht,
Sneeuwwitje durfde niet,

Maar Sneeuwwitje denk aan
De prins,
Hij rijdt onrustig rond,
En hij heeft alle bomen met hartjes volgekerfd,

Sneeuwwitje durfde niet,

Maar Sneeuwwitje denk aan
De heks,
Ze is niet eng meer,
alleen in het paleis,

Sneeuwwitje durfde niet,

Maar Sneeuwwitje,
De prins heeft het koud
Hij kan de weg niet vinden,

De spiegel is stil,
En hangt er zielig bij,

Maar Sneeuwwitje durfde niet,
Zij had appelangst.

Papa groef een kuil,
zijn zwarte schoenen verdwenen,
in de aarde.
Ik schreef in de lucht,
mijn vingers bibberden heel raar.
Ik liet mijn koekje huilen,
in de thee.
Vanmiddag hebben we katje begraven,
dat moest,
hij was dood.

Salon l’ étranger

Dertien haltes naar Gare du Nord,
De metro warm en muf,
als een oude schuur in de zomer,

Een meisje in het gangpad,
Steentjes in mijn schoen,
Zand van een verlaten strand,

Stilstaan in een tunnel,
Omroep door de luidsprekers,
“Pom, pom, pom crisis de person”

Dan weer beweging,
Mensen stappen in,
Mensen stappen uit,
Ik heb de hik, nogal hard,

Gare du Nord,
In de hoofdhal militairen,
blauwe pet met zilveren ster,
in de hand een groot geweer,

Boven een café een bord:
“Salon de grand voyageur”
“Salon de vreemdeling”
Is meer iets voor mij.