Recensie van Het zakboekje van het pijnboombos - Francis Ponge

De stem van het pijnboombos

Francis Ponge
Vertaler: Christian Hendrikx
Het zakboekje van het pijnboombos
Uitgever: Koppernik
2018
ISBN 9789492313454
€ 16,50
72 blz.

Er is geen dichter met wie ik zoveel plezierige uren heb doorgebracht als Francis Ponge. Voor mij was het dan ook ‘de verrassing van het jaar’, dat uitgeverij Koppernik het heeft aangedurfd om van Francis Ponge Het zakboekje van het pijnboombos uit te geven. Ponge is in ons taalgebied ‘de dichter der dingen’ genoemd. Christian Hendrikx, die het zakboekje vertaalde en van een erg goed, ik zou bijna zeggen Pongeiaans nawoord voorzag, legt daarin uit hoe gebrekkig die benaming is. Ik citeer: ‘Misschien kun je Ponge daarom beter betitelen als een dichter van de verstandhouding tot…, van de omgang met… of van de betrekkingen. Of van het aanspreken.’ Ponge is in ons land geen al te populaire dichter, bleek in de jaren zeventig, toen ik bij De Slegte het boekje Zeep aanschafte voor slechts één piek. Ook zijn proëmia werden verramsjt. Ik heb dan ook een flink aantal van de boekjes gekocht, niet alleen om weg te kunnen geven, maar ook om ze stuk te kunnen lezen. Mijn laatste exemplaar kraakt van de lijm. Jarenlang heb ik Ponge dagelijks op zak gehad. Wat was die dichter goed! Ik ken geen dichter die dichter aan de essentie raakt ‘van de dingen’ waar het om gaat. Laat ik hem zelf in de vertaling van Hendrikx aan het woord laten:

                                                                                                                                      7 augustus 1940

Het genot van de pijnboombossen:
.  Je komt er gemakkelijk vooruit (temidden  van die hoge stammen met hun tint tussen die van brons en rubber). Kaal zijn ze. Zonder lage takken. Er is geen wanorde, geen warboel van lianen, niets wat hindert. Wanneer je er gaat zitten kun je je gemakkelijk uitstrekken. Alom ligt tapijt. Hier en daar gemeubileerd met een rotsblok, en bezet met wat dwergbloempjes. Zoals bekend hangt er een gezonde lucht, een niet opdringerige, aangename geur, een muzikaliteit die vibreert, maar op zachte en weldadige wijze.
.  Deze hoge violette masten, met nog resten korstmos en hun gegroefde bladderschors.
.  Hun takken benaalden zich en hun stammen pellen zich.
.  Deze hoge schachten, allemaal helemaal van dezelfde specifieke soort. Deze grote zwarte of op zijn minst creoolse masten.

.                                                                                                                  7 augustus 1940 – namiddag

Het is gemakkelijk voortstappen tussen deze hoge zwarte of in elk geval creoolse masten, nog geschorst en met korstmos tot halverwege, strak in het brons, buigzaam als rubber.

*

(Ik gebruikte niet robuust, want dat adjectief is toepasselijker voor een andere boomsoort.)

*

Geen wirwar van touwen of lianen, geen planken maar dikke tapijten op de grond.

*

Robuust is toepasselijker voor een andere boomsoort, al is de pijnboom dat toch ook, hoewel die als geen andere boom buigt zonder te knakken…

*

Een staak en een kegel en kegelvormige appels.

                                                                                                                                        8 augustus 1940

Midden in deze veelheid… Aan de voet van deze zwarte of in elk geval creoolse masten niets wanordelijks, geen enkele belemmering door lianen of touwen, geen geschrobde planken op de vloer, maar een dik tapijt.
.  Van de voet tot halverwege gekroesd met korstmos…

Enzovoort. Het doet vreemd aan dat de Tweede Wereldoorlog (bijna) geen rol speelt in het zakboekje. Nog geen maand voordat hij met het schrijven ervan begon, waren de Duitse troepen Parijs binnengemarcheerd. Ook De Grote Oorlog werd in het zakboekje niet herdacht, die op 4 augustus 1914, dus de tijd van het jaar dat Ponge in zijn pijnboombos rondwandelde, was uitgebroken, en waarvoor tot dan toe nog steeds in zowat elk Frans gat of gehucht een monument was opgericht. Ponge wandelt door het pijnboombos, terwijl hij ‘onderweg is naar een gedicht’. Je moederland is meer dan iets anders een taalgebied. De taal was Ponge zijn thuis, waar hij zijn leven lang voor en mee is blijven vechten. Dit wil niet zeggen dat hij zich afzijdig hield: in de tijd dat hij het zakboekje schreef was hij medewerker van de op het verzet geörienteerde krant Progrès de Lyon en toen de Duitsers het verschijnen van die krant onmogelijk maakten, werd hij actief in het verzet.

In zijn proëmia beschrijft hij, voor zichzelf, om het niet te vergeten: ‘(..) het enige principe op grond waarvan je interessant werk kunt schrijven, en goed schrijven (..). Je moet eerst kiezen voor je eigen geest en je eigen smaak. Vervolgens moet je de tijd nemen en de moed vatten om alles wat je denkt over het gekozen onderwerp uit te drukken (en niet alleen de uitingen vasthouden die je briljant en karakteristiek lijken). Je moet ten slotte alles eenvoudig zeggen, door niet de charmes maar de overtuiging als doel voor ogen te houden.’ (Vertaling Piet Meeuwse)

Zichzelf steeds herhalend en aanvullend benadert Ponge zijn onderwerp zo dicht mogelijk. Zo versterkte hij de band tussen zichzelf en de mogelijkheden van de taal om tot overeenstemming te komen over de onbenoembare betekenis van het pijnboombos. Hoedanigheden, functies, eigenschappen, dichterbij komt hij niet, maar ze hebben zoveel nuances, dat de geest niet soepel genoeg lijkt en niet ruim genoeg om ze in één keer in de beperkte en beperkende taal te vatten. Op 3 september 1940 komt hij tot de analogie van het bos met een kathedraal. Analogieën schieten altijd tekort, maar hij raakt wel aan de mystieke kant van het bos. Het wezen der dingen ligt buiten het bereik van de taal – juist daardoor wordt zij zichtbaar als menselijke ervaring. Want Ponge is zelf wel degelijk aanwezig in het boekje. Impliciet heeft hij het over het gevoel van geborgenheid dat het bos hem geeft; het bos dat geen wirwar van lianen heeft, als de wildernis, noch belemmering van touwen, als een schip (ergens heeft hij het over de boomstammen als masten). Het bos heeft geen geschrobde planken vloer, maar een verend zacht tapijt, waarop hij zich kan uitstrekken. Huiselijkheid, luxe, comfort…

Op een gegeven moment, tussen 25 augustus en 2 september 1940, komt hij tot iets wat op een meer traditioneel gedicht lijkt:

.                                De zeurderige vliegen
.                            of de zon in het pijnboombos

In dit borstelwerk met toefen groene haren bovenin
Op purperen houten grepen omringd door spiegels
Waar een stralend lijf binnengetreden is na uit het aangrenzende
Dampende zee- of meerbad te zijn gestapt
Blijft er vanwege de rusteloze vliegen
Op de dikke verende en rossige bodemlaag
Van welriekende haarspelden
Daar door vele achteloze kruinen neergespreid
Slechts een kapmantel van door zon bevlekt halfdonker

.                                                                                                                  Francis Ponge
                                                                                                                   La Sougère, augustus 1940

Dit is de laatste van de 16 varianten. Venus had er een rol in gespeeld, Phoebus – hij was niet tevreden. Niet zo vreemd, aangezien hij naar eigen schrijven streefde naar ‘de vernietiging van een gedicht door zijn onderwerp’. Dan is er geen plaats voor mythologische figuren. Hij geeft commentaar op de uiteindelijke versie, oppert nog de variatie van enkele regels, paart alle regels twee aan twee als ‘niet te wijzigen elementen’ die ‘met enkele restricties’ ad libitum verwisselbaar zijn. Op één na – even verderop herinnert hij zich dat de met hem bevriende schrijver Paulhan, zijn mentor, had opgemerkt: ‘Helaas is het prozagedicht niets meer voor jou.’ Ponge vervolgt: ‘(..) Paulhan had vast gelijk. Het is alleen niet mijn bedoeling een gedicht te schrijven, maar om verder te komen met de kennis en de uitdrukking van het pijnboombos, en daar iets voor mijzelf mee te winnen – in plaats van me hoofdbrekens te bezorgen en mijn tijd te verknoeien zoals ik dat gedaan heb.’

Tot 9 september 1940 schrijft hij door. Dan volgt nog het ‘Aanhangsel bij het zakboekje van het pijnboombos’. Hierin staat de eerste verwijzing naar de oorlog, waarmee dat aanhangsel begint. De inleidende eerste alinea is van de vertaler.

De voorafgaande tekst werd vanaf 7 augustus 1940 geschreven in een bos bij La Suchère, een gehucht in het departement Haute-Loire, waar de auteur, na een semi-exodus van een maand over de Franse wegen, zijn familie terug had weten te vinden. De auteur verbleef bijna twee maanden in La Suchère, maar in het zakboekje, dat overigens zijn hele papiervoorraad uitmaakte, stond niets dan die tekst plus de hier volgende notities.

.                                                                                                                                      6 augustus 1940

‘Wat ik zou willen lezen’: dat zou de titel, de definitie kunnen zijn van wat ik wil schrijven.
.  Weken, maanden van literatuur verstoken, krijg ik zin om te lezen.
.  Nou, wat ik zou willen lezen, moet ik dan maar zelf schrijven (alleen niet teveel…).
.  Maar als ik het een beetje preciezer bij mijzelf naga, is het niet alleen lectuur waar ik behoefte aan heb: ook schilderkunst, ook muziek (hoewel minder). Daarom moet ik zo schrijven dat ik tegemoet kom aan dat complex van behoeften. Dit beeld moet ik me voortdurend voor de geest blijven houden: (noodgedwongen) alleen mijn boekje op een tafel: dat ik zin heb om het open te slaan en erin te lezen (niet meer dan enkele bladzijden) – en om me er de volgende dag weer aan te wijden.

                                                                                                                                      20 augustus 1940

Wat zou ik allemaal kunnen opschrijven als ik gewoon een schrijver zou zijn…, en misschien moet ik dat ook doen.
.  Het verhaal van die lange, avontuurlijke maand vanaf mijn vertrek in Rouen tot het einde van mijn vlucht en mijn aankomst in Chambon (…).
.  Maar een soort onvermogen houdt me tegen, en dat heeft niet slechts te maken met gemakzucht of ertegenop zien: ik heb de indruk dat ik me niet uitsluitend en consequent, zoals dat hoort, voor dergelijke onderwerpen zou kunnen interesseren. Ik heb de indruk dat ik, zo gauw ik mij op een van de onderwerpen zou richten, prompt het gevoel zou krijgen dat het niet essentieel was, dat ik mijn tijd aan het verdoen was.
.  En ‘het pijnboombos’ is dat waar ik instinctief telkens weer op terug kom, op het onderwerp dat mijn totale belangstelling heeft, dat heel mijn wezen in beslag neemt, dat me helemaal aan het spelen brengt. Het is gewoon een van die unieke onderwerpen waaraan ik mij volledig geef (of waarin ik me kwijtraak): een beetje als een onderzoeker bij zijn specialistische onderzoek.
.  Niet om een relaas, verhaal, beschrijving gaat het, maar om de verovering.

Het schrijven als een liefdesdaad.

De taal wordt volgens mij door Ponge minder gezien als een middel om een bepaald doel te bereiken, dan  als een partner. Een partner die hij, hoewel hij vertrouwd met haar is, niet volledig kent. Hij heeft ook niet de illusie haar volledig te kunnen leren kennen. Hij zoekt haar zo dicht mogelijk te benaderen; verschillende fragmenten in ‘het zakboekje’ zijn opsommingen van namen waarvan hij de betekenis heeft opgezocht. Dat alles om tot poëzie te komen: die interactie tussen de tastbare werkelijkheid, de wereld van de dingen, en de werkelijkheid zoals die zich in zijn geest afspeelt. Het zakboekje van het pijnboombos is een evocatie die je een pijnboombos nooit meer als voordat je het las laat ervaren.

Poetry makes nothing happen? Om te ervaren wat poëzie kan doen moet je Ponge lezen.

***
Francis Ponge (1899 – 1988) was een Frans essayist en dichter. In de jaren dertig was hij surrealist en werd hij lid van de Communistische Partij, die hij in 1947 verliet. Tijdens de oorlog zat hij in het verzet. De twee delen van zijn Oeuvres complètes verschenen in 1999 en 2002. In 1984 ontving hij Grand Prix de l’Académie française.

Recensie van Gedichten - Jorgos Seferis

De voortgezette mythe van de werkelijkheid

Jorgos Seferis
Vertaler: Selina Pierson
Gedichten
Uitgever: Prominent
2017
ISBN 9789492395115
€ 22,50
136 blz.

Soms stemt het mij enigszins somber te ervaren hoe vluchtig de interesse blijkt te zijn voor niet hedendaagse poëzie die ertoe doet, die de tijd niet heeft weggezuiverd.  Wie leest de poëzie nog van Achterberg of Bloem, Leopold, of verder van huis, Keats of Novalis, Donne, Blake, Petrarca? De gemiddelde poëzielezer (die niet zelden ook zelf dichter is!) houdt zich meestal slechts bezig met de hype van het ogenblik. Dus toen ik de bundel Gedichten van Jorgos Seferis onder ogen kreeg, was mijn eerste gedachte: Gerechtigheid! Dat ene woordje was blijven hangen, sinds ik de vertaling van een groot aantal van zijn gedichten door Warren en Molegraaf had gelezen: Op de wijze van Y.S. en andere gedichten. Dat was in ’94. Moeilijke poëzie, vond ik, maar indrukwekkend, ondanks het feit dat het voor mij niet altijd te volgen was wat hij bedoelde; je moest wel heel goed thuis zijn in de moderne en Oudgriekse cultuur om er soms uit wijs te worden. Maar soms was er ineens een betoverende zin of strofe die mij met het hier en daar cryptische van zijn werk verzoende. Het was één van de bundels die elke poëziezuivering van mijn kant had overleefd, al was het alleen maar om mij te herinneren aan de onuitwisbare indruk die zijn poëzie op mij had gemaakt.
In deze recensie bespreek ik de nog niet eerder gepubliceerde vertaling van Selina Pierson, die zij omstreeks 1963 maakte. Corrado Hoorweg en Simone van Keulen hebben de vertaling ten dele omgewerkt. Hoorweg zorde ook voor een inleiding en een notenapparaat.

Wat ben je als Griek toch rijk! Los van de cultuur die zich overal ter wereld langs soortgelijke paden ontwikkelt, is er dat onvergelijkbare verleden dat Helleens wordt genoemd, en waar Seferis vaak naar teruggrijpt alsof het nooit heeft opgehouden. Hij gaat zo ver te beweren dat ‘Als je de oude Grieken wilt begrijpen, is het altijd in de ziel van ons volk dat je moet kijken.’ Een vorm van beperkend nationalisme? (Voor de ambassadeur die Seferis tien jaar lang voor zijn volk was, geen vreemde houding.) Ik heb een afkeer van het idee ‘volk’ als de eenheidsworst waar dictators van droomden, maar als je onder een volk een gemeenschap verstaat met een taal als ziel, heb ik daar geen moeite mee, al scheelt het oude Grieks evenveel van het huidige als Oudnederlandse dialecten van ons Nederlands; de taal heeft zijn wortels in het verleden en is, denk ik, de belangrijkste, al is het onzuivere, vertegenwoordiger van een cultuur.

Geert Wilders heeft het vaak over de joods-christelijke cultuur van ons ontkerstende land, en vergeet gemakshalve zowel het ontstaan daarvan in het Midden-Oosten, als het feit dat diezelfde cultuur ook aan de basis ligt van de door hem verketterde islam. (Wat vele moslims zelf ook graag vergeten). Van cultuuranalfabetisme is niet alleen hij te beschuldigen; Hitler leende van alles en iedereen iets om het idee van een zuivere Duitse cultuur te vestigen. Van Nietszche leende hij het idee van ‘der Übermensch’; hij gebruikte het Germaanse runenschrift voor zijn symbolen; en tot in de Himalaya liet hij zijn wetenschappers zoeken naar de werkelijke Ariër, die wel de supervader van het Duitse ras moest zijn. Natuurlijk was Wagner zijn favoriete componist, die in elk geval in zijn opera’s de Oergermaan een stem gaf; en wat voor één!: een Wagneriaanse.  Het mocht niet baten. Wat overbleef was een armzalige, rampzalige mix van zwaar besmettelijke cultuurwaan, waarmee een bepaald volk zich onder zijn superieure leider boven alle andere zocht te plaatsen.

Niet alleen de joods-christelijke cultuur heeft de onze sterk bepaald, de Griekse evenzeer. Onze taal is ervan vergeven. Democratie is een Griekse uitvinding. (Demos is het Griekse woord voor volk). Onze kunstopvattingen zijn eeuwenlang door het Griekse schoonheidsideaal bepaald. Wie zich ook tegoed mag doen aan die als universeel ervaren oude Griekse cultuur, hij blijft Grieks, en blijkbaar onuitputtelijk. Oudgrieks mag voor de hedendaagse doorsnee-inwoner van Griekenland niet meer te lezen zijn, ze ligt aan de basis van ook onze literatuur. Al hebben we het over de Grieks-Romeinse cultuur, de oorsprong blijft Grieks. Dat hebben we niet alleen te danken aan de invloed van de Griekse filosofie, maar boven alles aan die inspirerende Griekse mythen, waarmee niet alleen het denken, maar ook onze eigen Nederlandse cultuur werd verrijkt. Denk maar aan de namen van enkele van onze vooraanstaande voetbalclubs.

De reeks ‘Mythistorima’ (novelle) begint met een regel van Arthur Rimbaud: Si j’ai du goût, ce n’est guères / Que pour la terre et les pierres. (Als ik smaak heb, is het alleen /Voor de aarde en de stenen.) Die krijgt (onder andere) prachtig vorm in het vierde gedicht van de serie: 

Argonauten

“En een ziel
zal zij zichzelve kennen,
moet binnen kunnen zien
in een ziel”:
de vreemdeling en de vijand, hem zagen wij in de spiegel.

De reisgenoten waren flinke jongens, zij gaven geen kik
noch over hun vermoeidheid, noch over de dorst, noch over de kou,
zij gedroegen zich als bomen, of als golven,
die de wind en de regen ondergaan
de nacht en de zon ondergaan
zonder te veranderen te midden van verandering.
Zij waren flinke jongens, hele dagen
zweetten zij aan de riemen, hun ogen neergeslagen
ritmisch ademend
en hun bloed roodde een onderworpen huid.
Eens zongen zij met neergeslagen ogen
toen wij voeren voorbij het verlaten eiland met wilde vijgen
het westen in, voorbij de kaap van de honden
die blaffen.
Wil zij zichzelve kennen, zeiden zij,
dan moet zij een ziel kunnen zien, zeiden zij,
en de riemen sloegen het goud van de zee
midden in de zonsondergang.
Vele kapen voeren wij voorbij, vele eilanden, de zee
die naar de andere zee leidt, zeemeeuwen en robben.
Soms huilden ongelukkige vrouwen
jammerend om hun verloren kinderen
en anderen, razend, zochten Alexander de Grote
en glorie begraven in het diepst van Azië.
Wij landden op kusten vol van nachtgeuren
en het zingen van vogels, wateren die op de handen nalieten
de herinnering aan een groot geluk.
Maar de reizen namen geen einde.
Hun zielen werden één met de riemen en de dollen
met het ernstige gelaat van de voorsteven
met de voren van het roer
met het water dat hun gestalten in stukken brak.
De reisgenoten stierven één voor één
met neergeslagen ogen. Hun riemen
geven op het strand de plaats aan waar zij slapen.

Niemand denkt meer aan hen. Gerechtigheid.

De Argonauten waren een groep van vijftig Griekse helden, onder wie Herakles, en Telamon, de vader van Ajax, die onder leiding van Jason het gulden vlies zochten en vonden. Seferis heeft de mythe zo naar zijn hand gezet, dat er van de illustere Argonauten, onder wie ook Orpheus, niets is overgebleven dan een stel roeiers die één werden met wat zij deden. In de mythe zouden zij hun reis allemaal overleven, op één na. In het gedicht stierven ze, de één na de ander. Geen heldendom, niets dan een graf op het strand, door een roeispaan aangegeven. Dan die huiveringwekkende slotzin: ‘Niemand denkt meer aan hen. Gerechtigheid.’ Dan krijgt ineens het motto van Rimbaud betekenis. Het gedicht lijkt in het teken te staan van vergankelijkheid. Alles wat bestaat, zal ooit verdwenen zijn, elk onderscheid opgelost: gerechtigheid. Dat is mijn interpretatie van het gedicht. Op basis van de biografie van Seferis zijn andere duidingen mogelijk. (In mijn herinnering las ik die laatste regel als: ‘Niemand gedenkt hen’, wat ik mooier vond dan ‘Niemand denkt meer aan hen’, wat, gezien de Engelse vertaling van Kimon Friar: ‘No one remembers them’, dichter bij het origineel zal liggen dan een Duitse vertaling die ik las: ‘Keiner herinnert sich ihrer Gerechtigkeit’; maar ik ben bekeerd – deze vertaling van Selina Pierson loopt niet alleen als een trein, maar schurkt dicht aan tegen het origineel. Niet aan iemand denken is echt iets anders dan iemand niet gedenken.) Misschien is poëzie niet werkelijk te vertalen, dat is wat Seferis zelf dacht. Joseph Brodsky, die andere Nobelprijswinnaar, was van mening dat poëzie is wat bij vertaling nog overeind staat. Een gedicht is geen afgesloten wereld, maar opent, als het goed is, je blik op de wereld. Een goed gedicht laat je de wereld niet zien, maar leert je er anders naar te kijken. Op welke manier, staat niet vast. Dat is persoonlijk. Corrado Hoorweg schrijft in zijn nawoord: ‘(..) Ik denk dat dit een bijzonder facet is van het dichterschap van Seferis, dat pedagogische element, dat hem uittilt boven de dichters van het type dat alleen voor zichzelf leeft.’

Hij schreef niet voor zichzelf, maar in eerste instantie voor Grieken; in hun gemeenschappelijke taal. Misschien ligt daar ook zijn twijfel, naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs, of iemand buiten de Griekse cultuur zijn poëzie wel echt zou kunnen begrijpen. Hij probeerde zo helder en eenvoudig mogelijk te schrijven wat er in hem leefde, telkens weer dezelfde onuitputtelijke thema’s die zijn persoonlijke leven zo getekend hadden.

Seferis werd geboren  in Izmir, het voormalige Smyrna, dat in 1922 door de Turken op de Grieken werd veroverd, maar dat zijn ouders met hun drie kinderen tijdig waren ontvlucht. Zijn volgende woonplaats was Athene. Vandaar vertrekt hij in 1918 voor een rechtenstudie naar Parijs. In 1924 is hij voor een jaar in Londen, in 1926 treedt hij in dienst van het Griekse ministerie van Buitenlandse Zaken, in 1931 verschijnt zijn eerste poëziebundel en wordt hij benoemd tot vice-consul in London. Van 1941 tot 1945 is hij in ballingschap: Egypte, Zuid-Afrika – hij wordt persvoorlichter van de Griekse regering in ballingschap in Caïro, en reist naar Palestina. Dan weer naar Londen. Vertrekt met de hele regering in ’44 naar Italië. Een reis die ook na de Tweede Wereldoorlog niet ophoudt. Hij wordt in ’45 kabinetschef, maar keert  in ’46 terug naar Buitenlandse Zaken. Wordt in 1948 benoemd aan de Griekse ambassade in Ankara, in ’51 in Londen. Wordt in ‘53 benoemd tot ambassadeur in Syrië, Jordanië, Irak en Libanon, met als standplaats Beiroet. In ’57 wordt hij ambassadeur in Londen. Ondertussen blijft hij schrijven. Zijn biografie verklaart de vele reizen die plaatsvinden in zijn poëzie, evenals de ballingschap die eveneens een belangrijk thema is in de poëzie van Seferis, naast de willekeur en de onverschilligheid van het lot. De werkelijkheid is niet aan zijn gedichten onttrokken, maar kreeg een tijdloze stem. Het lijden van de mens bleef door de eeuwen heen gelijk. Het gedicht ‘Post scriptum’ dat het lijden van kinderen betreft eindigt zo: ‘Heer! Niet met dezen! Uw wil geschiede op andere wijze.’ In 1962 eindigde zijn diplomatieke carrière. In 1963 kreeg hij de Nobelprijs voor Literatuur. In ’69 sprak hij zich uit tegen de dictatuur van de Griekse kolonels, in 1971 overleed hij in Athene. 

Het huis bij de zee

De huizen die ik bezat werden mij afgenomen. Het gebeurde
dat de jaren vol tegenspoed waren; oorlogen, vernielingen, verbanningen;
soms vindt de jager de trekkende vogels
soms vindt hij ze niet; de jacht
was goed in mijn tijd, de hagel pakte er velen;
de overigen blijven doelloos cirkelen of worden gek in hun schuilplaatsen.

Spreek met mij niet over nachtegaal noch over leeuwerik
noch over de kleine kwikstaart
die met zijn staart figuurtjes trekt in het licht;
ik weet niet veel af van huizen
ik weet dat zij hun eigen wezen hebben, anders niet.
Nieuw in het begin, als kleine wiegekindjes;
in de tuin spelen ze met de kwasten van de zon,
die gekleurde luiken en glanzende deuren op de dag borduren;
als de architect klaar is veranderen zij,
zij gaan fronsen of glimlachen; soms zelfs worden zij weerbarstig
tegen hen die bleven, tegen hen die vertrokken,
tegen hen die wel zouden willen terugkeren
als zij het maar konden; of anderen die verdwenen
nu de wereld is geworden tot een grenzeloos hotel.
(..)

Over zijn manier van schrijven dichtte hij zelf: 

Ik wil niet anders dan eenvoudig spreken, ik bid dat mij deze
                    gunst mij verleend wordt
Omdat wij de zang zo zwaar met muziek hebben belast
                    dat hij langzaam-aan wegzinkt
en onze kunst zo hebben opgesierd, dat haar trekken
                    door goud zijn weggevreten,
wordt het nu tijd, onze weinige woorden te spreken
                    want onze ziel hijst morgen het zeil.

Hij werd niet vergeten.

Recensie van Wildcamera - Martin Reints

Voorspellingen voor een onsterfelijke

Martin Reints
Wildcamera
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454694
€ 18,99
64 blz.

Het gebeurt mij niet vaak dat een dichtbundel mij zo fascineert dat ik hem wel uit het hoofd zou willen leren. Ik schrijf met nadruk leren, omdat hij zoveel gezichtspunten biedt die je aan de gedichten zelf kunt toetsen. Wildcamera van Martin Reints gaat hoofdzakelijk over waarneming, en over de manier waarop wij waarnemen, of juist niet. Er zijn zoveel gedichten en wat hij beschouwingen noemt die over waarnemen gaan, dat het de manier waarop je de gedichten leest, ook als ze er niet met name over gaan, beïnvloedt. Het geheel is meer dan de som der delen. Maar die delen mogen er zijn! Mocht ik de suggestie hebben gewekt dat het een rond het thema waarneming geconstrueerde bundel is, dan wil ik dat hierbij weerleggen. Het lijkt een bijna vanzelfsprekende manier van bestaan die vorm heeft gekregen in deze bundel; het heeft meer te maken, lijkt mij, met een levenswijze, dan met een gekozen thema. Hier is iemand aan het woord die ‘open’ in het leven staat, met aandacht voor zowel buiten- als binnenwereld. Het blijft, hoewel de meeste gedichten over alledaagse zaken gaan, of misschien wel juist daardoor, betoverende poëzie. Ook de prozastukken, of ze nou over het ‘Iepenloftspul’, ‘IJsberen’, of over ‘Ons apenbrein’ gaan. Dat laatste, dat je, evenals de andere ‘verhalen’, misschien beter een essay kunt noemen, is niet alleen verhelderend wat betreft de poëzie van Martin Reints, maar maakt ook helder hoe, in zijn optiek, anderen de werkelijkheid in kijken.

Is het mogelijk om een complete dichtbundel aan de hand van één enkel gedicht te recenseren, zonder de dichter (en de uitgever) tekort te doen? Dat was wat ik wilde proberen, omdat Martin Reints daartoe een fascinerende mogelijkheid bood. Dat komt door de omslag. Zodra ik de bundel Wildcamera in handen had was ik daar door gefascineerd. Ik bleef het boek om- en omkeren, en nooit eerder vond ik de barcode op de achterkant meer misplaatst dan hier. Dat de titel en de naam van de dichter op de zijkant zijn afgedrukt, stoort niet alleen, maar maakt een deel van de foto ‘moeilijk leesbaar’. Gelukkig is de voorkant redelijk intact gebleven, die lees je door naam en titel heen, en zelfs door het onderschrift: gedichten en beschouwingen. De indruk van de foto, die in zijn geheel op de omslag is afgedrukt, was zo sterk, dat ik mij er gedurende de lezing van welk gedicht in deze bundel dan ook, niet van los kon maken. Het bleef maar door mijn hoofd spoken wat de band was met de teksten. Totdat ik het gedicht ‘De grootmoeders van Miwa Yanagi’ las:

Een oude vrouw, onderuit op een luie stoel
die haar vermoeide hoofd ondersteunt met een hand
die een vergrootglas vasthoudt.

De sieraden en de soepele kleding wijzen op oude rijkdom.
Zijde.

En een jong meisje, dat haar arm uitstrekt
en haar hand in de hand van de oude vrouw legt.

De vrouw kijkt het meisje in de ogen,
het meisje kijkt naar haar hand.
Met haar vrije hand houdt zij een plooi van haar rok vast.

Op de achtergrond een viskom.
Een papegaai in een grote bamboekooi.
Een plank aan de muur waarop een blauw plastic skelet
dat de dood voorstelt.

In en buiten het vertrek de vriendinnetjes:
zitten, staan, hurken, kijken naar het meisje en de oude vrouw
of in de verte.

De scène is geënsceneerd door Miwa Yanagi.

De oude waarzegster is zelf ook een jong meisje,
maar ze is opgemaakt en gefotoshopt:
de ouderdom is onecht en de pose geposeerd.

Ze heet Ai
en dit is de toekomst die ze zich voorstelt.

Het bijschrift is een monoloog:

Achter mijn rug wordt geroddeld
dat ik de kinderen bedrieg met mijn waarzeggerij.
Het gaat me niet om hun zakgeld. Zo wanhopig of verveeld ben ik niet.
Ik zit alleen maar op een bepaalde klant te wachten – mijn opvolgster.
Omdat zij niet hecht aan het verleden of angst heeft voor de toekomst,
denk ik dat ze op een dag binnenkomt door de vervallen deur.
Als ze mijn plaats heeft ingenomen vind ik rust, verlost van hoop en spijt.

Hoeveel saaie levens moet ik nog voorspellen?
Ik heb te doen met deze onschuldige meisjes.
Hun levens zullen net zo lopen als die van hun moeders.
Eentonige verveling onderbroken door teleurstelling en ontgoocheling.
Niet te geloven dat ze hier komen om dat te laten bevestigen. Ik heb genoeg
van hun meisjesgeheimen, hun vluchtige verwachtingen en goedkope dromen.
Nog vijf klanten vandaag, dan hou ik op.
O, dit meisje begint bijna te huilen.
Kindje er is geen reden voor tranen.

De jonge Ai verbeeldt zich dat ze
vijftig jaar ouder en na een leven vol hoop en spijt,
aan kinderen hun onbeduidende en treurige levens moet voorspellen.
Een melancholieke en cynische droom,
maar met het visioen dat haar opvolgster haar komt bevrijden.

De grootmoeders van Yanagi: meisjes die spelen dat zij oud zijn,
en wat ze spelen zijn ze zelf.

Yuka,
een oude grootmoeder met roodgeverfd haar,
gillend van plezier in de zijspan van een motor
die wordt bestuurd door een snelle jongen met een zonnebril:
Mijn tanden? Een aandenken aan de jackpot die ik vorig jaar in Las Vegas won.

Mika,
in een lang wit gewaad op een rotseiland omspoeld door de zee,
met pootjebadende jonge vrouwen om zich heen:
Er zijn al tien jaar verstreken sinds jullie, mijn vroegere studenten
en ik op dit eiland aankwamen.
Is dit de laatste plaats op aarde?
Zijn er geen andere overlevenden?

Ayumi,
op een bed in een opgeruimde kamer, onder een rood laken,
haar ogen gesloten:
“Naast haar liggen terwijl zij slaapt lijkt mij mooi,
maar kan ik haar eens ontmoeten als zij wakker is?”
“Ze kan niet wakker worden, meneer.
Want Grootmoeder is de Schone Slaapster.”

Beelden van de toekomst, maar beelden van het heden.

Het gedicht zelf maakt de foto op de omslag compleet zichtbaar, en net zoals je naar de foto kunt blijven kijken, zonder dat het je verveelt, kun je het gedicht van Reints blijven lezen, zonder dat je precies kunt duiden wat er nou zo fascinerend aan is. De beschrijving van een kunstwerk van Miwa Yanagi, dat is alles. Maar als je veel gedichten gelezen hebt die aan de hand van kunstwerken of foto’s zijn gemaakt, dan besef je hoe moeilijk dat blijkbaar is, en hoe vaak gedoemd om te mislukken. Met het beschrijven van wat je ziet, kom je er niet. Dat is meteen het fascinerende van de poëzie van Reints: ze is helder, er staat geen vreemd woord in, de taal zelf is geen doelwit, maar ze neemt je wel mee naar ‘elders’. Had het woord ‘vervoering’ niet zo’n zware lading, dan zou ik dat voor de werking van deze poëzie gebruiken, want dat is wat zij doet: ze voert je ergens heen waar je niet eerder was. Dat is wat alle echte kunst doet. In de eenvoud toont zich de meester.

In de gedichten en beschouwingen die afzonderlijke en autonome delen zijn, vind je telkens verwijzingen naar gedichten of beschouwingen die je al gelezen hebt of nog lezen gaat. De bundel Wildcamera is een complete en vrij complexe handleiding, niet alleen tot het lezen van de poëzie van Martin Reints, maar tot het lezen van kunst in het algemeen. Niet voor niets gaan veel teksten over kunstenaars. In ‘Ons apenbrein’ verwees hij naar de schilderijen van Peter B. van Houten, aan wie hij later het gedicht wijdt: ‘Het langzame kijken van Peter B. van Houten’; hij stapt ‘Aan boord bij Emo Verkerk’, is opnieuw ‘Aan boord met de Sineese fersen van Obe Postma’, wat voor de verandering een dichter is, één van de grootste Friese dichters (1868 – 1963). Alles wat Reints aanhaalt getuigt van zijn grote fascinatie met het kijken naar de werkelijkheid, gaat over wat wij waarnemen, ervaren; en wat er aan onze persoonlijke werkelijkheid ontsnapt. Impliciet maakt Reints iets duidelijk over de functie van kunst: het scheppen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, één die we nog niet kenden, al was hij er altijd al.

Futiliteiten zijn in deze gedichten geen futiliteiten meer, maar zeggen iets over een groter geheel, of over de menselijke conditie. Het gedicht ‘Twee regisseurs zijn op bezoek bij een dramaturg’ begint zo: ‘De dramaturg opent het gesprek. / Met welke vraag in gedachten begin je een tekst te lezen? // Dan gaat hij een kurkentrekker zoeken/’. De rest van het gedicht gaat alleen daar over. Hij blijft hem kwijt, de kurkentrekker. Het is een humoristisch gedicht, het is uiterst herkenbaar, het vertelt iets over de menselijke staat, en het confronteert mij persoonlijk met de vraag, met welke verwachting(en) ik de bundel Wildcamera begon te lezen. Geen idee meer. De gedichten en beschouwingen zijn ervoor in de plaats gekomen. Ik heb antwoorden gekregen die ik niet zocht, maar misschien nog wel meer vragen: wat anders is de reden dat ik de gedichten kan blijven lezen, als ligt er buiten de regels iets dat ik niet kan vatten? Maar misschien is het juist dat ongrijpbare dat Martin Reints in herinnering brengt, dat mij een gevoel van tevredenheid geeft, van voldoening zelfs. Veel zogenaamde poëzie laat je met een leeg gevoel achter, maar deze bundel ervaar ik als voedend.  Ik heb er, dat mag duidelijk zijn, van gesmuld.

Recensie van Zwembad de verbeelding - Tom Van de Voorde

Het uitgebroken Zwembad

Tom Van de Voorde
Zwembad de verbeelding
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551063
€ 24,95
79 blz.

Bij alles wat wij ontmoeten zoeken wij in eerste instantie naar het ons bekende. Dat betekent veiligheid. Elk gezicht wordt geijkt op wat ons bekend voorkomt, elk landschap waarin wij ons bewegen, maar ook elk boek dat wij lezen. Sommige mensen houden zich hun leven lang met maar één genre bezig, anderen, nieuwsgieriger, verdiepen zich in alles wat ze tegenkomen en zijn daarbinnen op zoek naar datgene wat hen vertrouwd voorkomt, én naar wat daaraan is toegevoegd: het vernieuwende. Het is de enige manier waarop wij orde kunnen en willen scheppen in de wereld. Tezelfdertijd geeft het een gevoel van beperking, en dat is irritant. Het vertrouwde mag dan veiligheid betekenen, het beperkt je beleving ook en geeft het gevoel niet ten volle te leven. In Rotterdam rijdt een vuilniswagen waarop de dichtregel: ‘Als het nieuwe tussen ons maar niet verdwijnt’ (Ahmed Suwaylim), waarin de samenhang tussen het vertrouwde en het nieuwe prachtig is uitgedrukt. Leven betekent beweging, binnen bepaalde grenzen: verandering.

Tom Van de Voorde (1974) heeft zijn nieuwe bundel Zwembad de verbeelding genoemd. Wat doe je in een zwembad? Je trekt je baantjes of je speelt er. Ernaast blaas je uit, liggend in je strandstoel. Leisure life. Even geen zorgen aan je kop, weg van de dagelijkse discipline. Maar ook verveling. Ook dat hoort bij een zwembad. De eerste reeks gedichten van de bundel heeft als titel: ‘oases van uitgestelde bekommernis’ meegekregen.

Al in het eerste gedicht van de bundel kom je alles tegen waarover ik het hierboven heb gehad:

De lucht is scherp
en de eksters haken
in de takken

Alles staat klaar
om uit een gevel te stappen

Wij verbergen ons
schrikbarend op zoek
naar een vulkaan

Vroeger leek het
groener hier
zeg je – ik streel
als versteend een hond

Een schommel breekt
ongewis muziek

en laat een glimlach diep
openwaaien

Er kleeft honing
aan een zegen

Ik wikkel me in
een toevertrouwd deken
en lig naast je
als een gekneusde pols

Zoeken naar een vulkaan en niet bewegen. (Bewegen doet pijn!) Leven en veiligheid blijken tegenstellingen. Maar ook de vulkaan is natuurlijk bekend, al is het voor de meesten van ons: op veilige afstand.

Tom Van de Voorde voert in de bundel Zwembad de verbeelding een gevecht tegen de bestaande orde. Soms lijkt hij wild om zich heen te schoppen tegen alle verstarde vormen die hij tegenkomt. Dat blijkt onder andere uit de derde reeks van de bundel (hij bevat er zes): ‘het conservatorium van moskou tijdens de koude oorlog’.
Het wordt vaak vergeten dat De Koude Oorlog ook een culturele oorlog was, met de ijzeren discipline van de Sovjet-staten tegenover de zogenaamde vrijheid van het Westen. Zij hadden het klassieke ballet, wij de abstract-expressionisten. Wat Van de Voorde in deze reeks tevoorschijn tovert heeft minder met muziek te maken dan met juist alles wat de muziek verzwijgt. Vooral de lichamelijke aspecten van het menselijke. Het zijn geen mooie, esthetische gedichten, integendeel: het lijkt of Van de Voorde, met terugwerkende kracht, zijn eigen kleine koude oorlog aan het voeren is tegen een esthetiek die het menselijke buiten beschouwing laat. Woede, onmacht, minachting en meedogenloosheid, gericht tegen alles wat het menselijke ondergeschikt maakt aan kunst en ideologie. Seks als belangrijkste wapen. Het is alleen jammer dat je een beetje ingewijd moet zijn in de wereld van de klassieke muziek, om te weten waarover en over wie hij het heeft. Je moet je bijvoorbeeld Sviatoslav Richter voor de geest kunnen halen, zijn kale, melancholieke kop, je moet weet hebben van zijn zelfhaat om het gedicht dat Tom Van de Voorde aan hem wijdde ten volle te kunnen waarderen.

Dat bezwaar kleeft aan meer gedichten, maar ik weet eigenlijk niet of ik dat als bezwaar moet aanmerken. Kennis van zaken schiet per definitie tekort. We kunnen bijvoorbeeld het werk van Van Gogh jarenlang hebben bestudeerd, zijn brieven hebben gelezen, en toch nauwelijks beseffen wat hem gedreven heeft, wanneer wijzelf geen religieuze achtergrond hebben. We kunnen de poëzie van Judith Herzberg waarderen, maar geen besef hebben van haar Joodse achtergrond, en hoe die haar poëzie heeft beïnvloed. We kunnen eerdere bundels van Van de Voorde gelezen hebben, en dan teleurgesteld zijn omdat wij in Zwembad de verbeelding niet de dichter ontmoeten die wij dachten te kennen. Maar moet de dichter niet vrij zijn om zijn hart te volgen en te experimenteren, andere gevoelslagen aan te boren dan welke wij tot nu toe van hem kenden? Is het noodzakelijk de poëzie van Kees Ouwens te kennen om ‘kees ouwens gaat dood’ te kunnen waarderen? Ik betwijfel het. Het lijkt erop dat Van de Voorde in zijn gedichten de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alles wil aantonen. Het lijkt wel alsof hij in de gedichten de grenzen ervan wil overschrijden, ze bij stukjes en beetjes meer in de door willekeurig wie ervaren werkelijkheid wil plaatsen:

(..)
Na je dood kwam ik te weten dat
je, eenzaam bovendien, in je aanschijn
een rusteloze verpozing had gezocht
in zoiets eenvoudigs als het branden
van bladeren in de herfst,
ongedurig in je herderlijke moed
het moment te willen verkennen
waarop het bewustzijn een waarheid wordt
van atmosferische omstandigheden
(..)

Hoe exact kun je vervagende grenzen aangeven?

De onderlinge verbondenheid waar ik net over schreef komt sterk tot uitdrukking in prozagedichten als ‘Het windgat’, dat uitgaat van een foto in een door de Chinese schrijversbond uitgegeven boekje met een tweetalig onderschrift. ‘Licht’, heette die foto, waarvan het Chinese karakter hem doet denken aan een kruiwagen, of liever nog, aan een tuintafeltje met een kromme poot. Daarmee is hij terug in zijn jeugd. Het eindigt zo:

(..) Ik heb niets met dat litteken te maken, maar ik kan nu eenmaal geen littekens zien, zonder te denken aan speelgoedpistolen, kruiwagens, natte handschoenen, mijn broer en nu ook aan het Chinese karakter voor licht, dat eigenlijk op een tuintafel lijkt, maar mij toch vooral herinnert aan het begin van de winter, toen wij vaders melancholie moesten bestrijden door de bladeren in de tuin op te ruimen.

Om daarmee licht te scheppen is zijn vaders betrokken geest.

Hoe langer ik mij verdiepte in de bundel Zwembad de verbeelding hoe meer waardering ik er voor kreeg. Juist het feit dat hij je soms maar weinig houvast geeft jaagt je door zijn gedichten heen, op zoek naar meer houvast. Maar het beetje dat hij je gemakkelijk geeft is genoeg, en bevredigt omdat hij genoeg nieuws biedt, genoeg ruimte schenkt voor associaties. Eén van de bijzondere zaken van deze poëzie: ze is alles, behalve vaag. De dichter heeft exact verwoord wat hij bedoelde, en dirigeert je in de door hem bedoelde richting. Met niet te vergeten de humor waarop hij de lezer regelmatig vergast.
Soms had ik maar één woord in gedachten, waarin alles vervat is waarmee een gedicht als het volgende mij raakte:

Zanger in het trapportaal

Ik verzin een tekst

op een bestaand lied
en zing van de afgebroken tak

de volle zak perziken
die eraan hangt

als ik het raam open zet
en het oudste zicht
groen en vrolijk maak

weigert het stof

weg te waaien
uit de windstreek

die ik trouw
maar moedeloos
bezworen heb

Mooi!

Recensie van Hotelkamerverhalen - Bas Kwakman

Over het ware geloof in de poëzie

Bas Kwakman
Hotelkamerverhalen
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029510394
€ 25,99
232 blz.

 “Hoeveel dichters zijn er op jouw festival gestorven?”
Zoran, de programmeur van het Poëziefestival in Struga, Macedonië, staat op de landingsbaan in Skopje onder aan de vliegtuigtrap. Het festival in Rotterdam is bijna vijftig jaar oud en er ging nooit iemand dood. Bijna, toen Boris Ryzhi, de Russische Rimbaud, straalbezopen voorover de hoge marmeren trappen van de Rotterdamse Schouwburg af wilde duiken. Of toen de Nederlandse dichter Hans Vlek in een woeste manie via de gevel van het hotel naar de bruidssuite vijfhoog klom. Zoran slaat een arm om mijn schouder en begeleidt mij naar zijn auto, die verderop op de landingsbaan staat.
“Op mijn festival al drie. Twee Serven en een Rus. Verdronken in het Meer van Ohrid. Starnakel. Twee dachten dat ze al op land waren toen ze midden op het meer met de fles in de hand overboord stapten. De derde is na een feestje vrolijk vanaf het strand het meer in gelopen. Vreselijk. Elke keer moest ik met de kisten mee naar Belgrado en Moskou en miste daardoor de helft van mijn festival.’

Zo begint Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman, de directeur van Poetry International, dat dit jaar voor de 48e keer wordt gehouden.

Poetry International was vanaf het begin het festival van het onverwachte. Onder de dichters was een flink aantal Nobelprijswinnaars (Odysseus Elytis, Octavio Paz, Derek Walcott, Seamus Heaney, Josef Brodsky). Ook waren er de indrukwekkende voordrachten van Yehuda Amichai (‘Achter dit alles is een grote vreugde verborgen’; een gedicht over de concentratiekampen), Breyten Breytenbach (direct na zijn vrijlating uit een Zuid-Afrikaanse gevangenis waar hij zeven jaar gevangen zat vanwege activiteiten voor het, tijdens het apartheidsregime verboden, ANC), Wole Soyinka (ook alweer een Nobelprijswinnaar) met muziek, maar onvergetelijk was ook een kleine, verlegen Duitse dichter die in een dialect dichtte dat door nog maar een paar honderd mensen verstaan werd, en door nog minder vloeiend gesproken. Tijdens zijn voordracht kon je een speld horen vallen. Het feit dat de man stotterde, leverde één van de imponerendste voordrachten ooit op.

Even onverwacht voor de lezer van Hotelkamerverhalen zijn de ervaringen die Kwakman beschrijft. De bundel heet niet voor niets Hotelkamerverhalen. Over het festival zelf lees je in deze bundel weinig. Er staat ook maar weinig poëzie in. Meer lees je over de plaats die poëzie in de levens van veel mensen inneemt, en over de wereld die om de poëzie heen ontstaan is, en hoe; en over zijn, niet zelden hilarische, ervaringen buiten en in de meest uiteenlopende hotelkamers, waarvan hij prachtige aquarellen maakte die aan elk verhaal vooraf gaan en die zijn afgedrukt op, nauwelijks waarneembaar, getint papier in de hoofdkleur van de tekening.

De verhalen bestrijken de periode van 2005 tot en met 2012.  In maart 2009  is hij in Brussel, waar het Brusselse Dichterscollectief zijn Europese grondwet in verzen presenteert:

(..) De echte grondwet is net door de kiezer getorpedeerd en de eenwording ligt nu in handen van de dichters. Elk Europees land, en zelfs een aantal landen daarbuiten, heeft een dichter afgevaardigd om de wetten te herschrijven. Geen politieke wet, dan maar een poëtische.
Niet dat dichters iets in te brengen hebben. Mircea Dinescu, een Roemeense deelnemer aan het project schrijft: ‘Dichters zijn allang niet meer de stem van het volk. Vroeger was de poëzie een wapen, dat was het in ieder geval onder het communisme. De angst voor woorden, voor toespelingen, had het beoogde effect. Nu, in het kapitalisme, is de dichter niet meer dan een clown. We moeten ons geen illusies maken.’

Hoe verschillend de betekenis van ‘de stem van het volk’ opgevat kan worden blijkt uit het vervolg:

Onlangs kwamen vertegenwoordigers van 35 internationale poëziefestivals in Colombia bij elkaar om de World Poetry Movement op te richten. Een soort belangenvereniging voor poëziefestivals in de hele wereld, met aandacht voor de rol van poëzie in het algemeen en de uitwisseling van programma’s, dichters en vertalingen in het bijzonder. Aan het conceptmanifest gingen vijf dagen van tandengeknars en schermutselingen vooraf. Vijf minuten voordat de pers de zaal binnen stroomde, gooide de voorzitter het nauwelijks opgedroogde manifest, gekopieerd in een vuistdikke stapel A4, triomfantelijk op de vergadertafel.
“Er staat: ‘Poetry is the voice of the people’,” zei een collega uit de voormalige DDR. “Dat kan niet.”
“ ‘A voice’ van maken?” probeerde de voorzitter nog.
“ De zin ‘Voice of the people’ staat voor censuur,” zei de Duitser. “De partij bepaalde wat de stem van het volk was, en als ze vonden dat jij daar als schrijver niet aan voldeed, werd je gearresteerd.”
De pers kreeg nog een kop koffie, de hele stapel werd in de prullenbak gegooid en de zin werd alsnog uit het manifest gehaald.

Veel van de verhalen die Kwakman schreef lijken een weerlegging te zijn van het door Auden gemunte cliché: Poëzie brengt niets teweeg.

Zo schrijft hij over ‘The Highlander’ een kickbokser, die na een MMA-wedstrijd in Moskou nog even snel naar een kiosk op het station rende, om onderweg iets te lezen te hebben. Hij griste het dunste boekje dat hij kon vinden van het rek en sprong in de trein. Het was een dichtbundel van Tadeus Rózewicz. Hij sloeg hem open en las:

Druk bezig
met vele dringende zaken
vergat ik
dat je ook nog
moet sterven

Het gedicht eindigt met:

stipt zal ik beginnen te sterven
wijs en vol goede moed
zonder nog tijd
te verliezen

(Gezichten. Gedichten 1946 – 1979 (1981).Vertaling Peter Nijmeijer en Gerard Rasch. Meulenhoff)

De kickbokser besloot dichter te worden. Hoe hij (onbewust) dankzij die keuze onze festivaldirecteur uit een werkelijk benarde positie bevrijdde, kun je in de Hotelkamerverhalen lezen. En over de wonderbaarlijke manier waarop de grondlegger van de Australische Tippinprijs tot de poëzie kwam, de prijs van ruim 50.000 dollar die in 2016 in Rotterdam aan een dichter uitgereikt zou worden, en waarom dat niet doorging…  Over de man die vermoord werd met een gedicht van misschien wel Borges in zijn hand, een verhaal dat met elke vertelling verandert… 
Hoe moeilijk het blijkt om de vrede te bewaren in een ‘Poetry Movement’ die zich ten doel heeft gesteld: ‘de verbinding van poëzie en vrede, de wederopbouw van de geest door middel van poëzie, de verzoening met en herstel van de natuur door poëzie en de realisatie van eenheid en culturele diversiteit van de mensheid, materiële armoede en dichterlijke gerechtigheid’.

Die verwijzing naar  verzoening en herstel van de natuur mag de meesten van ons wellicht het meest lachwekkend idealistisch in de oren klinken, maar wanneer je onderstaand fragment gelezen hebt, lijkt het wat minder vreemd:

(..) “wat is het hier stil,” zei ik eens tegen mijn gids en vriend Balgaa, ergens midden in de Gobi.
Hij luisterde aandachtig. “Ik hoor het al,” zei hij, we zijn nu in Ergelin Zoo. Hier is de stilte net iets anders dan in Khamriin Khiid.”

Er zijn plaatsen in de wereld waar de taal van de dichter een brug slaat naar de taal van de natuur. Ik ken dichters uit het Amazonegebied, die me vertelden hoe de vogels hen ooit hebben ingefluisterd hoe ze uit de tijd moeten stappen. De Bosjesmannen in Zuid-Afrika, die in de taal van de blauwe kraanvogel roepen dat de besjes op hun schouder blijven liggen. De klank- en ademwedstrijden van stemkunstenaar Elfi Sverdrup met de rendieren uit het gebied van de Sami. De Finse dichter Olli Heikonen, wiens adem zo koud is dat hij het verenkleed van vogels kan doorboren. Mario Montalbetti uit Peru, die in zijn gedichten voor de sporen van de woestijn en de dromen van het lastdier heeft gekozen. De Toearegdichter Hawad, die in zand schrijft en ‘de wilde woestijnwind paait in een stervende taal’. De droomtijdpoëzie van de inheemse Australiërs. De taal van dichters die in de brutale klanken van de regen of met het gemompel van gras schrijven.

“Hoe kan het dat jij met dieren praat?” vroeg ik aan Balgaa.
Hij keek mij verbaasd aan. “Kunnen jullie dat niet? Hoe leven jullie dan samen?”

Ik heb alleen die fragmenten uit de bundel genomen die betrekking hebben op de poëzie, maar Hotelkamerverhalen heeft veel weg van een avonturenroman. Ze lezen als een trein, deze verhalen, zijn meestal erg amusant, op het hilarische af, maar onder het luchtige oppervlak, klopt een warm  hart, niet alleen voor de poëzie, maar voor het menselijke, soms al te menselijke, dat ons verbindt.