Recensie van Voor jou, van jou - Nachoem Wijnberg

Telkens opnieuw leren lezen

Nachoem Wijnberg
Voor jou, van jou
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451523
€ 21,99
102 blz.

In de fabelachtige verhalen van Toon Tellegen lopen dieren rond die op de rand staan van besef maar net het laatste stapje van het echt begrijpen niet kunnen zetten. Zo’n mier, krekel of nijlpaard voel ik mij als ik het werk lees van Nachoem Wijnberg. In elk interview met de zeer productieve dichter, romancier, wetenschapper steekt het onderwerp even de kop op: hoe ondoorgrondelijk is Wijnbergs dichtwerk? En in al die interviews lezen we dat Wijnberg daar verwonderd en geprikkeld op reageert, zoals in de NRC: “Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.” Wie een krant kan lezen, zou klaar moeten zijn voor zijn dichtkunst. De verbazing, verwondering, zelfs teleurstelling bij Wijnberg lijkt oprecht. Hij is ervan overtuigd dat hij de mensheid zeer helder toespreekt. Hij wil graag een grotere lezerskring hebben, met betere verkoopcijfers om na zijn dood te kunnen rusten in een door de lezers bekostigd praalgraf. Ik gun het hem. Ik gun het iedere dichter; niet dat praalgraf, wel de lezers.

Misschien is zijn zeventiende bundel, getiteld Voor jou, van jou, wel de doorbraak voor het grote publiek. Het gaat over alledaagse herkenbare zaken: verliefdheid, verlaten liefdes, herinneringen, lichtheid en zwaarte. Er staan geen moeilijke woorden in en geen ingewikkelde economische theorieën. Wijnberg zegt het zelf al in het eerste gedicht: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, / en niet van anderen wil leren. // Daarna word je enkel / om wat zwaar is gevraagd / en je hoopt dat je ondertussen / – je kan niet zeggen hoe- / beter zal worden in het lichte.’ En die ‘je’, wie is dat dan? De lyrische ik spreekt vooral zichzelf toe. De dichtende ik wil zó graag lichter worden, maar wat dat betekent in een universum waar boomtakken doorbuigen onder het gewicht van vlinders, blijft als een mysterie tussen de regels hangen.

De krantenartikelen van de afgelopen maand zijn gevuld met aandacht voor herinneringen en de feilbaarheid van het menselijk geheugen. We lezen over getuigenissen van mariniers die niet overeenstemmen met wat er te horen is op bandopnamen bij hetzelfde incident veertig jaar geleden. En hoe staat het met de betrouwbaarheid van wat getraumatiseerden zoals incestslachtoffers zich herinneren? Herinneringen kunnen vervalsingen zijn van wat we hebben meegemaakt, vervormingen van wat we denken te hebben meegemaakt. In Voor jou, van jou komt de herinnering vaak voor. Maar zijn dat wel altijd ‘echte’ herinneringen? Bij Wijnberg kun je zelfs geschiedenis beleven waarvan het onbelangrijk is of je ze hebt meegemaakt: ‘dat is als herinnerd worden / aan waar je nooit bij was’.

Dat vervormen van wat we hebben meegemaakt, blijkt noodzakelijk om te kunnen leven met het onbegrijpelijke wat je overkomt. Onze geest zoekt via de eigen logica naar vormen om het verhaal rond de herinnering passend te maken tussen de andere vervormde verhalen van de menselijke belevenissen. Wijnberg ziet dat we daar zelf invloed op hebben, iedereen heeft een ‘heer der herinnering’ die, als een kasteelheer, waakt over wat er zoal rondspookt in ons geheugen. Deze heer der is zodanig machtig dat hij herinneringen naar zijn hand kan zetten.

In het gedicht ‘Avond’ zijn de herinneringen eerder gedachten aan verliefde wensdromen dan aan wat er werkelijk is voorgevallen. Het hopeloze verlangen is ook nog eens eindeloos, het vuur is nodig om in het donker naar gevallen parels te zoeken. Wie op het versierderspad is, neemt sigaretten mee om een meisje iets aan te kunnen bieden. Vuur meenemen is er niet van gekomen, dat moet van een ander komen, maar het vuur aan de praat houden kan heel stoer met het aansteken van bankbiljetten. Voor jou, meisje, van jou, smachtende ik.

AVOND

In plaats van een sigaret 
aan te steken met een brandend bankbiljet 
steek je een biljet aan 
met een ander, 
als iemand je vuur geeft.

Je bestelt porties 
die groter zijn dan je op kan, 
als je bijvoorbeeld water wil drinken 
bestel je een fles zo groot als dat meisje 
dat haar ogen dichthoudt.

Wil je een sigaret?

Je rookt zelf niet, maar hebt er wel een bij je.

Herinner je je, 
kijk hoe zij danst, 
met een brandende sigaret 
in haar hand 
alsof dat straks het enige licht is?

Wat is de kans 
dat een meisje 
je vraagt te helpen zoeken 
naar haar parels, 
op straat, in het donker?

Brak de parelketting 
om je hals?

Ja, zoiets, je hebt niet toevallig 
een zaklantaarn bij je 
of een paar lucifers?

Voor jou, van jou kent een sterke samenhang. De gedichten in Voor jou, van jou hebben zeggingskracht als losse gedichten, maar versterken elkaar door onderlinge verwijzingen. Eigenlijk kunnen we spreken van één groot gedicht in onderdelen. Veel gedichten dragen dezelfde naam: vijf keer is er de titel ‘Avond’, vier keer de titel ‘Je dochter’ en twee keer ‘Je dochters’. Heel associatief dansen de gedichten om steeds terugkerende motieven heen. Dat helpt bij het zoeken naar betekenis maar schept daarbij ook steeds weer nieuwe betekenissen.

Natuurlijk heeft Wijnberg gelijk als hij zegt dat hij helder taalgebruik hanteert in zijn dichtwerk. Er staat geen woord Spaans tussen, we hoeven niet bang te zijn voor onbekende symbolische onderlagen: wat er staat is wat er aan de orde is. Maar wat er staat moet uiterst zorgvuldig worden gelezen. Als Wijnberg een bundel Nog een grap noemt of Liedjes, gebeurt er iets met de betekenis van respectievelijk ‘grap’ of ‘liedje’. Woorden krijgen een nieuwe geschiedenis, een nieuwe herinnering. De titel Voor jou, van jou lijkt te gaan over de aangesproken lezer, de eerste ‘jou’ is misschien een andere ‘jou’ dan de tweede. Dat weet je niet, je zult de keuzeboom af moeten lopen om alle verbanden te zien. Wie heeft gekozen voor de ene betekenis, loopt het risico een andere laag te missen.

Wijnberg wil begrepen worden, voor Nachoem (Hebreeuws voor degene die troost komt brengen) is het dichten een roeping. Zijn dichtwerk bestaat om de mensheid verlichting te brengen. Als een profeet creëert hij heel productief gedicht na gedicht om ons lezers te verheffen en misschien zelfs te troosten. In heldere taal, maar niet de taal die we gemakkelijk verstaan. Niet de taal van de lyrische dichter met muzikale elementen als metrum en rijm en herhaling. Het is zijn eigen idioom en wie het aandurft om zich daarin te verdiepen die ervaart zoals Wijnberg schrijft:

De vreugde van het plotseling dieper 
kunnen zien, wat 
het lichte is.

***
Nachoem M. Wijnberg (1961) is romanschrijver, hoogleraar in de economische wetenschappen en dichter. Zijn eerste tien dichtbundels werden verzameld in Uit tien. Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs, Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs kreeg toebedeeld, Divan van Ghalib, Waaraan de Gedichtendagprijs toeviel, Als ik als eerste aankom, Nog een grap en Van groot belang (genomineerd voor zowel de VSB Poëzieprijs als de Herman de Coninckprijs). Wijnbergs werk is vertaald in het Italiaans, Duits en Engels; in de VS verschijnt in 2018 een vertaling van Van groot belang.

Recensie van Nachtefteling - Martijn Benders

Prachtige rompslomp van woorden

Martijn Benders
Nachtefteling
Uitgever: Van Gennep
2017
ISBN 9789461648082
€ 17,90
86 blz.

De Efteling in volslagen duister, als de vele bezoekers huiswaarts zijn gekeerd en niemand meer in de rij staat. Is dat de Nachtefteling, of is het meer een heel ander soort pretpark waar duistere sprookjes de inspiratie zijn geweest? Maar zijn de bestaande sprookjes niet al duister genoeg? In de brief die de bundel afsluit, geschreven door ‘Martinus’ Benders op Camping ‘De Zwarte Bergen’, lezen we over de ambitie om een Nachtefteling te starten en rendabel te maken: ‘Nacht na dag na nacht zat ik te peinzen over hoe ik deze Nachtefteling zou gaan scheppen, en hoe ik er alle dichters van Nederland een baan in zou verschaffen. (…) Een plek waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt, hier ga ik hem bouwen, hier in De Zwarte Bergen. En deze bundel dient u dan maar te beschouwen als een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking, als een eerste, kleine verkenning.’

Hij is er weer, de dichter/grappenmaker, waarbij je niet goed weet wat ernst is en wat een grap. Albert Hagenaars beschreef in een recensie over Martijn Benders’ bundel Lippenspook de dichter als: ‘nar en jongleur ineen’. Dat is een gevaarlijk compliment. Nar en jongleur. Clown én acrobaat. Zowel Bassie als Adriaan. Tijdens het Tuinfeest in Deventer zag ik Benders optreden met naast hem een lange man in een regenjas die op gezette tijden iets in de microfoon mocht roepen. Het leek op VPRO-kindertelevisie in zijn beste jaren, maar het boeide mij niet, en ook niet toen er werd overgeschakeld naar het zingen van simpele kreten. Benders zoekt het experiment, de absurde vorm, maar ik haakte af omdat het voor mij te ver af staat van de essentie van poëzie, zoals Benders dat in de brief zelf aanduidt: ‘Je buiten de tijd zetten, een fractie van een seconde maar.’ Die gekkigheid trekt je heel hard de tijd in.

Clown en acrobaat. Hier schuilt gevaar voor de dichter: zoveel aandacht voor de humor in zijn werk en zijn uitzonderlijke taalvaardigheden is vooral aandacht voor de vorm. Maar veel vorm verstopt de inhoud en verhult ook het gebrek aan inhoud. Dat gevaar heeft Benders kunstig afgewend in Nachtefteling. De nieuwe bundel is allesbehalve een ‘nietszeggende voorbode’, er zit veel inhoud en gelaagdheid in de gedichten.

De bundel bestaat uit drie onderdelen: NOKS, ELPH en TOELINK. Het eerste deel bestaat uit 16 gedichten die onderling samenhang vertonen, het tweede deel is één groot gedicht en het laatste bevat 20 uiteenlopende gedichten die als een soort toegift zijn toegevoegd.

ELPH is te lezen als een zwarte variant op Gorters Mei, en is daarmee de hoofdattractie van de Nachtefteling. Er is sprake van een monster dat door een piepklein gaatje naar buiten kan kijken, waarna we een uitvoerige beschrijving krijgen van wat het allemaal niet kan zien. Lieflijke beschrijvingen van de natuur met subtiele verwijzingen naar dood en oorlog: ‘de pierlala van de wind’, de ‘torpedojager van een gele narcis’. De verwijzing naar Gorter is expliciet: ‘Het gortert door de eeuwige goot, waar dit gedicht opgekrast staat.’ Maar in die eeuwige goot treffen we ook Guido Gezelle ‘op het nulleke van de horizon’, ‘op het noerke van de horizon’ en Paul van Ostaijen als wolkenformaties worden getekend met het woord ‘wolk’. En dan aan het slot zijn we terug bij het monster:

(…)

Maar niets ziet monster 
door dit piepkleine gaatje, 
door het vizier Gods, 
de hemel niet en niet het nulleke van de zee. 
Het ziet alleen jou. En mij. 
En het heeft tijd noch kogels meer.

Heb meelij met ons, Lieve Heer.

Dat is toch wel een belevenis waar je de lange wachttijden in de Nachtefteling voor wil trotseren? En als je de ervaring wil herbeleven, ga je gewoon nog een keer, gewoon weer achteraan sluiten.

Waarin schuilt dat veelgeprezen jongleerwerk van Martijn Benders? Benders (nomen est omen) buigt betekenissen zo dat woorden opeens meer betekenen, er komen veel nieuwe woorden in zijn gedichten, maar dat lijken hele gewone, heel vaak gebruikte woorden. Wat te denken van lieden die ‘ogelen naar wiffels’. Je voelt meteen aan dat er een penetrante stank om dat soort types hangt. In het gedicht ‘Wicht’ denk je even dat de titel verwijst naar een jong onschuldig meisje en misschien doet het dat ook, maar misschien ook weer niet of misschien is het een homoniem. Het werkwoord ‘wichten’ heeft vast verwantschap met wegen, wachten, wiegen en het voelt net zo vertrouwd als ‘dorven’ aan het graf.

Wicht

Argwanend knispert grint onder haar voeten, 
Wanneer zij het graf van haar vader bezoekt.

Ze heeft een goudgele orchidee en in haar sproeten 
tekent zich een ander gezicht, dat alleen hem is.

Zo dorven zich de dochters aan onze graven, vaders. 
Alle verlokking bedacht in het wilde steen.

De ogenblikken graven in, op de bottenradar 
wicht het goudgeel licht zijn orchidee.

En zo staan we even een paar seconden buiten de tijd. Door de nauwkeurig geregisseerde ‘rompslomp van woorden’ die ons verblijf zeer aangenaam maakt in Martijn Benders’ Nachtefteling zoals het door de dichter ontworpen omslag het presenteert. Nergens de neiging om de bundel in de mond van Holle Bolle Gijs te mikken. Als dit de voorbode is, ben ik erg benieuwd hoe het poëziepretpark zelf uitpakt.

***
Martijn Benders (1971) debuteerde in 2008 met de bundel Karavanseria, die genomi­neerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.  Nachtefteling is zijn zevende bundel.

Poëziefestival Het Tuinfeest 2017

Het Tuinfeest in Deventer is in 2017 toe aan zijn vierde lustrum. Op de avond voordat de straten van de binnenstad vol staan met de zes kilometer aan boekenkramen, dat was dit jaar op vijf augustus,  is er traditiegetrouw een poëziefestival in de Hanzestad. Op vijf podia wisselen de dichters elkaar ieder kwartier af. Bezoekers bewegen zich zo van de ene fraaie achtertuin naar de andere. Senioren hebben soms hun eigen uitklapstoeltje bij zich, anders wordt het wel erg lang staan. Er zijn drankschenkpunten en rond zessen is er een complete maaltijd te eten, zij het dat je dat vooraf wel moet bestellen. Tussendoor zijn er wat muzikale acts maar die komen echt op de tweede plaats, hoewel de belangstelling voor het miniconcert van Wende overweldigend is. De programmeur van het Tuinfeest is niet hard op zoek naar nieuw talent. Bart Chabot was er vorig jaar en ook dit jaar is hij weer drie tuinen verderop te horen. Bij de Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin brengt de poëzie echt iets in beweging. In de tuin naast de Iordens Tuin valt een enorme tak op de kindertrampoline daaronder. Pieter Boskma is er, Levi Weemoedt eveneens en K. Michel. Er zijn dichters die het voordragen tot kunst hebben verheven zoals Tonnus Oosterhoff, Ellen Deckwitz en Nico Dijkshoorn, en er zijn de dichters die amper boven hun verlegenheid uitsteken zoals Frans Kuipers, Mark Boog en Hans Tentije. In de Athenaeumbibliotheek naast de tuinen zijn er interviews en gesprekken. Maar wie je ook wil horen of wat je ook wil doen, de sfeer op het Tuinfeest is zo perfect poëziegericht dat je je in een andere wereld waant. Als dan ook nog eens braaf alle donkere wolken blijven overwaaien, kun je spreken van een geweldige editie.

Özkan Akyol

Martijn Benders

Ellen Deckwitz

Frans Kuipers

Joke van Leeuwen

K Michel

Tonnus Oosterhoff

Pauline Sparreboom

Hans Tentije

Vrouwkje Tuinman

Jos Versteegen

Menno Wigman
Foto’s: Ernst Jan Peters
Recensie van Van woorden gemaakt. Gedichten geselecteerd en ingeleid door Anna Enquist - Gerrit Kouwenaar

Het warmen van kille constructies

Gerrit Kouwenaar
Van woorden gemaakt. Gedichten geselecteerd en ingeleid door Anna Enquist
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021402314
€ 15,00
168 blz.

Gerrit Kouwenaar verdient het om niet vergeten te worden. Met die insteek maakte dichter Anna Enquist zich sterk voor twee publicaties die gelijktijdig in de boekhandel liggen. Gerrit verdient een biografie én een diepgaande letterkundige analyse van zijn poëtica, vindt Enquist. Voor de biografie deed zij een voorzet door een schets te schrijven over hun 22-jarige dichtersvriendschap in het Privédomeinboek Een tuin in de winterGerrits uitgever Querido heeft Enquist gevraagd om gelijk met dat boek een bloemlezing samen te stellen uit Kouwenaars omvangrijke werk. Dat beschouwde zij als een eer, maar ook als een lastige verantwoordelijkheid. Kouwenaar schreef bijna 750 gedichten en daarvan mochten er 100 in de bloemlezing terugkomen. Enquist vaart daarbij op het kompas van haar eigen persoonlijke voorkeur zonder hinder van de literatuurkritiek. De gedichten die zij koos dragen bij aan het beantwoorden van de vragen wie Gerrit Kouwenaar was en wat deze dichter dreef…

En dat levert een boeiend resultaat op omdat Enquist niet meedoet met het verstoppertje spelen van Kouwenaar. In de inleiding schrijft zij: ‘De mooiste, de sterkste gedichten zijn die waarin onder de karige, uitgebeende oppervlakte van zijn taal het vuur van het weggewerkte gevoel zindert.’ Enquist benoemt zeven thema’s en per thema koos zij rond de 15 gedichten. Die plaatste ze in volgorde van ontstaan zodat je per thema een soort ontwikkeling ontdekt waar dichter-constructivist Kouwenaar steeds meer dichter-mens Gerrit wordt. Het is de vraag of Kouwenaar dat zelf ooit zo zou hebben bedacht, maar Enquist doet zijn werk er een groot plezier mee. Zelfs voor de meest verstokte Kouwenaarliefhebber ontstaat er zo een geheel nieuwe blik op zijn werk. Elke herlezing levert nieuwe inzichten op en het is uiterst boeiend om vanuit het perspectief van een nauwe vriendin dat met een selectie van zijn hele oeuvre te doen.

En zo is Van woorden gemaakt een boeiend verslag van een dichter op zoek naar de intrinsieke lagen van een andere dichter. Uit Een tuin in de winter hebben we geleerd dat Enquist stiekem op zoek is naar de persoonlijke laag achter de gedichten en zo is de bloemlezing een voorzichtige kennismaking met de verstopte mens Kouwenaar. Door de thematische opbouw in zeven delen wordt het een opmaat naar een theaterbewerking over de besnorde Vijftiger: Kouwenaar, The Musical. Van mij mag het: alles om de poëzie levend te houden is geoorloofd…

De inleiding mag zeker niet worden overgeslagen. Enquist verantwoordt haar keuze en licht ze nader toe. Ook hoe zij is gekomen tot de verschillende thema’s: ‘Midden in deze bloemlezing heb ik een afdeling ‘VERBINDINGEN’ geplaatst. Gerrits werk geldt als hermetisch en afstandelijk, maar bij nauwkeurige lezing blijkt hoe belangrijk de nabijheid van de ander voor hem was, in vriendschap of liefde.’ De inleiding gebruikt zij om uitleg te geven over het verschil tussen de schrijvende persoon en de levende persoon en hoe die in de loop der tijd meer met elkaar verweven raken. En ze beschrijft de trukendoos van Kouwenaar om afstand te houden tussen de emotionele mens en diens poëtische uitingen. Omdat gedichten niet over gevoelens mogen gaan, wordt er hard gewerkt aan afstand creëren. Bijvoorbeeld door met de tijd te spelen, de emotionele beleving van het nu wordt verpakt in een historische gebeurtenis. En door het gebruik van ‘men’ waar ook ‘ik’ had kunnen staan. Wat ‘ik’ voel is te persoonlijk, wat ‘men’ meemaakt raakt sterker aan universele waarheden. Het warme bloed vloeit weg, het wassen beeld komt er voor in de plaats. Om de grote kosmetische abstracties niet al te ver weg te zetten van de mens, gebruikt Kouwenaar een eigen symbolische taal met elementen uit het leven dichtbij: de tuin, de tafel, de kamer, het vlees op het bord. Voor Enquist hebben die woorden vast meer diepte omdat zij concrete beelden heeft bij de tafel en de stoel en het uitzicht van Kouwenaar onder het schrijven.

Die symboliek vind je sterk terug in het eerste en het laatste gedicht waarbij de dag wordt gezien als het leven. Het eerste gedicht gaat over Kouwenaars geboorte en heet ‘de dag’. De eerste regel luidt: ‘Op de dag dat ik er was stonden de klokken zeven’. Dan de bloemlezing door tot het laatste gedicht met als titel ‘de ochtend’. Dit gedicht is een variant op een gedicht dat Kouwenaar maakte voor Het Liegend Konijn en waaraan hij is blijven schrijven als een afsluitend gedicht ter afscheid en dat ook als zodanig is opgenomen op de rouwkaart. De eerste regels luiden: ‘De ochtend dat het nooit meer avond wordt / talend naar stilstand was het nooit zo licht’.

Als we bezig zijn om poëzielezers te winnen waarom net niet wat meer achtergrondinformatie op de laatste bladzijden?  Zo drijven we de jonge lezertjes weer uit de boeken en naar Wikipedia. En voor de gevorderde lezers had de Verantwoording best wat uitgebreider gemogen met per gedicht aangegeven waar het gedicht voor het eerst is verschenen en vooral wanneer. Mocht er een tweede druk komen vanwege overweldigende belangstelling kan de uitgever het geheel hiermee vervolmaken. Want Van woorden gemaakt is een meesterlijke bloemlezing. Het voegt veel toe aan datgene wat je denkt te weten over Kouwenaar en zijn gedichten. Nieuw licht over een bestaand oeuvre waarbij de kille constructies warmer blijken te zijn dan bij eerdere lezing. Opdat wij niet vergeten!

***

Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) was naast vertaler en redacteur bij verschillende kunstredacties vooral dichter. Debuterend in 1953 vond hij aansluiting bij generatiegenoten die als ‘de Vijftigers’ zich hard maakten voor een grootse vernieuwing in de poëzie. Tijdens de oorlog werd hij gearresteerd vanwege zijn medewerking aan illegale tijdschriften. Na een half jaar werd hij vrijgelaten en dook hij onder. Die gebeurtenis heeft veel invloed gehad op zijn werk. Kouwenaar ontving talrijke onderscheidingen voor zijn werk, o.a. de P.C. Hooftprijs.

 

Recensie van Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar - Anna Enquist

Het gratis theater van de ontkenning

Anna Enquist
Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514248
€ 19,99
168 blz.

Dan bouw je een heel oeuvre op met goeddoordachte taalconstructies die het zicht op je zielenleven afschermen en dan sluit je vriendschap met een specialist in psychoanalyse: dat wil zeggen iemand die heeft geleerd om het verhaal te zoeken tussen datgene wat níet wordt gezegd, datgene dat verstopt moet blijven omdat het pijn doet. Het overkwam dichter Gerrit Kouwenaar toen hij na een gezamenlijk optreden bij Poetry International in 1992 in gesprek raakte met Anna Enquist. Daaruit vloeide een warme en betrokken vriendschap tussen de twee dichters en hun gesprek stopte pas met het overlijden van Kouwenaar.

Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar is een uitgave in de Privédomeinreeks, de intelligente variant op de behoefte aan ‘human interest’ en roddel, waarin Anna Enquist met liefde en respect vertelt over haar oudere dichtersvriend. Respectvol maar ook in alle eerlijkheid. Want een gemakkelijk mens was Gerrit niet altijd, routes reed je zoals hij ze dicteerde, in zijn vriendschappen was hij beter in krijgen dan in geven, leningen werden al snel giften. Anna kende in die vriendschapsperiode haar eigen onbeschrijfelijke verdriet door het verlies van een dochter. Dat was iets waar Gerrit niet mee uit de voeten kon, maar ze bleef braaf terugkomen bij Gerrit die, zoveel jaar ouder dan zij, in de herfst en de winter van zijn leven belandde. Totdat hij overleed in 2014.

Alle trieste levenservaringen komen voorbij: het ziekbed van Kouwenaars echtgenote Paula en uiteindelijk haar overlijden, zijn eenzaamheid daarna, zijn aftakelen en tenslotte de laatste periode in het verpleeghuis. Elke fase krijgt een eigen deel in de winterse tuin, als scènes in een dramatisch toneelstuk. Maar de basis van de voortdurende vriendschap is de poëzie en het zijn juist de poëtische beschouwingen die het boek voor de poëzieliefhebbers zo waardevol maken. Zoals over hun gesprekken over het juiste gebruik van witregels en het nut van naslagwerk Het juiste woord. En er is de veelzeggende uitspraak van Kouwenaar over het ontbreken van bomen op IJsland. Bomen spelen een belangrijke rol in zijn werk omdat de boom tal van bruikbare metaforen aanreikt. Een wereld zonder bomen is een wereld die niet klopt. Kouwenaar kan niets met IJsland.

De poëzie ligt altijd op de loer bij hun contacten. Als het gaat over waardering van andere dichters is er de mijmering van Enquist over het ongekende fanatisme van de Vijftigers [p.118]:

Ik denk dat ik (..) niet besefte hoezeer de verbetenheid waarmee de Vijftigers de ‘oude’ literatuur afwezen met de net voorbije oorlog te maken had. Ze hadden allen als jongemannen de heftigheid van die tijd beleefd en moeten intens teleurgesteld zijn geweest dat alles na de bevrijding op de oude voet voortging, dat de hiërarchieën hersteld werden, dat het leek alsof er helemaal niets was gebeurd. Onverdraaglijk. Niet alleen de poëzie moest totaal veranderen en opnieuw worden uitgevonden, maar álles. Het verdringen en negeren van de gebeurtenissen , de concentratie op schoonheid, het vasthouden aan de verdufte en verzuilde maatschappelijke structuren – het was allemaal even verwerpelijk. Dan wordt het lezen en waarderen van Nijhoff, Vasalis of Gerhardt bijna een misdaad, een verraad. Dan duurt het tientallen jaren voor de opstandigen over de rivier heen willen kijken naar wat er eigenlijk groeit op die andere oever.

Een terugkerend thema in de biografische schets is de relatie tussen het werk van Kouwenaar en zijn gevoelsleven. Bij Kouwenaar mogen gedichten niet te veel emotie uitstralen en vooral geen troost bieden. Het gevoel achter de woorden moet afkoelen en stollen in de loop der tijd, universeler worden, minder het ‘ik’ en steeds meer het ‘men’. Enquist heeft daar zo haar gedachten bij:

[p. 18] Als Gerrit tijdens onze duopresentaties voorlas, luisterde ik met een oor dat naar betekenis zocht. Daarmee deed ik zijn werk vermoedelijk onrecht, maar ik kon niet anders, het is de manier waarop ik denk, werk, waarneem. De psychoanalyticus is een zoeker naar betekenis. Schijnbaar toevallige of triviale invallen vertellen een verhaal dat iets zegt over de bedenker, ook al ontkent die alles. Ik had het makkelijker met de latere gedichten, die altijd maar gingen over hoe alles ten einde liep, tot stilstand zou komen en sterven, binnen afzienbare tijd. Hij omhelsde het einde terwijl hij nog overeind stond.

[p. 26] Hij zag zichzelf als constructeur en taal was het materiaal waar hij ‘dingen’ van maakte. Ik wist daar nooit goed raad mee. Woorden zijn betekenisdragers, ze torsen associaties en connotaties met zich mee. Ze hebben met gevoelens te maken. Het idee van de constructie begreep ik wel en daarover spraken we ook graag, maar hoe hij over de bouwstenen dacht is mij nooit echt helder geworden.

En zo zijn er meer voorbeelden te citeren. Kouwenaar laat in zijn laatste bundels wat van de afstandelijkheid varen en dat bevestigt Enquist in haar vermoeden dat zijn gedichten wat minder hoefden te dienen als ‘gevoelsafweer’. Hij zal zich dat zelf ook bewust zijn geweest als hij taal zelf omschrijft als het ‘gratis theater van de ontkenning’ in het gedicht ‘maar nu de taal’ uit de bundel Vallende stilte. Is afweren en ontkennen de essentie van Kouwenaars dichterschap? Enquist: [p. 89] ‘(…) de kwaliteit van Gerrits latere werk heeft te maken met het symboliseren van herkenbare autobiografische gegevens. De witte kamer is de eeuwigheid, de boomgaard is de wereld.’

Een tuin in de winter is een boek dat je uitleest op een lome zomeravond. Het zorgt ervoor dat je zin krijgt om zowel gedichten van Kouwenaar als van Enquist te gaan lezen. Natuurlijk kun je tussen de regels lezen dat Anna haar vriend spaart door niet al te sappige details uit zijn leven prijs te geven. De relatie van Kouwenaar met zijn kinderen wordt voorzichtig aangestipt maar niet verder uitgewerkt. Die moeten maar terugkomen in de biografie waar Enquist op aanstuurt. Die zal zij zelf niet schrijven. Uit respect voor haar vriend, de Vijftiger die negentiger werd…

Gelijk met de herinneringen werkte Anna Enquist op verzoek van Kouwenaars uitgever Querido aan de bloemlezing met een selectie van zijn gedichten waardoor deze twee boeken elkaar versterken. Door Een tuin in de winter leren wij hoe zij kijkt naar Kouwenaar en zijn werk en dat helpt bij het doorgronden van haar keuzes. Maar daarover meer in de recensie van de bloemlezing Van woorden gemaakt.

***
Anna Enquist (19 juli 1945) studeerde piano en psychologie. Ze is musicus, dichter, schrijver en ook werkzaam als psychoanalyticus. Haar dichterschap begin met publicatie in Maatstaf in 1988, haar debuut Soldatenliederen verscheen in 1991 en werd meteen goed ontvangen door kritiek én publiek. Dat gold ook voor haar latere bundels en haar romans die in veel talen zijn verschenen. Gerrit Kouwenaar ontmoette zij in 1992 en daar groeide een vriendschap uit die in stand bleef tot aan diens overlijden in 2014.