Recensie van Hoe de eerste vonken zichtbaar waren - Simone Atangana Bekono

Dictee van een mooi en pijnlijk ding

Simone Atangana Bekono
Hoe de eerste vonken zichtbaar waren
Uitgever: Wintertuin & Lebowski
2017
ISBN 9789079571543
€ 12,00
48 blz.

Dichter Simone Atangana Bekono had al een reputatie voordat haar debuut verscheen. Nu pas ligt het zwarte boekje met de kleine witte letters in veelvoud op de poëzieafdeling van de betere boekhandel, maar in september 2017 droeg zij al voor tijdens de Nacht van de Poëzie. Eén gedicht las zij daar in Utrecht, het laatste en het langste uit de bundel, blijkt nu. In januari jongstleden was zij lid van de jury die de drie allerbeste gedichten uit de beste honderd inzendingen mocht kiezen voor de Turing gedichtenwedstrijd 2017.

Dat debuut, getiteld Hoe de eerste vonken zichtbaar waren,  is dan ook een heruitgave van haar afstudeerwerk aan de ArtEZ-opleiding ‘Creative Writing’. Dat zal niet iedere student overkomen. Hoe de eerste vonken zichtbaar waren blijkt een lastige titel. Op het wereldwijde web zien we al gauw dat ‘waren’ wordt verward met ‘werden’. Toch zit daar het subtiele verschil tussen zicht op het proces en zicht op het resultaat van het proces. En waar vonken zijn, kan vuur ontstaan.

Dit is zo’n bundel die lastig terug kan komen in bloemlezingen. De lange gedichten hangen sterk met elkaar samen, zijn te veel onderdeel van een groter geheel. Pik er daar maar eens een uit. In drie afdelingen met de titels ‘Wrijving’, ‘Ontsteking’ en ‘Vonken’ wordt een proces geschetst. In ‘Wrijving’ staan zes genummerde gedichten, In ‘Ontsteking’ staan twee brieven van ‘Siem’ aan ‘Kipje’ en in ‘Vonken’ gaat de nummering van gedichten verder van 7 tot 9, of eigenlijk van VII tot IX. De lijn van het proces geeft zich niet gemakkelijk prijs. In treffend gekozen beelden krijgen we puzzelstukjes aangereikt, zoals de ´ik´ die uit jagen gaat en een ree treft.

VII.

Dat ik uit jagen ging, en dat ik geschikte laarzen kocht en een warme jas
en dat ik geen tent meenam maar een stuk zeil dat ik opgerold op mijn rug droeg
en dat ik in de voetstappen van de beer door de regen liep

En dat het bos zich bewust was van mijn geur
en dat mijn lichaam zich bewust was van het bos
en dat de vogels besloten zich eerbiedig te gedragen en hun snavels dichthielden
en dat de beer zich bezighield met de vis in de rivier, het schoonspoelen van zijn poten
waar bloed en poep en mos aan kleefden

Dat de ree die voor mij uit sprong zich niet bedreigd voelde
maar haar vacht tegen de boomschors aan wreef zodat ik in de buurt kon blijven
en de bomen precies genoeg zonlicht toestonden
en de zon net warm genoeg scheen om het ijswater van de takken
naar beneden te doen druppen, het kraken van het stuk zeil op mijn rug te maskeren

Dat ik tegen het vallen van de avond
met toegeknepen ogen
het licht op de snuit van de ree zag schijnen
en dat de ree stilstond en van de laatste zon leek te genieten
dat ik beefde van vermoeidheid en dat mijn geweer beefde
en dat het leek alsof er tussen dit moment
en het moment dat nog moest komen

In de afstand die tussen ons lag, enkele tientallen meters
de zandkorrels die opstoven, de druppels ijswater die drupten
de zo langzaam mogelijk uitgeblazen wolkjes adem en de beer die
zich niet veel verderop bezighield met de vis in de rivier
en de ree die misschien niet genoot maar wel leek te wachten
ik herinnerde het badwater dat naar eucalyptus rook
de man die een meer in wandelde
en zei dat hij zowel hier als nergens was

(…)

Een soort droombeeld waarin er een relatie bestaat tussen jager en prooi waarin keuzes bestaan. Elke keuze leidt tot een ander verloop van de gebeurtenissen. En zo beschrijft de ‘ik’ meer herinneringen om uiteindelijk weer uit te komen bij de jacht.

(…)

Ik zette na de jacht mijn geweer op de grond, met het handvat op het parket
en de loop naar de lucht gericht, het zeil waarin ik geslapen had opgerold tegen de muur
stinkend naar bloed en poep en mos
en de ree met wie ik niemand en nergens was stond in mijn verbeelding nog steeds
met haar kop naar de oranjerode zon gericht, haar geur aan de bomen gesmeerd
mijn aanwezigheid voor haar verborgen door de afdrukken van de berenpoten waarin ik
mij had bewogen terwijl het bos zich bezighield met het dreigende donker
de ree en ik, wij maakten in de stilte van het bos een afspraak
zoals ik die maakte met de zeemeeuwen, de kustwacht, de partyboot,
het opblaasdier en de miljoenen vissen
in de meters tussen de loop van mijn geweer en haar slaap, naar mij toegekeerd
zowel uitnodiging als uitdaging, met alle miljarden dingen die in de ruimte
tussen ons in gebeurden, die ons deden samensmelten
die het moment van ontsteking aankondigden
voordat de eerste vonken
zichtbaar waren

Allerlei herinneringen, zelf meegemaakt of in dromen beleefd, liggen ten grondslag aan de vonken. En die herinneringen lopen van het begin van het leven tot het nu en die zijn gekleurd door de positie van de ‘ik’ in de wereld. Maar die ‘ik’ beschouwt zich meer als een reflectie van zichzelf: een silhouet, een schaduw, een spiegelbeeld in het zwarte water. Dat is een afsplitsing van jezelf, iets waar je zelfs mee in discussie kunt gaan. Het spel met identiteit vormt een belangrijk thema in de bundel. Soms zijn passages uit te leggen als strijdlust van een zwarte vrouw tegen onrecht in de maatschappij, maar ze zijn ook uit te leggen als een zoektocht naar identiteit. Wil ik zijn wat anderen mij maken? Daarover zijn verschillende regels te vinden:

     0  want mijn lichaam is meerdere lichamen
     0  ik wil een gang bouwen die nergens naartoe leidt / en er al mijn lichamen in opsluiten
     0  ik schreef vijf versies van mezelf, die mannelijk, gebroken, / lichaamloos en in de war waren
     0  ik kan mezelf in honderden vormen presenteren

De ‘ik’ ziet zichzelf als een ‘in een mal gepropte versie van Kunta Kinte’, de hoofdpersoon van een slavensaga en de eerste slaaf die nog volledig met zijn wortels in de Afrikaanse cultuur zich moest aanpassen aan een nieuw ruig bestaan in Amerika. Door de populariteit van de televisieserie verworden tot een geromantiseerd slachtoffer. Wil de ‘ik’ wel passen in dat model? In IV lezen we: ‘alle zwarte mensen is een vergane kunstvorm waar slechts enkelen naar terugverlangen’. Je bent wat anderen jou maken, daar valt niet aan te ontkomen hoewel de ‘ik’ denkt te kunnen ontsnappen door op vakantie te gaan, maar ‘het vliegtuig komt niet van de grond’ (VI). Het gevecht gaat door tot aan de dood, tot aan het zwarte water.

In IX lezen we: ‘Dit gedicht is een combinatie van meerdere gedichten en / er is een mooi en pijnlijk ding dat mij dicteert’. De dichter als doorgeefluik. De bundel als afstudeerwerk, maar dan van iets meer dan een opleiding in de kunsten. Het levert een indrukwekkend resultaat, een bundel waar je vaak naar terug kunt keren omdat je voelt dat er nog een laag is die je als lezer eerder over het hoofd hebt gezien. Atangana Bekono maakt kunst door in beelden te werken en niet in woorden, hoewel de beelden door de woorden tot stand komen. Goed dat ze afgestudeerd is, kan ze aan de slag om meer moois te maken.

***
Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ. Haar afstudeerwerk vormt de basis voor haar debuutbundel. Ze publiceerde op De Optimist, Samplekanon en in De Gids. Ze droeg voor op de Nacht van de Poëzie, Read My World, het Wintertuinfestival en vele andere podia.

Recensie van Shop Girl - Dominique De Groen

Maximaal toegevoegde waarde

Dominique De Groen
Shop Girl
Uitgever: Het Balanseer
2017
ISBN 9789079202478
€ 19,50
48 blz.

Vorm, veel vorm. De debuutbundel van de Vlaamse dichter Dominique De Groen is opgemaakt als een productbeschrijving. In de vormgeving van Shop Girl is veel aandacht voor nummers, trademark- en merkregistratiesymbolen en een bladspiegel met nauwelijks marge. Er moet altijd veel verplichte tekst in dat soort boekjes. De vorm verwijst naar wat gebruikelijk is in de logistiek van grondstof naar consument.

Taal, veel taal. Geen droog afgemeten veertienregelige verzen, maar stampende en dampende regels. Gedichten van pagina’s. Geschikt voor voordracht bij poetry slams, geschikt om te beluisteren. Associatief, herhalend, als een statement. Metrum en rijm is voor generaties die vroeger leefden.

Inhoud, veel inhoud, misschien iets te veel inhoud. Van de achterflap: “De bundel ontkiemde in de kelder van de Primark, waar Dominique De Groen een winter en een lente lang werkte.” Dichter De Groen wil in de acht gedichten uit de bundel een beeld neerzetten van een kledingwinkel als het einde van een lange keten, maar ze wil ook spelen met de taal van de logistieke managers die het proces uittekenen en begeleiden. En dan is er ook nog de ‘ik’ die enerzijds als medewerker in de winkel een pion is in de systeemwereld van productie tot consumptie en anderzijds consument zelf, want ook kleding dragend. De ‘shop girl’ uit de titel is het meisje dat komt shoppen en het meisje dat in de winkel staat om het winkelend publiek te helpen. Hoe vol al die ambities samen worden, is goed te lezen in het eerste gedicht waarin we alles tegenkomen: de taal van het textiel, de worstelende ik en de strijd om het allemaal onder woorden te brengen.

BETAALZONE

Ik vind mijn lichaam terug
aan het einde van een supply chain
die non-stop in mij leegloopt.

Laat alles weer uit me vloeien.

Je kan mij uit de betaalzone halen
maar je kan de betaalzone niet uit mij halen.
De winkelvloer kleeft aan mijn binnenkant
absorbeert alles.

Zo volgepompt dat ik het internet nodig heb i’m already world wide
laat ik me sneller uitbuiten dan mijn schaduw

en droom een wereld
buiten deze zone
waar ik naar terugkeren kan
na het scannen van een barcode
of een vingerafdruk.

Shop floor without end:
oersoep, proteïsche massa of seminaal vocht
de winkelvloer is nat
en buiten schijnt de zon.

Ik ontrafel een artikel
tot ik niet verder kan
en het kapitalisme zit er niet in

en wanneer ik de ruimte verlaat zal ik niet stoppen
me tot deze objecten te verhouden
die ik inslikte
om mezelf te kunnen aanraken.

Mijn lichaam verandert in een gedicht over het kapitaal
en ik hang vast in kleverige wolken

van elastaan
polyester
geëxpandeerd polystyreen.

Intimiteit sijpelt weg
uit mijn aanrakingen

vloeit terug
langs backward linkages.

We zien verwijzingen naar technische vakliteratuur gemengd met clichés. We zien een snelle wisseling tussen het lichamelijk intieme en het plastisch technische waarbij het laatste domineert waardoor het persoonlijke, het emotionele ondergeschikt is. Dat laatste komen we tegen in alle gedichten. Het gedicht ‘Colour Management’ heeft een wat afwijkende vorm, namelijk die van een kort toneelstuk in drie bedrijven. De personages zijn de abstracties uit het logistieke systeem: de Colour Forecasting Agency, de Colour Managers en diverse kleuren. Hun gesprekken vinden plaats in de ChromaZone en de Betaalzone. Abstracties binnen abstracties, waarbij ik, lezer, op afstand word gehouden. Ik lees taal die ik tegenkom in het onaantrekkelijke proza van beleidsnota’s en wetenschappelijk onderzoek als de ‘Colour Forecasting Agency’ uitlegt waar de voorspellingen op zijn gebaseerd:

(…)

Data over consumentenvoorkeuren
revoluties in lifestyletrends
gebeurtenissen in wereldsteden.
Culturele factoren
economische factoren
sociale factoren.
De impact van kleur op emoties
waarneming en lichamelijke toestand van de mens.

(…)

De levenscyclus van textiel gaat een alternatieve stroom nadat een consument ermee klaar is. Want de niet-verkochte of voldoende gebruikte broek gaat via een ‘wormgat’ naar ‘andere zones / in ruimte en tijd.’ En dan is de ‘ik’ weer aan de beurt om te sorteren, te ordenen en te strijken. Uit het gedicht ‘Ghosts in the Shell’:

(…)

ik reanimeer lompen
in een dorre zone
herstel percentages
van teloorgegane waarde (…)

Alles is gericht op $$$ vermeerderen tot aan de maximaal toegevoegde waarde, aldus de dichter. De dichter heeft hard gewerkt om de vele lijnen te binden, maar vraagt dat ook van de lezer, die moet ongelooflijk zijn best doen om de vele en snel wisselende associaties op te pakken. Op de achterflap is sprake van een poëtisch epos in de traditie van Vergilius maar voor een dichterlijk epos is het te weinig lyrisch, te fragmentarisch. Het beeld van de stroom van zijderups naar onderbroek wordt zo vaak onderbroken, dat het onvoldoende tijd krijgt om vorm te krijgen. Shop Girl van Dominique De Groen is een vormrijk debuut, met inhoud, duizelingwekkend veel inhoud. Een kledingwinkel beschreven als het eindpunt van een lang en dynamisch proces: van zijderups tot onderbroek. De ‘ik’ is onderdeel van het geheel en staat tegelijkertijd buiten het verhaal en er middenin als deel van de cyclus en als slachtoffer. En de lezer ziet het aan en kan niet ingrijpen want weet niet waar hij moet beginnen.

***
Dominique De Groen (1991) debuteert met Shop Girl. Werk van haar werd gepubliceerd in Deus Ex Machina, op Samplekanon en hard//hoofd. Zij post poëzie en beeldend werk op http://www.vulpix91.be.

Recensie van Lange armen. Gedichten over de politie - Ester Naomi Perquin

Met een kop vol poëzie tussen de uniformen

Ester Naomi Perquin
Lange armen. Gedichten over de politie
Uitgever: Van Oorschot
2018
ISBN 9789028280731
€ 12,50
32 blz.

Zelf was ze nogal verbaasd over de opdracht zegt Ester Naomi Perquin in het nawoord van de gelegenheidsbundel Lange armen. Waarom viert de politie een lustrum van een niet-afgesloten reorganisatie? Waarom doen ze dat met gedichten? Zit Bromsnor wel te wachten op een mooie metafoor? Ze nam de opdracht aan. Haar nieuwsgierigheid stuurde haar op pad én er was de belofte van vrijheid om alles te kunnen opschrijven. Een idylle ontstond: “Er waren veel politiemensen waar ik gaandeweg een beetje verliefd op werd. Mannen en vrouwen met kennis van zaken, harde grappen en kleine hartjes. Doeners. Denkers. Wakker­liggers. Betweters. Redders. Hun vaak heel persoonlijke verhalen liggen ten grondslag aan bijna alle regels die ik schreef – en ik ben ze daar dankbaar voor. Het is vreemd om je thuis te gaan voelen, wanneer je met een kop vol poëzie tussen de uniformen zit – maar het gebeurde wel.”

Tien gedichten zijn het geworden en de agenten zijn er blij mee. Dinsdag 9 januari zaten ze naast elkaar bij De Wereld Draait Door: de korpschef en de dichter. Korpschef Erik Akerboom moest nog een paar keer door het stof omdat er de laatste jaren toch best veel gekke dingen waren gebeurd bij de politie en de dichter mocht twee gedichten voorlezen, bijgestaan door tekst op het scherm zodat ook de doven en slechthorenden eens een gedicht mee konden krijgen. Diender en dichter waren min of meer per ongeluk tot elkaar veroordeeld, hadden er het beste van gemaakt en nu zat iedereen te stralen in de opnamestudio.
Waarom? Eindelijk had iemand het eens een keer zo gezegd zoals zij, de agenten die de straat op gaan, het ook voelen. Poëzie had opeens nut gekregen. Politiewerk is meer dan de champagne bij de Ondernemingsraad en discussies over hoofddoekjes. Politiewerk is willen helpen en inzien dat je soms niets anders kunt doen dan falen. Zoals in het gedicht Terug: ‘Iemand zei: wie je niet redt blijft je langer bij / dan hele rijen op het droge.’

Dat is ook de kracht van het werk van Ester Naomi Perquin. Zij kan zich verplaatsen in een karakter en dan een beschrijving geven geheel vanuit het perspectief van haar ‘slachtoffer’. Dat is ook de kracht van de bundel Celinspecties uit 2012, impressies vanuit het gezichtsveld van de mensen die worden bewaakt door de cipier (pardon, de medewerker penitentiaire inrichting). In Celinspecties gaat het om de misdadigers, zeg maar de ‘lange vingers’. In Lange armen gaat het om de mensen die deze mensen gevangen moeten nemen en hun slachtoffers. 

MONOLOOG IN PORTIEK

Wat ik me nou toch afvraag hè, hoe past-ie door een keukenraam?
Zou het een jochie zijn geweest? Moet je nou kijken wat er ligt,
mevrouw, d’r is een bende van gemaakt

dat vind ik nog het ergste. En wat ze hebben meegejat, daar kan je
bij je eigen toch niet bij? M’n man z’n visgerei, m’n zoon z’n jas.
En hier, daar lag m’n tas met geld nog van de markt.

Waarom nou toch? Wij hebben van ons leven niks misdaan,
terwijl we niks te makken hadden. God, die ouwe hanger
die van m’n man z’n moeder is geweest – wordt daar
nou geld voor neergelegd?

Dat gaat toch nergens om? Die grote vaas en m’n kristal.
Dat hartje dat hier op een voetje stond, die had
ik van mijn zus d’r feest en hier die mooie blauwe.

Da’s nou dus weg. Schrijft u dat op? En wat ik erger vind
mevrouw, dat nou m’n huis zo’n bende is
en ook nog m’n vertrouwen.

Het is knap hoe authentiek deze monoloog overkomt. Je ziet een mevrouw voor je in haar huiskamer die niet alleen spullen maar vooral zichzelf kwijt is. Herkenning is dan ook het enige criterium dat voor deze gedichten een rol speelt. Niemand heeft er behoefte aan om bij deze gedichten na te gaan of de geest van de grote Nijhoff wel voldoende tussen de regels waait. Wat kan die agent dat schelen?

Zoals de korpschef zegt in zijn voorwoord: ik heb het nog niet gelezen, ik ben er benieuwd naar en ik hoop dat het herkenbaar is voor jullie, collega’s van de politie. Erik Akerboom: “Ik ben heel benieuwd wat ze gezien en ervaren heeft. Of ze in haar gedichten iets laat oplichten van de essentie van ons mooie werk en van de mensen die dat werk doen. Een dichter vindt soms woorden voor wat aangevoeld kan worden, maar moeilijk te vatten is. Kijkt met andere ogen naar wat vanzelfsprekend lijkt, roept nieuwe beelden op. Ik hoop dat ze me verrast en dat ik het herken. Ik hoop ook dat mijn collega’s het herkennen en het zullen ervaren als een trefzeker eerbetoon aan hun inzet en vakmanschap.” Herkenning en erkenning.

De tien gedichten belichten elk een ander aspect van het alledaagse politiewerk: het preventieve aspect (‘de eindeloze lijst van dingen die niet zijn gebeurd’), de ontmoeting met de steeds terugvallende junk (‘De reddeloze koningin / van zwerfvuil, klanten, schemering.’), het papierwerk op de bureaus, het keuzes kunnen maken in een fractie van een seconde, de troosteloosheid van een huisbezoek in een hopeloze buurt (‘De storthoop van de post.’) en alsmaar terugdenken aan een incident waarbij een kind niet tijdig uit een auto te water kon worden gehaald. De rauwe werkelijkheid via het goed gekozen woord leefbaar gemaakt. Geen poging tot mooischrijverij, geen hermetiek maar het leven aangevlogen vanuit de blik van de frisse buitenstaander met inlevingsvermogen en talent voor formuleren.

De bundel is uitgegeven in een oplage van duizend exemplaren en was snel uitverkocht. Voor wie er ook een wil aanschaffen moet wachten, de uitgever zorgt voor een extra levering eind januari. En anders moet je net zoveel geduld hebben totdat je er eentje aantreft op een tweedehands boekenmarkt. Er zullen toch ook nog wel agenten zijn die spijt krijgen van hun aankoop en die, ondanks het enthousiasme van hun korpschef, toch niets met poëzie blijken te hebben?

***
Ester Naomi Perquin (1980) groeide op in Zeeland maar woont al een tijd in Rotterdam. Ze volgde schrijfonderwijs in Amsterdam terwijl ze werkte als gevangenisbewaarder. In 2007 debuteert zij bij Uitgeverij Van Oorschot met de dichtbundel Servetten halfstok. In januari 2017 verscheen haar vierde bundel Meervoudig afwezig. Voor haar dichtwerk ontving ze verschillende prijzen waaronder de VSB Poëzieprijs 2013 voor Celinspecties. Perquin schrijft naast gedichten ook essays, columns en korte verhalen. Ze presenteert naast Piet Piryns de jaarlijkse Nacht van de Poëzie in Utrecht. Voor de periode 2017 – 2019 is zij benoemd tot Dichter des Vaderlands.

Recensie van Willem Elsschot. Dichter - Koen Rymenants & Carl de Strycker

De bijvangst van een prozaïst

Koen Rymenants & Carl de Strycker
Willem Elsschot. Dichter
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102902
€ 22,50
304 blz.

Willem Elsschot is nationaal erfgoed. Voor Vlamingen én Nederlanders. De schrijver die zijn werk aan het begin van de 20-ste eeuw maakte, leefde onder zijn echte naam Alfons De Ridder van 1882 tot 1960. Hij wordt beschouwd als één van de beste schrijvers van het Nederlands taalgebied. Elsschots werk wordt nog steeds verkocht en nog steeds gelezen. Er wordt ook ontzettend veel óver hem geschreven. Elsschot is een drieëenheid: de huisvader, de zakenman en de schrijver. En al die losse elementen liepen nauwelijks door elkaar, hoewel zijn biograaf Vic van de Reijt daar wat genuanceerder tegenaan kijkt. Hoe dat allemaal werkte en wat zoal zijn werk heeft beïnvloed, overal zijn studies over gemaakt of zijn nog in voorbereiding. Er is zelfs een Willem Elsschot Genootschap  dat elke vorm van studie stimuleert over zowel de persoon Alfons De Ridder als het werk van de auteur Willem Elsschot.

De bundel Willem Elsschot. Dichter, verzorgd door Koen Rymenants & Carl de Strycker past in die reeks publicaties. De auteurs hadden graag een vraagteken achter de titel gezet, want dat is wat wordt onderzocht. Elsschot heeft vooral zijn naam en faam te danken aan zijn proza. Van zijn gedichten is ‘Het Huwelijk’ een monument geworden, maar de rest was vast in de vergetelheid geraakt als Elsschots naam er niet aan was verbonden. In Pfeijffers bloemlezing van 2016 komt Willem Elsschot niet eens voor en dat is gek omdat hij in zijn inleiding aangeeft toch ook wat gedichten opgenomen te hebben die dan wel in zijn ogen ‘objectief slecht’ zijn, maar die zo bekend zijn ‘dat ze tot ons collectieve poëtische geheugen zijn gaan behoren’. Dat geldt natuurlijk zeker voor ‘Het Huwelijk’!

Kijken we naar de omvang van Elsschots dichterlijke oeuvre: mijn exemplaar van Elsschots Verzameld Werk bestaat uit 770 pagina’s. Daarvan zijn er 27 gevuld met poëzie. Dat is minder dan 4%! De samenstellers op pagina 11: ‘Dat Elsschot enkele klassiek geworden, vaak gebloemleesde gedichten schreef én een aantal onsterfelijke regels aan het taalgebruik toevoegde, is des te opmerkelijker omdat hij eigenlijk maar één dichtbundel publiceerde. In zijn oorspronkelijke vorm – Verzen van Vroeger (1934) – bestond die uit slechts tien gedichten, de definitieve versie – het deel Verzen (2004) in de wetenschappelijke editie van het Volledig werk – telt er nauwelijks meer dan twintig. Al met al blijft Elsschots poëzie dus de bijvangst van een prozaïst.’

Over dat oeuvre worden, naast de inleiding, 24 artikelen geschreven, samen goed voor meer dan 300 pagina’s. Elk gedicht krijgt een eigen verhaal vanuit degelijk wetenschappelijk perspectief want de meeste auteurs zijn verbonden aan de universiteiten van België en Nederland en hebben allemaal ervaring met het werk van Willem Elsschot. Die enorme deskundigheid maakt het boekje dan ook wat zwaar te verteren op zijn tijd. Gedichten worden tot op het bot gefileerd, elke afwijking in het ritme heeft een betekenis, elk woord wordt met al zijn betekenissen afgezet tegen het geheel. En niet alleen de gedichten zelf kennen grondige analyses. De auteurs kennen het hele oeuvre en dus worden er verbanden gelegd met het proza. De geest van Laarmans, een van de alter ego’s van Elsschot, komt regelmatig opdraven. Er zitten elementen uit gedichten in Lijmen en in Kaas en dat geldt andersom ook. De dichter Elsschot is interessant vanuit de optiek van de prozaïst Elsschot.

Zelfs het artikel over ‘Het Huwelijk’ van Paul Claes, zelf dichter, is zwaar op de hand en dat terwijl het drie grappig bedoelde bewerkingen behandelt. Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Tom Lanoye schreven gedichten met een duidelijke verwijzing naar het origineel. Ze worden gemangeld: onbeholpen alexandrijnen, platheid, oubollige leukigheid, stroef en clichématig, een kaakslag voor de subtiele stilist Elsschot, ongelukkige wendingen. Claes: ‘Het is een pikant experiment de kwaliteit van het model aan te tonen door het te vergelijken met de imitatie. De beste strofe van Lanoye is de vijfde, waarin maar één woord is veranderd.’ Handen af van meester Elsschot, zelfs een geintje wordt niet gewaardeerd…

Maar hoe subtiel was dichter Willem Elsschot eigenlijk? In zijn proza staat dat buiten kijf maar in zijn gedichten zijn passages aan te treffen die zo uit een smartlap komen wandelen. In de bijdrage van Hans Vandevoorde over ‘Bij het Doodsbed van een Kind’ lezen we dat Elsschot kennis moet hebben gehad van de Rotterdamse zingende volksdichter (singersongwriter noemen we dat tegenwoordig) Koos Speenhoff. In die context krijgen de sentimentele en harde beelden veel meer een betekenis. Over dat stervende kind:

(..)

En heeft een uwer een ervaren
en hooggeleerd en vruchtbaar brein:
hij zegge mij of ‘t waar kan zijn
dat haar de wormen zullen sparen.

En de vierde strofe van ‘Spijt’:

(…)

Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stuk vleesch zat er nog aan.

(…)

En dat gaat dan over de moeder van de lyrische ik. Een vrouw die hij bemint en bewondert. Veel van zijn gedichten zijn gericht aan zijn moeder. Zelfs het gedicht gericht aan zijn echtgenoot Fine is eigenlijk gericht aan de moeder Fine, die toch ook een beetje de moeder van de echtgenoot was. En in al die gedichten klinkt spijt door. Spijt voor eerder handelen of juist het uitblijven van handelen. Dezelfde spijt die ten grondslag ligt aan Lijmen en Het been. Daar is veel over te schrijven en dat hebben de deskundigen dan ook gedaan. De Elsschotbibliotheek is uitgebreid met nieuwe inzichten. Boeiend voor Elsschotfanaten, iets minder voor poëzieliefhebbers.

***
Koen Rymenants (1977) promoveerde op het proza van Willem Elsschot en is bestuurslid van het Willem Elsschot Genootschap. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de subfaculteit Literatuurwetenschap van de K.U. Leuven. Carl de Strycker (1981) is directeur van het Poëziecentrum (hét kennis- en expertisecentrum in Vlaanderen en Nederland voor Nederlandstalige poëzie, buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling, Nederlandstalige poëzie vertaald in andere talen en Zuid-Afrikaanse poëzie). En hij is hoofdredacteur van de Poëziekrant.

Recensie van Dichter & andere dingen - Ton van 't Hof

Scheppen is hergebruiken

Ton van 't Hof
Dichter & andere dingen
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401351
€ 22,50
196 blz.

De uitspraak is toegeschreven aan Michelangelo die naast schilderen, ontwerpen en dichten ook aan het beeldhouwen was: het beeld zit er al in, je hoeft alleen de rest weg te halen. Ton van ‘t Hof is beeldhouwer van taal. De bundel Dichter & andere dingen heeft als ondertitel: ‘Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk’. ‘New and selected poems’ zouden Engelstaligen zeggen en dat is ook wel een belangrijke inspiratiebron voor Van ‘t Hof: Amerikaanse en Engelse dichters. Ton van ‘t Hof blogt graag en veel en in zijn blog van 18 december over de Amerikaanse dichter John Ashbery doet hij een uitspraak die ook past bij zijn eigen werk: ‘Scheppen is hergebruiken’.

Dichter & andere dingen is de naam van de verzamelbundel en tegelijkertijd de naam van het laatste deel ervan. De andere delen dragen allemaal de naam van de tien eerder verschenen bundels. Zo vallen deel en geheel samen. Eén van de gedichten in het laatste deel draagt ook nog eens dezelfde naam en dat geeft in tien genummerde gedichten commentaar op het dichten. Niet op dichten in het algemeen maar op het eigen dichten van dichter Van ‘t Hof. Alhoewel, wij dienen op onze hoede te zijn, want George Oppen voorziet het gedicht van het motto: ‘I simply stole em’. Gaat dat over de woorden die volgen of over zijn gehele werk? De dichter verklaart zichzelf:

Dichter & andere dingen – 6

Radicaal zijn, 
is doordringend zijn,

tot de kern van de zaak,

dichter, nieuwe taal 
die zo oud is als de dichtkunst zelve

en naar nieuwe betekenissen graait, hevige overloop 
die tot de lippen van de status quo dreigt te komen,

dichter, 
dichter & andere dingen, monstrueuze schikkingen 
die uit zijn op onstuimig effectbejag, dichter, 
dichter, zo wild als onze planeet is.

De veel voorkomende titel zegt het: de dichter is een ding, naast andere dingen. De dichter is een procesbegeleider. Een rangschikker van zoekopdrachten op het wereldwijde web. In het deel Chatten met Jabberwacky, dat verwijst naar de gelijknamige bundel uit 2008, is de dichter een online chatrobot (Jabberwacky dus) die geprogrammeerd is te reageren op zinnen die worden ingegeven. Van ‘t Hof voert het ‘ding’ een gedicht van de Amerikaanse dichter Charles Bernstein en het gesprek dat daaruit voortvloeit presenteert hij als een ‘ready made’, een variant op het urinoir dat Marcel Duchamp in een museum plaatste. Scheppen is hergebruiken.

En wat te denken van het gedicht ‘Kamer’ waarvan in deze bundel een kwart is overgenomen en die oorspronkelijk is te vinden in de bundel Aan een ster / she argued uit 2009. Alle teksten die hij tegenkwam op een willekeurige dag in februari in Afghanistan. Van de tekst op de tissuebox tot de correspondentie van de bank. Van de cover van National Geographic tot de bijsluiter van de vitaminepillen. De dichter annex beeldhouwer heeft slechts een dag en een plaats gekozen. Scheppen is hergebruiken.

En dan te bedenken dat Ton van ‘t Hof stopte met tekenen en schilderen omdat hij het gevoel had met taal meer van zichzelf kwijt te kunnen om vervolgens selecties van zoekopdrachten te betitelen als gedicht. Google als muze. Het fenomeen ‘flarf’ heeft hij van alle kanten onderzocht om het ook weer achter zich te laten op zoek naar andere vormen waarbij hij uit een breed taalaanbod zelf gedachten kan hakken. Dichter & andere dingen biedt een overzicht van Van ‘t Hofs experimenten met de taal. Binnen één omslag de boeiendste proeven. Deels zelf bedacht, deels voortgekomen als een hertaling van Amerikaanse voorbeelden. Scheppen is hergebruiken.

Van ‘t Hof neerzetten als ‘avant-gardist’ doet hem onvoldoende recht omdat die term suggereert dat er een voorhoede is die voor de grote massa het slagveld betreedt. Dichters als Van ‘t Hof zijn niet geïnteresseerd in de beweging die komt als zij weer zijn vertrokken. In zijn optiek lopen er nog te veel mensen achter die oude revolutie van de Vijftigers aan. De aandacht van Van ‘t Hof gaat primair uit naar de materie: wat kan ik hakken uit deze steensoort? Welke spiegels van mijn ziel krijg ik dan te zien? Niet het gevoel dient te worden verwoord, maar na de verwoording dient de emotie zich aan. De vorm vraagt aandacht en genereert zo een betekenis die wellicht een andere is voor de dichter dan van de lezer. Het geproduceerde leidt een eigen, autonoom bestaan. De dichter is een ding, het gedicht zelf een levend organisme. Of zoals de dichter het formuleert:

Dichter & andere dingen – 4

Pas als het gedicht af is, 
weet ik het.

Want al wat ik weet, 
zal ik niet beschrijven. En dat is

vanzelfsprekend

het essentiële leven van het gedicht.

Dichter & andere dingen. Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk van Ton van ‘t Hof boeit vanwege het overzicht. Door uit alle bundels representatief materiaal op te nemen, leef je mee met het zoekproces: hoe kun je de reusachtigheid van het taalaanbod aan het werk zetten? Daar doorheen zie je een andere strijd: die van afstand houden door de vorm te benadrukken tegenover de drang om gevoelde emoties weer te geven. De taal levert ‘monstrueuze schikkingen die uit zijn op onstuimig effectbejag’, maar het is de dichter die de keuzes maakt en zo toch iets bloot geeft van zichzelf. En hoeveel geef je dan prijs?

De bundel sluit af met de waarden van een bloedonderzoek van een in 1959 geboren man. In rood staan de afwijkende waarden. Zo is er iets met de cholesterol, de glucose en de leukocyten. Het onderzoek stamt uit 2014. Van ‘t Hof is van lichting ’59. Een bloedonderzoek als ready made gedicht. Afstandelijk rapportje met getalswaarden bij de gemeten variabelen en anderzijds wellicht een verhaal over een haperend lijf. Ook hier geldt dan: de dichter is een ding. Een ding dat gewoon kapot kan. Natuurlijk hoop ik dat dit slotgedicht niet een verkapte verwijzing is naar een fatale ziekte en de verzamelbundel een afscheidsbundel. Er valt nog zoveel meer te experimenteren, al dan niet geïnspireerd door Amerikaanse voorbeelden. Tot op heden komt er elke dag een blog bij. Dat stemt optimistisch. Elke dag een blog, elke dag een stukje weggeslagen marmer om het beeld dat erin verstopt zit te bevrijden.

***
Ton van ‘t Hof  (1959) is opgeleid als militair. Hij publiceerde eerder tien poëziebundels, waaronder Aan een ster/ she argued (2009),Een lijn is een vore (2011) en Dingen sluiten nooit helemaal goed aan (2015). Hij vertaalde werk van John Ashbery, Sophia Le Fraga en Charles Bernstein. Hij was, naast Chrétien Breukers, medeoprichter van De Contrabas, een poëzieweblog die tot oktober 2014 actief was. Van ‘t Hof stelde in 2011 een bloemlezing samen onder de titel Flarf en is uitgever bij Stanza waar ook al zijn eigen bundels verschijnen. Hij schrijft een dagelijkse blog