Recensie van Lange armen. Gedichten over de politie - Ester Naomi Perquin

Met een kop vol poëzie tussen de uniformen

Ester Naomi Perquin
Lange armen. Gedichten over de politie
Uitgever: Van Oorschot
2018
ISBN 9789028280731
€ 12,50
32 blz.

Zelf was ze nogal verbaasd over de opdracht zegt Ester Naomi Perquin in het nawoord van de gelegenheidsbundel Lange armen. Waarom viert de politie een lustrum van een niet-afgesloten reorganisatie? Waarom doen ze dat met gedichten? Zit Bromsnor wel te wachten op een mooie metafoor? Ze nam de opdracht aan. Haar nieuwsgierigheid stuurde haar op pad én er was de belofte van vrijheid om alles te kunnen opschrijven. Een idylle ontstond: “Er waren veel politiemensen waar ik gaandeweg een beetje verliefd op werd. Mannen en vrouwen met kennis van zaken, harde grappen en kleine hartjes. Doeners. Denkers. Wakker­liggers. Betweters. Redders. Hun vaak heel persoonlijke verhalen liggen ten grondslag aan bijna alle regels die ik schreef – en ik ben ze daar dankbaar voor. Het is vreemd om je thuis te gaan voelen, wanneer je met een kop vol poëzie tussen de uniformen zit – maar het gebeurde wel.”

Tien gedichten zijn het geworden en de agenten zijn er blij mee. Dinsdag 9 januari zaten ze naast elkaar bij De Wereld Draait Door: de korpschef en de dichter. Korpschef Erik Akerboom moest nog een paar keer door het stof omdat er de laatste jaren toch best veel gekke dingen waren gebeurd bij de politie en de dichter mocht twee gedichten voorlezen, bijgestaan door tekst op het scherm zodat ook de doven en slechthorenden eens een gedicht mee konden krijgen. Diender en dichter waren min of meer per ongeluk tot elkaar veroordeeld, hadden er het beste van gemaakt en nu zat iedereen te stralen in de opnamestudio.
Waarom? Eindelijk had iemand het eens een keer zo gezegd zoals zij, de agenten die de straat op gaan, het ook voelen. Poëzie had opeens nut gekregen. Politiewerk is meer dan de champagne bij de Ondernemingsraad en discussies over hoofddoekjes. Politiewerk is willen helpen en inzien dat je soms niets anders kunt doen dan falen. Zoals in het gedicht Terug: ‘Iemand zei: wie je niet redt blijft je langer bij / dan hele rijen op het droge.’

Dat is ook de kracht van het werk van Ester Naomi Perquin. Zij kan zich verplaatsen in een karakter en dan een beschrijving geven geheel vanuit het perspectief van haar ‘slachtoffer’. Dat is ook de kracht van de bundel Celinspecties uit 2012, impressies vanuit het gezichtsveld van de mensen die worden bewaakt door de cipier (pardon, de medewerker penitentiaire inrichting). In Celinspecties gaat het om de misdadigers, zeg maar de ‘lange vingers’. In Lange armen gaat het om de mensen die deze mensen gevangen moeten nemen en hun slachtoffers. 

MONOLOOG IN PORTIEK

Wat ik me nou toch afvraag hè, hoe past-ie door een keukenraam?
Zou het een jochie zijn geweest? Moet je nou kijken wat er ligt,
mevrouw, d’r is een bende van gemaakt

dat vind ik nog het ergste. En wat ze hebben meegejat, daar kan je
bij je eigen toch niet bij? M’n man z’n visgerei, m’n zoon z’n jas.
En hier, daar lag m’n tas met geld nog van de markt.

Waarom nou toch? Wij hebben van ons leven niks misdaan,
terwijl we niks te makken hadden. God, die ouwe hanger
die van m’n man z’n moeder is geweest – wordt daar
nou geld voor neergelegd?

Dat gaat toch nergens om? Die grote vaas en m’n kristal.
Dat hartje dat hier op een voetje stond, die had
ik van mijn zus d’r feest en hier die mooie blauwe.

Da’s nou dus weg. Schrijft u dat op? En wat ik erger vind
mevrouw, dat nou m’n huis zo’n bende is
en ook nog m’n vertrouwen.

Het is knap hoe authentiek deze monoloog overkomt. Je ziet een mevrouw voor je in haar huiskamer die niet alleen spullen maar vooral zichzelf kwijt is. Herkenning is dan ook het enige criterium dat voor deze gedichten een rol speelt. Niemand heeft er behoefte aan om bij deze gedichten na te gaan of de geest van de grote Nijhoff wel voldoende tussen de regels waait. Wat kan die agent dat schelen?

Zoals de korpschef zegt in zijn voorwoord: ik heb het nog niet gelezen, ik ben er benieuwd naar en ik hoop dat het herkenbaar is voor jullie, collega’s van de politie. Erik Akerboom: “Ik ben heel benieuwd wat ze gezien en ervaren heeft. Of ze in haar gedichten iets laat oplichten van de essentie van ons mooie werk en van de mensen die dat werk doen. Een dichter vindt soms woorden voor wat aangevoeld kan worden, maar moeilijk te vatten is. Kijkt met andere ogen naar wat vanzelfsprekend lijkt, roept nieuwe beelden op. Ik hoop dat ze me verrast en dat ik het herken. Ik hoop ook dat mijn collega’s het herkennen en het zullen ervaren als een trefzeker eerbetoon aan hun inzet en vakmanschap.” Herkenning en erkenning.

De tien gedichten belichten elk een ander aspect van het alledaagse politiewerk: het preventieve aspect (‘de eindeloze lijst van dingen die niet zijn gebeurd’), de ontmoeting met de steeds terugvallende junk (‘De reddeloze koningin / van zwerfvuil, klanten, schemering.’), het papierwerk op de bureaus, het keuzes kunnen maken in een fractie van een seconde, de troosteloosheid van een huisbezoek in een hopeloze buurt (‘De storthoop van de post.’) en alsmaar terugdenken aan een incident waarbij een kind niet tijdig uit een auto te water kon worden gehaald. De rauwe werkelijkheid via het goed gekozen woord leefbaar gemaakt. Geen poging tot mooischrijverij, geen hermetiek maar het leven aangevlogen vanuit de blik van de frisse buitenstaander met inlevingsvermogen en talent voor formuleren.

De bundel is uitgegeven in een oplage van duizend exemplaren en was snel uitverkocht. Voor wie er ook een wil aanschaffen moet wachten, de uitgever zorgt voor een extra levering eind januari. En anders moet je net zoveel geduld hebben totdat je er eentje aantreft op een tweedehands boekenmarkt. Er zullen toch ook nog wel agenten zijn die spijt krijgen van hun aankoop en die, ondanks het enthousiasme van hun korpschef, toch niets met poëzie blijken te hebben?

***
Ester Naomi Perquin (1980) groeide op in Zeeland maar woont al een tijd in Rotterdam. Ze volgde schrijfonderwijs in Amsterdam terwijl ze werkte als gevangenisbewaarder. In 2007 debuteert zij bij Uitgeverij Van Oorschot met de dichtbundel Servetten halfstok. In januari 2017 verscheen haar vierde bundel Meervoudig afwezig. Voor haar dichtwerk ontving ze verschillende prijzen waaronder de VSB Poëzieprijs 2013 voor Celinspecties. Perquin schrijft naast gedichten ook essays, columns en korte verhalen. Ze presenteert naast Piet Piryns de jaarlijkse Nacht van de Poëzie in Utrecht. Voor de periode 2017 – 2019 is zij benoemd tot Dichter des Vaderlands.

Recensie van Willem Elsschot. Dichter - Koen Rymenants & Carl de Strycker

De bijvangst van een prozaïst

Koen Rymenants & Carl de Strycker
Willem Elsschot. Dichter
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102902
€ 22,50
304 blz.

Willem Elsschot is nationaal erfgoed. Voor Vlamingen én Nederlanders. De schrijver die zijn werk aan het begin van de 20-ste eeuw maakte, leefde onder zijn echte naam Alfons De Ridder van 1882 tot 1960. Hij wordt beschouwd als één van de beste schrijvers van het Nederlands taalgebied. Elsschots werk wordt nog steeds verkocht en nog steeds gelezen. Er wordt ook ontzettend veel óver hem geschreven. Elsschot is een drieëenheid: de huisvader, de zakenman en de schrijver. En al die losse elementen liepen nauwelijks door elkaar, hoewel zijn biograaf Vic van de Reijt daar wat genuanceerder tegenaan kijkt. Hoe dat allemaal werkte en wat zoal zijn werk heeft beïnvloed, overal zijn studies over gemaakt of zijn nog in voorbereiding. Er is zelfs een Willem Elsschot Genootschap  dat elke vorm van studie stimuleert over zowel de persoon Alfons De Ridder als het werk van de auteur Willem Elsschot.

De bundel Willem Elsschot. Dichter, verzorgd door Koen Rymenants & Carl de Strycker past in die reeks publicaties. De auteurs hadden graag een vraagteken achter de titel gezet, want dat is wat wordt onderzocht. Elsschot heeft vooral zijn naam en faam te danken aan zijn proza. Van zijn gedichten is ‘Het Huwelijk’ een monument geworden, maar de rest was vast in de vergetelheid geraakt als Elsschots naam er niet aan was verbonden. In Pfeijffers bloemlezing van 2016 komt Willem Elsschot niet eens voor en dat is gek omdat hij in zijn inleiding aangeeft toch ook wat gedichten opgenomen te hebben die dan wel in zijn ogen ‘objectief slecht’ zijn, maar die zo bekend zijn ‘dat ze tot ons collectieve poëtische geheugen zijn gaan behoren’. Dat geldt natuurlijk zeker voor ‘Het Huwelijk’!

Kijken we naar de omvang van Elsschots dichterlijke oeuvre: mijn exemplaar van Elsschots Verzameld Werk bestaat uit 770 pagina’s. Daarvan zijn er 27 gevuld met poëzie. Dat is minder dan 4%! De samenstellers op pagina 11: ‘Dat Elsschot enkele klassiek geworden, vaak gebloemleesde gedichten schreef én een aantal onsterfelijke regels aan het taalgebruik toevoegde, is des te opmerkelijker omdat hij eigenlijk maar één dichtbundel publiceerde. In zijn oorspronkelijke vorm – Verzen van Vroeger (1934) – bestond die uit slechts tien gedichten, de definitieve versie – het deel Verzen (2004) in de wetenschappelijke editie van het Volledig werk – telt er nauwelijks meer dan twintig. Al met al blijft Elsschots poëzie dus de bijvangst van een prozaïst.’

Over dat oeuvre worden, naast de inleiding, 24 artikelen geschreven, samen goed voor meer dan 300 pagina’s. Elk gedicht krijgt een eigen verhaal vanuit degelijk wetenschappelijk perspectief want de meeste auteurs zijn verbonden aan de universiteiten van België en Nederland en hebben allemaal ervaring met het werk van Willem Elsschot. Die enorme deskundigheid maakt het boekje dan ook wat zwaar te verteren op zijn tijd. Gedichten worden tot op het bot gefileerd, elke afwijking in het ritme heeft een betekenis, elk woord wordt met al zijn betekenissen afgezet tegen het geheel. En niet alleen de gedichten zelf kennen grondige analyses. De auteurs kennen het hele oeuvre en dus worden er verbanden gelegd met het proza. De geest van Laarmans, een van de alter ego’s van Elsschot, komt regelmatig opdraven. Er zitten elementen uit gedichten in Lijmen en in Kaas en dat geldt andersom ook. De dichter Elsschot is interessant vanuit de optiek van de prozaïst Elsschot.

Zelfs het artikel over ‘Het Huwelijk’ van Paul Claes, zelf dichter, is zwaar op de hand en dat terwijl het drie grappig bedoelde bewerkingen behandelt. Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Tom Lanoye schreven gedichten met een duidelijke verwijzing naar het origineel. Ze worden gemangeld: onbeholpen alexandrijnen, platheid, oubollige leukigheid, stroef en clichématig, een kaakslag voor de subtiele stilist Elsschot, ongelukkige wendingen. Claes: ‘Het is een pikant experiment de kwaliteit van het model aan te tonen door het te vergelijken met de imitatie. De beste strofe van Lanoye is de vijfde, waarin maar één woord is veranderd.’ Handen af van meester Elsschot, zelfs een geintje wordt niet gewaardeerd…

Maar hoe subtiel was dichter Willem Elsschot eigenlijk? In zijn proza staat dat buiten kijf maar in zijn gedichten zijn passages aan te treffen die zo uit een smartlap komen wandelen. In de bijdrage van Hans Vandevoorde over ‘Bij het Doodsbed van een Kind’ lezen we dat Elsschot kennis moet hebben gehad van de Rotterdamse zingende volksdichter (singersongwriter noemen we dat tegenwoordig) Koos Speenhoff. In die context krijgen de sentimentele en harde beelden veel meer een betekenis. Over dat stervende kind:

(..)

En heeft een uwer een ervaren
en hooggeleerd en vruchtbaar brein:
hij zegge mij of ‘t waar kan zijn
dat haar de wormen zullen sparen.

En de vierde strofe van ‘Spijt':

(…)

Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stuk vleesch zat er nog aan.

(…)

En dat gaat dan over de moeder van de lyrische ik. Een vrouw die hij bemint en bewondert. Veel van zijn gedichten zijn gericht aan zijn moeder. Zelfs het gedicht gericht aan zijn echtgenoot Fine is eigenlijk gericht aan de moeder Fine, die toch ook een beetje de moeder van de echtgenoot was. En in al die gedichten klinkt spijt door. Spijt voor eerder handelen of juist het uitblijven van handelen. Dezelfde spijt die ten grondslag ligt aan Lijmen en Het been. Daar is veel over te schrijven en dat hebben de deskundigen dan ook gedaan. De Elsschotbibliotheek is uitgebreid met nieuwe inzichten. Boeiend voor Elsschotfanaten, iets minder voor poëzieliefhebbers.

***
Koen Rymenants (1977) promoveerde op het proza van Willem Elsschot en is bestuurslid van het Willem Elsschot Genootschap. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de subfaculteit Literatuurwetenschap van de K.U. Leuven. Carl de Strycker (1981) is directeur van het Poëziecentrum (hét kennis- en expertisecentrum in Vlaanderen en Nederland voor Nederlandstalige poëzie, buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling, Nederlandstalige poëzie vertaald in andere talen en Zuid-Afrikaanse poëzie). En hij is hoofdredacteur van de Poëziekrant.

Recensie van Dichter & andere dingen - Ton van 't Hof

Scheppen is hergebruiken

Ton van 't Hof
Dichter & andere dingen
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401351
€ 22,50
196 blz.

De uitspraak is toegeschreven aan Michelangelo die naast schilderen, ontwerpen en dichten ook aan het beeldhouwen was: het beeld zit er al in, je hoeft alleen de rest weg te halen. Ton van ‘t Hof is beeldhouwer van taal. De bundel Dichter & andere dingen heeft als ondertitel: ‘Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk’. ‘New and selected poems’ zouden Engelstaligen zeggen en dat is ook wel een belangrijke inspiratiebron voor Van ‘t Hof: Amerikaanse en Engelse dichters. Ton van ‘t Hof blogt graag en veel en in zijn blog van 18 december over de Amerikaanse dichter John Ashbery doet hij een uitspraak die ook past bij zijn eigen werk: ‘Scheppen is hergebruiken’.

Dichter & andere dingen is de naam van de verzamelbundel en tegelijkertijd de naam van het laatste deel ervan. De andere delen dragen allemaal de naam van de tien eerder verschenen bundels. Zo vallen deel en geheel samen. Eén van de gedichten in het laatste deel draagt ook nog eens dezelfde naam en dat geeft in tien genummerde gedichten commentaar op het dichten. Niet op dichten in het algemeen maar op het eigen dichten van dichter Van ‘t Hof. Alhoewel, wij dienen op onze hoede te zijn, want George Oppen voorziet het gedicht van het motto: ‘I simply stole em’. Gaat dat over de woorden die volgen of over zijn gehele werk? De dichter verklaart zichzelf:

Dichter & andere dingen – 6

Radicaal zijn, 
is doordringend zijn,

tot de kern van de zaak,

dichter, nieuwe taal 
die zo oud is als de dichtkunst zelve

en naar nieuwe betekenissen graait, hevige overloop 
die tot de lippen van de status quo dreigt te komen,

dichter, 
dichter & andere dingen, monstrueuze schikkingen 
die uit zijn op onstuimig effectbejag, dichter, 
dichter, zo wild als onze planeet is.

De veel voorkomende titel zegt het: de dichter is een ding, naast andere dingen. De dichter is een procesbegeleider. Een rangschikker van zoekopdrachten op het wereldwijde web. In het deel Chatten met Jabberwacky, dat verwijst naar de gelijknamige bundel uit 2008, is de dichter een online chatrobot (Jabberwacky dus) die geprogrammeerd is te reageren op zinnen die worden ingegeven. Van ‘t Hof voert het ‘ding’ een gedicht van de Amerikaanse dichter Charles Bernstein en het gesprek dat daaruit voortvloeit presenteert hij als een ‘ready made’, een variant op het urinoir dat Marcel Duchamp in een museum plaatste. Scheppen is hergebruiken.

En wat te denken van het gedicht ‘Kamer’ waarvan in deze bundel een kwart is overgenomen en die oorspronkelijk is te vinden in de bundel Aan een ster / she argued uit 2009. Alle teksten die hij tegenkwam op een willekeurige dag in februari in Afghanistan. Van de tekst op de tissuebox tot de correspondentie van de bank. Van de cover van National Geographic tot de bijsluiter van de vitaminepillen. De dichter annex beeldhouwer heeft slechts een dag en een plaats gekozen. Scheppen is hergebruiken.

En dan te bedenken dat Ton van ‘t Hof stopte met tekenen en schilderen omdat hij het gevoel had met taal meer van zichzelf kwijt te kunnen om vervolgens selecties van zoekopdrachten te betitelen als gedicht. Google als muze. Het fenomeen ‘flarf’ heeft hij van alle kanten onderzocht om het ook weer achter zich te laten op zoek naar andere vormen waarbij hij uit een breed taalaanbod zelf gedachten kan hakken. Dichter & andere dingen biedt een overzicht van Van ‘t Hofs experimenten met de taal. Binnen één omslag de boeiendste proeven. Deels zelf bedacht, deels voortgekomen als een hertaling van Amerikaanse voorbeelden. Scheppen is hergebruiken.

Van ‘t Hof neerzetten als ‘avant-gardist’ doet hem onvoldoende recht omdat die term suggereert dat er een voorhoede is die voor de grote massa het slagveld betreedt. Dichters als Van ‘t Hof zijn niet geïnteresseerd in de beweging die komt als zij weer zijn vertrokken. In zijn optiek lopen er nog te veel mensen achter die oude revolutie van de Vijftigers aan. De aandacht van Van ‘t Hof gaat primair uit naar de materie: wat kan ik hakken uit deze steensoort? Welke spiegels van mijn ziel krijg ik dan te zien? Niet het gevoel dient te worden verwoord, maar na de verwoording dient de emotie zich aan. De vorm vraagt aandacht en genereert zo een betekenis die wellicht een andere is voor de dichter dan van de lezer. Het geproduceerde leidt een eigen, autonoom bestaan. De dichter is een ding, het gedicht zelf een levend organisme. Of zoals de dichter het formuleert:

Dichter & andere dingen – 4

Pas als het gedicht af is, 
weet ik het.

Want al wat ik weet, 
zal ik niet beschrijven. En dat is

vanzelfsprekend

het essentiële leven van het gedicht.

Dichter & andere dingen. Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk van Ton van ‘t Hof boeit vanwege het overzicht. Door uit alle bundels representatief materiaal op te nemen, leef je mee met het zoekproces: hoe kun je de reusachtigheid van het taalaanbod aan het werk zetten? Daar doorheen zie je een andere strijd: die van afstand houden door de vorm te benadrukken tegenover de drang om gevoelde emoties weer te geven. De taal levert ‘monstrueuze schikkingen die uit zijn op onstuimig effectbejag’, maar het is de dichter die de keuzes maakt en zo toch iets bloot geeft van zichzelf. En hoeveel geef je dan prijs?

De bundel sluit af met de waarden van een bloedonderzoek van een in 1959 geboren man. In rood staan de afwijkende waarden. Zo is er iets met de cholesterol, de glucose en de leukocyten. Het onderzoek stamt uit 2014. Van ‘t Hof is van lichting ’59. Een bloedonderzoek als ready made gedicht. Afstandelijk rapportje met getalswaarden bij de gemeten variabelen en anderzijds wellicht een verhaal over een haperend lijf. Ook hier geldt dan: de dichter is een ding. Een ding dat gewoon kapot kan. Natuurlijk hoop ik dat dit slotgedicht niet een verkapte verwijzing is naar een fatale ziekte en de verzamelbundel een afscheidsbundel. Er valt nog zoveel meer te experimenteren, al dan niet geïnspireerd door Amerikaanse voorbeelden. Tot op heden komt er elke dag een blog bij. Dat stemt optimistisch. Elke dag een blog, elke dag een stukje weggeslagen marmer om het beeld dat erin verstopt zit te bevrijden.

***
Ton van ‘t Hof  (1959) is opgeleid als militair. Hij publiceerde eerder tien poëziebundels, waaronder Aan een ster/ she argued (2009),Een lijn is een vore (2011) en Dingen sluiten nooit helemaal goed aan (2015). Hij vertaalde werk van John Ashbery, Sophia Le Fraga en Charles Bernstein. Hij was, naast Chrétien Breukers, medeoprichter van De Contrabas, een poëzieweblog die tot oktober 2014 actief was. Van ‘t Hof stelde in 2011 een bloemlezing samen onder de titel Flarf en is uitgever bij Stanza waar ook al zijn eigen bundels verschijnen. Hij schrijft een dagelijkse blog

Recensie van Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck Biografie - Thomas Eyskens

Er is tijd om overmorgen iets te hebben achtergelaten

Thomas Eyskens
Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck Biografie
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511407
€ 34,99
590 blz.

Waarom zou je het levensverhaal van een dichter lezen? Wat haar of hem echt heeft bezig gehouden, is vast neergedaald in het oeuvre, die lees je vast niet in de biografie. De ‘ik’ die de kop opsteekt in de verzen, mogen we niet uitleggen als ‘ik’ de dichter, dus ook op dat vlak blijven er raadsels. Met een biografie ben je er nie.

Toch was ik nieuwsgierig naar Toen met een lijst van nu errond, de biografie van Herman de Coninck, geschreven door Thomas Eyskens. Ik lees de gedichten van De Coninck graag maar weet niet veel van zijn leven en zijn poëzie geeft het gevoel dat de ‘ik’ en de ‘lyrische ik’ dicht tegen elkaar schuren. Laat ik het zo zeggen, ze keken vast regelmatig door diezelfde bril met grote glazen. Het schamele wat ik weet: Vlaams dichter, te jong overleden, naamgever van een prijs voor mooi dichtwerk, geliefde van de Vlaamse auteur Kristien Hemmerechts die een boek heeft geschreven over hem na zijn dood: Taal zonder mij. Ik wilde graag meer weten en zag niet op tegen de 500 pagina’s tekst die Eyskens daarvoor heeft volgeschreven.

Toch maakte ik geen vliegende start met het boek. Hermans jeugd bevat boeiende aspecten, maar ik moest wel erg vaak mee op school- of studietripjes met zijn vrienden van het eerste uur. Vast allemaal waar gebeurd want biograaf Eyskens heeft tal van gesprekken gevoerd met iedereen die maar iets heeft betekend voor Herman de Coninck. Schokkend is het om te lezen hoe Herman en zijn zus volledig in de duisternis werden gelaten toen hun vader lange tijd niet thuis kwam. Belastingproblemen door de winkel en daarna zo ziek geworden dat hij verpleegd moet worden en niet mag worden bezocht, was het verhaal. In werkelijkheid zat vader Frans in de gevangenis wegens pedoseksuele activiteiten. Moeder zorgde voor kinderen en de inkomsten via de boekwinkel. Voor Nederlanders boeiend om te lezen hoe verschillend de Vlaamse samenleving was in de jaren na de oorlog. De taalstrijd was een wezenlijk fenomeen in die periode en dat had invloed op school en studie.

Net als je wat mismoedig dreigt te worden over de te grote mate van gedetailleerdheid over (in mijn ogen) niet al te relevante delen van de levensbeschrijving, begint er vaart te komen in het verhaal. Hermans pogingen om in het onderwijs terecht te komen, Hermans eerste schreden als literair journalist, het turbulente kroegleven en daardoorheen zijn liefdesleven, Eyskens brengt alsmaar meer vaart in het verhaal. En waar je in de eerste hoofdstukken denkt hier kan wel wat uit, denk je verderop, hier had ik best wat meer van willen weten. Zo lees je dat De Coninck met wat jonge dichters de schouwburgen en theaterzaaltjes af gaat, maar het is onduidelijk waar die impuls opeens vandaan komt. Als Herman zijn overpeinzingen daarover niet heeft toevertrouwd aan de wereld via een gedicht, brief, essay of krantenartikel, zwijgt Eyskens met hem.

Het staat er allemaal in: zijn streng-katholieke opvoeding, het noodlottige ongeval van zijn eerste echtgenoot An, opkomst en ondergang van de relatie met zijn twee echtgenote Lieve, zijn reizen naar Amerika en Zuid-Afrika, zijn geworstel in de relatie met Kristien Hemmerechts, zijn redactiewerk voor De Morgen en het Nieuwe Wereldtijdschrift en zijn bizarre overlijden in Portugal in de armen van dichter Anna Enquist. En tussen het leven door zoekt Herman mogelijkheden om dichtbundels te schrijven. In essays schrijft hij dan weer over de totstandkoming van zijn poëzie. Zoals over het gedicht ‘Melkweg’ dat in de bundel Enkelvoud terecht kwam. Hij heeft zojuist het verschil ontdekt tussen een takje vlier en een takje fluitenkruid waarvan de laatste “genoeg witte puntjes heeft voor alle i’s uit de hele Van Dale.” Daarover moet worden gedicht: “Als ik er nu nog eens een vergrootglas bij haal, om één puntje te bestuderen, kan het gedicht beginnen. Als het zo al zou werken. Maar zo werkt het niet. Poëzie komt pas als je erop wacht zonder nog te wachten.” [p. 396]

De biografie geeft niet alleen inzicht in de levensloop van Herman de Coninck maar vertelt ook veel over het literaire klimaat in Vlaanderen en Nederland aan het einde van de twintigste eeuw. En daarmee over de enorme verschillen tussen het literaire leven van Vlaanderen en Nederland. Er zijn al veel bundels van Herman de Coninck met succes verkocht in Vlaanderen voordat de Hollanders zich gewonnen geven. Dan is er een periode het gekke gedoe met twee uitgevers: één voor de Vlaamse markt en één voor de Nederlandse, waarbij de laatste regelmatig met zijn voorraad blijft zitten die dan toch maar weer naar Vlaanderen worden gestuurd. De strijd van De Coninck om ‘zijn’ tijdschrift, Het Nieuwe Wereldtijdschrift, ook goed gedistribueerd en verkocht te krijgen in Nederland, is een rode draad in de historie van het tijdschrift. En telkens als er lijsten met namen voorkomen van Vlaamse literatoren, moet ik beschaamd bekennen dat ik ze lang niet allemaal ken. Hugo Claus, vanzelfsprekend. Piet Piryns zie ik jaarlijks op de Utrechtse Nacht van de Poëzie. Anderen ken ik van naam en niet van werk en veel mensen niet eens van naam. Er valt nog genoeg te lezen.

Thomas Eyskens kiest niet voor een lopende lijn, maar voor anekdotische fragmenten, variërend van thema: werk, liefde, werk, gezin, werk, moeder, werk, poëzie, werk. Allemaal chronologisch waardoor het lijkt of Herman in parallelle universa heeft geleefd. Het is bewonderenswaardig hoeveel informatie Eyskens heeft kunnen verwerken, hoe degelijk hij heeft geïnventariseerd, hoe uitputtend hij al het beschikbare materiaal aan brieven, artikelen, notities heeft verwerkt om ze een plaats te geven. Een caleidoscoop aan feiten en gebeurtenissen, met veel vaart gepresenteerd.

Dat voordeel is ook het nadeel: er blijft afstand tussen het subject Herman de Dichter en mij Ernst Jan de Lezer. Ik blader door een prentenboek en zie de buitenkant van een leven zonder dat ik binnen wordt gevraagd. Cluedo voor gevorderden: aanwijzingen zat, maar ik moet wat er in het hoofd van de dader omging zelf reconstrueren.

Ik begrijp veel meer van de verwijzingen die Herman de Coninck verwerkt in zijn gedichten en daar ben ik blij om, ik weet veel over zijn levensloop, maar ik had gehoopt iets meer over zijn innerlijke motieven te lezen. Zeker, de invloeden zijn genoemd: Lodeizen, Vestdijk, Kopland, maar op welke manier ze de dichter hebben gevormd zou vragen om een duiding en die stap zet Eyskens niet. Misschien kan een ander dat doen op basis van de schat aan informatie die Eyskens heeft opgebouwd en gepresenteerd. Ikzelf kreeg steeds meer zin om het dichtwerk van Herman de Coninck te lezen / herlezen. En dat is ook een mooie prestatie. Veel gedichten van Herman gaan over het besef van tijd, het kijken naar een afgelegd stuk leven, over sterfelijkheid. Ik citeer het gedicht ‘De Plek’ uit de bundel Schoolslag maar ik had kunnen kiezen uit honderden regels. Een biografie brengt je iets dichter bij de dichter, maar nooit zo dicht als het werk zelf.

DE PLEK

Je moet niet alleen, om de plek te bereiken, 
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken. 
Er is niets te zien, en dat moet je zien 
om alles bij het zeer oude te laten.

Er is hier. Er is tijd 
om overmorgen iets te hebben achtergelaten. 
Daar moet je vandaag voor zorgen. 
Voor sterfelijkheid.

***
Thomas Eyskens (1976) publiceerde in 2014  Er is niets te zien en dat moet je zien, een literaire wandelgids door Mechelen, de geboorteplaats van Herman de Coninck, als opmaat naar de complete en veelomvattende biografie  Toen met een lijst van nu errond. Eyskens studeerde wijsbegeerte en journalistiek in Brussel.

Recensie van Vogels, vlinders & andere vliegers - Hans van Pinxteren

Het uitzicht wordt inzicht

Hans van Pinxteren
Vogels, vlinders & andere vliegers
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028280229
€ 24,99
128 blz.

In de popmuziek komt het voor: een ‘Best Of’-album met twee of drie nieuwe nummers. Leuk voor de echte liefhebber die alles al heeft, behalve die nieuwe muziek, goed voor de verkoop. Maar bij het uitgeven van poëzie bestaat dat nauwelijks: verkoopbevordering. De oplages zijn klein, met hier en daar een uitzondering. De bundel Vogels, vlinders & andere vliegers is een soort ‘het beste van Hans van Pinxteren’ en toch een beetje anders.

Anders omdat een bundel, de structuur ervan, de samenstelling, kan worden gezien als het grote verbindende metagedicht waarin de dichter een eigen betekenis in kwijt kan. Deze bundel heeft eigen afdelingen en een eigen volgorde los van de chronologie van het ontstaan van de gedichten. Zoals de dichter het zelf zegt in de verantwoording: “Uit het vroegere werk heb ik de gedichten waarin ik mij nu nog kon vinden verzameld, ze in nieuwe reeksen gerangschikt en aangevuld met een handvol ongebundelde gedichten. De oude gedichten zijn op menige plaats gewijzigd.”

Zo lijkt de fraai vormgegeven bundel met de twee musjes op de omslag opeens geen ‘Best Of’ maar een afscheidsgebaar. Hans van Pinxteren snijdt de pas af van de samensteller van een verzameld werk met zijn negen eerder uitgegeven bundels. Hij presenteert niet alleen zijn beste werk, in zijn ogen is dit al zijn werk. Tot nu toe. Ik vraag mij af of er een elfde bundel te verwachten valt.

Dat zou jammer zijn, want het dichtwerk van Hans van Pinxteren is veelzijdig en avontuurlijk. Van Pinxteren is de fotograaf die zijn camera en lenzen thuis heeft gelaten en het fraaie uitzicht voor zijn ogen fixeert met pen en papier. Dat geeft de mogelijkheid om het tweedimensionale beeld aan te vullen met de derde dimensie van de werkelijkheid achter het zichtbare. Het uitzicht geeft inzicht is een ontdekking in het volgende gedicht:

DE STAART VAN DE VLIEGER

Dit venster een ruit 
ik kijk naar buiten 
het is geen morgen meer 
het is zo goed als zomer

deze ruit een vlieger 
op een stralende dag 
staat in de middag de vlieger 
ziet ademloos in de middag

de staart van de vlieger een iris, blond 
en blauwe navelstreng in een zon 
geler dan het bloeiende koolzaad 
vlinders en vogels rond staart

de vlieger staat in de avond 
vallen doet alleen mijn schaduw 
in de vensternis 
schaduw die steeds paarser wordt

kijk ik later nog naar buiten 
wordt het uitzicht inzicht 
valt de vlieger in de ruit 
samen met de bodemloze nacht

Zeven afdelingen kent de bundel, waarvan de middelste, ‘Leeg centrum’, alleen witte pagina’s laat zien. Een dichtersgrapje à la K. Schippers, verder is het toch wel een serieuze bedoening in de gedichten van Van Pinxteren. Niet zwaarmoedig, maar voorzichtig onderzoekend, ook aan de hand van de mogelijkheden van de taal. In ‘Zonsopgang’ is de vraag of de schaduwen van de nacht verdwijnen voor het licht, of toch eerder met het licht

(…)

of liever nog 
bestaan niet bij het licht 
van de opkomende zon

En is al datgene wat je waarneemt het leven zelf of zoals Jan Luyken zegt in het motto van de bundel: ‘Droom is ‘t leven, anders niet, (…)’? Die droombeelden onderzoekt Van Pinxteren over de hele wereld. Van de Friese polder in de buurt van Stedum tot in verre oorden in Portugal of Indonesië. Het zijn niet de meest gangbare toeristenoorden waarheen hij afreist, dus helpt het raadplegen van de atlas bij sommige gedichten. Maar geen enkele plaats wil het echte antwoord prijsgeven. De queeste gaat alsmaar door…

KARAKTERS IN HET WINTERLICHT

Verder gaat de tocht 
waar ik naar woorden zocht 
om mijn wereld te gieten in een taal ongekend 
daagt een afgrond

mijn vragen gapend 
mijn denken scherend langs het niets 
bewaar ik het stilzwijgen lang genoeg 
om de kalkgang van de taal achter mij te laten

voorbij de dooddoeners van het gemak 
van wie het voor het zeggen hebben 
herken ik in de verlatenheid van een stad mijzelf 
herken ik mijzelf niet meer

knippend met mijn ogen in de winterzon 
vind ik de vraag terug hoe het gemoed zich opent 
in de winterzon herleef ik zonder schroom 
de naaktheid van een lindeboom

neem ik de schemer tussen mijn wimpers 
zie ik zijn takken bijten 
zijn takken mijn karakters bijten 
in het winterlicht

De veranderingen die Hans van Pinxteren in zijn bestaande werk heeft aangebracht, bevatten iets meer dan interpunctiezaken. Zeker, veel komma’s en punten moesten het ontgelden, evenals hoofdletters, maar er zijn ook regels verdwenen en woorden vervangen. ‘Meanders in de zon’ is als titelloos gedicht terug te lezen in ‘De 100 beste gedichten van 1996′, samengesteld door Herman de Coninck. Het gedicht onderzoekt of wat we lezen en zien in de kunst er ook is in de traditie van ‘Ceci n’est pas un pipe’. Hij heeft de pijp afgepakt van Magritte en doorgegeven aan Maigret. Er meanderen vlinders (!) rond de vaart. De wat uitleggerige regel ‘Of deze vaart je zou vergaan doet er niet toe.’ is verdwenen. Voer voor letterkundigen om het verhaal achter de varianten in kaart te brengen en te duiden, er ligt genoeg te wachten.

Vogels, vlinders & andere vliegers van Hans van Pinxteren is zijn ‘Opus Tien’, maar lijkt een afscheid, een requiem. Van Pinxteren onderzoekt zijn oeuvre en neemt alleen die gedichten op waar de uitstorting van de Heilige Geest (nomen est omen) nog in nog terug te vinden is. En zo vliegen we met hem en alles wat vliegen kan, de wereld over om met taal indrukwekkende beelden te vangen om zo de grens tussen droom en werkelijkheid te betrappen.  

***
Hans van Pinxteren (Amsterdam, 1943) is een Nederlands dichter en vertaler van Franse literatuur. Hij vertaalde onder meer werken van Gustave Flaubert, Michel de Montaigne,  Voltaire, Charles Baudelaire en Arthur Rimbaud.