Recensie van Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven - Ivo van Strijtem

Het Orakel van Strijtem

Ivo van Strijtem
Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven
Uitgever: Lannoo
2018
ISBN 97894014480790
€ 29,99
424 blz.

Strijtem is een klein plaatsje in Vlaanderen, iets ten zuiden van de lijn Aalst – Brussel. Uit Strijtem komt de dichter Ivo Evenepoel, die koos voor een pseudoniem met een verwijzing naar het ‘pajottenland’… Dichter, docent Engels en zeer actief bloemlezer van poëzie uit heel Europa, is Ivo van Strijtem. In hem woedt een idealist voor wie poëzie zoveel meer is dan alleen een verzameling gedichten: ‘Poëzie is een manier van leven’ luidt de ondertitel van de bundel opstellen Iedereen dichter!, een bundel die ook kan heten Ieder een dichter! want het verbindingsstreepje ontbreekt op alle titelpagina’s.

Naast de veelbelovende titel maakte de tekst op de achterzijde mij nog enthousiaster: ‘Poëzie wordt onterecht als wereldvreemd, moeilijk en bovenal totaal nutteloos ervaren. Hoog tijd om het roer om te gooien, zo stelt Ivo van Strijtem in deze zinderende ode aan de poëzie. Want volgens hem kan poëzie ons juist van de onverschilligheid redden.
Aan de hand van honderden verzen uit de wereldliteratuur toont de auteur hoe de schoonheid van poëzie een groeimiddel is dat de mens boven zichzelf laat uitstijgen. Hoe ze klaarheid schept in een wereld vol ruis, geluk brengt in tijden van wanhoop en oproept tot reflectie en tot gerichte actie.’

Het boek is dus tegelijkertijd een ‘zinderende ode aan de poëzie’ als een soort zelfhulpboek voor zoekende zielen, voor wie de poëzie ‘klaarheid’ gaat brengen. Zo heeft eerder Alain de Botton met succes de filosofie ingezet voor een vorm van zelfhulp in De troost van de filosofie. Wat kun jij leren van de inzichten van Socrates? Van Strijtem werpt zich op als goeroe voor wie poëzie de leidraad vormt voor zijn denken en handelen. En hij wil ons meenemen in zijn inzichten zodat ook wij zelf kunnen zien als ‘dichter’. Lukt dat?

Miljaar, nee, dat lukt geenszins, en dat vind ik teleurstellend. Het boek gaat stuk aan de eigen grote ambities. Het wil teveel, het wil te breed, het wil alles en daardoor bereikt het heel weinig. In een boek met een didactische doelstelling is het handig om een structuur te kiezen aan de hand waarvan de lezer de denklijn van de docent meekrijgt. Die ontbreekt door het hele boek en ook binnen de 25 hoofdstukken is de samenhang slechts door speurwerk te vinden. De auteur beschikt over een bak met 441 verwijzingen, soms gedichten, soms romanfragmenten, soms citaten van dichters of denkers. Die zijn door middel van associaties aan elkaar geregen en niet alle associaties zijn te volgen. Maar laat ik de hand in eigen boezem steken: misschien ben ik niet geschikt als leerling.

Pagina 17: ‘Poëzie is paradox. Pas wanneer je je hebt leeggemaakt, kun je vol zijn van iets. Zelfs een derderangs zenmeester zal je hiervan moeiteloos overtuigen.’ Van Strijtem pakt de metafoor van de reis naar allerlei spannende bestemmingen: ‘De reis die we hebben gepland, de tocht die we willen maken, gaat zeker niet richting het populairste vakantieoord. De bungalow op de Veluwe, een caravan in de Ardennen of het appartementje aan zee kunnen heel goed van pas komen, maar zijn geen doel op zich. Ook niet het verblijf aan de Côte d’Azur, een Spaanse Costa, een Italiaanse Rivièra of de Dominicaanse Republiek. Jazeker, we gaan internationaal, wat zeg ik, universeel, maar anders. En niet meteen. Want we gaan poëzie. Straks krijg je de kaart.’ Het orakel spreekt. Veel woorden, weinig richting, en de beloofde plattegrond ben ik nog steeds aan het zoeken.

De metaforen vliegen je om de oren. Op pagina 9 wordt poëzie benoemd als een belangrijk ‘brandpunt’ van de schoonheid. Waarom dat is? Wordt niet uitgelegd want we vliegen gezwind naar de associatie ‘In het begin was het woord’. Dat wordt ook niet verder van context voorzien, maar verbonden aan het benoemen van alles en iedereen: ‘benoemen, bespreken, vertalen.’ Dat is een proces dat nooit ophoudt, aldus Van Strijtem en die vindt dat ‘gelukkig’ zonder uit te leggen waarom. Daar is ook geen tijd voor want we moeten door naar de volgende associatie: ‘Welnu, de essentie, de essence – wat toch een verdichting is van een product, een concentraat, denk aan parfums – van de taal is poëzie. Tevens is essence de brandstof die ons vooruit kan helpen. Dit kan uiteraard niet zonder voortdurend bij te tanken. Anders val je stil. Maar wij gaan verder en hopen de nodige tankstations op onze weg te vinden.’ Tankstations vol parfum. Het lijken prozagedichten, maar was het niet de bedoeling dat we onderricht zouden krijgen in poëzie als een manier van leven?

Toegegeven, tijdens de reis ontmoeten we niet de minsten. De index achterin de bundel bevat ongeveer 650 namen van dichters, denkers en literatoren door de eeuwen heen, keurig met verwijzing op welke bladzijden hun naam is gevallen. Wordsworth heeft een grote invloed gehad, zo ook Boris Pasternak en Pablo Neruda. De complete wereldliteratuur heeft Van Strijtem doorgenomen en de mooiste passages heeft hij paraat om te gebruiken. Al die citaten helpen mee om iets uit te leggen, alleen is vaak niet duidelijk wat ze duidelijk maken. Ja, dat poëzie een paradox is, maar daar kan ik in mijn leven niet de beloofde klaarheid mee creëren.

Neem nu als voorbeeld hoofdstuk 3, getiteld ‘Ongevoelig?’ In 17 pagina’s tekst wordt getracht om iets te zeggen over de gevoelswaarde van poëzie. Is poëzie vooral iets voor ‘gevoelige zielen’?

  • Opkomst Paul Marijnis met als stelling ‘poëzie is ongevoelig’
  • Van Strijtem is het daar niet mee eens en ziet hier een discussie voor een paar hoofdstukken. ‘Wie er ongevoelig voor is, zit hoe dan ook niet op deze vlucht.’
  • Intermezzo: definitie van het woord vlucht. In dit hoofdstuk staan nog drie definities die de indruk wekken van structuur en helderheid
  • Perspectief tieners: wél gevoel
  • Anderzijds: woorden met gevoel komen steeds minder voor: ‘Inflatoire woorden in tijden van poëzierecessie.’
  • Naast de gevoelige poëzie neemt academische poëzie een belangrijke plaats in: ‘intellectueel tijdverdrijf vol knappe intertekstuele zoekertjes’
  • Opkomst J.C. Bloem wiens gedicht ‘De Nachtegalen’ integraal is opgenomen
  • Opkomst Brian Patten en Adrian Henri uit Liverpool
  • Hé Liverpool: The Beatles
  • Dat was toch in de Sixties? Opkomst Philip Larkin met een gedicht over seksuele vrijheid.

We zijn drie bladzijden verder en de parelketting wordt alsmaar langer. Herman de Coninck komt dan nog langs, Tom Lanoye, Amos Oz, Lucebert en Menno Wigman en dan ben ik verre van volledig. Aan goed gezelschap geen gebrek. Maar willen wij wel zoveel gezelschap, zoveel stemmen met zoveel meningen? Van Strijtem weet zelf ook wel dat dit avontuur gedoemd is te mislukken. Zijn bundel heeft als motto meegekregen een citaat van Harry Martinson: ‘Groter dan de behoefte aan gezelschap / is de behoefte aan de juiste eenzaamheid / de juiste rustplaatsen / in het hart en in de ziel.’

De bundel opstellen Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven is meer een groot citatenboek dan een boek om de poëzie af te helpen van het imago van wereldvreemd, moeilijk en nutteloos. Ik vrees zelfs dat het tegendeel wordt bereikt, ondanks dat er geweldige gedichten in voorkomen. Die zullen het op eigen kracht moeten doen.

***
Ivo van Strijtem (1953) is dichter en docent Engels. Hij is samen met Koen Stassijns verantwoordelijk voor de poëziereeks ‘De mooiste van…’ Van hem verschenen o.a. de poëziebundels Een rode sjaal, De mooie Ierse en De liefde, jazeker.

Recensie van Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw - Jeroen Dera & Carl De Strycker (red.)

De bundel is dood, leve de bundel!

Jeroen Dera & Carl De Strycker (red.)
Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw
Uitgever: Vantilt / PoëzieCentrum
2018
ISBN 9789460043642
€ 19,95
304 blz.

De artikelcollectie Bundels van het nieuwe millennium is het tweede deel van de serie Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw. Waar het eerste (rode) deel gaat over de dichters van nu, behandelt het tweede (blauwe) deel 26 poëziebundels die verschenen van 2000 tot 2015. Collega-recensent Hans Puper schreef over het eerste deel en hij vindt het een goed boek: “De essayisten beschrijven in Dichters van het nieuwe millennium ontwikkelingen waar we nog middenin zitten. Een echt overzicht hebben we daarom nog niet, maar dat is geen probleem. De kracht van het boek ligt in de aanzet tot reflectie en debat.” Geldt dat ook voor bundel die over bundels gaat? Zeker, maar wel op een wat andere manier.

De inleiding van de samenstellers begint met twee bladzijden met uitleg waarom de bundel als fenomeen toch aandacht verdient. De poëzie is al vele malen doodverklaard en net zo vaak weer tot leven gekomen. Ook de poëziebundel is naar het dodenrijk verwezen, nu poëziefestivals, slamtoernooien en sociale media als drager van het gedicht steeds belangrijker zijn geworden. Maar de gedichtenbundel is nog steeds een belangrijke eenheid om gedichten in aan te bieden. Voor het eerst iets op Facebook zetten, geldt nooit als ‘debuut’, wel het verschijnen van een fraai stuk drukwerk, bij voorkeur bij een gerenommeerde uitgever. En de gezaghebbende poëzieprijzen worden uitgereikt aan bundels en niet aan gedichten.

De bundel is als fenomeen belangrijk genoeg om te behandelen. En wat biedt het nieuwe millennium op dat vlak? Het behandelen van bundels in plaats van alleen de nieuwe dichters heeft een voordeel. In de rode bundel worden dichters behandeld die debuteerden sinds het jaar 2000. Maar de dichters die al actief waren, zijn niet allemaal spontaan overleden in dat jaar. Dera en De Strycker zeggen erover: “(…) het landschap van de hedendaagse poëzie wordt gevormd door een samenspel van nieuwe dichters met nieuwe ideeën enerzijds en belangrijke publicaties van gevestigde namen anderzijds.”

De uitverkoren dichtbundels zijn steevast winnaars van poëzieprijzen, zij lijken van belang voor de ontwikkeling van de Nederlandstalige poëzie in brede zin óf zij vormen een bijzondere wending in het werk van de dichter. Zo komt Pfeijffers Idyllen voor in de bundel. Dera en De Strycker: “Met Idyllen. Nieuwe poëzie grijpt Ilja Leonard Pfeijffer terug op de klassieke retorische traditie (…) met als bedoeling vernieuwend te zijn in de hedendaagse Nederlandse dichtkunst, waarin het vrije vers overheerst.” En wat te denken van die verstokte Vijftiger die, ondanks zichzelf, een nieuwe weg inslaat. Dera en De Strycker: “Gerrit Kouwenaar, het boegbeeld van de talige, autonome poëzie, bereikte plots een groot publiek met zijn laatste bundel, totaal witte kamer, die een persoonlijk verslag bevat van een ontreddering na het overlijden van zijn vrouw.” Als we naar de jaartallen kijken van wanneer de behandelde bundels verschenen, constateren we een kwaliteitspiek in 2002 en 2014 (met vier behandelde bundels) en zien we dat 2006 een zwaar jaar was voor de dichtkunst.

De essaybundel biedt ook een mooi inzicht van wie er actief zijn op literair-wetenschappelijk gebied in ons taalgebied. In de ‘personalia’ op de laatste pagina’s ontmoeten we 26 actieve publicisten, veelal verbonden aan Vlaamse en Nederlandse universiteiten. Daarin zit ook wat Hans Puper al benoemde: de aanzet tot reflectie en debat. Maar de essaybundel speelt ook een rol als naslagwerk. Weinig liefhebbers lezen zo’n opstelbundel van kaft tot kaft.

Hoewel de opstellen stuk voor stuk diep snijden, proberen ze wel de lezer zoveel mogelijk mee te nemen. Dat gebeurt in eerste instantie door te beginnen met een gedicht uit de bundel, vaak een gedicht dat als typisch voor de bundel wordt gezien. De opstellen plaatsen de bundel in de context van de tijd door de recensies te behandelen, de eerste ontvangst door de geoefende lezers. Als de bundel een structuur heeft met delen en afdelingen, worden die genoemd en besproken. Daarna gaat de auteur steeds verder de diepte in: thematiek van de dichter, de stijl, de invloeden, alles wat een bijdrage levert aan begrip van de bundel, haalt de auteur erbij. Barbara Fraipont analyseert zelfs de getekende omslag van de bundel Kalfsvlies van Marieke Rijneveld omdat deze door de dichter zelf is gemaakt en een sleutel vormt tot het begrip van de verzen. Sarah Posman behandelt Ontij van Anneke Brassinga, een bundel uit 2010. Als blijkt dat Brassinga de lezers iets duidelijk wil maken over ‘mechanica’ gaat Posman de diepte in door wetenschapstheorie zoals die door de wiskundige E.J. Dijksterhuis is gepresenteerd, uit te leggen. Dat is nodig om dichterbij het voorbeeldgedicht ‘VI – Naar Dijksterhuis’ te komen. De relatie tussen de machtige mechanica en de minstens even machtige verbeelding vormt een belangrijk thema in deze bundel.

Dat de gedichtenbundel niet dood is en zelfs een kunstvorm op zichzelf, vinden we terug in de bespreking van Yves T’Sjoen van de bundel De reis naar Inframundo uit 2011, van Peter Holvoet-Hanssen. Deze bundel is een bloemlezing uit vijf eerder verschenen bundels van Holvoet-Hanssen uit de periode van 1998 tot en met 2008. Omdat de dichter de samensteller is van de nieuwe bundel, is er sprake van een ‘zelfbloemlezing’: “De dichter heeft de oorspronkelijke uitgaven niet chronologisch gerangschikt, maar zorgde door herordening en een nieuwe clustering van teksten voor een gewijzigde tekstcompositie.”

De serie Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw waar Bundels van het nieuwe millennium een deel van is, is een fantastisch naslagwerk voor verdere studie, voor discussies over de nieuwe vormen van poëzie in deze tijd. Door de gekozen vorm waarin een voorbeeldgedicht als rode draad door een opstel heenloopt, helpt het ook de beginnende lezer om poëzie te begrijpen en te waarderen. Niet onbelangrijk, want ook de komende millennia moeten er bundels verschijnen…

Recensie van Contact - Maarten Inghels

Het zwijgen tussen twee hartslagen

Maarten Inghels
Contact
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023454779
€ 24,99
336 blz.

Door omstandigheden heb ik de film Wild driemaal gezien. Hij gaat over drie dierenfamilies die leven op de Veluwe, in februari was de première. Ik zag ‘Wild’ telkens onder andere omstandigheden: andere bioscoop, ander gezelschap. Drie keer dezelfde film en drie keer een totaal andere ervaring. Het maakt voor je beleving echt uit of je in een kleine zaal zit tussen serieuze en kritische mensen of in een grote zaal met uitgelaten pubers, even vrij gelaten uit de schoolbanken om een educatief moment mee te pikken in de bios. Kortom: context doet er toe!

Voor schrijvende kunstenaars, zoals dichters, is het lastig om de context waarin je hun werk leest te beïnvloeden. De kleur van het bundelkaft, het lettertype, daarover praten ze mee, maar of de lezer nu leest in de stilte van een leeszaal of in een drukke treincoupé, daar gaat de dichter niet over. Bij voordrachten ligt dat alweer een beetje anders, maar dat gaat groepsgewijs en kun je niet apart organiseren voor iedere individuele lezer.

De Vlaamse dichter Maarten Inghels legt zich daar niet zomaar bij neer, hij schrijft niet alleen gedichten, hij creëert er ook een omgeving omheen en wel zodanig dat die context weer inwerkt op de beleving van het gedicht. Inghels is een ‘doedichter’. Zijn laatste dichtbundel Contact is daar een mooi voorbeeld van. Van de 336 pagina’s zijn er 98 gebruikt om een gedicht weer te geven. De overige bladzijden bestaan uit foto’s of een beknopte uitleg bij de uitvoeringen die hij om een gedicht heeft bedacht. Het levert een wonderbaarlijke bundel op; een beleefavontuur voor jong en oud.

De essentie van deze bundel ligt in het leggen van contact met de lezer. Soms door een bijzondere vorm te gebruiken en soms doordat er meer sprake is van een ‘performance’ waar poëzie een essentiële rol bij speelt. De rode draad van het boek bijvoorbeeld wordt gevormd door de pagina’s met opgesomde telefoongegevens van mensen die belden met het speciale telefoonnummer van de Antwerpse stadsdichter die Inghels in die tijd was. Rond de 1250 mensen hebben bijna 2000 belminuten gespendeerd aan poëzie. Het publiek werd aangespoord via advertenties in het huis-aan-huis-blad van Antwerpen en via visitekaartjes. We zien foto’s van bukkende mensen die zo’n kaartje oppikken van de straat: er is een begin van contact.

Contact staat vol met verslagen van dit soort projecten. Maarten Inghels stopte zakdoeken met een gedicht in de jassen van theaterbezoekers. Hij stuurde een gedicht via een speciale schotelantenne naar de maan. De maan weerkaatst dit signaal en zo komt het gedicht weer terug op de aarde. Twee duiven met elk een half gedicht worden losgelaten aan de verschillende oevers van de rivier. In de lucht is er even contact en dan vliegen zij verder. Inghels stapt op een boot en reist naar St. Petersburg omdat tsaar Peter de Grote in 1717 de reis andersom maakte en Antwerpen bezocht. Fraaie foto’s en ingetogen gedichten levert dat op. Niet overal is contact even belangrijk. Bij zijn voettocht van de bron van de Schelde naar Antwerpen mijdt hij mensen die mee willen wandelen. De ontmoetingen mogen kort zijn, maar hij wil mijmerend en dichtend door.

Voor het project ‘Honger’ zocht hij vrijwilligers om de dichtregels van het gedicht ‘Honger’ te laten tatoeëren. Tien regels vraagt om tien gemotiveerde deelnemers. Zelf heeft hij de titel op zijn bovenarm staan. Hoofdletters in handschrift.

HONGER

WE MOETEN PRATEN OVER LICHAMEN, MIJN LICHAAM
BIJ JOUW LICHAAM IS ADEM HONGER
DE HONGER VAN EEN HALVE TWEELING

HONGER RAAKT MIJ AAN, RAAKT MIJ AAN
HET GEHEIM VAN HONGER IS HERINNERING
HET TEGENOVERGESTELDE VAN VERGETEN

DOLENDE LICHAMEN HOL VAN HONGER
WANDELAAR, INBREKER, VREEMDELING
DANSEN IN HET LICHT VAN NOODUITGANGEN

JOUW LICHAAM SPATIE MIJN LICHAAM

Maar liefst 600 mensen stelden zich kandidaat ‘met een lichaamsdeel naar keuze.’ Dat zegt toch iets over de betrokkenheid van mensen op dit project. De tien uitverkorenen laten hun regel zien en vertellen kort wat hun beweegredenen zijn geweest om mee te doen. De motivatie verschilt per deelnemer, waar de één het belang van poëzie in het algemeen uitdraagt, gaat de ander nader in op de inhoud van de regel die staat op arm of been. Honger als ‘huidhonger’, als verlangen naar de ander, de anderen. Trek, zin, lust, goesting… De groepsfoto toont mensen die elkaar eerst niet kenden en nu samen een gedicht vormen. Contact zolang de tatoeage te lezen is…

Niet alle projecten zijn even ingrijpend als ‘Honger’. Een gedicht in vlammen, ‘Het uur vuur’, levert een mooi filmpje op, maar vorm en inhoud versterken elkaar daarbij niet. Sommige projecten hebben geen woorden meegekregen zoals ‘The Invisible Route’ waar alle camera’s buiten in Antwerpen in kaart zijn gebracht en een lijn aangeeft hoe je van A naar B komt zonder in het blikveld van een willekeurige camera te komen. Poëzie voor potentiële terroristen?

En tussen deze projecten staan tal van ‘gewone’ gedichten die Maarten Inghels schreef. Zoals bijvoorbeeld de twee gedichten voor de Eenzame Uitvaart waarvan hij de coördinatie doet in Antwerpen en zoals tal van gedichten die hij schreef als stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018. Het gedicht ‘Een huis van lucht’ staat in een speciale editie van de Daklozenkrant die lange tijd verboden was in Antwerpen. De krant was te koop bij een dakloze voor €2,- of in een galerie voor het tienvoudige.

Uit alles blijkt dat voor Inghels poëzie meer is dan een enkelvoudige kunstvorm. Zijn werk moet iets teweeg brengen, ergens onderdeel van zijn, op de een of andere manier contact leggen. Ook met mensen die niet snel een bundel in de hand nemen en gedichten lezen. Hij zoekt contact met alle lagen van de bevolking zonder over te gaan tot versimpeling. Hij helpt de lezer door soms wat context te bieden, maar verder moet het gedicht het werk doen. Wat poëzie is voor Maarten Inghels legt hij uit in een van de eerste gedichten in de bundel:

Ars poetica

Het gewicht van de wereld? Poëzie.
De lekkende kraan in mijn keel? Poëzie. Poëzie. Poëzie.
Wanneer ik mij verslik in mijn slaap en hoestend wakker word? Poëzie.
Het zwijgen tussen twee hartslagen? Poëzie.
De papiersnee in mijn middelvinger? Godverdomse poëzie.
De ballon opblazen tot zijn maximale spanning? Poëzie.
Mijn geliefde weet waarheen wij de komende tien jaar op vakantie gaan: naar poëzie.
Wat duwt de wind in mijn rug? De poëzie — of het gebrek daaraan.
Wanneer het regent, bezoek ik de vissen. Poëzie?
Hoe mijn inkomen eruitziet vraagt mijn vader? Noodgedwongen de poëzie.
Wat hebben ze voor een appel en een ei aan het circus verkocht? De poëzie.
Europa? Poëzie.
Lapis lazuli? Poëzie.
De maan knipoogt? Geblinddoekte poëzie.
De eeuw geeuwt, en ik ben vrij. Poëzie.
Wie ben jij? vraagt u. De poëzie — ik ben er vaker niet dan wel.
Je tilt een steen op en het glipt in groten getale weg. Poëzie.
Wat roepen de toeschouwers luid en duidelijk wanneer ik op mijn bek ga? Poëzie! Poëzie!

Maarten Inghels heeft niet een vaste thematiek, er is een idee en die moet worden vormgegeven. Dat kan in foto’s of gewoon in taal: ‘Ik moet nog vele personages spelen, honderduit / van contrariteit getuigen in tongentalen.’ (‘Verbeelding’). Of zoals wordt gezegd in de eerste twee regels van ‘Spiekbriefje’: ‘Elke ochtend nieuwe stemmen eten, / welkom leren zeggen in minstens zes talen (…)’. In de gedichtenreeks over de negen avonden ‘na mijn dood’ laat de ‘ik’ ook merken dat de dubbelgangers die het van hem overnemen na zijn overlijden gewoon zijn oeuvre weg kunnen gooien en zelf weer nieuw werk kunnen schrijven: ‘Ik heb altijd al geweten dat de oplossing is gelegen in de veelheid aan stemmen die ik uitstrooi’. In het gedicht ‘Lorem Ipsum’ staat de regel: ‘Drukkers en dichters zijn de secretarissen van het idee’. Het idee is belangrijker dan degene die hem vorm geeft, doedichter Maarten Inghels vertaalt ideeën naar een breed publiek.

We leven in een tijd dat het onderwijs wordt overladen met verplichtingen. Hele klassen staan zich onder schooltijd te vergapen aan de Nachtwacht in het Amsterdams Rijksmuseum. Daar kan deze verplichting ook wel bij: alle middelbare scholieren schaffen de bundel Contact aan en de docent praat daar tenminste eens per week over. Plicht en poëzie gaan slecht samen, wordt beweerd. Laten we het tegendeel bewijzen aan de hand van deze bundel. Als we toch zo nodig van alles moeten verplichten, laat het dan iets zijn waardoor leerlingen de kracht én het plezier van poëzie beleven. Maarten Inghels bouwt een context rond zijn werk waardoor jonge lezers zien dat gelaagdheid in betekenis de moeite waard is om te doorgronden en te beleven en zo in contact te komen met de basis van poëzie.

***
Maarten Inghels (1988) is dichter, schrijver en coördinator van De Eenzame Uitvaart te Antwerpen. Eind 2008 verscheen zijn debuutbundel Tumult, zijn tweede dichtbundel Waakzaam volgde in 2011. Bloemlezingen uit die twee dichtbundels werden gepubliceerd in zowel het Engels als het Duits. In 2012 verscheen zijn roman De handel in emotionele goederen naast het literaire non-fictieboek Een landloper op batterijen. In 2015 kwam de bundel Nieuwe rituelen uit. Maarten Inghels was stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018.

Recensie van Goudlicht en avondschijn. De 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2017 - Diverse dichters

Slechts weinigen halen de overkant

Diverse dichters
Goudlicht en avondschijn. De 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2017
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 978909056553173
€ 7,50
128 blz.

Waar de een iets heeft met het Songfestival, kijk ik zelf ieder jaar weer reikhalzend uit naar de Turing Gedichtenwedstrijd. Enerzijds om zelf weer eens drie of vier gedichten te testen, anderzijds om mij te verheugen over wat er zoal over wordt gemeld op Facebook. Via de mail word je voortdurend door Turing zelf op de hoogte gehouden over de absolute deadline voor inzenden, dus je krijgt ook nog eens een boel gezellige, aansporende mail. Ik houd ervan. En waar loop je nu de kans om zoveel geld te verdienen met zoiets obscuurs als poëzie?

Het meest concrete product van de Turing Gedichtenwedstrijd is de wedstrijdbundel die al helemaal klaarligt op de uitslagenavond. De honderd beste gedichten van het afgelopen jaar staan er in. Dit zijn de honderd waarover de jury zich heeft gebogen; de winnaars staan er niet in vernoemd. Die moet je dan weer even opzoeken op hun website. Voor 2017 waren de drie winnaars van goud naar brons: Jan-Paul Rosenberg uit Zeist, Merel van Slobbe uit Nijmegen en Dan Falck uit Amsterdam. De jury die de honderd gedichten moest beoordelen, bestond dit jaar uit: Tsead Bruinja (juryvoorzitter), Simone Atangana Bekono, Lies Van Gasse, Sef en vast jurylid Françoise Geelen (vanuit de Turing Foundation). Het voorwerk is dan reeds gedaan door mensen die zijn verbonden aan de tijdschriften Awater en de Poëziekrant. Deze poëzieslaven hebben zich geworsteld door de 8.306 anonieme inzendingen van 2.926 dichters om eerst een top duizend en dan een top honderd te maken. Voor wie er in geïnteresseerd is: de top duizend heb ik dit jaar gehaald met twee gedichten. Verder kwam ik niet.

Per fase krijgen de inzenders bericht over hoe zij het hebben gedaan. Gedichten worden ingezonden via een knap opgezette website waarin deelnemers kunnen inloggen om hun eigen werk te zien, door de tijd heen. Sommige deelnemers hebben vaker de top honderd gehaald en die gedichten zijn via de wedstrijd voor iedereen toegankelijk. Winnaar Jan-Paul Rosenberg heeft zelfs een bescheiden biografie toegevoegd aan zijn eigen pagina. Bij elke mededeling over de volgende fase, is het zaak om scherp op Facebook de verschillende dichters te volgen. Dichters van faam, met verschillende bundels op hun naam, spreken hun teleurstelling uit. De anonimiteit heeft ze geen voorsprong (of nadeel) opgeleverd. Hun commentaar levert weer commentaar op over de systematiek van de Turing Toto en uitroepen als ‘ik doe niet mee aan die onzin…’. En sommige dichters doen het anoniem ook gewoon goed getuige de aanwezigheid van Mark Boog in de top honderd.

De wedstrijdbundel is dus een bloemlezing van datgene wat mensen rond Awater en de Poëziekrant de beste gedichten vonden. Een meer thematische lijn zit er ook niet  in. De titel van de wedstrijdbundel is dan ook steevast een schitterende dichtregel uit onze uitgebreide canon van schone verzen, maar zonder enige inhoudelijke band met de inhoud. Vorig jaar Boutens, dit jaar Gorter. ‘Goudlicht en avondschijn’ komt uit een van de Verzen van de grote meester. Volgend jaar wellicht Kloos of een iets minder lang geleden overleden dichter. De binding is de kwaliteit per gedicht, wellicht kan over 50 jaar een wetenschappelijke studie een lijn zien tussen de eerste editie (uit 2009) en de laatste, deze negende editie. En of dat dan een ontwikkeling is in het dichtwerk of meer over de manier waarop werk wordt beoordeeld, dat laat ik dan maar even in het midden.

De (voor)jury heeft goed werk gedaan. Jammer dat ze mijn werk hebben genegeerd, maar wat wél de bundel heeft gehaald is zo bijzonder dat je heerlijk in de bundel kunt verdwalen. Mooie vondsten als ‘Mond – jij sponzende spraakkrater’ van Jaako Jannowitz of ‘LIEFDE KEERT TERUG / TERWIJL WIJ ERAAN SCHRIJVEN’ van Truus Roeygens of ‘daar geloof ik in, als in een verdrietig akkoord / niet van een regering maar van een gitarist’ van Wieger Wobbe Windhorst. Het ene gedicht spreekt vast meer aan dan het andere, maar is dat niet een eigenschap van álle bloemlezingen? Ieder gedicht is beoordeeld zonder dat de jury kennis had van de naam en dan is het natuurlijk helemaal mooi als twee gedichten of meer gedichten bij de Top 100 eindigden. Van maar liefst elf dichters staan twee gedichten in Goudlicht en avondschijn. Eén daarvan is Dorien Dijkhuis.

Overkant

je zet een vinger op de kaart, trekt een lijn
tussen landen, zegt: dit is eerder gedaan
zo gaan we aan boord, varen uit

slechts weinigen halen de overkant, zeg je
weinigen komen ooit in een thuishaven aan

land komt in zicht na dagen van deining
we zien daken van huize, we ruiken
de grond

bomen en mensen die in een vingertop
pasten, nemen algauw je hele hand
hele hart in beslag

wanneer we aan land gaan, gooien we
stenen over onze schouders om te zien
of het een jongetje of meisje wordt

Dorien Dijkhuis

Het respect voor de (voor)jury wordt per gelezen gedicht groter. De gedichten verschillen. De ene is sprankelender dan de ander, de een herbergt bijzondere beelden, de ander ‘zingt’ meer. Toch is het ook deze maal gelukt om een gedicht aan te wijzen als ‘winnaar’. De vijftien minuten van wereldfaam zijn deze dichter gegund. Niet van iedere winnaar horen we later nog iets terug. Jan-Paul Rosenberg lijkt mij iemand die actief is in de poëzie en die vast meer wil. Het prijzengeld kan een duwtje in de goede richting zijn.

Laatste foto van de vrede

Ik bedoel dit letterlijk: verlaat de zoemende foto
nu het nog kan, zelfs uit de ruimte blijkt de verwoesting
onafwendbaar. De man in de kamer hiernaast is al geschiedenis.

Vanuit deze foto leidt de weg naar de ontsnapping, elke poging tot bewegen
wordt beloond. Deze waarschuwing geldt voor iedereen: pretvaders, bonusmoeders,
leenkroost; alles waarop een naam rust, een burgerservicenummer, een cliëntprofiel; alles
wat kan worden afgeluisterd dus alles wat voor evacuatie in aanmerking komt.

De laatste foto van de vrede bloedt als een oprechte, loyale Madonna.
            De staat stuurt een app: de elektriciteit is dood, telefoons/
            computers
afgesneden. Discreet duiken we onder in een tentenkamp.
Paspoorten, sleutelwoorden raken uitgebloeid.

De foto liegt niet. Nog even en dan gaat het los
begint het zoeken met honden naar overlevenden.
Tot dan steken we de koppen in het zand, trakteren we
het gouden kalf op Bach, blijven God door de vingers zien.

 Jan-Paul Rosenberg

 Gerrit Komrij heeft toen hij werd benoemd als Dichter des Vaderland zijn masker van vlijmscherpe cynicus afgezet en is zich gaan inspannen om poëzie in Nederland een podium te geven voor een groter publiek. Zijn inzet vormde de basis voor de Turing gedichten­wedstrijd waarvan het doel is om meer mensen in Nederland en België te inspireren en te enthousiasmeren voor poëzie. Sommige actieve deelnemers publiceren na verloop van tijd hun eigen bundel. Anderen moeten genoegen nemen met publicatie in de wedstrijdbundel. Vorig jaar was ik erbij: de avond van de bekendmaking van de winnaars, een blauwe button op mijn borst. Dat lukt niet ieder jaar. En alleen om die reden kan ik niet anders zeggen dan: schitterende wedstrijdbundel, maar de vorige editie was beter…

***
Goudlicht en avondschijn is de negende editie van de bundel met de honderd beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd. Een jury bestaande uit Tsead Bruinja (juryvoorzitter ), Simone Atangana Bekono, Lies Van Gasse, Sef en Françoise Geelen kozen de drie winnaars uit de Top 100.

Recensie van Voor het ideaal, lees de schaal - Elisabeth Tonnard

De wereld is een fluit met zoveel duizend monden

Elisabeth Tonnard
Voor het ideaal, lees de schaal
Uitgever: Het Balanseer
2017
ISBN 9789079202485
€ 22,50
144 blz.

De bundel Voor het ideaal, lees de schaal is het debuut van Elisabeth Tonnard, maar niet haar eerste boek. Als beeldend kunstenaar speelt ze met het fenomeen ‘boek’. Zo maakte zij bijvoorbeeld een totaal onzichtbaar boek (aanschafprijs € 0,00) en ontwierp zij een boek waar een zwembad van te maken is. Van een fotoboek met negen zwembaden in Las Vegas, gemaakt door Ed Ruscha, vergrootte ze één foto, verdeelde die in 1575 delen en elk fragment werd een pagina van het boek One Swimming Pool. Maar het was meer dan een boek. Een gebruiksaanwijzing vertelt hoe de pagina’s los zijn te maken en weer terug te leggen als de oorspronkelijke foto. En dan is er ook nog het boek Let us go then, you and I (2003) met gedichten die ontstaan als je woorden wist uit een gedicht van T.S. Eliot. In die geest ontstond ook de zelf uitgegeven bundel De dichter spreekt weer: gedichten opgebouwd uit bestaande dichtregels van Richard Minne. Die bundel is als eerste afdeling opgenomen in Voor het ideaal, lees de schaal. En zo kom je tot een poëziedebuut ondanks al je ervaring.
De wetenschap dat je met hergebruik te maken kunt hebben – bestaat het begrip ‘circulaire poëzie’ al? – maakt dat je op je hoede bent bij het lezen. Welke gedichten zijn puur uit de pen van Elisabeth Tonnard gevloeid? Het gedicht ‘Herinnering aan herinnering aan Holland’ bevat hergebruikte tekst van Marsmans klassieker, echter zonder bronvermelding. Of is dat niet meer nodig als je stoeit met een overbekende evergreen? Zoals DJ’s bekende samples verwerken in hun werk, zo pakt Tonnard de ‘rijen ondenkbaar ijle populieren’ en ‘de stem van het water’ aan. De herhaling van herkenning.

Elf afdelingen kent de bundel, sommige met slechts één gedicht. In de tweede afdeling, ‘De kiezelstenen’, lijkt het of we met meer traditionele gedichten te maken hebben. Niet qua vorm maar qua thematiek: de lyrische ‘ik’ die zich verhoudt tot de werkelijkheid. Natuurbeelden komen voorbij, beelden die een afspiegeling lijken van het innerlijk gevecht dat wordt gevoerd met dood en eenzaamheid. We ontmoeten een dode duif, een pas uit het ei gekomen dood vogeltje, rozen en sluipwespen.

De sluipwesp zorgt dat haar larven
buiten het ei direct vers voedsel hebben.

Er zijn sluipwespen die eitjes leggen
in een halfdode, verdoofde spin
of in de eieren van andere insecten.

Er zijn sluipwespen die eitjes leggen
in de larven van andere sluipwespen
die eitjes leggen
in de larven van andere sluipwespen.

Er zijn dagen zonder hoop.
Maar er is dezelfde dag ook
de knop aan de roos.

De geliefde is overleden. Wat blijft is rouw en het zoeken naar energie om alleen verder te gaan. Verderop, in de afdeling ‘Zeilen’ zien we deze thematiek verder uitgewerkt want de dood zit ook de ‘ik’ achter de hielen en rest er niets anders dan te vluchten per zeilboot en vooral niet voor anker te gaan. Al zeilend ziet de ‘ik’ schimmen van de geliefde en heeft zo Achterbergiaanse ontmoetingen.

Alles wat ik verlang
loopt op straat in de regen.
Alles wat ik verlang
kwam een winkel uit
ik zag het ik zag het
eerst het zwarte haar
toen de schouders
het mooie grijze pak.
Nu loop ik achter
alles wat ik verlang
te laat te laat voor een ontmoeting
net te laat.
Ik loop over straat
en vaar en vaar.

Gevoelsvolle gedichten worden afgewisseld met prozagedichten die zijn gebaseerd op waarneming: bijvoorbeeld een staccatobeschrijving van een kleurrijk stripboek: ‘(…) Blauwe rook van een sigaar vormt zich als een bergmeer vanuit de ruimte. Het blauw werkt zich in de bruine wand. Drie mannen met gele sjaaltjes. Zes blanke cowboyhoeden. Drie lichtblauwe broeken in donkere laarzen. Het zand is geel. (…)’. Het oog van de beeldend kunstenaar wordt ingezet voor het schrijven van poëzie.

Een knipoog naar Marsman, het hergebruik van Minne, een verwijzing naar Achterberg, een flirt met Gorters Mei, Elisabeth Tonnard kent haar klassieken. Dat wordt helemaal duidelijk in de afdeling ‘Wilde dieren duiken op in steden’, de afsluiter van de bundel, waar volgens de methode K. Schippers vondsten worden verwerkt. Over de instructies van een nieuw wachtwoord bijvoorbeeld of over de Facebookactiviteiten van iemand die niet heel actief is op Facebook behalve door wijziging van de profielfoto. Uit die afdeling komt ook de titel van de bundel vandaan. Terwijl ik de titel al zo mooi vond, omdat hij zoveel betekenissen in zich draagt door de ambiguïteit van zowel ‘lezen’ als de ‘schaal’, blijkt het te gaan om een erratum. Intrigerend, want in welk boekje kunnen die twee woorden door elkaar zijn gehaald?

Pag. 19, regel 16 van boven: voor ‘het ideaal’,
lees ‘de schaal’.

‘De wereld is een fluit met zoveel duizend monden’ dichtte ooit Richard Minne (1891 – 1965). Elisabeth Tonnard onderzoekt het effect van iedere afzonderlijke mond op het geluid uit de fluit. Niet elk liedje raakt je even diep, maar het zoekproces is boeiend om te volgen. Soms speelt de fluit een lied in mineur, een blues voor de achterblijver, soms een gesampled hiphopdeuntje. Welk lied ideaal is, is lastig vast te stellen, dat hangt ook een beetje af welke schaal je gebruikt voor beoordeling. Als Elisabeth Tonnard al niet zo veel ervaring had in de kunsten, zou je zeggen: een veelbelovend debuut.

***
Elisabeth Tonnard (1973) is werkzaam op het terrein van kunstenaarsboeken, fotografie en poëzie. Sinds het verschijnen van Let us go then, you and I (2003) met gedichten getipp-exed uit een gedicht van T.S. Eliot, heeft zij een veertigtal boeken gepubliceerd die bestaande teksten en beelden in een nieuwe context presenteren. Haar werk is opgenomen in vele internationale collecties.