Recensie van Contact - Maarten Inghels

Het zwijgen tussen twee hartslagen

Maarten Inghels
Contact
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023454779
€ 24,99
336 blz.

Door omstandigheden heb ik de film Wild driemaal gezien. Hij gaat over drie dierenfamilies die leven op de Veluwe, in februari was de première. Ik zag ‘Wild’ telkens onder andere omstandigheden: andere bioscoop, ander gezelschap. Drie keer dezelfde film en drie keer een totaal andere ervaring. Het maakt voor je beleving echt uit of je in een kleine zaal zit tussen serieuze en kritische mensen of in een grote zaal met uitgelaten pubers, even vrij gelaten uit de schoolbanken om een educatief moment mee te pikken in de bios. Kortom: context doet er toe!

Voor schrijvende kunstenaars, zoals dichters, is het lastig om de context waarin je hun werk leest te beïnvloeden. De kleur van het bundelkaft, het lettertype, daarover praten ze mee, maar of de lezer nu leest in de stilte van een leeszaal of in een drukke treincoupé, daar gaat de dichter niet over. Bij voordrachten ligt dat alweer een beetje anders, maar dat gaat groepsgewijs en kun je niet apart organiseren voor iedere individuele lezer.

De Vlaamse dichter Maarten Inghels legt zich daar niet zomaar bij neer, hij schrijft niet alleen gedichten, hij creëert er ook een omgeving omheen en wel zodanig dat die context weer inwerkt op de beleving van het gedicht. Inghels is een ‘doedichter’. Zijn laatste dichtbundel Contact is daar een mooi voorbeeld van. Van de 336 pagina’s zijn er 98 gebruikt om een gedicht weer te geven. De overige bladzijden bestaan uit foto’s of een beknopte uitleg bij de uitvoeringen die hij om een gedicht heeft bedacht. Het levert een wonderbaarlijke bundel op; een beleefavontuur voor jong en oud.

De essentie van deze bundel ligt in het leggen van contact met de lezer. Soms door een bijzondere vorm te gebruiken en soms doordat er meer sprake is van een ‘performance’ waar poëzie een essentiële rol bij speelt. De rode draad van het boek bijvoorbeeld wordt gevormd door de pagina’s met opgesomde telefoongegevens van mensen die belden met het speciale telefoonnummer van de Antwerpse stadsdichter die Inghels in die tijd was. Rond de 1250 mensen hebben bijna 2000 belminuten gespendeerd aan poëzie. Het publiek werd aangespoord via advertenties in het huis-aan-huis-blad van Antwerpen en via visitekaartjes. We zien foto’s van bukkende mensen die zo’n kaartje oppikken van de straat: er is een begin van contact.

Contact staat vol met verslagen van dit soort projecten. Maarten Inghels stopte zakdoeken met een gedicht in de jassen van theaterbezoekers. Hij stuurde een gedicht via een speciale schotelantenne naar de maan. De maan weerkaatst dit signaal en zo komt het gedicht weer terug op de aarde. Twee duiven met elk een half gedicht worden losgelaten aan de verschillende oevers van de rivier. In de lucht is er even contact en dan vliegen zij verder. Inghels stapt op een boot en reist naar St. Petersburg omdat tsaar Peter de Grote in 1717 de reis andersom maakte en Antwerpen bezocht. Fraaie foto’s en ingetogen gedichten levert dat op. Niet overal is contact even belangrijk. Bij zijn voettocht van de bron van de Schelde naar Antwerpen mijdt hij mensen die mee willen wandelen. De ontmoetingen mogen kort zijn, maar hij wil mijmerend en dichtend door.

Voor het project ‘Honger’ zocht hij vrijwilligers om de dichtregels van het gedicht ‘Honger’ te laten tatoeëren. Tien regels vraagt om tien gemotiveerde deelnemers. Zelf heeft hij de titel op zijn bovenarm staan. Hoofdletters in handschrift.

HONGER

WE MOETEN PRATEN OVER LICHAMEN, MIJN LICHAAM
BIJ JOUW LICHAAM IS ADEM HONGER
DE HONGER VAN EEN HALVE TWEELING

HONGER RAAKT MIJ AAN, RAAKT MIJ AAN
HET GEHEIM VAN HONGER IS HERINNERING
HET TEGENOVERGESTELDE VAN VERGETEN

DOLENDE LICHAMEN HOL VAN HONGER
WANDELAAR, INBREKER, VREEMDELING
DANSEN IN HET LICHT VAN NOODUITGANGEN

JOUW LICHAAM SPATIE MIJN LICHAAM

Maar liefst 600 mensen stelden zich kandidaat ‘met een lichaamsdeel naar keuze.’ Dat zegt toch iets over de betrokkenheid van mensen op dit project. De tien uitverkorenen laten hun regel zien en vertellen kort wat hun beweegredenen zijn geweest om mee te doen. De motivatie verschilt per deelnemer, waar de één het belang van poëzie in het algemeen uitdraagt, gaat de ander nader in op de inhoud van de regel die staat op arm of been. Honger als ‘huidhonger’, als verlangen naar de ander, de anderen. Trek, zin, lust, goesting… De groepsfoto toont mensen die elkaar eerst niet kenden en nu samen een gedicht vormen. Contact zolang de tatoeage te lezen is…

Niet alle projecten zijn even ingrijpend als ‘Honger’. Een gedicht in vlammen, ‘Het uur vuur’, levert een mooi filmpje op, maar vorm en inhoud versterken elkaar daarbij niet. Sommige projecten hebben geen woorden meegekregen zoals ‘The Invisible Route’ waar alle camera’s buiten in Antwerpen in kaart zijn gebracht en een lijn aangeeft hoe je van A naar B komt zonder in het blikveld van een willekeurige camera te komen. Poëzie voor potentiële terroristen?

En tussen deze projecten staan tal van ‘gewone’ gedichten die Maarten Inghels schreef. Zoals bijvoorbeeld de twee gedichten voor de Eenzame Uitvaart waarvan hij de coördinatie doet in Antwerpen en zoals tal van gedichten die hij schreef als stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018. Het gedicht ‘Een huis van lucht’ staat in een speciale editie van de Daklozenkrant die lange tijd verboden was in Antwerpen. De krant was te koop bij een dakloze voor €2,- of in een galerie voor het tienvoudige.

Uit alles blijkt dat voor Inghels poëzie meer is dan een enkelvoudige kunstvorm. Zijn werk moet iets teweeg brengen, ergens onderdeel van zijn, op de een of andere manier contact leggen. Ook met mensen die niet snel een bundel in de hand nemen en gedichten lezen. Hij zoekt contact met alle lagen van de bevolking zonder over te gaan tot versimpeling. Hij helpt de lezer door soms wat context te bieden, maar verder moet het gedicht het werk doen. Wat poëzie is voor Maarten Inghels legt hij uit in een van de eerste gedichten in de bundel:

Ars poetica

Het gewicht van de wereld? Poëzie.
De lekkende kraan in mijn keel? Poëzie. Poëzie. Poëzie.
Wanneer ik mij verslik in mijn slaap en hoestend wakker word? Poëzie.
Het zwijgen tussen twee hartslagen? Poëzie.
De papiersnee in mijn middelvinger? Godverdomse poëzie.
De ballon opblazen tot zijn maximale spanning? Poëzie.
Mijn geliefde weet waarheen wij de komende tien jaar op vakantie gaan: naar poëzie.
Wat duwt de wind in mijn rug? De poëzie — of het gebrek daaraan.
Wanneer het regent, bezoek ik de vissen. Poëzie?
Hoe mijn inkomen eruitziet vraagt mijn vader? Noodgedwongen de poëzie.
Wat hebben ze voor een appel en een ei aan het circus verkocht? De poëzie.
Europa? Poëzie.
Lapis lazuli? Poëzie.
De maan knipoogt? Geblinddoekte poëzie.
De eeuw geeuwt, en ik ben vrij. Poëzie.
Wie ben jij? vraagt u. De poëzie — ik ben er vaker niet dan wel.
Je tilt een steen op en het glipt in groten getale weg. Poëzie.
Wat roepen de toeschouwers luid en duidelijk wanneer ik op mijn bek ga? Poëzie! Poëzie!

Maarten Inghels heeft niet een vaste thematiek, er is een idee en die moet worden vormgegeven. Dat kan in foto’s of gewoon in taal: ‘Ik moet nog vele personages spelen, honderduit / van contrariteit getuigen in tongentalen.’ (‘Verbeelding’). Of zoals wordt gezegd in de eerste twee regels van ‘Spiekbriefje’: ‘Elke ochtend nieuwe stemmen eten, / welkom leren zeggen in minstens zes talen (…)’. In de gedichtenreeks over de negen avonden ‘na mijn dood’ laat de ‘ik’ ook merken dat de dubbelgangers die het van hem overnemen na zijn overlijden gewoon zijn oeuvre weg kunnen gooien en zelf weer nieuw werk kunnen schrijven: ‘Ik heb altijd al geweten dat de oplossing is gelegen in de veelheid aan stemmen die ik uitstrooi’. In het gedicht ‘Lorem Ipsum’ staat de regel: ‘Drukkers en dichters zijn de secretarissen van het idee’. Het idee is belangrijker dan degene die hem vorm geeft, doedichter Maarten Inghels vertaalt ideeën naar een breed publiek.

We leven in een tijd dat het onderwijs wordt overladen met verplichtingen. Hele klassen staan zich onder schooltijd te vergapen aan de Nachtwacht in het Amsterdams Rijksmuseum. Daar kan deze verplichting ook wel bij: alle middelbare scholieren schaffen de bundel Contact aan en de docent praat daar tenminste eens per week over. Plicht en poëzie gaan slecht samen, wordt beweerd. Laten we het tegendeel bewijzen aan de hand van deze bundel. Als we toch zo nodig van alles moeten verplichten, laat het dan iets zijn waardoor leerlingen de kracht én het plezier van poëzie beleven. Maarten Inghels bouwt een context rond zijn werk waardoor jonge lezers zien dat gelaagdheid in betekenis de moeite waard is om te doorgronden en te beleven en zo in contact te komen met de basis van poëzie.

***
Maarten Inghels (1988) is dichter, schrijver en coördinator van De Eenzame Uitvaart te Antwerpen. Eind 2008 verscheen zijn debuutbundel Tumult, zijn tweede dichtbundel Waakzaam volgde in 2011. Bloemlezingen uit die twee dichtbundels werden gepubliceerd in zowel het Engels als het Duits. In 2012 verscheen zijn roman De handel in emotionele goederen naast het literaire non-fictieboek Een landloper op batterijen. In 2015 kwam de bundel Nieuwe rituelen uit. Maarten Inghels was stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018.

Recensie van Goudlicht en avondschijn. De 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2017 - Diverse dichters

Slechts weinigen halen de overkant

Diverse dichters
Goudlicht en avondschijn. De 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2017
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 978909056553173
€ 7,50
128 blz.

Waar de een iets heeft met het Songfestival, kijk ik zelf ieder jaar weer reikhalzend uit naar de Turing Gedichtenwedstrijd. Enerzijds om zelf weer eens drie of vier gedichten te testen, anderzijds om mij te verheugen over wat er zoal over wordt gemeld op Facebook. Via de mail word je voortdurend door Turing zelf op de hoogte gehouden over de absolute deadline voor inzenden, dus je krijgt ook nog eens een boel gezellige, aansporende mail. Ik houd ervan. En waar loop je nu de kans om zoveel geld te verdienen met zoiets obscuurs als poëzie?

Het meest concrete product van de Turing Gedichtenwedstrijd is de wedstrijdbundel die al helemaal klaarligt op de uitslagenavond. De honderd beste gedichten van het afgelopen jaar staan er in. Dit zijn de honderd waarover de jury zich heeft gebogen; de winnaars staan er niet in vernoemd. Die moet je dan weer even opzoeken op hun website. Voor 2017 waren de drie winnaars van goud naar brons: Jan-Paul Rosenberg uit Zeist, Merel van Slobbe uit Nijmegen en Dan Falck uit Amsterdam. De jury die de honderd gedichten moest beoordelen, bestond dit jaar uit: Tsead Bruinja (juryvoorzitter), Simone Atangana Bekono, Lies Van Gasse, Sef en vast jurylid Françoise Geelen (vanuit de Turing Foundation). Het voorwerk is dan reeds gedaan door mensen die zijn verbonden aan de tijdschriften Awater en de Poëziekrant. Deze poëzieslaven hebben zich geworsteld door de 8.306 anonieme inzendingen van 2.926 dichters om eerst een top duizend en dan een top honderd te maken. Voor wie er in geïnteresseerd is: de top duizend heb ik dit jaar gehaald met twee gedichten. Verder kwam ik niet.

Per fase krijgen de inzenders bericht over hoe zij het hebben gedaan. Gedichten worden ingezonden via een knap opgezette website waarin deelnemers kunnen inloggen om hun eigen werk te zien, door de tijd heen. Sommige deelnemers hebben vaker de top honderd gehaald en die gedichten zijn via de wedstrijd voor iedereen toegankelijk. Winnaar Jan-Paul Rosenberg heeft zelfs een bescheiden biografie toegevoegd aan zijn eigen pagina. Bij elke mededeling over de volgende fase, is het zaak om scherp op Facebook de verschillende dichters te volgen. Dichters van faam, met verschillende bundels op hun naam, spreken hun teleurstelling uit. De anonimiteit heeft ze geen voorsprong (of nadeel) opgeleverd. Hun commentaar levert weer commentaar op over de systematiek van de Turing Toto en uitroepen als ‘ik doe niet mee aan die onzin…’. En sommige dichters doen het anoniem ook gewoon goed getuige de aanwezigheid van Mark Boog in de top honderd.

De wedstrijdbundel is dus een bloemlezing van datgene wat mensen rond Awater en de Poëziekrant de beste gedichten vonden. Een meer thematische lijn zit er ook niet  in. De titel van de wedstrijdbundel is dan ook steevast een schitterende dichtregel uit onze uitgebreide canon van schone verzen, maar zonder enige inhoudelijke band met de inhoud. Vorig jaar Boutens, dit jaar Gorter. ‘Goudlicht en avondschijn’ komt uit een van de Verzen van de grote meester. Volgend jaar wellicht Kloos of een iets minder lang geleden overleden dichter. De binding is de kwaliteit per gedicht, wellicht kan over 50 jaar een wetenschappelijke studie een lijn zien tussen de eerste editie (uit 2009) en de laatste, deze negende editie. En of dat dan een ontwikkeling is in het dichtwerk of meer over de manier waarop werk wordt beoordeeld, dat laat ik dan maar even in het midden.

De (voor)jury heeft goed werk gedaan. Jammer dat ze mijn werk hebben genegeerd, maar wat wél de bundel heeft gehaald is zo bijzonder dat je heerlijk in de bundel kunt verdwalen. Mooie vondsten als ‘Mond – jij sponzende spraakkrater’ van Jaako Jannowitz of ‘LIEFDE KEERT TERUG / TERWIJL WIJ ERAAN SCHRIJVEN’ van Truus Roeygens of ‘daar geloof ik in, als in een verdrietig akkoord / niet van een regering maar van een gitarist’ van Wieger Wobbe Windhorst. Het ene gedicht spreekt vast meer aan dan het andere, maar is dat niet een eigenschap van álle bloemlezingen? Ieder gedicht is beoordeeld zonder dat de jury kennis had van de naam en dan is het natuurlijk helemaal mooi als twee gedichten of meer gedichten bij de Top 100 eindigden. Van maar liefst elf dichters staan twee gedichten in Goudlicht en avondschijn. Eén daarvan is Dorien Dijkhuis.

Overkant

je zet een vinger op de kaart, trekt een lijn
tussen landen, zegt: dit is eerder gedaan
zo gaan we aan boord, varen uit

slechts weinigen halen de overkant, zeg je
weinigen komen ooit in een thuishaven aan

land komt in zicht na dagen van deining
we zien daken van huize, we ruiken
de grond

bomen en mensen die in een vingertop
pasten, nemen algauw je hele hand
hele hart in beslag

wanneer we aan land gaan, gooien we
stenen over onze schouders om te zien
of het een jongetje of meisje wordt

Dorien Dijkhuis

Het respect voor de (voor)jury wordt per gelezen gedicht groter. De gedichten verschillen. De ene is sprankelender dan de ander, de een herbergt bijzondere beelden, de ander ‘zingt’ meer. Toch is het ook deze maal gelukt om een gedicht aan te wijzen als ‘winnaar’. De vijftien minuten van wereldfaam zijn deze dichter gegund. Niet van iedere winnaar horen we later nog iets terug. Jan-Paul Rosenberg lijkt mij iemand die actief is in de poëzie en die vast meer wil. Het prijzengeld kan een duwtje in de goede richting zijn.

Laatste foto van de vrede

Ik bedoel dit letterlijk: verlaat de zoemende foto
nu het nog kan, zelfs uit de ruimte blijkt de verwoesting
onafwendbaar. De man in de kamer hiernaast is al geschiedenis.

Vanuit deze foto leidt de weg naar de ontsnapping, elke poging tot bewegen
wordt beloond. Deze waarschuwing geldt voor iedereen: pretvaders, bonusmoeders,
leenkroost; alles waarop een naam rust, een burgerservicenummer, een cliëntprofiel; alles
wat kan worden afgeluisterd dus alles wat voor evacuatie in aanmerking komt.

De laatste foto van de vrede bloedt als een oprechte, loyale Madonna.
            De staat stuurt een app: de elektriciteit is dood, telefoons/
            computers
afgesneden. Discreet duiken we onder in een tentenkamp.
Paspoorten, sleutelwoorden raken uitgebloeid.

De foto liegt niet. Nog even en dan gaat het los
begint het zoeken met honden naar overlevenden.
Tot dan steken we de koppen in het zand, trakteren we
het gouden kalf op Bach, blijven God door de vingers zien.

 Jan-Paul Rosenberg

 Gerrit Komrij heeft toen hij werd benoemd als Dichter des Vaderland zijn masker van vlijmscherpe cynicus afgezet en is zich gaan inspannen om poëzie in Nederland een podium te geven voor een groter publiek. Zijn inzet vormde de basis voor de Turing gedichten­wedstrijd waarvan het doel is om meer mensen in Nederland en België te inspireren en te enthousiasmeren voor poëzie. Sommige actieve deelnemers publiceren na verloop van tijd hun eigen bundel. Anderen moeten genoegen nemen met publicatie in de wedstrijdbundel. Vorig jaar was ik erbij: de avond van de bekendmaking van de winnaars, een blauwe button op mijn borst. Dat lukt niet ieder jaar. En alleen om die reden kan ik niet anders zeggen dan: schitterende wedstrijdbundel, maar de vorige editie was beter…

***
Goudlicht en avondschijn is de negende editie van de bundel met de honderd beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd. Een jury bestaande uit Tsead Bruinja (juryvoorzitter ), Simone Atangana Bekono, Lies Van Gasse, Sef en Françoise Geelen kozen de drie winnaars uit de Top 100.

Recensie van Voor het ideaal, lees de schaal - Elisabeth Tonnard

De wereld is een fluit met zoveel duizend monden

Elisabeth Tonnard
Voor het ideaal, lees de schaal
Uitgever: Het Balanseer
2017
ISBN 9789079202485
€ 22,50
144 blz.

De bundel Voor het ideaal, lees de schaal is het debuut van Elisabeth Tonnard, maar niet haar eerste boek. Als beeldend kunstenaar speelt ze met het fenomeen ‘boek’. Zo maakte zij bijvoorbeeld een totaal onzichtbaar boek (aanschafprijs € 0,00) en ontwierp zij een boek waar een zwembad van te maken is. Van een fotoboek met negen zwembaden in Las Vegas, gemaakt door Ed Ruscha, vergrootte ze één foto, verdeelde die in 1575 delen en elk fragment werd een pagina van het boek One Swimming Pool. Maar het was meer dan een boek. Een gebruiksaanwijzing vertelt hoe de pagina’s los zijn te maken en weer terug te leggen als de oorspronkelijke foto. En dan is er ook nog het boek Let us go then, you and I (2003) met gedichten die ontstaan als je woorden wist uit een gedicht van T.S. Eliot. In die geest ontstond ook de zelf uitgegeven bundel De dichter spreekt weer: gedichten opgebouwd uit bestaande dichtregels van Richard Minne. Die bundel is als eerste afdeling opgenomen in Voor het ideaal, lees de schaal. En zo kom je tot een poëziedebuut ondanks al je ervaring.
De wetenschap dat je met hergebruik te maken kunt hebben – bestaat het begrip ‘circulaire poëzie’ al? – maakt dat je op je hoede bent bij het lezen. Welke gedichten zijn puur uit de pen van Elisabeth Tonnard gevloeid? Het gedicht ‘Herinnering aan herinnering aan Holland’ bevat hergebruikte tekst van Marsmans klassieker, echter zonder bronvermelding. Of is dat niet meer nodig als je stoeit met een overbekende evergreen? Zoals DJ’s bekende samples verwerken in hun werk, zo pakt Tonnard de ‘rijen ondenkbaar ijle populieren’ en ‘de stem van het water’ aan. De herhaling van herkenning.

Elf afdelingen kent de bundel, sommige met slechts één gedicht. In de tweede afdeling, ‘De kiezelstenen’, lijkt het of we met meer traditionele gedichten te maken hebben. Niet qua vorm maar qua thematiek: de lyrische ‘ik’ die zich verhoudt tot de werkelijkheid. Natuurbeelden komen voorbij, beelden die een afspiegeling lijken van het innerlijk gevecht dat wordt gevoerd met dood en eenzaamheid. We ontmoeten een dode duif, een pas uit het ei gekomen dood vogeltje, rozen en sluipwespen.

De sluipwesp zorgt dat haar larven
buiten het ei direct vers voedsel hebben.

Er zijn sluipwespen die eitjes leggen
in een halfdode, verdoofde spin
of in de eieren van andere insecten.

Er zijn sluipwespen die eitjes leggen
in de larven van andere sluipwespen
die eitjes leggen
in de larven van andere sluipwespen.

Er zijn dagen zonder hoop.
Maar er is dezelfde dag ook
de knop aan de roos.

De geliefde is overleden. Wat blijft is rouw en het zoeken naar energie om alleen verder te gaan. Verderop, in de afdeling ‘Zeilen’ zien we deze thematiek verder uitgewerkt want de dood zit ook de ‘ik’ achter de hielen en rest er niets anders dan te vluchten per zeilboot en vooral niet voor anker te gaan. Al zeilend ziet de ‘ik’ schimmen van de geliefde en heeft zo Achterbergiaanse ontmoetingen.

Alles wat ik verlang
loopt op straat in de regen.
Alles wat ik verlang
kwam een winkel uit
ik zag het ik zag het
eerst het zwarte haar
toen de schouders
het mooie grijze pak.
Nu loop ik achter
alles wat ik verlang
te laat te laat voor een ontmoeting
net te laat.
Ik loop over straat
en vaar en vaar.

Gevoelsvolle gedichten worden afgewisseld met prozagedichten die zijn gebaseerd op waarneming: bijvoorbeeld een staccatobeschrijving van een kleurrijk stripboek: ‘(…) Blauwe rook van een sigaar vormt zich als een bergmeer vanuit de ruimte. Het blauw werkt zich in de bruine wand. Drie mannen met gele sjaaltjes. Zes blanke cowboyhoeden. Drie lichtblauwe broeken in donkere laarzen. Het zand is geel. (…)’. Het oog van de beeldend kunstenaar wordt ingezet voor het schrijven van poëzie.

Een knipoog naar Marsman, het hergebruik van Minne, een verwijzing naar Achterberg, een flirt met Gorters Mei, Elisabeth Tonnard kent haar klassieken. Dat wordt helemaal duidelijk in de afdeling ‘Wilde dieren duiken op in steden’, de afsluiter van de bundel, waar volgens de methode K. Schippers vondsten worden verwerkt. Over de instructies van een nieuw wachtwoord bijvoorbeeld of over de Facebookactiviteiten van iemand die niet heel actief is op Facebook behalve door wijziging van de profielfoto. Uit die afdeling komt ook de titel van de bundel vandaan. Terwijl ik de titel al zo mooi vond, omdat hij zoveel betekenissen in zich draagt door de ambiguïteit van zowel ‘lezen’ als de ‘schaal’, blijkt het te gaan om een erratum. Intrigerend, want in welk boekje kunnen die twee woorden door elkaar zijn gehaald?

Pag. 19, regel 16 van boven: voor ‘het ideaal’,
lees ‘de schaal’.

‘De wereld is een fluit met zoveel duizend monden’ dichtte ooit Richard Minne (1891 – 1965). Elisabeth Tonnard onderzoekt het effect van iedere afzonderlijke mond op het geluid uit de fluit. Niet elk liedje raakt je even diep, maar het zoekproces is boeiend om te volgen. Soms speelt de fluit een lied in mineur, een blues voor de achterblijver, soms een gesampled hiphopdeuntje. Welk lied ideaal is, is lastig vast te stellen, dat hangt ook een beetje af welke schaal je gebruikt voor beoordeling. Als Elisabeth Tonnard al niet zo veel ervaring had in de kunsten, zou je zeggen: een veelbelovend debuut.

***
Elisabeth Tonnard (1973) is werkzaam op het terrein van kunstenaarsboeken, fotografie en poëzie. Sinds het verschijnen van Let us go then, you and I (2003) met gedichten getipp-exed uit een gedicht van T.S. Eliot, heeft zij een veertigtal boeken gepubliceerd die bestaande teksten en beelden in een nieuwe context presenteren. Haar werk is opgenomen in vele internationale collecties.

Recensie van Hoe de eerste vonken zichtbaar waren - Simone Atangana Bekono

Dictee van een mooi en pijnlijk ding

Simone Atangana Bekono
Hoe de eerste vonken zichtbaar waren
Uitgever: Wintertuin & Lebowski
2017
ISBN 9789079571543
€ 12,00
48 blz.

Dichter Simone Atangana Bekono had al een reputatie voordat haar debuut verscheen. Nu pas ligt het zwarte boekje met de kleine witte letters in veelvoud op de poëzieafdeling van de betere boekhandel, maar in september 2017 droeg zij al voor tijdens de Nacht van de Poëzie. Eén gedicht las zij daar in Utrecht, het laatste en het langste uit de bundel, blijkt nu. In januari jongstleden was zij lid van de jury die de drie allerbeste gedichten uit de beste honderd inzendingen mocht kiezen voor de Turing gedichtenwedstrijd 2017.

Dat debuut, getiteld Hoe de eerste vonken zichtbaar waren,  is dan ook een heruitgave van haar afstudeerwerk aan de ArtEZ-opleiding ‘Creative Writing’. Dat zal niet iedere student overkomen. Hoe de eerste vonken zichtbaar waren blijkt een lastige titel. Op het wereldwijde web zien we al gauw dat ‘waren’ wordt verward met ‘werden’. Toch zit daar het subtiele verschil tussen zicht op het proces en zicht op het resultaat van het proces. En waar vonken zijn, kan vuur ontstaan.

Dit is zo’n bundel die lastig terug kan komen in bloemlezingen. De lange gedichten hangen sterk met elkaar samen, zijn te veel onderdeel van een groter geheel. Pik er daar maar eens een uit. In drie afdelingen met de titels ‘Wrijving’, ‘Ontsteking’ en ‘Vonken’ wordt een proces geschetst. In ‘Wrijving’ staan zes genummerde gedichten, In ‘Ontsteking’ staan twee brieven van ‘Siem’ aan ‘Kipje’ en in ‘Vonken’ gaat de nummering van gedichten verder van 7 tot 9, of eigenlijk van VII tot IX. De lijn van het proces geeft zich niet gemakkelijk prijs. In treffend gekozen beelden krijgen we puzzelstukjes aangereikt, zoals de ´ik´ die uit jagen gaat en een ree treft.

VII.

Dat ik uit jagen ging, en dat ik geschikte laarzen kocht en een warme jas
en dat ik geen tent meenam maar een stuk zeil dat ik opgerold op mijn rug droeg
en dat ik in de voetstappen van de beer door de regen liep

En dat het bos zich bewust was van mijn geur
en dat mijn lichaam zich bewust was van het bos
en dat de vogels besloten zich eerbiedig te gedragen en hun snavels dichthielden
en dat de beer zich bezighield met de vis in de rivier, het schoonspoelen van zijn poten
waar bloed en poep en mos aan kleefden

Dat de ree die voor mij uit sprong zich niet bedreigd voelde
maar haar vacht tegen de boomschors aan wreef zodat ik in de buurt kon blijven
en de bomen precies genoeg zonlicht toestonden
en de zon net warm genoeg scheen om het ijswater van de takken
naar beneden te doen druppen, het kraken van het stuk zeil op mijn rug te maskeren

Dat ik tegen het vallen van de avond
met toegeknepen ogen
het licht op de snuit van de ree zag schijnen
en dat de ree stilstond en van de laatste zon leek te genieten
dat ik beefde van vermoeidheid en dat mijn geweer beefde
en dat het leek alsof er tussen dit moment
en het moment dat nog moest komen

In de afstand die tussen ons lag, enkele tientallen meters
de zandkorrels die opstoven, de druppels ijswater die drupten
de zo langzaam mogelijk uitgeblazen wolkjes adem en de beer die
zich niet veel verderop bezighield met de vis in de rivier
en de ree die misschien niet genoot maar wel leek te wachten
ik herinnerde het badwater dat naar eucalyptus rook
de man die een meer in wandelde
en zei dat hij zowel hier als nergens was

(…)

Een soort droombeeld waarin er een relatie bestaat tussen jager en prooi waarin keuzes bestaan. Elke keuze leidt tot een ander verloop van de gebeurtenissen. En zo beschrijft de ‘ik’ meer herinneringen om uiteindelijk weer uit te komen bij de jacht.

(…)

Ik zette na de jacht mijn geweer op de grond, met het handvat op het parket
en de loop naar de lucht gericht, het zeil waarin ik geslapen had opgerold tegen de muur
stinkend naar bloed en poep en mos
en de ree met wie ik niemand en nergens was stond in mijn verbeelding nog steeds
met haar kop naar de oranjerode zon gericht, haar geur aan de bomen gesmeerd
mijn aanwezigheid voor haar verborgen door de afdrukken van de berenpoten waarin ik
mij had bewogen terwijl het bos zich bezighield met het dreigende donker
de ree en ik, wij maakten in de stilte van het bos een afspraak
zoals ik die maakte met de zeemeeuwen, de kustwacht, de partyboot,
het opblaasdier en de miljoenen vissen
in de meters tussen de loop van mijn geweer en haar slaap, naar mij toegekeerd
zowel uitnodiging als uitdaging, met alle miljarden dingen die in de ruimte
tussen ons in gebeurden, die ons deden samensmelten
die het moment van ontsteking aankondigden
voordat de eerste vonken
zichtbaar waren

Allerlei herinneringen, zelf meegemaakt of in dromen beleefd, liggen ten grondslag aan de vonken. En die herinneringen lopen van het begin van het leven tot het nu en die zijn gekleurd door de positie van de ‘ik’ in de wereld. Maar die ‘ik’ beschouwt zich meer als een reflectie van zichzelf: een silhouet, een schaduw, een spiegelbeeld in het zwarte water. Dat is een afsplitsing van jezelf, iets waar je zelfs mee in discussie kunt gaan. Het spel met identiteit vormt een belangrijk thema in de bundel. Soms zijn passages uit te leggen als strijdlust van een zwarte vrouw tegen onrecht in de maatschappij, maar ze zijn ook uit te leggen als een zoektocht naar identiteit. Wil ik zijn wat anderen mij maken? Daarover zijn verschillende regels te vinden:

     0  want mijn lichaam is meerdere lichamen
     0  ik wil een gang bouwen die nergens naartoe leidt / en er al mijn lichamen in opsluiten
     0  ik schreef vijf versies van mezelf, die mannelijk, gebroken, / lichaamloos en in de war waren
     0  ik kan mezelf in honderden vormen presenteren

De ‘ik’ ziet zichzelf als een ‘in een mal gepropte versie van Kunta Kinte’, de hoofdpersoon van een slavensaga en de eerste slaaf die nog volledig met zijn wortels in de Afrikaanse cultuur zich moest aanpassen aan een nieuw ruig bestaan in Amerika. Door de populariteit van de televisieserie verworden tot een geromantiseerd slachtoffer. Wil de ‘ik’ wel passen in dat model? In IV lezen we: ‘alle zwarte mensen is een vergane kunstvorm waar slechts enkelen naar terugverlangen’. Je bent wat anderen jou maken, daar valt niet aan te ontkomen hoewel de ‘ik’ denkt te kunnen ontsnappen door op vakantie te gaan, maar ‘het vliegtuig komt niet van de grond’ (VI). Het gevecht gaat door tot aan de dood, tot aan het zwarte water.

In IX lezen we: ‘Dit gedicht is een combinatie van meerdere gedichten en / er is een mooi en pijnlijk ding dat mij dicteert’. De dichter als doorgeefluik. De bundel als afstudeerwerk, maar dan van iets meer dan een opleiding in de kunsten. Het levert een indrukwekkend resultaat, een bundel waar je vaak naar terug kunt keren omdat je voelt dat er nog een laag is die je als lezer eerder over het hoofd hebt gezien. Atangana Bekono maakt kunst door in beelden te werken en niet in woorden, hoewel de beelden door de woorden tot stand komen. Goed dat ze afgestudeerd is, kan ze aan de slag om meer moois te maken.

***
Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ. Haar afstudeerwerk vormt de basis voor haar debuutbundel. Ze publiceerde op De Optimist, Samplekanon en in De Gids. Ze droeg voor op de Nacht van de Poëzie, Read My World, het Wintertuinfestival en vele andere podia.

Recensie van Shop Girl - Dominique De Groen

Maximaal toegevoegde waarde

Dominique De Groen
Shop Girl
Uitgever: Het Balanseer
2017
ISBN 9789079202478
€ 19,50
48 blz.

Vorm, veel vorm. De debuutbundel van de Vlaamse dichter Dominique De Groen is opgemaakt als een productbeschrijving. In de vormgeving van Shop Girl is veel aandacht voor nummers, trademark- en merkregistratiesymbolen en een bladspiegel met nauwelijks marge. Er moet altijd veel verplichte tekst in dat soort boekjes. De vorm verwijst naar wat gebruikelijk is in de logistiek van grondstof naar consument.

Taal, veel taal. Geen droog afgemeten veertienregelige verzen, maar stampende en dampende regels. Gedichten van pagina’s. Geschikt voor voordracht bij poetry slams, geschikt om te beluisteren. Associatief, herhalend, als een statement. Metrum en rijm is voor generaties die vroeger leefden.

Inhoud, veel inhoud, misschien iets te veel inhoud. Van de achterflap: “De bundel ontkiemde in de kelder van de Primark, waar Dominique De Groen een winter en een lente lang werkte.” Dichter De Groen wil in de acht gedichten uit de bundel een beeld neerzetten van een kledingwinkel als het einde van een lange keten, maar ze wil ook spelen met de taal van de logistieke managers die het proces uittekenen en begeleiden. En dan is er ook nog de ‘ik’ die enerzijds als medewerker in de winkel een pion is in de systeemwereld van productie tot consumptie en anderzijds consument zelf, want ook kleding dragend. De ‘shop girl’ uit de titel is het meisje dat komt shoppen en het meisje dat in de winkel staat om het winkelend publiek te helpen. Hoe vol al die ambities samen worden, is goed te lezen in het eerste gedicht waarin we alles tegenkomen: de taal van het textiel, de worstelende ik en de strijd om het allemaal onder woorden te brengen.

BETAALZONE

Ik vind mijn lichaam terug
aan het einde van een supply chain
die non-stop in mij leegloopt.

Laat alles weer uit me vloeien.

Je kan mij uit de betaalzone halen
maar je kan de betaalzone niet uit mij halen.
De winkelvloer kleeft aan mijn binnenkant
absorbeert alles.

Zo volgepompt dat ik het internet nodig heb i’m already world wide
laat ik me sneller uitbuiten dan mijn schaduw

en droom een wereld
buiten deze zone
waar ik naar terugkeren kan
na het scannen van een barcode
of een vingerafdruk.

Shop floor without end:
oersoep, proteïsche massa of seminaal vocht
de winkelvloer is nat
en buiten schijnt de zon.

Ik ontrafel een artikel
tot ik niet verder kan
en het kapitalisme zit er niet in

en wanneer ik de ruimte verlaat zal ik niet stoppen
me tot deze objecten te verhouden
die ik inslikte
om mezelf te kunnen aanraken.

Mijn lichaam verandert in een gedicht over het kapitaal
en ik hang vast in kleverige wolken

van elastaan
polyester
geëxpandeerd polystyreen.

Intimiteit sijpelt weg
uit mijn aanrakingen

vloeit terug
langs backward linkages.

We zien verwijzingen naar technische vakliteratuur gemengd met clichés. We zien een snelle wisseling tussen het lichamelijk intieme en het plastisch technische waarbij het laatste domineert waardoor het persoonlijke, het emotionele ondergeschikt is. Dat laatste komen we tegen in alle gedichten. Het gedicht ‘Colour Management’ heeft een wat afwijkende vorm, namelijk die van een kort toneelstuk in drie bedrijven. De personages zijn de abstracties uit het logistieke systeem: de Colour Forecasting Agency, de Colour Managers en diverse kleuren. Hun gesprekken vinden plaats in de ChromaZone en de Betaalzone. Abstracties binnen abstracties, waarbij ik, lezer, op afstand word gehouden. Ik lees taal die ik tegenkom in het onaantrekkelijke proza van beleidsnota’s en wetenschappelijk onderzoek als de ‘Colour Forecasting Agency’ uitlegt waar de voorspellingen op zijn gebaseerd:

(…)

Data over consumentenvoorkeuren
revoluties in lifestyletrends
gebeurtenissen in wereldsteden.
Culturele factoren
economische factoren
sociale factoren.
De impact van kleur op emoties
waarneming en lichamelijke toestand van de mens.

(…)

De levenscyclus van textiel gaat een alternatieve stroom nadat een consument ermee klaar is. Want de niet-verkochte of voldoende gebruikte broek gaat via een ‘wormgat’ naar ‘andere zones / in ruimte en tijd.’ En dan is de ‘ik’ weer aan de beurt om te sorteren, te ordenen en te strijken. Uit het gedicht ‘Ghosts in the Shell’:

(…)

ik reanimeer lompen
in een dorre zone
herstel percentages
van teloorgegane waarde (…)

Alles is gericht op $$$ vermeerderen tot aan de maximaal toegevoegde waarde, aldus de dichter. De dichter heeft hard gewerkt om de vele lijnen te binden, maar vraagt dat ook van de lezer, die moet ongelooflijk zijn best doen om de vele en snel wisselende associaties op te pakken. Op de achterflap is sprake van een poëtisch epos in de traditie van Vergilius maar voor een dichterlijk epos is het te weinig lyrisch, te fragmentarisch. Het beeld van de stroom van zijderups naar onderbroek wordt zo vaak onderbroken, dat het onvoldoende tijd krijgt om vorm te krijgen. Shop Girl van Dominique De Groen is een vormrijk debuut, met inhoud, duizelingwekkend veel inhoud. Een kledingwinkel beschreven als het eindpunt van een lang en dynamisch proces: van zijderups tot onderbroek. De ‘ik’ is onderdeel van het geheel en staat tegelijkertijd buiten het verhaal en er middenin als deel van de cyclus en als slachtoffer. En de lezer ziet het aan en kan niet ingrijpen want weet niet waar hij moet beginnen.

***
Dominique De Groen (1991) debuteert met Shop Girl. Werk van haar werd gepubliceerd in Deus Ex Machina, op Samplekanon en hard//hoofd. Zij post poëzie en beeldend werk op http://www.vulpix91.be.