Recensie van Dwaalwegen. Gedichten - Bernlef

Mijmerende invallen, dwaalwegen van Bernlef

Bernlef
Dwaalwegen. Gedichten
Uitgever: Querido
2008
ISBN 9789021434551
€ 16,95
81 blz.

‘Hier waar het gedicht niet kan komen/ de woorden elkaar afstoten/ dit is wat men noemt ‘het vrije veld’. Met deze ironische aanzet zet Bernlef de bakens uit voor Dwaalwegen, zijn jongste dichtbundel die gekruid is met de klassieke Bernlef-ingrediënten, zoals daar zijn: de onkenbaarheid van de werkelijkheid, het afwezige en de onmogelijkheid om datzelfde afwezige in taal te vatten. ‘Dwaalwegen’ is in dat opzicht een metafoor die goed de vertrouwde Bernlef-lading dekt want, zo gaat het openingsgedicht verder: ‘Toch moet het hier ergens zijn, beginnen/ wat men later zijn herinneringen noemt / Maar nu nog een toestand waar geen mens/vat op heeft, waarvoor geen woorden zijn’.
Dat wordt een potje gevat omcirkelen van de leegte, denk je als goedmenende lezer en inderdaad, dat is wat de daaropvolgende tachtig pagina’s doen: onbestemd erop los mijmeren in een vorm die aan gedichten doet denken maar zich zelden waarmaakt als een echt gedicht. Ik zal me niet wagen aan een sluitende definitie van wat een tekst tot een gedicht maakt. Maar ik denk dat velen het met me eens zullen zijn dat ‘Ook al is de piste leeg/ klinkt daar nog het hoefgetrappel/ van de lippizaner’ een onbenullig verwoord afwezigheidsbeeld is; dat ‘Scherp maar naar de kern toe/ steeds verder vervagend’ een would-be haiku omschrijving is van schaduwen; dat ‘Wat dit betekent?/ Het voorbijgaan van tijd, meer niet./ Niet meer?’ een vermoeiend spelletje woorden omkeren is; dat ‘Een aanzoemende bij weet precies/ wat hij zoekt: eerst zien, dan eten.’ niet alleen een monster van een dichtregel is maar zich bovendien ook nog eens aan onovertroffen pseudowijsheid bezondigt; dat ‘De ware kunstenaar heeft het nakijken/ ziet van hem af en schept met de hand/ de leegte die de vogel achterliet, de tak waarop hij zat/ nog lichtjes trillend boven de stromende rivier.’ eerder de prijs van de flauwe woordspeling verdient dan het predicaat ‘gedicht’.

Gênanter wordt het wanneer het stijlmiddel ‘humor’ op de proppen komt:

Een duif is geen vogel
een duif is een steen

die wanhopig probeert zich te voegen
in de muren van de huizen. (…)

Van dergelijke voor het oprapen liggende woordspelingen wemelt het in Dwaalwegen. Soms ontaardt de humor in pure onderbroekenlol, zoals in het gedicht ‘Processie’, waar ik hier even ruim uit citeer voor het geval men mij van overdrijving zou verdenken:

Terwijl iedereen devoot zijn blik ten hemel hief
hield hij de zijne op de teder uitgestulpte anus van het paard gericht
rond en dampend vielen de vijgen voor hem neer

Hij bukte (god of de natuur had hem en tonsuur geschonken)
en schoof ze een voor een met zijn korte bezem op het blik
net als de paarse prelaat die voor hem liep volledig in zijn werk verdiept

Heilige Maagd Maria, moeder Gods, mompelde het volk en
weer viel een vijg en toen een regen kleinere
alsof het paard gevolg gaf aan hun bede
(…)

Daar kan zelfs de eerste de beste folkloredichter niet aan tippen en dan heb ik nog niet de laatste in diepzinnigheid overslaande regel geciteerd: ‘(misschien telde hij de vijgen/ voor hij ze van het blik omzichtig in een jutezak liet glijden)’.

De bundel besluit met een reeks vormeloze en weinig geïnspireerde gedichten over uitvinders (Daguerre, Sax, Nobel, et cetera) die de titel van de bundel nog eens in herinnering moeten brengen: gedichten en uitvindingen komen tot stand langs de dwaalwegen van de geest. Helaas voor Bernlef heeft zijn gedool en gedwaal weinig opgeleverd. Indien dit manuscript anoniem op de redacteurstafel van de uitgeverij was beland dan had elke redacteur de publicatie ervan verijdeld. Maar in het geval van een gevierd schrijver als Bernlef heeft men blijkbaar van elke kritische ingreep afgezien en blijft er niets meer dan een wegdwalende bundel met mijmerende … ja, wat? … invallen.

*****

Bernlef (1937) schrijft gedichten, romans, verhalen, toneelstukken en essays. Zijn poëziebundel Morene kaapte in 1962 de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam weg. In 1984 werd zijn volledig oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs en in 1994 werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend voor zijn poëzie.

Recensie van Hond in Pompeï - Ineke Holzhaus

Een reis van begin tot eind

Ineke Holzhaus
Hond in Pompeï
Uitgever: Wagner & Van Santen
2008
ISBN 9789076569734
€ 15,95
63 blz.

Eerlijk gezegd, was ik een beetje met tegenzin aan Hond in Pompeï, het late debuut van actrice Ineke Holzhaus, begonnen. Uitvoerende kunstenaars koesteren vaak de heimelijke wens om ook eens een onsterfelijk vers of lied te schrijven en meestal levert dat een knap gemaakt maar weinig boeiend resultaat op. Ach, weer zo’n goedbedoelde poging van iemand die het klappen van de zweep kent maar eigenlijk niets prangends te vertellen heeft, dacht ik… tot ik mij aan het lezen zette…en mijn vooroordelen gedicht na gedicht voor de bijl zag gaan.

Holzhaus heeft een prachtige debuutbundel bij elkaar geschreven die ingetogen op zoek gaat naar de roots, nergens uitschuift over gezwollen beeldspraak of gezochte taalsnufjes, zeer beheerst de gevoelens raakt zonder ze op te blazen en zich van een rijk beeldtaalregister bedient. 

Roos

Men moet de bloemen water geven
aan de voet, een waaier maken, wortels weten,
eenjarig, meer, niet beschadigen, gescheurd,
gezaaid, vergeten wanneer, uitzicht innemen,

als op de grens van slaap na de daad, perzik
opengedraaid, vruchtdraden zweven aan de pit,
een tuinman haast zich niet, men moet ook in
de bloemen binnenbreken, over de rozen niets
dan goeds, over de rozen niets, niets dan de roos

bemesten, het woord water geven, langzaam,
hier, voor het donker wordt, aan de voet.

Met dit gedicht zitten we halverwege de bundel en hebben we intussen de ruïnes van Pompeï en een reeks ‘onderweg-gedichten’ over Frankrijk achter ons.  Hond in Pompeï leest als een reis die begint bij de oudste overblijfselen van onze beschaving en via een paar uitstapjes eindigt bij de letterlijke roots van de dichteres. De sterkste gedichten zijn dan ook die waarin ze – bijna organisch – het contact met het verleden probeert te herstellen. ‘Onder de tuin ligt een andere tuin’ is een even simpele als alleszeggende beginregel van een gedicht waarin de band tussen grootmoeder, moeder en dichteres wordt opgegraven.

(…)
mijn hand wroet laag voor laag tot  hij
zwart bovenkomt, onder mijn huid staan
haar blauw geaderde initialen geschreven,

ik leg droog wiedsel om, trek wortels
uit de ondergrondse moestuin tot ineens
mijn moeders handen zich uitsteken in mij.
(…)
Onder de tuin.

Op een langoureus, zangerig ritme wordt afscheid genomen en naarmate de bundel vordert maken de beelden plaats voor eenvoudige mededelingen die diep in het vel snijden:  Vooral in supermarkten overval je mij/ met je afwezigheid, hang ik verzwaard/ op winkelwagens of een glimlach oproepen: het stadsgras dat elk jaar goede moed vat  of  de verlatenheid beschrijven : verder gebeurt er niets tussen de huizen/ de mussen die zo tsjilpten zijn verdwenen.
Het laatste en wat mij betreft het mooiste gedicht vindt de perfecte balans tussen beeld en taal :

Wit het weiland

Wit het weiland achter de nabije tuin,
geen gras te zien of een ademend wezen.

Ontvouw me in velden van dauw, in nevel,
wanneer mijn tekening drupt op de ruit.

Boomstammen schetsen zich bladerloos
zwart het overbelichte beeld in. Takken.

Ook vruchtbeginselen zichtbaar en daar
eindelijk het ritselen van een dier. Vogel.

De Dag is goed voordat de dag begint.

Ineke Holzhaus (1951) is actrice en speelde vele kleine en grotere rollen. Ze is ook bekend als voordrachtskunstenares en trad ondermeer op op Poetry International. Een interview met Holzhaus kunt u hier beluisteren.

Recensie van Droomvlees - L.F. Rosen

Heldere soep in een diep bord

L.F. Rosen
Droomvlees
Uitgever: Wagner & Van Santen ,Wagner & Van Santen ,Wagner & Van Santen
2008
ISBN 9789076569710
€ 15,95
60 blz.

L.F. Rosen is een dichter die het niet van flitsende beeldspraak of scherp geformuleerde statements moet hebben. Evenmin is hij een dichter die de lezer met vloeiende verzen en meeslepende ritmes op sleeptouw weet te nemen.
De poëzie van Rosen zou je kunnen omschrijven als een reeks beeldrijke gedachten die vertikaal over het blad zijn uitgezet en op een drafje naar een eindconclusie lopen.
Veel gedichten in Droomvlees, zijn vijfde bundel, geven de indruk niet echt gedichten te zijn maar gecomprimeerde flarden van een redenering. Woorden als ‘dus’, ‘want’, ‘echter’ duiken regelmatig op en verraden een betoog dat er in wezen niet is. Rosen strooit gedachten, schept beelden die in een wazig verband achterblijven.

Waar is het in Droomvlees precies om te doen? De bundel wekt de indruk rond één thema te zijn opgebouwd. In het eerste deel staat het (zieke) lichaam centraal. Het openingsgedicht begint met een aardige beschrijving van de longen, een orgaan dat ‘evenzeer geniet van de vrolijke tabak /als van de dodelijke zuurstof’ en vervolgens:

(…)
En zijn binnenwanden bekleedt
Met de huid van de wereld
Om ons vertrouwd te maken
Met het kelderstof
En de huidschilfers
Van onze naasten.

‘Longfuncties’

Maar het blijft niet bij het zieke lichaam, er is meer aan de hand. Verschillende gedichten behandelen het thema van het afscheid. Gaandeweg wordt het duidelijk dat de dichter worstelt met een afscheid. Van een geliefde? Een familielid? Een vriend? Dat wordt nergens expliciet gemaakt. In elk geval is het een afscheid van een aftakelend lichaam. Een afscheid dat zich definitief voltrekt in het titelgedicht met het afleggen van het lichaam, en waarvan de laatste strofe als volgt luidt:

(…)
Maar mijn handen zakken almaar dieper in je weg.
Het kost mij
Moeite om mijn vingers uit je los te trekken.
Tegelijk
Laat immers ook je vel los. Als een slordig, roze
Douchegordijn
Valt het van je schouders. Als zweterig water kleef ik
Er aan vast.

‘Droomvlees’ 

Het lichaam lijkt me in de eerste plaats een metafoor voor de vergankelijke werkelijkheid. Het is hetgeen waaraan we het meest gehecht zijn, maar wanneer we erin slagen om er afstand van te nemen ligt de weg open naar een hoger begrip van de werkelijkheid. Dan kunnen we zoals in het gedicht ‘Vragen aan het vlees’ eindigen met de eerste vraag:

(…)
Is niet elk lichaam
Een hemellichaam –
Heeft het niet zijn brandende
huid en zijn vloeibare kern
met de sterren gemeen ?

‘Vragen aan het vlees’

De bundel eindigt met een beklijvende beschrijving van mensen die op weg zijn naar een begrafenis. ‘Maar we begraven een ander’ besluit de dichter. Het vlees is droomvlees geworden.

Een aantal gedichten had wat mij betreft tot hun aforistische kern herleid kunnen worden, sommige gedichten willen teveel zichzelf bewijzen en worden daarom wat steriel, maar als het allemaal goed zit, schiet Rosen raak :

Als een roestige speer schiet
Een schreeuw uit zijn keel.
Wij leggen hem achter een scherm.

Gulzig geworden van onze aandacht
Dompelt hij ons onder in zijn zwijgen.

Als wij de dekens opslaan
Verschijnt een zenuwachtig,
Grijs vogeltje achter zijn ribben.

Dus rijden wij hem op grote wielen naar
Een plaats die wellicht meer toekomst biedt.

Waar hij weer de kleur
Van voedsel kan krijgen –
Van gewassen fruit en rood
Vlees. En waar heldere soep
Wacht in een diep bord

– een vogeltje
erin kunnen
verdrinken.

‘Beschutting’

‘Heldere soep in een diep bord’, ofwel: de hele kosmos in één zin, op die vierkante millimeter schittert de echte Rosen.

*****
 
L.F. Rosen (pseudoniem van Leo van der Waal, 1953) debuteerde met Adel een bundel die werd genomineerd voor de Cees Buddingh’-prijs in 1994.
Daarna volgden: Al het aardsch geluk (1995), Onhandig hart (1998), Brandhaarden (2000), Doorwaadbare plaatsen (2004) en Droomvlees (2008).

Interview met Bastiaan Kroeger

Acht gesprekken in Duizend Woorden

Bastiaan Kroeger (1978) studeerde in 2001 af als geheugenpsycholoog aan de Universiteit van Amsterdam en in 2006 aan de Filmacademie als scenarioschrijver met de films Teer en Otzenrath, last day. Daarna is hij zich volledig gaan richten op het schrijven voor film en televisie, maar combineert hij dit graag met proza. Zijn korte verhaal ‘Negen dagen uit het dagboek van een ongelukkige jongen van twaalf’ leverde hem in 2006 de publieksprijs op van de Bibliotheek Nijmegen Literatuurprijs. Het verhaal ‘El Paso’ werd opgenomen in het winternummer van Lava. Het eerstvolgende filmproject is de Frans gesproken film C’est déjà l’été, die eind 2008 in première gaat.

In september 2005 startte uitgeverij Nieuw Amsterdam in samenwerking met VPRO’s De Avonden en NRC Handelsblad het verhalenproject Duizend Woorden. Het project biedt aspirantschrijvers de kans hun verhalen van maximaal duizend woorden te laten beoordelen door een jury van professionele schrijvers. De beste verhalen worden wekelijks voorgelezen in het gelijknamige radioprogramma van de VPRO en maandelijks wordt het allerbeste verhaal geplaatst op de achterpagina van NRC Handelsblad. Talrijk zijn de ingezonden verhalen, hoog is de kwaliteit. Van de 1500 inzendingen werden de beste in een bundel samengebracht, De beste verhalen van Duizend Woorden. Daaruit selecteerde Meander een favoriet: ‘8 gesprekken’ van Bastiaan Kroeger. We waren vooral getroffen door de rijpheid waarmee deze jonge scenarioschrijver actuele thema’s aanpakt. Net voor hij het vliegtuig wilde nemen naar Malaga, om er zijn dertigste verjaardag te vieren, legde Meander hem vlug nog een paar vragen voor.

Na je studie psychologie koos je voor de studie scenarioschrijven aan de Filmacademie in Amsterdam. Was het een plotse ommezwaai of zat het er al aan te komen?
Mijn zus en ik bespraken op mijn zesde en haar zevende verjaardag onze toekomstige carrières. We besloten dat we allebei het liefst met denken ons geld wilden verdienen. Allebei zijn we trouw gebleven aan deze belofte: ik schrijf en mijn zus is woordvoerder voor een groot bedrijf.
Tot mijn achttiende vond ik dat ik niet genoeg had meegemaakt om als schrijver serieus genomen te kunnen worden. Vandaar dat ik eerst psychologie ging studeren en eerst zaken als liefde, eenzaamheid en verlies van onschuld zou meemaken. In mijn naïviteit dacht ik dat dit vereisten waren om werkelijk mee te kunnen tellen.
Toen ik tweeëntwintig was en in Texas stage liep, besloot ik dat het tijd werd om het schrijven serieus te gaan nemen. De ruimte van Amerika en het gevoel dat alles mogelijk is als je maar echt wil, versterkten mijn overtuiging.

Is je studie psychologie bepalend voor de keuze van je thema’s en voor de vorm van je proza en scenario’s?
Niet echt. In het begin bladerde ik wel eens in de DSM-IV – een handboek voor het bepalen van psychische stoornissen – om te kijken welke persoonlijkheidsstoornis interessant zou kunnen zijn voor een protagonist, maar dat labelen sloot mijn creativiteit buiten. Door het karakter als een marionettenspeler te categoriseren, kwam ik boven hem te staan en vond ik hem minder boeiend. Het karakter kreeg hierdoor niet meer de vrijheid om mij te verrassen.
Ik denk wel dat deze studie een goede basis vormt, omdat ze je helpt te kijken naar de pathologieën in de gezonde mens en anderzijds naar het ‘normale’ bij de pathologische gevallen. Belangrijk is om te beseffen dat we allemaal niet bijzonder veel van elkaar verschillen, waardoor ik het als mijn taak beschouw om zo eerlijk mogelijk over mezelf te schrijven en dat het daardoor intrinsiek herkenbaar is.

‘8 gesprekken’ voert ons op een heel directe manier binnen in de wereld van de callcenters, een geautomatiseerde wereld waar elke minuut letterlijk telt. Je voelt je als lezer in een soort gevangenis zitten. Heeft Bastiaan Kroeger een callcenter-verleden?
Ergens diep verborgen in een kast ligt een gouden speld die ik van de Nationale Postcode Loterij opgespeld heb gekregen toen ik er vijf jaar in dienst was. Veel te veel mensen heb ik overgehaald om door te blijven spelen. Het lastige was om er weg te gaan. Per verkocht lot was er een bonus op je toch al niet onaardig basisloon en als je halverwege het jaar het helemaal gehad had, bekroop je de angst dat je de kerstbonus zou gaan mislopen. Zo ben ik aan mijn ipod, digitale camera, computer en mountainbike gekomen. Op een gegeven moment kwam ik toevallig terecht bij Post Office van Charles Bukowski. Dat boek kwam op precies het juiste moment en troostte me. Ik lette extra op en nam me voor om eens wraak te gaan nemen, door het op te gaan schrijven.

Het rendement en de controle op het personeel grenzen aan het onmenselijke. Is dit je algemene kijk op het kapitalistische Westen? Zijn we definitief aanbeland in het ontmenselijkte paranoïde systeem waarvoor Kafka al waarschuwde?
Ik vrees van wel. Het laatste privédomein vormen onze gedachten en ik neem aan dat ik niet meer ga meemaken dat we zelfs daar bang voor moeten zijn, maar helemaal zeker ben ik niet. Die dag gaat vast komen. Tegelijkertijd is het beangstigend hoe vrijgevig men is met zijn privégegevens.

Heb je ooit overwogen om poëzie te schrijven?
Toen ik zestien jaar was en me als rechtgeaarde puber met een gevoelige inborst onbegrepen achtte, heb ik een tijdlang poëzie geschreven. Sinds ik er achter ben dat het niet zo belangrijk is dat ik onbegrepen ben, schrijf ik geen poëzie meer. Maar het heeft er meer mee te maken dat ik poëzie als de hoogste taalkunst versta. Met zo weinig woorden zo veel mogelijk oproepen, daar acht ik mezelf nog niet goed genoeg voor.

Scenario en proza: waar ligt voor jou het verschil – gesteld dat er een verschil is – en waar gaat je voorkeur naar uit?
In mijn proza kan ik mijn liefde voor taal kwijt. In scenario’s kan dat niet, daar moet – van de gaffer tot aan de jongens van de grip – iedereen snappen wat er staat. Om zes uur ‘s ochtends tussen het sjouwen van de lampen door, zitten ze niet te wachten op dubbelzinnige beeldspraak of een fijne alliteratie. Scenario’s moeten helder zijn. Natuurlijk moeten ze ook een sfeer en beelden oproepen, daar gebruik ik de taal ook voor.
Het heen en weer snijden tussen twee verschillende tijden, meerdere protagonisten en de gedachten van de karakters lenen zich beter voor proza. Alhoewel ik zelf zeer van karig proza hou.

Is er voor jou een verschil tussen een scenario en een theatertekst?
Een scenario is een blauwdruk voor een film en moet dus beelden oproepen. Persoonlijk vind ik dan ook dat een film een minimum aan dialogen moet bevatten. Beeldtaal daar gaat het om.
Een theatertekst moet anderhalf uur gespeeld kunnen worden door een paar acteurs en leunt dus meer op de taal an sich. De bewerking van Toneelgroep Amsterdam van John Cassavetes’ film Opening Night toont dat het niet meer zo strikt is zoals ik het schets, en dat met projecties en televisies een cross-over tussen film en toneel op de planken mogelijk is.

Wie zijn je helden?
Tsjechov, Cassavetes, Tom Barman, en Paul Schrader voor het scenario van Taxidriver – een film van Martin Scorsese, een van mijn favoriete films overigens, net als Pickpocket van Bresson en Sue van Amos Kollek, en het werk van Ozu.

Je favoriete boek?
Mes Amis van Emmanuel Bove, Portret van een jongeman van Coetzee, De Avonden van Gerard Reve, de korte verhalen van Raymond Carver en Tsjechov, Honger van Knut Hamsun en Schuld en boete van Dostoyevsky.

Je favoriete schrijfmoment van de dag?
Overdag. Ik vind dat je het niet mooier moet maken dan het is. Voor mij is het mijn werk, en ik vind dat ik dat acht tot negen uur per dag moet doen, vijf of zes dagen per week. Of zoals Kees van Kooten over schrijven zei: ‘Het is niets anders dan blijven zitten tot het er staat’.

Otzenrath en Teer, de twee kortfilms waarmee je afstudeerde, gaan respectievelijk over afscheid nemen van een dorp dat plaats moet ruimen voor een koolmijn en over een meisje dat zich het lot van een illegaal aantrekt. Je thema’s kaderen vaak in een groter sociaal verband. Kan je hier iets meer over vertellen?
Filmverhalen gaan vaak over ontmoetingen, en om alleen dat particuliere te tonen van twee individuen die al dan niet na wat hobbels tot elkaar komen, vind ik te mager. Het wordt interessant als je en passant ook iets vertelt over hun omgeving, hun cultuur of hun geloof, als het tegelijkertijd een tijdsdocument kan worden. Een idee voor een film begint in mijn geval met iets wat mij verontrust, wat me echt bezighoudt. Voor Teer waren dit jongeren die zo lethargisch zijn dat ze van gekkigheid niet meer weten wat hun waarden zijn en van de ene oppervlakkige bevrediging naar de andere springen. Zo’n exponent van de westerse consumptiemaatschappij contrasteren met een illegaal die nooit aan die verveling toe zal komen, werkt volgens mij goed.
Elke beschaving kent haar eigen problemen: een cynisch meisje dat onzinnige feiten uit haar hoofd leert om wat te doen te hebben en geen houvast heeft door het wegvallen van structuur, religie of duiding vind ik ook behoorlijk problematisch.

Vaak gaat het ook over personages die een nieuwe wending aan hun leven geven. Kunnen films, boeken, iets wezenlijk veranderen in een samenleving?
Films en boeken kunnen ogen openen, vaak beter dan politiek dat kan. Zo heb ik al veel geleerd over Japan door Ozu en Imamura en over bijvoorbeeld Iran door Kiarostami. Sociaal-geëngageerde makers als Mike Leigh en Ken Loach kunnen misstanden aantonen die tot nieuwe wetsvoorstellen leiden.
Persoonlijk denk ik dat je je als maker op het individu moet richten. Een reactie die Bergman kreeg van een pompbediende die zijn film had gezien, vind ik een mooi voorbeeld. Die man hadWilde Aardbeien gezien en zei tegen Bergman dat hij na het zien van die film zijn moeder, die verderop woonde, vaker was gaan bezoeken.

Je maakt graag een mix van fictie en documentaire. Ben je van plan om in de toekomst op deze weg verder te gaan?
De speelfilm die we eind dit jaar in Seraing gaan draaien kent die mix ook. Het werken met non-acteurs, zoals Bresson en de neorealisten deden en tegenwoordig Carlos Reygadas doet, vind ik zeer schoon. Het zijn dus documentaire elementen in een fictie-verhaal, die erg sterk kunnen zijn. Mijn toekomstige films moeten niet gehinderd worden door herkenning van de acteurs uit een spelshow of een roddelblad. De kunst is om een zo waarheidsgetrouw scenario te schrijven dat achteraf iedereen ervan overtuigd is dat het verhaal en de dialogen improviserend tot stand moeten zijn gekomen.

Kun je je voorstellen dat je de rest van je leven alleen achter een bureau doorbrengt met het schrijven van proza?
Ja, zou kunnen, maar voorlopig bevalt het schrijven van scenario’s me vrij goed. De combinatie van en proza en scenario’s lijkt me ideaal.

Moet je als scenarioschrijver niet – te veel – inboeten aan autonomie?
Ja, maar het hangt af van voor welke projecten je gaat werken. Tot nu toe verkeer ik in de luxepositie om mijn eigen verhalen te laten verfilmen. Je weet als scenarist dat je een blauwdruk schrijft en dat daarna de regisseur de feitelijke auteur gaat worden, omdat hij meer artistieke keuzes gaat maken. Dat is een gegeven. Vandaar dat ik het prettig vind om ook korte verhalen te schrijven. Dan hoef ik het met niemand over de motivatie van de protagonist te hebben, of over een te trage introductie. Als je voor een bepaald soort televisie gaat werken, verpacht je je talent aan mensen die andere motieven hebben. Daar probeer ik verre van te blijven.

Je was onlangs in Seraing voor de voorbereidingen van je volgende film. Al bekomen van dit Waals stadje aan de Maas?
Twee maanden Seraing kon ik alleen overleven door veel te hardlopen, gezond te eten, goede films te zien en veel met mijn lief te bellen. Ogenschijnlijk is het een afzichtelijke, grauwe afvoerput, een perfect decor dus voor een film, waarvan je gruwelen achter elke garagebox verwacht. Maar na een paar weken werden de regisseur, met wie ik daar verbleef, en ik in de gemeenschap opgenomen en zongen we samen met hen karaokeliedjes van Joe Dassin en Johnny Hallyday en dronken we Jupilers.

Wat is je allergrootste droom?
Zo’n goede scenarist worden dat interessante buitenlandse regisseurs naar mij toekomen. Eigenlijk de carrière die de Italiaanse scenarist en auteur Tonino Guerra had; hij werkte met Antonioni, Tarkovski, Fellini en Angelopoulos. En daarnaast een paar mooie bundels met korte verhalen en een paar romans publiceren.

Lees ‘8 gesprekken’ van Bastiaan Kroeger.

De beste verhalen van Duizend woorden
Nieuw Amsterdam, april 2008;
ISBN 978 90 468 0366 0