Gedichten

 BIO UNDERGROUND

geen gedachte

eerder een dans van silhouetten
door een andere hand ingeweven in deze stolp

opgevraagde geheimen worden uitgestald
tekencombinaties die ooit van tel waren
gefingeerde namen van gevingerde fantomen
wat eikelkapjes uit een doos achter in de lade
wellicht verlopen wachtwoorden tot het hart

binnenwegen

om een ontglippend
gewicht wat
voor te zijn

alle omwegen

die langs diepe lussen in de slaper
sluipen naar een klok

en nog te zwaar om grond te raken

Om te navigeren tussen verschroeide arealen
van de hemel volstaat geen vuistvol geluk:
een koppelriem door beren warm geademd.
Vlees is wit en blind als het gesneden wordt.

De hitte van een tel, een rokend hert prijkt als licht
met steeds meer stolpen overheen gezet.
Geen dier dat verdwijnt met bedachtzaamheid.
Geen gedachte als een val die meer ontglipt.

Incarnatie

Verlanglijst die met reuzenwieken wentelt rond de tijd
waarop een inktvlek uitgroeit tot een vlinder, een silhouet

van nog onbezielde dieren – niet bebroede gebieden
in het geduld genaamd lucht, in de lucht die rond ons wacht.

Stuifsel dat eeuwen in de ruimte danst, vormt een zesde zintuig
op een nacht – een stad op het oog, of een blik op de droom

die woelt in de schedel van een slang. Achter de daglijn
in de zolderschemer tussen afgeknaagde flessendopjes

wordt met onzichtbare kinderlippen de wereld opgesomd.
‘Het is niet Alexandre. Hij is het niet, ik zweer het je.’