Recensie van Ik herhaal je - Ingrid Jonker

De achttiende druk en toch een recensie. Waarom?

Ingrid Jonker
Vertaler: Gerrit Komrij
Ik herhaal je
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057599125
€ 19,99
221 blz.


Het leven van Ingrid Jonker
(1933 – 1965) blijft velen tot de verbeelding spreken, misschien juist in
deze tijd. Het bevatte alle dramatische elementen voor een  succesvolle film  en mede dankzij Boulevard-achtige aanbevelingen (‘Meeslepende en ontroerende liefdesbrieven laten je proeven van de immense schoonheid en pijn van het bestaan’, stond er bijvoorbeeld in de kwaliteitskrant Trouw*) werd  Vlam in de sneeuw, haar onstuimige briefwisseling met André Brink, goed verkocht. Het verbaast daarom niet dat er een achttiende druk is verschenen van Ik herhaal je, bestaande uit een ruime, tweetalige selectie van haar gedichten en een biografie.
Omdat de fascinatie voor Jonkers leven onverminderd groot blijft, is het goed om nog eens aandacht te besteden aan haar werk. Ik doe dat voornamelijk aan de hand van een exemplarisch gedicht.

Haar oeuvre is niet groot: bij leven heeft ze de bundels Ontvluchting (1956) en Rook en oker (1963) gepubliceerd; Kantelson verscheen postuum in 1966. De selectie en vertaling van de gedichten is van Gerrit Komrij, de biografie die ook in deze bundel is opgenomen van Henk van Woerden.
De gedichten zijn sterk autobiografisch en dat zorgde voor de betrokkenen soms voor veel ongemak. Toch hoef je over haar leven niet veel te weten, want namen gebruikt ze nauwelijks en de gedichten hebben over het algemeen een wijder bereik dan het strikt persoonlijke. En, nog belangrijker, ondanks haar schijnbare nonchalance was ze een meester van de vorm: haar gedichten zijn klankrijk en ritmisch, ze schreef beeldend en haar woordkeus is aantrekkelijk. Dat beleef je pas echt als je de gedichten in het Afrikaans leest (de bundel is gelukkig tweetalig), want, met alle respect, in de vertaling van Komrij gaat veel verloren.
Om beide te demonstreren citeer ik het bekende gedicht ‘Bitterbessie dagbreek’ zowel in het origineel als in vertaling. Daarnaast laat ik aan de hand van dit gedicht de werking zien van een paar beelden die door haar hele werk spelen.

BITTERBESSIE DAGBREEK

Bitterbessie dagbreek
bitterbessie son
’n spieël het gebreek
tussen my en hom

Soek ek na die grootpad
om daarlangs te draf
oral draai die paadjies
van sy woorde af

Dennebos herinnering
dennebos vergeet
het ek ook verdwaal
trap ek in my leed

Papegaai-bont eggo
kierang kierang my
totdat ek bedroë
weer die koggel kry

Eggo is geen antwoord
antwoord hy alom
bitterbessie dagbreek
bitterbessie son

BITTERVRUCHT VAN DAGERAAD

Bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon
een spiegel is gebroken
tussen mij en hem

Wil ik langs de hoofdweg
rennend op een draf
telkens slaan er paadjes
van zijn woorden af

Dennenbos herinnering
dennenbos vergeet
waar ik ook verdwaal
trap ik in mijn leed

Papegaai-bonte echo
lacht me, lacht me uit
totdat ik bedrogen
op het spotwoord stuit

Echo is geen antwoord
antwoordt hij alom
bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon

Wat betreft de vertaling: neem de eerste strofe van het origineel. De herhaling van de medeklinkers ‘b’ en ‘s’ in combinatie met het ritme (‘Bitterbessie dagbreek / bitterbessie son) en het gekruiste rijm met de afwisseling van vol- en halfrijm, zorgen voor een speelsheid die tegengesteld is aan de inhoud, die daardoor des te schrijnender overkomt. Bij Komrij vind je daar niets meer  van terug. En in de tweede strofe: het tentatieve ‘Soek ek’ bij Jonker is veel sterker dan het wat verongelijkte ‘Wil ik’ bij Komrij. En ook het ‘oral’ (overal) past beter bij de verwarring waarin de ‘ik’ verkeert dan het ‘telkens’ bij Komrij. ‘Telkens’ is alleen maar irritant hinderlijk voor iemand die langs de hoofdweg wil draven.

Alles verkeert in zijn tegendeel in dit gedicht. Hier is ‘dagbreek’ geen belofte, zoals in gedichten als ‘Moenie slaap nie’ (‘Slaap niet’):

Moenie slaap nie, kyk!
Agter die gordyne begin die dag dans
met ’n pouveer in sy hoed                                                        pauwenveer

En in ‘Bitterbessie’ zijn de paden dwaalwegen, in andere gedichten uitwegen. Dennenbossen vormen herinneringen aan een gelukkige jeugd – voordat ze bij haar vader kwam te wonen, tenminste – , in ‘Bitterbessie’ is het : ‘dennebos vergeet’.
Een spiegel verbeeldt de verdubbeling ten gevolge van de liefde: ‘Mijn omhelzing heeft me verdubbeld (…) // in een kamer ver weg / achter de gemorste herfst / kijken je ogen verdwaasd / naar de spiegel van je lijf’ schreef ze in een gedicht dat ze opdroeg aan André Brink. Hoewel in dit gedicht ook geen sprake is van puur geluk, in ‘Bitterbessie’ is de spiegel gebroken.
Puur geluk vind je in het gedicht ‘Ik herhaal je’. Hier is niet zozeer sprake van verdubbeling, maar van een overvloeien in elkaar: ‘Ik herhaal je / zonder begin of einde / herhaal ik jouw lichaam/ (…) met mijn borsten / die de holtes van jouw handen imiteren’.  (In het Afrikaans luidt die laatste regel: ‘wat die holtes van jou hande namaak’. Ook hier is het origineel weer mooier; vertalen kan ondankbaar werk zijn).

Ook in haar geëngageerde gedichten, als ze zich tegen de Apartheid keert, is de liefde sterk aanwezig. Nelson Mandela maakte haar gedicht ‘Het kind dat is doodgeschoten door soldaten in Nyanga’ wereldberoemd door het (in het Engels) voor te lezen tijdens zijn inauguratie als president in 1994. (Het origineel en de Nederlandse en Engelse vertaling vindt u hier). De laatste regel van dit gedicht, ‘Zonder een pas’, verwijst naar de beruchte pasjeswetten. Bij de demonstraties daartegen schoot een soldaat het kind in zijn moeders armen een kogel door zijn hoofd – Jonker identificeerde zich met de moeder, het kind had haar dochter Simone kunnen zijn, maar, zoals ik al eerder zei, nodig voor het begrip van dit gedicht is deze wetenschap niet. Het heeft een veel wijder bereik.

Het tweede deel van Ik herhaal je, de biografie ‘De dag kent een smalle schaduw’, is onevenwichtig en schetsmatig: zo telt het deels in verhaalvorm gegoten gedeelte tot en met haar elfde jaar twintig bladzijden en de daaropvolgende twaalf jaar tot haar debuut in 1956 acht. Dat kun je Henk van Woerden niet aanrekenen. In zijn verantwoording uit 2000 schrijft hij dat de controverse waartoe Jonker tijdens haar leven aanleiding had gegeven nog steeds actueel was, het Jonker-archief angstvallig werd bewaakt door de erven, op de vier ongepubliceerde  proefschriften over haar een embargo rustte en dat het gedeelte van het archief dat in het bezit was van een neef alleen voor een grote som geld beschikbaar zou worden gesteld. In een noot vermeldt de uitgever dat er na het overlijden van Van Woerden in 2005 veel informatie is vrijgegeven. Een herziene versie van de biografie zou daarom welkom zijn geweest. Ook een volledige uitgave van haar gedichten is wenselijk, maar niettemin is het goed dat er een nieuwe druk van Ik herhaal je is uitgekomen.

***
*Geciteerd in de aanbeveling ‘Lees ook’ in Ik herhaal je.

Recensie van Een spreeuw voor Harriët - H.C. ten Berge

De wereld van Ten Berge

H.C. ten Berge
Een spreeuw voor Harriët
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789045035703
€ 29,99
392 blz.

Een spreeuw voor Harriët is de derde bundel essays, dagboekbladen en veldnotities van H.C. ten Berge. In het voorwoord lezen we: ‘Het nieuwe boek bevat wederom een brede selectie van oude en nieuwe stukken, die gedeeltelijk in verspreide publicaties werden opgenomen, maar destijds weinig lezers hebben bereikt. Een aantal teksten is herzien en soms grondig bewerkt en uitgebreid. Andere – waaronder de dagboekbladen en de meeste veldnotities – verschijnen hier voor het eerst.’
Het accent in de bundel ligt op poëzie.

Ten Berge schrijft net zo makkelijk over moderne Nederlandse literatuur als over dertiende-eeuwse, zowel over de moderne Mexicaanse poëzie als die van de Azteken. Van wijdlopigheid is nergens sprake: hij schrijft op een samenhangende, heldere wijze. In ‘Een hel van ijs’, over de  ‘angstnocturnes van Roland Holst en de spooksonates van Vestdijk’, voert hij ons eerst langs Coleridge, Maurice Gilliams, de filmer Fassbinder, Fernando Pessoa en de lyriek van het oude en moderne Mexico om te laten zien dat het niet om strikt particuliere aangelegenheden gaat. Hij geeft de slapeloosheid en doodsangst van beiden een ‘brede en algemene context, waarin de menselijke benauwenissen literair gestalte krijgen.’ Uitermate boeiend. Vaak ga je na lezing van een essay over tot de orde van de dag, ook als het interessant is. Bij Ten Berge is dat meestal niet het geval: hij prikkelt je nieuwsgierigheid, hij doet je verlangen naar meer.

Heel actueel en verhelderend zijn de passages over engagement in poëzie, een motief dat door de hele bundel speelt. In het essay ‘De grillige lijn: een verkenning van Breyten Breytenbachs geschreven werk’ uit 2009 stelt hij zich onder andere de vraag hoe dichters die zich niet uitsluitend willen beperken tot het estheticisme – simpelweg omdat zij wereldse wantoestanden niet willen of kunnen negeren – toch hun vormkracht kunnen behouden. In de periode dat zijn vriend Breytenbach een jarenlange gevangenisstraf uitzat vanwege zijn strijd tegen apartheid, noteerde Ten Berge het volgende:

Er is een vraag die je niet opwerpt
en ten slotte toch maar stelt –
                hoe wij ons vermogen tot omvormen,
rangschikken, vormgeven,
kunnen behouden en beheren
tegen de omnipotente aanwezigheid van het ploertendom in.

Breytenbach citeerde met instemming Seamus Heaney, die erop wijst ‘dat poëzie voor alles een uiting in taal is en dus een taalproces weerspiegelt, waaruit het plezier in zichzelf mag en moet blijken: de dichter dient de taal tot in de haarvaten en uithoeken van haar bereik te onderzoeken. Ze bestaan om haar zelfs wil, en is daarin autonoom.’ Maar, kort gezegd, er is ook ‘het leven achter de pagina’, (Breytenbach) en ‘elk waarachtig schrijver [roert] aan fundamentele ethische kwesties’.

Hoe moet je je dit voorstellen? Een van de ‘Veldnotities’, ‘Wat een schrijverschap in stand houdt & versterkt’, is de weergave van een college aan een Zuid-Afrikaanse studenten Engels, Afrikaans en ‘kreatiewe skryfkunde’. Hij geeft de ‘de grafomanen van de toekomst’ een aantal suggesties. Hier volgen er twee:

* Werp al het vuilnis van je af; onwerkzame invloeden tot een minimum beperken; het probleem, de pressie en de verleiding van ‘de media’ een plaats geven.
* Bij dit alles de wereld toch in het oog houden en volgen. Laat de chaos in de wereld jouw geest niet overnemen en bezetten. Observeer, interpreteer, kerf een beeld in taal dat beklijft.

Hoe zien we dat bij Ten Berge zelf terug? Ik heb zijn laatste bundel Splendor er nog even bijgepakt. Gedicht 5 uit de reeks ‘O de aarde’:

De huid van de aarde, prooi
      van geweld: haar aanschijn doorsneden,
geperforeerd en ontveld.
Wat geschonden werd en stilaan heelt
wordt weer gevild, doorboord, opnieuw
aan plundering blootgesteld.

De wellust der verblinding explodeert.
Wonden worden kraters, gapend
      In de zielen van de daders.

Een gedicht van ingehouden woede over de aarde die herhaaldelijk verkracht wordt, een intens gedicht, en dat komt door de vorm. Neem alleen al die sterke nadruk op ‘prooi’, noodzakelijk voorafgegaan door een pauze (lees maar hardop), gevolgd door nog een pauze, gevisualiseerd door de spaties aan het begin van de tweede regel: het woord komt aan als een hamerslag. En dat in combinatie met de personificaties ‘huid’ en ‘haar aanschijn’ die de weerloosheid van de aarde benadrukken. En dan de klank, de felle korte e in ‘geweld’, ‘geperforeerd’, ‘ontveld’ in regel 2 en 3, of de dreigende a in kraters, gapend, daders in de laatste twee regels. Dat woord ‘gapend’ maakt die kraters in de zielen van de daders nog dieper, zeker met de associatie ‘een kras op je ziel’ op de achtergrond.
Een derde suggestie: ‘Heb oog voor nuances en oor voor de klank. Oefen de tong voor de smaak van de woorden. De taal is jouw instrument: koester, verken en bespeel het. Volg je temperament’. In dit gedicht laat hij dat op overtuigende wijze zien.

Het college wekt de verwachting dat Ten Berge een warm voorstander is van ‘kreatiewe skryfkunde’. Niets is minder waar. In ‘Van schrijven naar lezen’ houdt hij ons voor dat de schrijversvakscholen hebben gezorgd voor literaire inflatie en dat ‘het peloton van gediplomeerde dichters en schrijvers (…) dikwijls niet meer over een behoorlijke kennis van de eigen traditie en de eigen literatuur [beschikt]’, hoewel hij erkent dat er vele vakbekwame jonge schrijvers zijn die ‘goed, zoniet uitstekend kunnen schrijven. (…) Wat ons parten speelt, is een tekort aan lezers, een overproductie van boeken, een gehavend literatuuronderwijs en een chaotische hoeveelheid verleidingen van allerlei aard. Het kleine ‘segment’ van de poëzie zou daarom gediend zijn met de opheffing van schrijverscursussen en de instelling van lezersvakscholen die tegen een laag tarief een leestraining van hoge kwaliteit bieden.’ Voor een dichter als hij is sowieso geen schrijfonderwijs mogelijk: je moet zelf iedere keer opnieuw leren schrijven als je de werking van taal tot in al zijn uithoeken wilt onderzoeken.

Er is nog veel meer. In zijn veldnotitie ‘Romance & Passion: de vijf gedaanten van Rein Bloem (1932 – 2008)’ laat hij zich onder andere uit over Bloem als vertaler van canto’s van Ezra Pound, iets wat ook hijzelf heeft gedaan. Het is prachtig om te lezen hoe precies hij te werk gaat om te laten zien hoe goed Bloems vertalingen zijn.
In ‘Meditatie, observatie, conversatie: over de poëzie van Robert Hass’ gaat hij in op de scherpe naoorlogse tweedeling tussen ‘academische’ en ‘niet academische’ poëzie in de Verenigde Staten die pas verdween onder het presidentschap Bush junior, omdat de tegenstanders vanwege diens desastreuze beleid de handen in elkaar sloegen. Dit deed me denken aan de onverzoenlijk lijkende vijandschap tussen Ter Braak en Du Perron enerzijds en Anton van Duinkerken anderzijds en die verdween toen zij in de tweede helft van de jaren dertig alle drie een pennenstrijd begonnen tegen het opkomende nationaal-socialisme.
Hij schrijft over dichters die ik niet ken, maar naar wie ik nieuwgierig ben geworden, zoals Christopher Middleton en Eric Derluyn, het is teveel om op te noemen. ‘Wieviel, o wieviel / Welt. Wieviel / Wege’ luidt het motto van Celan. Als je zo’n motto kiest, weet je dat je werk nooit af is en de lezer profiteert daarvan.

Recensie van De jongenskamer - Willem van Toorn

Onderzoeken wie je bent

Willem van Toorn
De jongenskamer
Uitgever: Querido
2018
ISBN 9789021409351
€ 17,99
104 blz.

De jongenskamer is een verhaal in gedichten, waarin een oudere dichter zijn jongere ik herschept om te achterhalen wie hij lang geleden was, wie hij nu is en hoe dat zo is gekomen. Die jongere ‘ik’ staat inmiddels zo ver van hem af, dat hij hem in de derde persoon beschrijft. Je kunt de bundel lezen als een autobiografie van Willem van Toorn, maar dat hoeft niet per se: niemand kan immers met zekerheid zeggen wie hij is geweest, want het geheugen is verraderlijk onbetrouwbaar en in die zin is het verhaal exemplarisch. Een reconstructie – fictie dus – kan een middel zijn om dieper in je levensloop door te dringen. Iets dergelijks doet Georges Perec in W ou le souvenir d’enfance, in het Nederlands vertaald onder de titel W of de jeugdherinnering. Uit dit boek is het motto van de bundel afkomstig: Je ne sais où se sont brisés les fils qui me rattachent à mon enfance. (Vrij vertaald: ‘Ik weet niet wanneer de draden naar mijn jeugd zijn gebroken’).

De jongenskamer bestaat uit twee delen. Het eerste beslaat drie vierde van de bundel. De hoofdpersoon heet W, de eerste letter van Van Toorns voornaam en uiteraard een verwijzing naar Perec’s roman – naar de hoofdpersoon Winckler in dit geval, want in het boek is W een eiland. Dat eiland associeer ik met Amsterdam, dat de hele bundel door een belangrijke rol speelt. (Ook andere omgevingen hebben een wezenlijke betekenis voor de ontwikkeling van de hoofdpersoon). De gedichten over W gaan over karakteristieke momenten in zijn ontwikkeling. Ze zijn strak en helder, hebben een geconcentreerde spanning en de beschreven momenten maken de indruk de enig juiste te zijn. Waarschijnlijk is dat het gevolg van de afstand die de dichter heeft geschapen door het gebruik van de derde persoon enkelvoud, iets wat suggereert dat het gaat om de essentie, met het weglaten van toevalligheden – daar weet de dichter mij in ieder geval te overtuigen. Stukken proza (mijns inziens geen prozagedichten) leiden nieuwe perioden in. Gemiddeld zijn ze een pagina lang.
Het tweede deel heeft een ik-perspectief, vanuit de oudere dichter/schrijver die vanaf de jaren tachtig terugkijkt. Hij zoekt de jongen die hij was in de jaren van voor de oorlog – W is net als Van Toorn geboren in 1935 – tot en met de veertiger in de jaren zeventig. In dit tweede deel is hij de man die hij nog kent, de schrijver en dichter, de ‘ik’ die zich verwondert over wie hij is en hoe hij zo is geworden. Dat wil niet zeggen dat zijn zoektocht definitief tot een einde komt: ‘Je moet van tijd / tot tijd onderzoeken wie je bent, en waar // je zijn wilt (…)’ schrijft de dichter in een van de laatste gedichten.

Het is fascinerend om te zien hoe treffend Van Toorn tijdsbeelden geeft, soms in zeer weinig woorden. In de periode tussen de bevrijding en het begin van de koude oorlog heeft W’s vader, een schoenmaker die als zelfstandige niets van het communisme moet hebben, een aantal helden in een combinatie die alleen in die tijd kon voorkomen: ‘net zulke eenlingen als hij, // Domela, Churchill, de Bach van de cantates / uit de kerk die hij nors heeft verlaten, P.J. Troelstra, / Stalin en Havelaar die streed voor de Javanen // met zijn verheven woord. (…)’. Stalin in zo’n rijtje en bovendien van iemand die anti-communist is: een paar jaar later was dat ondenkbaar. Ook de inhoud van het volgende gedicht is strikt gebonden aan die paar dagen waarop het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog een feit werd.

Het vrolijkste ontbijt ooit. De radiodistributie aan
met jubelende stemmen van overal ter wereld
en W’s vader die lachend zijn ei tegen de rand
van zijn bord tikt: Jongens, nu komt er nooit meer oorlog.

Hoezo niet, vader? Omdat de Amerikanen
de keizer van Japan hebben verslagen met
een nieuwe bom zo vreselijk dat hele steden
wegsmelten in de onbeschrijfelijke hitte,

mensen, dieren, huizen, auto’s en al. Nu zal niemand
het ooit meer wagen zelfs maar aan oorlog te denken.
De foto’s later, de enorme paddenstoel boven
Hiroshima en Nagasaki, de ongetelde doden,

de verschrikking van de straling, het gerucht
dat Hitler hem ook bijna had, en Stalin.
Maar nu vreugde, feest alom, een vrede

die nooit meer zal overgaan. Witbrood uit Zweden,
koffie nog niet, geen boter maar margarine
nog op de bon maar toch. Dit is geluk.

In het eerste deel van de bundel zien we hoe het wereldbeeld van W verandert: van het eenvoudige goed en fout in de oorlog naar een belangrijk inzicht na de Hongaarse opstand in 1956, als hij misschien voor het eerst begrijpt ‘dat geen enkel regime deugt / dat systemen hoger aanslaat dan mensen.’ En het gaat verder. In het laatste gedicht van deel 1 concludeert W, als hij terugdenkt aan de jongenskamer in zijn ouderlijk huis: ‘het wordt nooit meer // zo simpel. Er is geen blauwdruk voor een beter leven / voor iedereen – er is fatsoen en het scherpe besef / te moeten doen wat de hand vindt om te doen.’ (De appel valt niet ver van de stam: niet alleen de vader, maar ook zijn zoon is thuis in de bijbel.)
In het tweede deel, als de ‘ik’ inmiddels een gevestigd schrijver en dichter is geworden, zie je dat engagement onder andere terug in zijn poëzie. Hij is op Poetry International:

De erfenis, het festival, stamde uit de jaren zestig, toen wij meenden
dat kunst en de straat niet elkaars vijanden dienden
te zijn – en dit stenen theater, deze havenstad
waren het podium geworden voor de talen

in hun meest vrije vorm. (…)

In dit gedicht geeft hij mooie citaten van Zbigniew Herbert, Joseph Brodsky, Seamus Heaney, James Fenton, Lucebert, Kouwenaar en Campert. Kouwenaar: ‘Het is een heldere dag het is een donkere wereld / tussen het groene gras is het vlees rood / de mensen laten zich breken voor brood.’ Indrukwekkend.
Het is op dit festival dat de dichter zijn huidige geliefde ontmoet. Het is niet verbazingwekkend dat zijn bij tijd en wijle turbulente liefdesleven een belangrijk motief vormt in de bundel. Zo maakt de eerste keer dat een vriendin een verkering uitmaakt een verpletterende indruk: ‘Hij leert ontsteld / dat in zijn stomverbaasde leven tot nu toe – / oorlog en al, en alle verre doden – / wat hier gebeurt de wreedste verbazing is.’ W beseft als opgroeiende jongen dat er misschien één ander ding is dat het leven even waardevol maakt als liefde en seks: lezen, ‘de andere totale / belevenis die dode gedachten uitwist.’ Ook zijn persoonlijke leesgeschiedenis, een reflectie op en de weerspiegeling van het leven, speelt door de hele bundel.
En het schrijven? W is een jaar of twaalf als hij protestleuzen op muren ziet staan tegen de arrestatie van Ratio Koster, een jonge communist, ‘in de kazerne opgepakt omdat hij / pamfletten heeft uitgedeeld tegen de vuile oorlog / in Indië, om het volk te wijzen op de misdaden // van het kapitaal (…)’. De leuzen maken grote indruk: “‘Hé jongens, Ratio Koster vrij!’ Het staat op muren gekalkt in West, de witte letters uitgedropen over grauwe baksteen. De eerste keer dat W ervaart dat opgeschreven woorden een stem hebben, kunnen schreeuwen.” Ook het dichten wordt een middel tot onderzoek naar wie je bent – deze bundel is daar een gelukkig gevolg van. Opvallend is dat omgevingen in die zoektocht een belangrijke rol spelen. W in het eerste deel:

Verander je ook zelf, en hoe dan wel, als je van plaats
verandert? Wie was je, en is wie je hier wordt
nu wie je werkelijk bent? Of laat je bij elke afslag
van je pad weer mogelijke levens achter

die je nooit meer kunt leiden, van een man
die je ook had kunnen zijn? (…)

In het tweede deel verbindt de dichter deze vraag met het dichterschap:

Ontstaat misschien zo in een kind woordlust
voor een leven lang – door zo diep te ervaren
dat er meer landschappen bestaan en talen
dan de vroegste, dat geen plek volmaakte rust

kan bieden, zodat het kind een passant
moet worden in steeds nieuwe gebieden,
luisterend naar woorden, taalmuziek, tongval

van vreemde tantes en vertellers, de verhalen
van voor de tijd begon, voordat de vaders
en moeders met name genoemd waren.

In Amsterdam West, in de jongenskamer van W en zijn twee broers, ‘het eigen hol van gelach en hees gefluister’, begon dit alles. W vond er veiligheid, hij praatte met zijn broers over hun ‘prille zekerheden’, ‘luistert huiverend’ als zijn oudere broers praten over ‘meisjes vrouwen, haar / dat ze overal hebben, net als de broers, maar W nog steeds maar niet’. Gedachten op verschillende momenten in de tijd laten zien dat de afstand tot de jeugd groter wordt, tot alles definitief voorbij is, zoals blijkt als een ‘toegewijd lezer’ een wandeling organiseert door ‘de onder woorden / gebrachte stad (…) die wereld van W.’ De woning is een wasserette geworden. In zijn ontroering schemert de door Van Toorn bewonderde Kopland door: ‘Dezelfde granieten vloer, tranen / meldden zich, in plaats van de jongenskamer wasautomaten, maar // nog wel de glazen duren naar de stadstuin’. De jeugd, het oude Amsterdam is verhaal geworden. De nieuwe stad herkennen zijn geliefde en hij niet meer. Het is niet voor niets dat zij naar Frankrijk vertrekken: ‘Later in die jaren ontgroeiden wij de stad / als industrie, als pretpark, het gestaag groeiend geweld / van het idee dat alles voor geld te krijgen was in / de ware stad van ons.’

In W ou le souvenir d’enfance wordt het jongetje niet gevonden. Als De jongenskamer een autobiografie is, geldt dat dan ook voor Van Toorn? Alleen hijzelf kan daar antwoord op geven, maar voor mij doet het er niet toe. Sterker nog: ik wil het niet weten. Van Toorn misschien ook niet, tenminste niet voor altijd. ‘Geef mij maar een vraag en geen antwoord’, zei Kopland. Dit citaat vinden we ook terug in deze knappe en ontroerende bundel.

Recensie van Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden - Runa Svetlikova

Hoe overtref je een schitterend debuut?

Runa Svetlikova
Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden
Uitgever: Marmer
2018
ISBN 9789460683817
€ 15,00
47 blz.

Voor Deze zachte witte kamer ontving Runa Svetlikova (1982) de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut,  de Jo Peters Poëzieprijs en de Europese Bridges of Struga debuutprijs. Schrijf dan maar eens een even goede tweede bundel! Het is haar gelukt: Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden en een postscriptum is misschien zelfs beter.

De titel is intrigerend en raakt misschien de kern van haar dichterschap: houd je demonen en honden aan de lijn, omdat ze anders met je op de loop gaan, maar verberg ze niet, want dat zou het einde kunnen betekenen van dat dichterschap.
De bundel begint met een prozagedicht: ‘Het is de griep niet’. De eerste zin luidt: ‘Als je vingertoppen niet te vertrouwen zijn, je niet meer gelooft wat je oren je vertellen, alleen nog ziet dat je niet ziet, niet ruikt dat je denkt te moeten ruiken en zelfs je smaakpapillen liegen – dan is het de griep niet.’ Nee, het zijn de honden en demonen die zij in nog tweeëntwintig tips uiteindelijk weet te temmen. Dan volgt de opluchting en die voelt onder andere zo: ‘Zoals je na de griep eindelijk weer opstaat en geniet / dat je niet meteen weer moet gaan liggen zoiets’. De laatste tip, waaruit deze regels afkomstig zijn, heet: ‘Strijk alle eer op’. Terecht, na die strijd (en zulke gedichten) mag je trots zijn. In ‘Postscriptum’ volgen de conclusies, die je ook weer als tips – of voornemens – kunt zien, zoals: ‘(…) Laat ons vooral // dichter blijven en doen waarmee we niks bereiken / behalve misschien morgen. (…)’. Doen waarmee je niks bereikt, het lijkt weinig, maar dat is het niet als je de laatste twee zinnen leest: ‘Laat ons een eiland van echt zijn / in een zee diarree.’ Ondanks de stank van wat je omringt: een eiland van echt. Eind goed, al goed? Ik vermoed van niet. Het meervoud ‘ons’ geeft de voornemens iets bezwerends.

Er zijn veel demonen en honden die je (in casu de dichteres) aan de lijn moet houden, zoals ‘het gapende ding in je binnenste’,  ‘zo van die trage dagen waarop succes gewoon een ander soort / mislukken schijnt’, datgene wat kapot is, de wereld, het monster dat in elke mens huist, onmogelijke liefdes, de angst voor het onbekende en tegelijkertijd de hunkering daarnaar.
Ze moeten worden benoemd  en dat lijkt een belangrijke drijfveer voor haar poëzie:

        GEEF WAT KAPOT IS EEN NAAM

Help dit ding waarin je verstrikt zit, het oeverloze opstaan
en gaan slapen, onweerbare kindertjes, iedereen
die aan je enkels hangt en alles wat moet dat moet

naar de andere wereld. Beter gewoon boterhammen blijven
smeren waarschuwt het ding. Vergis je niet, het heeft geen zin
er op je verraderlijk krakende tenen omheen

te blijven dansen uit angst het te wekken met een humeur
zoals dat van jezelf op een doorsnee ochtend. Het ding barst toch
misschien razend als je je mes in de boter steekt misschien

scheurt het in alle stilte. Geef als een weervrouw
op het droge het ding een naam. Nu alleen
nog even in de strontvloed recht blijven staan.

Maar hoe bedreigend die demonen kunnen zijn en hoezeer angst in deze bundel een rol speelt, de bundel is niet loodzwaar. Humor – een tegenwicht – speelt een belangrijke rol. Dat begint al bij de disclaimer: ‘Honden noch demonen werd schade berokkend tijdens het schrijven van deze bundel. Tenminste niet door mij, tenminste niet expres.’ Het prozagedicht ‘Fuck de tienvingeroefening’ begint hilarisch: ‘Je drinkt lang uitgestelde koffie met een vriendin ze zegt als ik me kut voel doe ik de tienvingeroefening voor het slapen, je verslikt je in je latte maar het heeft gelukkig niets met fistfucking te maken daar is ze veel te braaf voor.’ Tel je zegeningen, daar gaat het om. De dichteres komt zelf tot elf, maar werpt dat gedoe vervolgens geïrriteerd van zich: ‘en dan denk je fuck die tienvingeroefening een kutdag mag.’ Weg met die terroristische leefregel van het verplichte dagelijks geluk.  

Svetlikova heeft een volstrekt eigen geluid, zowel naar vorm, verbeelding als inhoud. In een aantal gedichten maakt ze een zeer spaarzaam gebruik van interpunctie en door de combinatie van het ritme en (soms halve) zinnen die binnen een regel beginnen, krijgt het beschrevene iets gejaagds. Soms lijkt er zelfs sprake te zijn van paniek, zoals in ‘Suicide by Microwave werkt alleen in de film’, wat nog wordt versterkt door de herhalingen:

Je vergist je: het gillen op de kast dat zijn de bloemen
niet bloemen gillen niet ze dragen een kroon een kelk

ze hebben een bodem net als jij en stempels maar geen
stem. Bloemen dwingen niet het zijn gewoon

stervende stukjes flora je zet hen in een vaas
nadat je de folie wegsmeet zorgvuldig scheef de eindjes

van de stelen sneed voeding in het water deed en alles
alles netjes schikte. Bloemen eisen geen ik ook van jou

bedoelen niet word snel weer beter zodat we zoals altijd
op café en jij dan eindelijk wat je beloofde bloemen
zeggen niet proficiat je doet het goed maar

haal nog iets dieper
adem luister dat gegil
het zijn de bloemen niet.

Uiterlijk een vredig huiselijk tafereeltje, maar wat een gillende paniek zien we daaronder. Ik heb dat niet vaak zo effectief verwoord gezien.

De dichteres verkeert regelmatig in verwarring en laat de lezer die meebeleven. Zo gebruikt ze effectieve  enjambementen waarmee ze je op het verkeerde been zet: ‘Als het over de liefde gaat, neem dan goede raad aan / van niemand’, schrijft ze in ‘Maak je eigen fouten’.
Die verwarring ontstaat ook door de ambiguïteit van woorden. In ‘Mijd het nieuws op dagen die kapot zijn’ is de raadgeefster op de vlucht voor het grote leed, maar het kleine kan ze niet vermijden. Als een eigentijdse Maria biedt de kassière Agnieszka troost:

Als het nieuws zegt dat alles kapot is reken dan
op Agnieszka, je kent haar alleen achter de kassa
Agnieszka weet hoe de wereld te groeten
de oude man die met klem niet op straat woont
de junk, zweer op kaak, kaas onder oksel.

Agnieszka groet artritis, bronchitis
flebitis van moeders ze groet dus ze leeft, spreekt stil
van onverkochte pistolets tegen de vader van zeven
alleen Agnieszka kent alle namen en jij hebt
alles wat je nodig had: nog even.

De angel zit in de laatste twee woorden: ‘nog even’. Wat betekent dat precies? Ik heb Agnieszka nog maar eventjes nodig, want het gaat beter met me? Of: nog even en ik duik de duisternis weer in? En hoe zit het met ‘Agnieszka weet hoe de wereld te groeten’ en die verwijzing naar Descartes? (‘ze groet dus ze leeft’). En ook kent ze ‘alle namen’, in tegenstelling tot de dichteres – hoe erg moet het zijn? Zij weet de wereld kennelijk niet te groeten, met alle gevolgen van dien. De wereld is onherbergzaam en de dichteres krijgt er geen vat op.
Nog een mogelijk middel om verwarring te wekken. Titels en opgegeven pagina’s in de inhoudsopgave – de ‘Volstrekt vrijblijvende (maar logische) chronologie’ – kloppen niet: het eerste gedicht zou op pagina 15 moeten beginnen, maar in werkelijkheid is dat 11. Dat verschil van vier pagina’s wordt de hele bundel door volgehouden en daarom raak je aanvankelijk in verwarring als je een gedicht wilt opzoeken. Of is er in het productieproces gewoon iets fout gegaan? Mogelijk, maar dan is het een niet gezochte vondst.

Runa Svetlikova schrijft niet over angst, paniek en verwarring, ze laat de lezer die meebeleven. Maar ze laat je niet in verwarring achter, daarvoor is haar poëzie te sprankelend, eigenzinnig en humoristisch. Ook deze bundel verdient een prijs.

Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95