Poëzie Kort 2017 / 9

 

Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij, Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel

Frans Vogel (1935 – 2016) was net als Cor Vaandrager een cultfiguur in Rotterdam en een voorbeeld voor Jules Deelder. Vogel en Vaandrager waren ook verwant, zowel in hun poëzie als levensstijl; de titel van de bundel, Van de straat – en of! vat beide goed samen. Je kunt Vogel rekenen tot de Zestigers, de kring rond de Bende van Vier (Armando, Sleutelaar, Vaandrager en Verhagen) die in Gard Sivik en later De Nieuwe Stijl hun poëtica van de ‘totale poëzie’ uitdroegen: het neutraal, feitelijk en onvervormd weergeven van de werkelijkheid, niets uitgezonderd. Veel van hun gedichten bestaan uit op straat gehoorde dialogen, straattaferelen, readymades et cetera.
Die principes is hij altijd trouw gebleven; het motto van Arthur Rimbaud (‘Il faut être absolument moderne’) moet je daarom met een korreltje zout nemen. De bundel bestaat namelijk uit een selectie uit Te gek moment & andere dingen (1996), Het onaandoenlijk hart (72 bm) (2001), Gelukkig maar (2008) en verspreide gedichten. De Zestigers waren toen al onderdeel van de literatuurhistorie, maar dat maakt in dit geval niet uit: Vogel weet je hoe dan ook te boeien.
Het motto van Zero-kunstenaar Jan Schoonhoven is wel op zijn plaats: ‘Het gaat om het moment, het gaat om mooie dingen’. Die mooie dingen moet je ruim nemen, om esthetica gaat het niet. Neem ‘Par bene comparatum’, een ready-made over een man en een vrouw die uitstekend bij elkaar blijken te passen:

‘Never, nooit hebbie me
Meegenomen naar de disco!’

‘Of het al die tijd ook mooi
weer was met jouw!’

Dit is een mooi voorbeeld van wat hij schrijft in ‘De trouvaille, kat in ’t bakkie’: ‘je hebt er niet driftig naar lopen zoeken. / Je hebt het spontaan aangetroffen: kat in ’t bakkie.’ Je moet het wel opmerken, natuurlijk. Niet alles is geschikt.
In het beschrijven van het Rotterdamse leven doet hij me soms denken aan Carmiggelt – bien étonnés … Dat de een columnist is en de ander dichter, de een Amsterdammer en de ander Rotterdammer, het maakt in dit geval niet uit: beiden hadden een scherp oog voor wat er leefde op straat, voor absurditeit, humor, het menselijk tekort in combinatie met stug doorgaan. En beiden waren taalvirtuozen. Vogel is wel veel explicieter, zijn humor is vaak uitbundig, in combinatie met meligheid en ‘van dik hout’, uitstekend geschikt om een sombere bui te verdrijven.
De eerste strofe van ‘Een onsje meer’:

‘Het vlees is beter dan de benen’
Sowieso. En in ‘Geen vlees zonder
benen zien ik ook al geen been.
Wel in benen zonder vlees,
dat zwak is en vroeg of laat
de gewillige geest geeft – pffft.
(Bederf is de weg van alle vlees,
schrijft Möring. En mij lijk’ dan
of die naam mij dat ook wil laten
ruiken: hoe dat meurt en rot.
‘Wenn einer anfängt zu riechen,
ist das Leben schon ziemlich vorbei.’)

Arme Möring. Zijn naam zal voor mij en vele anderen altijd verbonden blijven met Vogel.

Er is veel meer: hij schrijft over de schoonheid van Rotterdam, een dame op leeftijd met fuchsiaroze tandvlees en een 2-delig kunstgebit, oude sprookjes in nieuwe stijl, hij maakt zich druk over een milieuramp, geeft een inkijkje in werkwijze en taalgebruik van de reclamewereld – hij heeft een tijd bij hetzelfde bureau gewerkt als Vaandrager en Sleutelaar – en maakte gedenkwaardige haiku’s en disticha, zoals ‘Kunstenaarsbegrafenis’: ‘Als de kist daalt, / stijgen de prijzen’. Zo is het maar net. Lezen, die bundel.

***
Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel (2017). Samenstelling en tekstbezorging Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij. Studio Kers, 168 blz. € 18,95

 

Gijs ter Haar, Voor de zwijnen

Gijs ter Haar (1963) is vooral bekend als slammer, en een heel goede: De ‘Godfather’ noemt Alexis de Roode hem op het achterplat van Voor de zwijnen. Vaak blijft er van slam op papier weinig over, maar bij Ter Haar is daar geen sprake van. Zijn nieuwe bundel – prachtig uitgegeven, met illustraties van Peter Zuur – bevat een aantal zeer goede gedichten. Zo vind ik ‘Doordeweeks verdriet’ een aangrijpend rouwgedicht – tenminste zo kun je het lezen. Waarschijnlijk is het in eerste instantie een gedicht over een diep betreurde scheiding, waardoor de ‘ik’ zijn zoon moet missen.
(In de bundel staat de kantlijn rechts).

nu valt de regen anders
dan alle dagen die we kenden
een eender tikken op het glas
dat dan weer wel

ergens moet het droog zijn
als ‘k geen angst voor paarden had
dan zocht ik mij een zadel
en reed je tegemoet

ik wacht hier maar en schuil het uit
dat weet ik ook dit is geen thuis
daar staan mijn spullen, daar
mijn bed. dit is een plek

ik mis mijn zoon voor al

(Let op: niet ‘vooral’, maar ‘voor al’ – voor alles).

De eerste strofe is prachtig in zijn eenvoud en volkomen raak. In beide gevallen (scheiding of dood van de zoon) is er sprake van een breuk, een voor en een na – ondraaglijk definitief in het geval van de dood. Alles is anders geworden en tegelijkertijd blijft veel hetzelfde: ‘dat dan weer wel’ – die nuchtere vaststelling is onvergetelijk, evenals de regel: ‘ik wacht hier maar en schuil het uit’. Wie zulke regels schrijft is een Dichter – met hoofdletter.

Gijs ter Haar is een lyricus die het leven omarmt, niet alleen als hij over nieuwe liefdes, maar ook als hij over verloren liefdes of het voorbijgaan van de tijd schrijft. Hekeldichten horen er ook bij, uit betrokkenheid. In ‘Was ihr den Geist der Zeiten Heißt, das ist im Grund der Herren eigener Geist in dem die Zeiten sich bespiegeln’ (Goethe), gaat hij tekeer tegen ‘de ik zit alleen nog met face in mijn phone / ook al ben ik op een feestje generatie (…) de ik sterf liever dan dat ik inlever generatie ( … ) die generatie // degeneratie’. Hij weet zijn woede meesterlijk weer te geven in ritme, klemtonen, alliteraties, (binnen)rijm:

hier ben je, daar sta je
in de wereld van mensen wees welkom
     en zwelg
in het grote veinzen, de kudde van volgers
(…)
je rol in de orde de chaos het reilen
het zeilen de pegels het paaien het naaien
het graaien de honden de haaien het branden
van banden om broeders en zusters
     geclusterde
bommen het breken het braken het buigen
     het missen
van benen en leef toch het bruisende
     leven vooral

(…)

‘Ruimschoots ervaring met God, de dood, de liefde en de oorlog, tapt uit alle vaatjes. Nog niet klaar. Op weg naar de Boeddha-staat’, schrijft Alexis de Roode. Als lezer hoop ik dat zijn poëzie daarin niet oplost.

***
Gijs ter Haar (2017). Voor de zwijnen. Uitgeverij de Muze, 48 blz. € 15,00


Kila van der Starre, Poëzie in Nederland

Vogel is of was te lezen op een Rotterdamse vuilniswagen: ‘Jong begeerd, oud afgedaan’. In het gelijknamige gedicht schreef hij dat die regel ‘regelrecht slaat / op de content (de complete / theeringzooi door mekaar) van zo’n vuilniswagen’, maar je kunt die regel natuurlijk ook als een kernachtige samenvatting van het menselijk bestaan beschouwen.
Gijs ter Haar behoeft verder geen toelichting: iedereen die weleens een festival of poetry slam heeft bezocht, kent hem en uiteraard kun hem ook op Youtube bewonderen.

De verschijningsvormen van poëzie zijn sterk veranderd. Kila van der Starre, een van de redacteuren van de essaybundel Dichters van het nieuwe millennium , is bezig met een promotieonderzoek naar Nederlandstalige ‘poëzie buiten het boek’. In haar toelichting zegt ze onder andere: ‘Poëzie buiten de bladspiegel, zoals podiumpoëzie, digitale poëzie en poëzie in de openbare ruimte, lijkt steeds populairder te worden. Poëziefestivals trekken volle zalen, cafés zitten vol voor poetry slams, op het internet wordt volop lyrisch geëxperimenteerd, zangers bereiken een enorm publiek, muurgedichten sieren tientallen steden, Gedichtendag is uitgebreid tot een Poëzieweek en dit jaar benoemde België voor het eerst een Dichter des Vaderlands. Als we het genre niet beperken tot lezen, heeft poëzie vandaag misschien wel het grootste bereik in eeuwen.’
Ze voerde deelonderzoeken uit naar de manieren waarop volwassenen in aanraking komen met poëzie en hoe vaak. (Poëzie in Nederland, hier te downloaden). Ze heeft ook de website straatpoezie.nl opgezet, de eerste inventarisatie van poëzie in de openbare ruimte van Nederland en Vlaanderen. Iedereen kan gedichten aanmelden; er zijn inmiddels meer dan 1600. Je kunt natuurlijk ook volstaan met het zoeken naar openbare poëzie in je omgeving.

Haar onderzoek kan veel betekenen voor het basis- en voortgezet onderwijs en ook voor het mbo. Docenten zitten vaak met de handen in het haar als het om poëzie gaat: hoe wek je belangstelling? Op p. 26 en 27 van Poëzie in Nederland geeft Van der Starre een aantal aanbevelingen, gericht op verschillende doelgroepen. Een ervan is expliciet gericht op het onderwijs, maar iedere docent die ook maar een beetje creatief is, weet met die andere ook wel raad. En die site over straatpoëzie? Een eitje. Stuur leerlingen voordat zij de site kennen onder of na schooltijd in twee- of drietallen de straat op en laat hen noteren wat zij tegenkomen. Bij terugkomst kunnen zij hun inventarisatie vergelijken met die van de site. Het is leuk als zij een gedicht of citaat vinden dat daar nog niet in staat, dan kunnen zij het toevoegen.

***
Kila van der Starre (2017). Poëzie in Nederland. Een onderzoek naar hoe vaak en op welke manier volwassenen in Nederland in aanraking komen met poëzie. Stichting Lezen, 62 blz. 

Recensie van Nacht en navel - Yannick Dangre

‘Dichters zijn de losprijs van deze wereld’

Yannick Dangre
Nacht en navel
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449867
€ 17,99
80 blz.

Yannick Dangre (1987) heeft zijn bundel Nacht en navel zorgvuldig gecomponeerd. Een voorbeeld: het openingsgedicht gaat vooraf aan de eerste afdeling en heeft als titel ‘Naamloos’. Het gaat over de harde buitenwereld: het lot van de bootvluchtelingen. De titel kan op hen slaan, maar in ieder geval op het machteloos toekijkende lyrische ik: ‘(…) ze roepen mij / bij mijn naamloosheid.’ Het laatste gedicht, evenmin behorend tot een afdeling, eindigt met de regel ‘Geef me jouw naam’ en is naar binnen gericht: het gaat over een tot ondergang gedoemde liefde. De gedichten spiegelen elkaar en zijn daarmee aan elkaar verbonden.
De bundel heeft vijf afdelingen waarin we die verbinding terugzien. Achtereenvolgens: de binnenwereld (het innerlijk, de gedachten en beleving), buitenwereld, de verbinding tussen binnen- en buitenwereld, binnenwereld, buitenwereld.

De binnenwereld is niet zorgeloos. In de eerste afdeling, ‘Toi tu t’appelles Lolita’, wordt de wankele relatie beschreven tussen een zich tamelijk oud voelend lyrisch ‘ik’ en een veel jonger meisje – dat is zij in ieder geval naar de geest. De vierde afdeling, ‘Settima Santa’, gaat ook over de binnenwereld en daarin kijkt de dichter onder andere terug op zijn stukgelopen huwelijk. Hij heeft diepe spijt, vergeten kan hij zijn voormalige geliefde niet. Hij uit zijn onvervulbare verlangen op een bijbelse manier: ‘Het is weer die week waarin zij / knettert in mijn struiken’.
De buitenwereld met haar terrorisme, onnoemelijk leed en oorlogsgeweld is dreigend. Die dreiging is bovendien heel dichtbij. De titel van de tweede afdeling begint bijvoorbeeld met ‘ik’: ‘Moi je m’appelle’ en dan volgt een reeks gedichten met namen als titels: van het iconische, met gruis bedekte Syrische jongetje dat ontdaan in een ambulance zit, van terroristen en presidenten (Assad en Hollande). Deze personen zijn in deze reeks aan het woord. In het laatste gedicht zien we een klagende Allah: ‘Ik zit thuis en word er zo moe van, dat eeuwige / gekrakeel en geïnterpreteer van mijn naam’. Merk op dat Lolita in haar afdeling met ‘jij’ wordt aangeduid (‘Toi tu t’appelles Lolita’) en dat is een fractie afstandelijker. Ook dat is een manier om binnen- en buitenwereld bij elkaar te brengen.

De derde afdeling, over het dichterschap, heet niet voor niets ‘Stairway to hell’ – dat is heel wat anders dan de ‘Stairway to heaven’ van Led Zeppelin. Wat kun je in zo’n wereld nog als dichter? Wie ben je?  In ‘Pamflet’ geeft hij een voorbeeld.

Ik bedenk wel eens: de hele wereld
wordt gegijzeld en ik zit vredig op dit blad
te zoeken naar de laatste punten en komma’s
van het menselijk karakter.

Misschien is het belachelijk en toch blijf ik beweren:
koop geen pamfletten maar poëten. Loop binnen
in hun openstaand verdriet. Vergeet het gekakel
van deze eenmalige aarde en broed alleen
je eigen betekenis uit.

En ach, misschien komt God mij ooit straffen
omdat ik de mensheid vastpin in de eenzelvigheid
van dit gedicht, maar ik zal blijven zingen
als dankzij mij ook maar één jonge kerel
de nuances van zijn navel leert lezen.

Ik bedenk wel eens:
dichters zijn de losprijs van deze wereld.

Een mooi gedicht. Ernst en grote woorden worden draaglijk gemaakt door de relativerende ironie: ‘koop geen pamfletten maar poëten’, maar de titel is grappig genoeg ‘Pamflet’. De regel eindigt met het mooie enjambement ‘Loop binnen’: regelrechte pamflettentaal. En die pamflettentaal wordt vervolgens weer onderuitgehaald: ‘Loop binnen / in hun verdriet’. De laatste vijf regels raken de kern van de bundel, zie de titel Nacht en navel, een toespeling op het lugubere Nacht und Nebel. De navel is het beeld voor de verbinding tussen het innerlijk en de buitenwereld. Iedere navel is anders en daarom moet je weten op welke unieke wijze je die verbinding legt. (Dat is een van de hoogste dingen die literatuur kan doen, maar inzicht betekent natuurlijk geen verlossing. Een goed gedicht verandert je eenzaamheid, zei Nijhoff – een prachtige observatie.) De buitenwereld wordt aangeduid met nacht: de donkere staat waarin die zich bevindt.
Het is in dit verband opvallend dat in de eerste buitenafdeling, ‘Moi j’appelle’, het perspectief bij de beschreven personen ligt en in de tweede, ‘Cidade de Deus’, bij het lyrisch ik. Hij spreekt daarin steden als Aleppo, Keulen en Jeruzalem toe. De laatste strofe van ‘Aleppo': ‘Op geen zender kijk ik er nog van op / en ook jij zwijgt stil. Je bent net een mens: / je kunt niet wegkijken van jezelf.’

De titel brengt me op iets wat me hindert in de bundel. De eerste strofe van ‘Explosief’, het openingsgedicht van ‘Stairway to hell’, luidt als volgt:

Daar zit ik dan, dertig jaar en nog steeds
zoek ik het leven door doktertje te spelen
met een gedicht. Zo beluister ik de longen
van woorden, meet zorgvuldig de bloeddruk
van mijn metaforen en ik geef toe: aan het eind
worden mijn komma’s soms handtastelijk.

Helder en humoristisch, maar ik zou willen dat het doktertje af en toe wat meer op de achtergrond bleef. Het gaat me met name om de vele allusies, alleen al in de eerste afdeling rond de zeventien. Dat gaat irriteren, hoewel het onmiskenbaar is dat Dangre ze goed weet te integreren: ‘Dan ( … ) klets ik alle vorige minnaars uit je nek’ bijvoorbeeld. Of de mooie meerduidige regels (iets waar hij zeer goed in is): ‘Je hebt me, zei ik, je hebt me niet / in het midden gelaten, (…)’. Het meest geslaagd is de toespeling in de eerste strofe van ‘Omran Daqneesh’, het Syrische jongetje.

Daar zit ik dan, vijf jaar
en mijn gezicht vol gruis en grenzen
waar elke Amerikaan en Rus om vecht
boven mijn pet. Elke dag denk ik hen
in stilte omver.

De eerste vier woorden van deze strofe zijn identiek aan die uit het eerder geciteerde fragment uit ‘Stairway to Hell’ – geen toeval natuurlijk. Alle parallellieën, tegenstellingen, spiegelingen et cetera zijn functioneel, maar ze dringen zich niet op. Aan Mulischiaanse circusacrobatiek bezondigt Yannick Dangre zich niet.

Aanvankelijk vond ik de gedichten over de buitenwereld minder sterk, omdat het engagement een wat obligate indruk maakte: zo kennen de meesten van ons de frustrerende machteloosheid die je kan overvallen bij het zien van zoveel ellende. Maar dat veranderde toen de fascinerende invalshoek tot me doordrong: de poëticale verbinding van binnen- en buitenwereld. Voor zijn liefdeslyriek was ik al gevallen:

WAT WIJ ZEGGEN

Je hebt me, zei ik, je hebt me niet
in het midden gelaten, viel mij binnen
als lenig licht in een kamer en je brak er
mijn angsten uit, verving mijn verleden
door je volle ornaat van kont, zweet
en hinnikende tepels.

Verander je leven, zei je, en ik deed het,
at mijn berouw op tot de laatste krop
in mijn keel, nam mijn voornemens mee
naar je tafel en altijd lachte je dan
om de kilo’s achterstallige angst
in het vriesvak.

Dat gaat nooit voorbij, zeggen we
terwijl mijn adem soms al op je rotsen
kapotslaat, ik mijn zwarte zaad verzamel
voor later. Toch blijf je dat jonge veulen
in mijn contreien en ook jij weet dat ik
in je dijen nog steeds voor het grijpen lig.

Al met al vind ik Nacht en navel een van de beste bundels die ik het afgelopen jaar heb gelezen.

***
Yannick Dangre (1987) is schrijver en dichter. Zijn debuutbundel Meisje dat ik nog moet (2011) werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninckprijs.

Poëzie Kort 2017 / 8

 

Frouke Arns, Eigen terrein

(Door Hans Puper)

Frouke Arns was stadsdichter van Nijmegen in de periode 2015 – 2016. De ideale stadsdichter: haar gedichten zijn plaatsgebonden, maar herkenbaar voor iedereen; aantrekkelijk voor zowel gelegenheidslezers als poëzieliefhebbers; ze zijn licht van toon, maar nooit oppervlakkig en, tot slot, goed voor te lezen door het soepele ritme en de klank.
Eigen terrein bevat de 22 gedichten die zij in haar functie schreef.  Op de linkerpagina’s beschreef zij de context, op de rechterpagina’s staan de gedichten. Nijmegenaren zullen dat zeker op prijs stellen, maar de meeste gedichten zijn ook los van die informatie te lezen. Neem bijvoorbeeld ‘Kleine handleiding voor de moderne pelgrim’.

Maak voor vertrek een selfie en laat
je mobieltje dan voor wat het is. Nu ben je alleen

bereikbaar voor jezelf. Jouw eigen batterij dient opgeladen.
Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen en toch

voelt deze tocht als nieuw. Reis lichtvoetig. Een kaart je gids
waarop de omtrek van een duif in volle vlucht de weg markeert.

Wees herkenbaar aan je bagage, die nauwelijks is, het meeste
draag je in hoofd en hart, de oude beeldentuin. Voeg vogels

toe die als een partituur op draden zitten. Ontcijfer
het voor jou gecomponeerde lied. Rijg de ringen aan je koord.

Nader na dagen over de velden je bestemming.
De verte laat je traag uit wuivend landschap los.

Maak bij thuiskomst nog een selfie. Zoek de verschillen.
Je bent tot hier gekomen.

Iemand gaat een tocht maken, want: ‘Jouw eigen batterij dient opgeladen’. (Dit in tegenstelling tot die van de mobiel die thuisgelaten wordt – grappig). Het enjambement ‘alleen // bereikbaar’ is mooi en functioneel: je moet tot jezelf komen, dat doe je alleen en zonder dat je wordt gestoord. Hij of zij is de enige niet: ‘Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen’. Veel heb je niet nodig: het gaat om je innerlijk, ‘je hoofd en hart, die oude beeldentuin’. Aan het eind vind je jezelf anders terug: ‘Zoek de verschillen’.
Je kunt het gedicht ook lezen als een puur geestelijke tocht. Het doet mij denken aan ‘Elckerlyc’, het Middeleeuwse spel waarin de  voorbereiding op de dood wordt beschreven.  Ook hier: ‘Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen en toch // voelt deze tocht als nieuw’ – uiteraard, dat is die voorbereiding  voor iedereen. De ‘omtrek van een duif in volle vlucht’ kan duiden op vrede. Prachtig in dit verband is de voorlaatste strofe: ‘Nader na dagen over de velden je bestemming / De verte laat je traag uit wuivend landschap los.’ ‘Je bent tot hier gekomen’, luidt de laatste regel. ‘En je bent er klaar voor’, zou je erbij kunnen denken.
En nu de context. Frouke Arns las het gedicht voor op de openingsceremonie van de Walk of Wisdom, ‘een moderne, niet-religieuze pelgrimstocht van 136 kilometer rond Nijmegen.’ Ik vermoed nu dat de route op de kaart lijkt op omtrek van die duif. Arns relativeert haar gedicht indirect met haar opmerking dat zij de route inmiddels ook heeft gelopen en inmiddels één inzicht wijzer is geworden: ‘neem altijd pleisters mee!’ Wie zulke mooie gedichten schrijft, kan zich die humor veroorloven.

Ze schreef ook een prachtig in memoriam voor H.H. ter Balkt, ‘Kleine elegie voor een groot dichter’. De eerste strofe:

Rasp het bladgoud uit uw stem en laat ons
leunen tegen die klankschaal van uw rug:
wat u uit taal sloeg waren vonkenregens,
neerdalend zaaigoed op de ribbelakker
van de verbeelding, dat vette land.

Een aanbevelenswaardige bundel.

***
Frouke Arns (2017). Eigen terrein. Uitgeverij Marmer, 53 blz. € 12,50

 

Cor Gout, 19 x Bella en de 20e is zoek 

(Door Lennert Ras)

Cor Gout is filosoof, schrijver en neerlandicus. Hij bracht eerder drie verhalenbundels uit bij In de Knipscheer. Samen met vormgever Els Kort doet hij de hoofdredactie van het literair tijdschrift Extase.
De bundel 19x Bella en de 20e is zoek is geïllustreerd met tekeningen van Harrie Geelen. Beeld en tekst vullen elkaar zoveel mogelijk aan. Op het eerste gezicht lijk je te maken te hebben met een bundel voor kinderen. 19 x Bella leest op het eerste gezicht een beetje als een niemendalletje, zoals de boekjes die Bella leest.
Bella komt uit Zeeland en mist die omgeving. Vooral het gekeuvel op het dorpsplein. Ze is religieus en de dominee komt op bezoek. In haar nieuwe gemeente is de toon van de preken lichter, dus dit zegt iets over de strenge moraal van de plek waar ze van afkomstig is.
Schoonmaken, voor kinderen zorgen, dansen, dat soort dingen maken Bella blij. Maar ondertussen zijn er diepe (seksuele) verlangens. Helemaal geen thema voor kinderen. Hoop en verwachtingen. Een kunstenaar maakt een tekening van haar en ze zwijmelt bij hem weg. Maar wat komt ervan terecht? Uiteindelijk heeft de dominee een keurige man voor haar uitgezocht en zal ze de rest van haar leven wel blijven dromen.
19x Bella is licht van gewicht, maar ergens schemert iets zwaars door. De regels zijn erg kort en bestaan maar uit een enkel woord. Alle gedichten zijn uitgesmeerd over de hele pagina. Er zijn geen strofes op de pagina’s. Het geheel is erg verhalend en prozaïsch. Maar het verhaal biedt zich toch aan als poëzie.
Toch is er wel eens een grappige afbreking. Zo denk je bij ‘Met de bediening Nu, In haar slaap- kamer’ eigenlijk aan iets seksueels. Omdat dit op het einde van de pagina staat. Maar dan gaat het vers op de volgende pagina gewoon door en is er iets veel onschuldigers aan de gang.
De gedichten zijn genummerd. Negentien gedichten inderdaad. En dan de twintigste, die zoek is. Hier geen tekst maar alleen een beeld van snippers. Bella is verscheurd.
Misschien moet ze toch maar niet doen wat de dominee zegt en gewoon haar hart volgen en de kunstenaar … Maar daarvoor lijkt Bella veel te keurig.

***
Cor Gout (2017). 19 x Bella en de 20e is zoek. Met illustraties van Harrie Geelen. In de Knipscheer, 44 blz. € 19,50

 

Sebastien Crusener, Alle remslaap los!

(Door Eric van Loo)

Bij de gedichten die dagelijks op de Costerlijst verschijnen viel de bijdrage van Sebastien Crusener me direct al op. De twee afgedrukte gedichten oogden niet heel toegankelijk, maar er stond een intrigerende toelichting onder: ‘In de herfst en winter van 2016 werd ik gekweld door onrustige slaap en doodsdrift en gebruikte te veel angstremmende medicijnen. Als ik ‘s nachts wakker schrok noteerde ik de eerste opkomende gedachte op een memovelletje. Uit al deze velletjes stelde ik maanden later deze bundel samen.’ Mooi woord, doodsdrift. Maar de wereld erachter is natuurlijk zeer beangstigend. Het ging niet goed met de dichter. Heeft het schrijven hem geholpen? Bestaat er zoiets als therapeutisch schrijven? Beroemd zijn de Sonnetten van de kleine waanzin, waarin Hans Andreus terugkijkt op een crisis, en zijn herstel viert.
Een belangrijk onderdeel van de bundel is de cyclus ‘Meer nachten ijs’. Deze uit twaalf gedichten bestaande cyclus heeft als ondertitel ‘ziekteverzuim’ en lijkt indrukken weer te geven uit de zeven opeenvolgende nachten van een week. Het eerste gedicht eindigt: ‘loop ik – bars mij de / baas – de dinsdag binnen’. De associatieve zinnen roepen geen hele heldere beelden op, zoals je soms wakker kunt schrikken uit dromen die niet van echt zijn te onderscheiden. Fragmenten als ‘Hyperventilator maak me blazen wijs’, ‘Steeds nog de geur van muur / de vensterzwachtels’ en ‘lijkwitte klappertanden / waar niet één spinazierestje tussen zit’. Gedicht IX bevat de schitterende zin ‘Het werkelijke heeft het veel te koud’, gevolgd door de strofe ‘de ruimte erom rond / wordt ingenomen door een leegte / die te vol is van zichzelf’.
De gedichten buiten deze cyclus zijn in een dynamische en zeer uiteenlopende lay-out vormgegeven. Losstaande schuingedrukte strofen, die wel of geen onderdeel lijken uit te maken van het bovenstaande gedicht, golvende inspringingen, wisselingen in uitlijning, zinnen met zo veel spaties dat de woorden losjes over een regel zijn gestrooid – het is er allemaal. Maar de dichter maakt het de lezer niet makkelijk. Of dompelt hij ons bewust in eenzelfde chaos onder als hij in die donkere maanden ervaren heeft?
Hij voert ons langs verschillende afdelingen: ‘Eén nacht ijs’, The nothing in between (I-IV)’, ‘The everything between (…)’ , het eerder genoemde ‘Meer nachten ijs (ziekteverzuim)’ om te eindigen met een uit twee gedichten bestaande ‘Epiloog’. Onze dromen kennen een geheel eigen logica. Uit experimenten is gebleken, dat wat in onze droom uren lijkt te duren, in de buitenwereld soms maar een minuut in beslag neemt. Met de titel van zijn bundel zinspeelt de dichter erop alle remmen los te gooien. Dat is hem zeker gelukt.

Gaten in de gaten hoofd hol 
Ben vertrokken 
ben te laat 
om laat te komen 
om te komen (alle apotheken dicht) 
en het geluid van tussentijd wordt werkelijk ondraaglijk 
Moord kan ik zelf niet schrijven 
Het is slechts een woord in een ander oord, hoe slik ik er het snelst 
           naartoe? 

***
Sebastien Crusener (2017). Alle remslaap los! Uitgeverij Stanza, 64 blz, € 19,99

 

Kristien Bonneure e.a. (samenstelling), Alsof er niets is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten

(Door Hans Puper)

De gedichten in de bundel  Alsof er niets is gebeurd vormden een onderdeel van het Vlaamse actualiteitenprogramma Bonus op Radio-1: ze bevatten commentaar op gebeurtenissen in het afgelopen jaar (2016/2017). Vijftig tot nu toe onuitgegeven gedichten, op een na. De ruimte ontbreekt hier om alle dichters te noemen. Daarom alleen die van de eerste vijf gedichten: Paul Demets, Michaël Vandebril, Joke van Leeuwen, Maarten Goethals en Charles Ducal.
‘Stollen en stilstaan’ is het adagium. En daarbij doet zich iets eigenaardig voor volgens de inleiders: ‘De gedrukte gedichten in dit boekje bieden een tijdsdocument dat langer meegaat dan de waan van de dag. Het gekke is namelijk dat actualiteitsgedichten een zekere eeuwigheidswaarde krijgen, ook als de krantenpagina’s beginnen te vergelen.’ Dat is echter alleen zo als de dichter een kunstgreep toepast: geen details noemen – of het moet gaan om een gebeurtenis die iconisch is geworden, zoals de aanslag op de Twin Towers. Het gevolg is, dat veel gedichten alleen actualiteitswaarde bezitten binnen de context van het programma. Een van de gedichten is zelfs al drie jaar oud en gepubliceerd in de bundel Zondag acht dagen van Max Temmerman: ‘Lied voor de inwijkeling’. Het werd voorgelezen na het programma-onderdeel over staatssecretaris Theo Francken van de NVA die in een tweet Artsen zonder grenzen van mensenhandel had beschuldigd vanwege hulp aan bootvluchtelingen. Soms ook worden actualiteiten zelf zo algemeen geformuleerd dat die eeuwigheidswaarde er al inzit, zoals: ‘Armoede is een van de thema’s die net onder het oppervlak van de dagelijkse actualiteit sluimeren’. Ruth Lasters schreef daar een gedicht bij met een verrassende invalshoek.

Munt

Stel dat de munteenheid telkens verandert om
middernacht. Neem nu dat gisteren het planetaire
betaalmiddel lenigheid was. De rijksten waren gisteren

de acrobaten, die met één enkele saltoreeks een huis
betaalden. Nee, vandaag biedt lenigheid tegen armoe niet langer
garantie. De munteenheid van deze dag is een vorige herfst geraapte

wilde kastanje. Geduld dus nog, kleine Soraya, tot de klok van twaalf.
Dan gaan de beurzen dicht en opnieuw open, wordt bepaald of morgen
een vermogend man grossiert in zilveren snaren van

gitaren of in aaisoorten, je dus even alleen arm bent als je
aanrakingen druppen als uit vingertoppen van versleten
kraangaas.

Een van de weinigen die het lukt man en paard te noemen in combinatie met ‘een zekere eeuwigheidswaarde’ is Maarten Inghels, nota bene bij opnieuw een ‘niet-actualiteit’: de mededeling dat hij een omgekeerde nieuwjaarsbrief schreef. Zijn gedicht heet ‘Ik adem in en het is weer gisteren’. We weten waarop hij doelt met ‘een vrachtwagen rijdt uit een lichaam / alsof er niets is gebeurd, de genadeloze aardbeving gaat weer verlegen / tussen de rotsen liggen, kogels keren deemoedig terug naar het geweer’. En tegelijkertijd is het zo algemeen, dat het gedicht niets aan waarde verliest als deze actualiteiten onder het stof komen te liggen. En de wens doden weer tot leven te wekken is al zo oud als de mensheid. Over eeuwigheidswaarde gesproken.

***
Alsof er niets is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten (2017). Samenstelling, inleiding en aantekeningen door Kristien Bonneure, Katrien Kubben en Badra Rezkallah. PoëzieCentrum, 113 blz. € 19,95

Poëzie Kort 2017 / 7

 

Jozef Deleu (red), Het liegend Konijn 2017 / 2

Het Liegend Konijn 2017 / 2 voldoet weer aan al mijn verwachtingen. Alleen al bij de ‘B’ tref ik veel van mijn gading aan: Benno Barnard staat erin met zes gedichten die zonder uitzondering uit strofen van drie regels bestaan en daarom traditioneel aandoen. Dat is geen negatief waardeoordeel: ik vind ze heel aantrekkelijk. Uit twee ervan blijkt zijn voorliefde voor het Europa van voor de Eerste Wereldoorlog, belichaamd in de Donaumonarchie Oostenrijk-Hongarije; zijn gedicht over Bob Dylan is scherp en vermakelijk. De gedichten van Maarten Buser doen je verlangen naar een tweede bundel en datzelfde geldt voor die van Hannah van Binsbergen. En over de zes gedichten van Anneke Brassinga hoef ik niets te zeggen.

Zeven van de dichters hebben nog geen bundel gepubliceerd: Julie Beirens, Hester Eymers, Astrid Haerens, Else Kemps, Bartho Kriek, Leen Pil en Tania Verhelst. Else Kemps is de jongste onder hen: ze werd geboren in 1995. Van haar zijn terecht zeven gedichten opgenomen. Drie daarvan vormen een korte serie van drie onder de vrolijk stemmende titel: ‘leren relativeren met Piepmiep Paula en Bikkelboy Bob’. Twee strofen uit gedicht II, dat speelt in het onder schooltijd geopende recreatiebad:

in het diepe hing Agressieve Angelo
wat rond – zijn toegangsverbod verlopen, het hakenkruis
op de kluisjes overgespoten.

we keken hoe zijn handen afdreven
richting bikinitopjes, kochten ijslolly’s
groot genoeg om achter te lachen

Die ijslolly’s. Prachtig. Ziet u die kinderen voor u?

Nog jonger is Jante Wortel (1996). Zij heeft al een bundel gepubliceerd: Als de vogel door het glas vliegt. Een gedicht om te onthouden vind ik ‘mijn vloeibaar’ (wat niet betekent dat de andere gedichten niet goed zijn). Dat zit hem vooral in de laatste regel, die een versterking is van de voorgaande en bovendien dubbelzinnig en daardoor onheilspellend is:

ik zoek naar een lichaam om mijzelf in te bewaren
het omhulsel van wat ooit een meisje was
opengeritst bij haar voetzolen, uitgehold en leeggezogen

ze laat zich hervullen

ik wring mezelf uit om te passen
iets aan te trekken dat niet van mij is
maar dat wel kan worden

één regel
er mag geen loze ruimte overblijven

er mag niets overblijven

Het probleem met een bloemlezing is dat je op veel meer dichters de aandacht wilt vestigen dan mogelijk is. Eentje nog: Maarten Inghels. Hij schreef een serie gedichten over de acht avonden na ‘zijn’ dood, waarin verslag wordt gedaan van de activiteiten van het ‘Internationaal Genootschap der Officiële Dubbelgangers van Inghels.’ Hij weet hier hilariteit te koppelen aan wat het lyrisch ik als dichter wil en wat voor problemen het daarbij tegenkomt. Het komt allemaal neer op het verlangen ‘om in het geheim gezien te worden en tegelijkertijd / anoniem te blijven ( … ) Mijn dubbelgangers gaven mij de kans te ontsnappen / Mijn dubbelgangers gingen om mij heen staan en vormden een rookgordijn’, schrijft hij in ‘De zesde avond na mijn dood’. Dat lijkt makkelijk, maar is het niet. In ‘De achtste avond na mijn dood’ schrijft hij: ‘Het grootste probleem is echter de beheersing van de verdubbeling / Mijn dubbelgangers zijn voortvluchtige schaduwen / Mijn dubbelgangers zweven als schimmen door mij / Mijn dubbelgangers lopen over mij heen als spookvoetgangers’. Misschien is hij ook de versnipperde dichter in een versnipperde tijd: ‘Ik ben de confetti van de 21e eeuw’, luidt de laatste regel.

Het gaat goed met de Nederlandstalige poëzie.

***
Het Liegend Konijn 2017 / 2. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2017). Redactie Jozef Deleu. Polis, 237 blz. € 20,00

 

Atze van Wieren, Eeuwig leven

Eeuwig leven is de derde bundel van Atze van Wieren. De bundeltitel doet natuurlijk een religieuze thematiek vermoeden en dat wordt nog versterkt door de titels van de twee afdelingen: ‘Heden en verleden’ en ‘Later’.
Dat is ten dele zo. In de bundel spreekt een dichter met een religieuze jeugd, die in zijn volwassen leven mede is gevormd door de kennis van neurologie, kosmologie en filosofie – aan elk van deze disciplines besteedt hij aandacht. We zien een zoektocht naar een synthese. Zijn religieuze achtergrond laat hij niet achter zich; we zien in het eerste deel op verschillende manieren dat het heden zonder het verleden ondenkbaar is. Wel beseft hij dat het traditionele geloof voor hem verleden tijd is. In het gedicht ‘Kerk te Gerkesklooster’ leidt de kerkvoogd het lyrisch ik rond. Echt levendig is het er niet: ‘een psalm sterft hier door ademnood. // We klimmen omhoog. Op zolder rekwisieten / voor het geloof: de lege kribbe, / de engeltjes van bordkarton.’
Een voorbeeld van de synthese zien we in het gedicht ‘Roepen’ uit het eerste deel. Naar aanleiding van de dood van zijn vader en moeder schrijft de dichter:

God in mij werd alsmaar kleiner,
tot hij – Spinoza zij geloofd –
herrees en alomvattend schijnt te zijn.

Aldoor groter het heelal,
er is geen einde, geen begin,
ik ben een oogwenk nergens tussenin

Het is geen definitief antwoord. Gelukkig niet, want dat zou afbreuk doen aan de bundel. Vooral in de tweede afdeling volgen wij zijn zoektocht. In ‘Vraag’ zie je een van de antwoorden die hij overweegt, maar bevredigend is het niet.

Mijn onderdelen vallen uit elkaar.

Geen nood, atomen maken om
het even waar hun vreugdedans.
Mijn eiwit valt uiteen tot hergebruik.
Een bacterie stribbelt nogal tegen
maar vindt geheid een nieuw tehuis.

Ja, er is veel eeuwigheid in mij.

Maar zeg eens, waarheen gaat de pijn
waar stapelt zich het hartzeer op
waar moet je voor mijn liefdes zijn
en waar blijft het lied in mijn mond,
is er een pakhuis voor dakloos geluk?

Zeg me, waar gaat verlangen heen.

Er zijn ook gedichten waarin deze vragen niet spelen. In ‘Bezoek’ zien we een alledaags tafereel dat de meesten van ons wel kennen: ongewenst bezoek. ‘Hij kent de weg, hij veegt zijn voeten / niet, neemt zonder vragen als vanzelf / sprekend de beste stoel, zet zich breeduit.’ (De enjambementen zijn mooi). En dan komen de verhalen, ‘grijsverteld’. Maar er schemert soms ook radeloosheid bij de blaaskaak door en dat tilt het gedicht boven de anekdote uit.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Het gebruik van eindrijm bijvoorbeeld kan wat oubollig aandoen. De eerste strofe van ‘Foto’: ‘Zij houdt de handen voor haar schoot gevouwen / en kijkt mij met een glimlach aan, / het wemelt van de madeliefjes / die vrolijk rond haar voeten staan. / Een paar narcissen, wit met gele hartjes, / posteren zich brutaal vooraan, / maar achter haar is leeg de hemel / en alle kleur lijkt eruit weggegaan.’ De wrange laatste twee regels contrasteren met de lieflijkheid die door het eindrijm wordt ondersteund. Het is dus functioneel, maar mooi vind ik het niet. Desondanks heb ik deze bundel met plezier gelezen.

***
Atze van Wieren, Eeuwig leven (2017). Uitgeverij IJzer, 77 blz. € 14,50

 

Cees Bolle, Ik kan het altijd denken

‘Ergens, denk je, / staat een huis waarin je thuiskomt. Alles past’. Deze regels heeft Cees Bolle gebruikt als motto van zijn derde bundel. Het is een citaat uit De man die ophield te bestaan van Ingmar Heytze. Zowel Heytzes citaat als zijn bundeltitel zijn goedgekozen: Bolles bundel Ik kan het altijd denken gaat over het huis van poëzie, dat van de herinnering en uiteindelijk de dood.

De bundel begint met de afdeling ‘Gesloten’, die gaat over de dood van de vrouw van het lyrisch ik. Ze leeft voort in taal –  ‘Noem haar naam / en zij is er nog’ – en in de herinnering. In het laatste gedicht van deze afdeling, Achterzicht, blijken met name gelukkige herinneringen een bijzondere functie te hebben: ‘het verduistert het zicht vooruit’. Mooie regel.

Het is bekend dat het geheugen zeer onbetrouwbaar is: herinneringen staan in dienst van het heden en daardoor worden ze vervormd: ‘het komt weer voor de geest / gevormd vanuit het nu’, schrijft de dichter in het gedicht ‘Herinneringen’. Het staat in de tweede afdeling, ‘Tijdig’ – op tijd, maar ook dat wat voortduurt. De dichter maakt dankbaar gebruik van die kennis. De laatste strofe van ‘Uitzicht’: ‘Ook als het anders was / of nooit zo warm en vol, / ik kan het altijd denken.’ Dit staat in de afdeling ‘Dolend’, over wandelingen, fietstochten en mooie momenten die je moet vasthouden. Tegelijkertijd zijn het ook hier zoektochten naar het verleden.
In ‘Ondergrond’ zien we de altijd aanwezige jeugd van de dichter, de grondtoon. De oorlog, de verwoesting van Rotterdam en de hongerwinter spelen een belangrijke rol. De dood komt in deze afdeling nadrukkelijker naar voren. Een mooi gedicht is ‘Spiegelbeeld’, waarin de ik wordt geconfronteerd met zijn eindigheid, verbeeld door het stromende water en het kevertje. Je denkt uiteraard direct aan Kopland met zijn voorliefde voor de Drentsche Aa en aan ‘Air’ (1671) van Jan Luyken: Droom is ’t leven, anders niet; / ’t Glijdt voorbij gelijk een vliet, / Die langs steile boorden schiet, / Zonder ooit te keren.

Onder de houten brug
de Drentsche Aa
en mijn rimpelig spiegelbeeld.

Pijlkruid buigt gedwee
met de lome stroom
een tak drijft doelloos mee.

Het water vloeit terwijl
een draaikevertje onheilspellend
snel mijn beeld verscheurt.

En in het laatste gedicht de werkelijke dood. Opvallend is dat dit het enige is dat in de derde persoon is geschreven, wat enige afstand schept – mogelijk om identificatie met de persoon Bolle te voorkomen die zich hier zijn einde zou voorstellen. Herinneringen komen nog één keer voorbij en in de laatste regels blijkt de man de zee in te lopen: ‘Zo stil en donker wordt het dan / geen zon meer en geen golf.’ Einde, ook van de bundel.

Een enkel gedicht vind ik minder goed. In ‘In een wolk van stilte’, uit de eerste afdeling, komt het lyrisch ik uit bed. Hij mompelt een ochtendgroet, onzeker, want er is niemand meer. De tweede en laatste strofe luidt:

In een wolk van stilte
kies ik de schakelknop
van het antwoordapparaat.
Dan klinkt een vrouwenstem
‘Er zijn nu geen berichten’.

Ik vind dit op de grens van het sentimentele. Ik kan me de eenzaamheid levendig voorstellen, en ook dat het een voorval kan zijn dat in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Dat kun je echter niet altijd één op één overnemen, in dit gedicht werkt het niet.
Maar dit is een detail. Het is een mooie, sobere bundel. De vier tekeningen van de vorig jaar overleden tekenaar Jan Steen passen er uitstekend bij.

***
Cees Bolle, Ik kan het altijd denken (2017). Uitgeverij kleine Uil, 48 blz. € 15,00

Recensie van Dagen van Van Putten. Deel 2 - Kees Engelhart

‘Je hebt iets verstopt dat heel waardevol is’

Kees Engelhart
Dagen van Van Putten. Deel 2
Uitgever: De Manke God
2017
ISBN 9789082585537
€ 25,00
355 blz.

Kees Engelhart is een fenomeen. Ik ken niemand die zoveel bundels produceert – veel daarvan onder heteroniemen, zoals Mila Fertek, de reeds lang overleden Jacob Peereboom, Nol Krentsch en anderen. Zelf spreekt hij niet over heteroniemen, maar autoniemen. Hij zegt niets van die fictieve personen te weten, ze dienen zich aan. En als op een gegeven moment zou blijken dat hij ook nog bundels als ‘ghostpoet’ publiceert, zou me dat niet verbazen: de ultieme romantische mystificatie. Zijn werk heeft een volstrekt eigen karakter, het is soms zeer goed en toch is hij slechts in kleine kring bekend. Hij heeft gepubliceerd in Dietsche Warande en Belfort, Deus ex Machina, De Brakke Hond, De Poëziekrant, Passionate en, zeer recent, in Het Liegend Konijn 2017/2, maar nooit is er een bundel bij een bekende uitgeverij verschenen. Hij heeft zelf een ‘uitgeefhuis’, De manke God. Ik heb me vaak verbaasd over die vreemde naam. In Dagen van Van Putten werd mijn nieuwsgierigheid bevredigd: ‘De mens is een gevallen God / die zich de hemel / herinnert’ (p. 83).
Bij nader inzien is het helemaal niet vreemd dat hij veel onbekender is dan je zou verwachten. Hij doet als uitgever niets aan publiciteit, in boekhandels zijn geen bundels te vinden, op de website van de uitgeverij vind je geen informatie. Er zou wel een webwinkel zijn, maar die kan ik nergens vinden. Navraag leert, dat je zijn bundels rechtstreeks bij de uitgeverij moet bestellen. (Om onnodig gezoek te voorkomen, vermeld ik het mailadres onderaan deze recensie.) Is Engelhart wereldvreemd of is er iets anders aan de hand? Ik denk het laatste. ‘And beyond all this, / the wish to be alone’ (Philip Larkin) luidt het eerste motto van de bundel. Als ik Engelhart was, zou ik toch wat van mijn rust opgeven en naar een gerenommeerde uitgeverij stappen – in het verleden is gebleken dat er interesse bestaat. Het zou eeuwig zonde zijn als een werk als dit in de vergetelheid zou zakken.

Dagen van Van Putten is een werk in uitvoering. Engelhart wil zesendertig jaar beschrijven in drie banden van twaalf jaar. Het epos begon in 1999 en bij leven en welzijn eindigt het in 2035 – hij is dan 78. Iedere band is onderverdeeld in vier delen van drie jaar en die bestaan weer uit boeken die ieder een seizoen beslaan. Ik bespreek het heel goed afzonderlijk te lezen deel 2 van band 1, de zomer van 2003 tot de zomer van 2006 (355 blz.). Levity Peters heeft deel 1 besproken (450 blz.).

Ik associeer dit werk natuurlijk in eerste instantie met Het Bureau van Voskuil, niet alleen door de beoogde omvang, maar ook door de inhoud: Engelhart raakt de kern van een leven. Toevallig herlas ik een brievenboek van Reve. Aan Josine Meyer schreef hij: ‘Wat men vaak mist ( … ), is het bizarre, het persoonlijke, het schijnbaar onbelangrijke maar in werkelijkheid wezenlijke’. Bij Engelhart zou hij op zijn wenken zijn bediend. Hij leidt je een geheel eigen wereld binnen, waarin verhaallijnen niet het belangrijkste zijn. Het gaat over dichten, wanhoop, klein geluk, dagelijkse beslommeringen, erotiek, weldadige rust, reflecties op het leven. En je blijft doorlezen, omdat de inhoud soms bizar en soms van een ontroerende lulligheid is; omdat de bundel licht en humoristisch is en toch een melancholieke ondertoon heeft. En niet in het minst omdat de vorm bijzonder is. Hij schrijft goed leesbare gedichten – dat moet ook wel bij een bundel met zo’n omvang – , die desondanks zo’n concentratie vergen dat je niets ontgaat: leestekens ontbreken, iedere regel begint met een hoofdletter, de woordvolgorde kan ongebruikelijk zijn. Hij is goed in lachwekkend ijzerenheinige herhalingen, die niet alleen een humoristisch effect hebben, maar, zoals ik zal laten zien, ook voor vervreemding zorgen. Een niet geringe prestatie.

Zijn werk heeft ook overeenkomsten met De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren, de meesterwerken van Louis Paul Boon. De personen die hierin figureren, zoals de Kantieke schoolmeester, Mossieu Colson van tminnesterie, de schilderes Tippetotje en de dichter/socialist Johan Janssens, vertegenwoordigen gedachten en ideeën van de schrijver Boon over een roman in wording en de versplinterde werkelijkheid waarop hij geen vat krijgt – ook niet in het  dagelijks leven. Ook bij Engelhart zie je verschillende personen die afsplitsingen zijn van hemzelf: Cornelis Van Putten, die opgevoerd wordt als schrijver van deel 2, Brumming, mevrouw Leenschat van Bodegraven, de Kleine Man en Doppertje Kid met zijn paard Fernando. Ze vertonen vele overeenkomsten: ze roken mijmerend een sigaartje of kruidensigaret, drinken daarbij een goed glas en, op Doppertje na – onze cowboy bevindt zich in Gulch City – ze genieten bij open tuindeuren van zomeravonden. Van Putten vertegenwoordigt het dagelijks leven met de liefde voor zijn aanstaande met haar kinderen,  gedoe met belastingen, geldzorgen en de nog steeds voortdurende strijd met ‘de directeur van het bos’, zijn voormalige werkgever. In Brumming zien we de dichter die gefrustreerd raakt in zijn contacten met uitgeverijen en – getuige de tekst op het achterplat – later ook uitgever zal worden. De Kleine Man is degene die zich geheel wijdt aan het dichterschap en alle literaire ruis daaromheen vermijdt. Engelharts variant op Lucky Luke en zijn paard Jolly Jumper, Doppertje Kid en Fernando, brengen zijn bundel De man die zo graag een cowboy wilde zijn in herinnering – de hang naar avontuur in de verbeelding, denk ik. En vertegenwoordigt mevrouw Leenschat van Bodegraven het vrouwelijke in Engelhart?

Dat de personages afsplitsingen van Engelhart zijn, suggereert hij ook met het gebruikte perspectief. Het merendeel van de gedichten is personaal geschreven: vanuit de ogen van de afzonderlijke verhaalfiguren, maar wel in de derde persoon. Er wordt dus tegelijkertijd over hen verteld. Je krijgt dan het effect dat Flaubert nastreefde: de schrijver die als een God boven het verhaal zweeft, overal voelbaar, nergens zichtbaar. In dit geval heet die God Engelhart, Manke God Engelhart.
Dat personale perspectief schept ook afstand, enige vervreemding, en die gaat uitstekend samen met de eerder genoemde herhalingen, want die versterken dat effect. In afzonderlijke gedichten werken ze vaak komisch: zo wordt Den Helder consequent ‘de provinciestad aan zee’ genoemd, eigennamen worden herhaald waar je verwijswoorden zou verwachten, et cetera. Maar de kracht van die herhalingen zit in het geheel: ze zorgen voor ritme, dragen bij aan het geheel eigen karakter van Engelharts poëzie en, zoals ik al schreef, veroorzaken afstand en vervreemding. Die afstand zie je ook in de volgende, schijnbaar onbeholpen strofe: ‘Plotseling merk je op dat de kleine man constateert / Hoe donker het in de / Kamer geworden is’. (p. 141). Hij wordt boeiend als je ziet dat ‘je’ een verhuld ‘ik’ is van de kleine man: hij beziet zichzelf met afstand, net zoals de lezers hem van afstand bezien.

Iedere persoon, op de beminnelijke mevrouw Leenschat van Bodegraven na, is dichter. Zij leest intensief en is in zekere zin de muze van de anderen.
Uit datgene wat de personen over het dichten zeggen, kun je een poëtica van de dichter Engelhart destilleren: poëzie moet waar zijn, ertoe doen en authentiek zijn. Het hoogste doel is schoonheid en die bereik je door een geheel eigen stijl.
We lopen zijn poëtica even na. De laatste strofe van de proloog luidt:

Hee Mingus
Dat is zoals het leven gaat
Alleen maar ware dingen Mingus
Dat zei je toch Mingus
Alleen maar ware dingen
Of niet soms

Na de proloog volgt ‘Boek 13, Kijkend over de velden’. Het eerste gedicht is van Doppertje. Hij begint met: ‘Doppertje wil een gedicht schrijven dat er toe doet / Dat willen alle dichters’. Makkelijk is het niet, hij weet niet of hij dat wel kan. Hij eindigt met: ‘Een gedicht dat waarachtig is en dat er toe doet / Eigenlijk weet Doppertje het helemaal niet meer zegt hij / En Doppertje wil van tafel opstaan en meteen naar bed’.

Schoonheid bereik je door een doelmatige stijl:

DE REST IS VERDER AAN GOD

1

Stijl is doelmatigheid meent Brumming
Onderwijl hij zich een helder glaasje inschenkt
Luisterend naar de geluiden die de avond voortbrengt

Dit in ieder geval moet de dichter weten
Dan interesseert hij zich onmiddellijk voor stijl

In ieder geval geldt dit voor de dichter die het
Hoogste in zijn kunst bereiken wil

Dan is hem duidelijk geworden dat het streven
Naar een telkens zich verbeterende stijl van
Wezenlijk belang is voor het almaar hoger
Opvoeren van zijn dichterlijke verrichtingen

Uiteindelijk stelt hij dan het nu van de stijl
Boven alles

En door dit nut in volle ernst te dienen begeeft
Hij zich langzaam maar ontegenzeggelijk naar
De schoonheid
Het allerhoogste

En ‘De stijl moet de dichter van nature liggen.’ (p. 130). Navolging is uit den boze – poëzie moet authentiek zijn. Sommigen zullen hun vraagtekens zetten bij zijn stijl. Die zit niet in ‘mooie regels’: sommige komen wat hortend en stotend over. Maar helder en effectief is die wel, neem bijvoorbeeld het effect van die herhalingen.

Mevrouw Leenschat Van Bodegraven leest het gedicht ‘Om te behouden’, waarin onder andere de regels: ‘Dag na dag loop ik te hoop om mijn verzen de kleur / Glans en klank te verlenen die ik in gedachten heb / Maar mijn arbeid vordert langzaam / En regelmatig valt het werk mij zwaar’ (p. 165). Mogelijk is het van Mila Fertek, ze las haar al in Dagen. Ze is ontroerd:

Mevrouw Leenschat van Bodegraven zucht legt de bundel
Voor zich op tafel zet haar glas bourbon neer en zucht
Nogmaals een prachtig gedicht meent zij dan rolt zij zich een
Kruidensigaret vast van plan een lange mijmering vol
Van bitterzoete overwegingen aan te vangen
Een heerlijke avond ligt voor haar

Wilt u hetzelfde ervaren? Lees dan de Dagen van Van Putten.

***
Dagen van Van Putten is te bestellen bij Uitgeefhuis De Manke God: k.engelhart@outlook.com