Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Recensie van Verre uittrap. Gedicht - F. van Dixhoorn

Actieve rust

F. van Dixhoorn
Verre uittrap. Gedicht
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023466055
€ 17,99
-/- blz.

Verre uittrap bestaat uit één gedicht van 92 tot 1000 of 2000 woorden, net wat je wilt. Vreemd, nietwaar? Op de linkerpagina’s, een vierde van bovenaf, op één uitzondering na helemaal links, zonder kantlijn en paginering, staan ofwel een woord ofwel een paar zeer korte zinnetjes. Op twee opeenvolgende linkerpagina’s zien we bijvoorbeeld:

terecht.’

procent.’
met zon.’
zoals met alles.’
heen.’

Ieder woord of zinseinde eindigt met een punt en een aanhalingsteken, wat het einde van gesproken of geciteerde zinnen suggereert. Je moet het voorafgaande zelf bedenken en de lengte zal per lezer verschillen.
De metafoor in de titel lijkt duidelijk: het laatste stukje zin of het laatste woord belandt op de pagina. Vreemd is, dat ‘Verre uittrap’ op de titelpagina links van het midden staat; ik verwachtte hem rechts, want een verre uittrap is effectiever als een keeper een eindje voor zijn doel staat.

De linkerpagina’s zijn bijna leeg en de rechterpagina’s helemaal. Daarmee lijken de bladparen leger dan wanneer er geen enkel woord staat, een paradox waarmee ook K. Schippers speelde. Het doet me denken aan de leegte als centrale gedachte in de zenfilosofie. Op Google vond ik een passage die uitstekend past op deze bundel:  ‘Leegte verwijst […] niet naar een ontkenning van het leven, maar naar een plek die leven mogelijk maakt – een plaats waar leven kan ontstaan en waar we de wereld, en onszelf, steeds als nieuw kunnen ervaren.’ Die ‘wij’ zijn in dit geval de lezers. Als er één bundel is waarin je leven voelt opbruisen zodra je hem openslaat, dan deze wel: je maakt het grootste deel van het gedicht zelf en er komen steeds nieuwe vragen en ideeën in je op. Leegte vertaal ik in dit geval met ruimte in je hoofd. Een verademing.
In een toestand van leegte zijn alle tegenstellingen opgelost. Dat geldt voor de paradox die ik noemde en ook voor het gedicht buiten de pagina’s: het is er niet, het is leeg, en tegelijkertijd is het er wel en ook nog eens heel nadrukkelijk, want er ontstaan net zoveel gedichten als er lezers zijn.

Om een indruk – en niet meer dan een indruk – te geven van het effect boots ik hier twee pagina’s na. De verticale streepjes geven het midden aan.

—– 
|

 

maal.’

 

 

 

 

 

 

|
—–

Het is heel eigenaardig, dat het eerste woordje (‘ding’) uit de hechting in het midden van de bundel komt kruipen – dit is de uitzondering die ik eerder noemde. Het gedicht lijkt hier tevoorschijn te komen, maar wat moeten we dan met die verre uittrap? ‘Geef mij maar een vraag / en geen antwoord’, schreef Kopland. Heel toepasselijk: een lezer kan geen conclusies trekken, hij heeft steeds andere vragen en ook daarom is de bundel goed.
Zo luiden de eerste acht woorden van het gedicht (de witregels staan voor de blanco rechterpagina’s):

ding.’

ding.’

gok.’

ding.’

ding.’
ding.’
overal van.’

Waarom juist die eindwoorden, die herhalingen? Het woord ‘ding’ herinnert mij aan het belletje aan het begin en het eind van een meditatie, juist door de pauzes die de pagina’s wit veroorzaken. Mooi is het woordje ‘gok’, een dissonant die nieuwe vragen oproept. De bovenstaande reeks is ook een mooi voorbeeld van het wisselende, hypnotiserende ritme in de bundel.
Vragen en geen enkel antwoord – heerlijk. Nog een één voorbeeld en dan houd ik op. Een recensie over leegte moet je niet te vol maken. Op een bladzijde bijna aan het eind van de bundel staat:

hoor je het verschil.’
ding.’
niks klein.’
zeeën.’

Informeel taalgebruik, denk ik, gezien de woorden ‘hoor je’ en ‘niks’. Is het een dialoog? Een monoloog? Hebben deze woorden überhaupt een onderling verband? Is het een commentaar op het herhaalde ‘ding’ uit het begin van de bundel? Ik kan er van maken wat ik wil.  In deze bundel ligt de verbeeldingskracht bij de lezer. Nooit eerder heb ik een dichter meegemaakt die hen zo weinig in de weg stond.

***
Van Dixhoorn (1948) debuteerde in 1994 met de bundel Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs kreeg. De bundel De zon in de pan (2012) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

Recensie van Die wij denken - Huub Oosterhuis

God o god

Huub Oosterhuis
Die wij denken
Uitgever: ten have
2017
ISBN 9789025906450
€ 14,99
64 blz.

De nieuwe bundel van Huub Oosterhuis, Die wij denken, begint met het volgende gedicht:

MORGEN

Je kreeg een doodskist om je heen.

Je schopt het deksel los
en staat op tintelende voeten.

Een hand trekt je de afgrond uit.

Je zou zeggen dat hij het genre van de horror heeft ontdekt, maar dat is niet zo. Hij ‘vliegt’ hier ‘van de rails’ om een uitdrukking van hemzelf te gebruiken. Dat gebeurt vaker, maar niet met zo’n snelheid.
Poëtisch vind ik de bundel niet interessant en je kunt je afvragen waarom ik hem dan toch bespreek. De reden is mijn ergernis over zijn preekzucht en annexatiedrift, waardoor een terecht engagement volkomen de mist in gaat.

De bundel gaat onder meer over twijfel aan god, god en het gruwelijke wereldleed, of god is ‘Die wij denken / de ooit bedachte’ dan wel bestaand en of dat onderscheid er iets toe doet. Al die overwegingen hebben mijn belangstelling, Oosterhuis’ zorgen over wereldwijde wantoestanden deel ik grotendeels, maar, zoals gezegd, mijn ergernis overheerst.

Volgens de tekst op het achterplat zijn de gedichten ‘geestelijke oefeningen’. Oosterhuis stelt ‘indringende vragen’. Wat betekent dit? Laat ik eens goed kijken naar ‘Zomer 2017’, het laatste gedicht van de afdeling ‘Die wij denken’.

Ik heb een touwtje
uit mijn brievenbus gehangen.

Ik wou dat ik van haring hield
en weer kon fietsen.

Veel groter is de wereld niet,
je hebt het Midden-Oosten nog
het zwartgeblakerd Witte Huis
het vrouwenvoetbal
eindelijk op het scherm.

Ik wil mijn oude vrienden nog bezoeken
voor wij sterven

En God nog eenmaal
die mijn jeugd verblijdde.

Vannacht verscheen hij mij zo haveloos
dat ik hem niet herkende. Wie ben jij?
vroeg ik met scherpe stem.

Ik kom, sprak hij drie-een
uit Eritrea Libië Afghanistan.

Maar waarom kom je hier dan heen?
riep ik, wij zijn een hoogontwikkeld land
waanzinnig gaaf –

hebben zopas in meerderheid besloten
dat jij niet bestaat.

Ik deel Oosterhuis’ verontwaardiging over het lot van vluchtelingen volledig, laat daar geen twijfel over bestaan. Mijn bezwaren liggen op een ander vlak.
In de eerste plaats de volstrekte voorspelbaarheid. Als de ‘ik’ in de eerste regels met een verwijzing naar Terlouw een touwtje uit de brievenbus hangt, dan kun je er donder op zeggen dat we met onze neuzen op de feiten worden gedrukt. Maar voor het zover is, worden de misplaatste nostalgie, kleine geneugten en beperkte blik voor een maximaal effect over vijf strofen uitgesmeerd. En dan gebeurt het: ‘Vannacht verscheen hij mij zo haveloos / dat ik hem niet herkende’. Een hardvochtige reactie in volstrekt realistisch taalgebruik volgt, waanzinnig gaaf. En dan komt de aap uit de mouw: [wij] hebben zopas  in meerderheid besloten / dat jij niet bestaat.’ Indringende vraag: wie zijn die ‘wij’ precies? De zondaars die tot inkeer moeten komen, maar nog niet verloren zijn, lijkt me. Aan eendimensionale, uitsluitend op eigen gewin gerichte lustzoekers is dit fijnzinnige gedicht niet besteed, zij zijn te ver heen.
De ‘ik’ rekent zichzelf ook tot de zondaars, want enige in zelfkastijding verpakte behaagzucht is hem niet vreemd en bovendien werkt dit retorische middel goed om je publiek, schapen zo je wilt, mee te krijgen. 
Nog een indringende vraag: stel dat vluchtelingen uit Eritrea, Libië en Afghanistan zouden vernemen dat zij in een gedicht van Oosterhuis tot een goddelijke drie-eenheid waren uitgeroepen, zouden zij daar dan blij mee zijn? Denk daar eens diep over na.

Dan die annexatie. Zoals blijkt uit ‘Aan de Verenigde Staten van Europa’ hoor je er bij als je goed doet, want goed doen is ‘God […] doen’, ook als je niet gelooft. (‘God doen’: een wat ongelukkige formulering, gezien een nieuwe betekenis van ‘doen’ die op Facebook is opgedoken .)

Als jullie zouden besluiten
de misdaden door onze vaderen begaan
te wreken met gerechtigheid en genade

het in stukken geknipte Afrika
het uitgezogen vernederde
nu eindelijk mee op te bouwen

met het kapitaal
dat je aan haar verdiend hebt –
als je besluiten zou wat?

God te doen. Ook wie niet gelooft
in zijn bestaan
kan stukje bij beetje hem doen.

Er zijn hersenen genoeg
op deze aarde
die weten hoe dat zou kunnen.

Ik gaf eerder in deze recensie een paar citaten uit het tekstje op het achterplat. Ik geef dat nu in zijn geheel, omdat het Die wij denken treffend samenvat. Wie dit tekstje doorgrondt, doorgrondt de essentie van de bundel.
‘Wel of geen god? Een leven na de dood? Je denkt het, je zou het willen. Of je denkt het niet, je kunt je er niets bij voorstellen. Het is een niet te geloven verhaal. Binnen dit verhaal stelt Huub Oosterhuis indringende vragen die iedere lezer, wetend, niet wetend, twijfelend, verlangend, zal herkennen. Geestelijke oefeningen zijn het, deze nieuwe gedichten.’
‘Wel of geen god?’ We weten nu hoe het zit. En het woordspelige ‘niet te geloven verhaal’: we kunnen het na lezing van de bundel op de juiste manier interpreteren. Verder zijn er blijkbaar slechts vier categorieën lezers: wetend, niet wetend, twijfelend en verlangend – via de ‘ik’ komen ze allemaal aan het woord, vaak in één persoon. Ik mis een categorie: de weters van het niet. Of slaat ‘je kunt je er niets bij voorstellen’ op hen? Missen zij een religieuze gevoeligheid en zijn zij daarom atheïst? Ik denk het niet. De religieuze gedichten van Reve ontroeren mij, onverbeterlijk ongelovige, al veertig jaar.
Het tekstje vliegt ‘van de rails’. Voor degenen die daar nog niet van zijn overtuigd een geestelijke oefening mijnerzijds.
Karel van het Reve schreef in 1969 Het geloof der kameraden, een haarscherpe analyse van de communistische ideologie en de uitwerking daarvan in de praktijk. Zoals de titel al aangeeft, beschouwde hij het communisme als een geloof. We vervangen in het tekstje op het achterplat ‘god’ door ‘communisme’ en Huub Oosterhuis door de in 2005 overleden communistische schrijver en dichter Theun de Vries.
‘Wel of geen communisme? De komst van het arbeidersparadijs? Je denkt het, je zou het willen. Of je denkt het niet, je kunt je er niets bij voorstellen. Het is een niet te geloven verhaal. Binnen dit verhaal stelt Theun de Vries indringende vragen die iedere lezer, wetend, niet wetend, twijfelend, verlangend, zal herkennen. Geestelijke oefeningen zijn het, deze nieuwe gedichten.’
Duidelijk?

***
Huub Oosterhuis (1933) schreef tientallen dichtbundels. Zijn liturgische gezangen zijn het meest bekend.

Recensie van Krekeldoof en andere gedichten - J.H. van Geemert

‘meisjes ooit’

J.H. van Geemert
Krekeldoof en andere gedichten
Uitgever: Uitgeverij De Republiek
2017
ISBN 9789086050178
€ 12,50
68 blz.

J.H. van Geemert is als dichter weinig bekend en dat is jammer. Zijn nieuwe bundel Krekeldoof gaat over ouder worden, het onbereikbare verleden, verval en dood. Dat klinkt zwaar, maar hij maakt de thema’s op een schijnbaar terloopse, bescheiden wijze lichter, humoristisch soms, maar zonder te vervallen in een al te gemakkelijke ironie.
Het woord krekeldoof is een neologisme, maar de betekenis is duidelijk. Van Geemert gebruikt het als metafoor: je merkt niet alle elementen uit de werkelijkheid op. Je kunt ook Oost-Indisch doof zijn: dan sluit je je voor bepaalde dingen af. Het tweede gedicht van de bundel heeft dezelfde titel:

KREKELDOOF

Mijn vader was krekeldoof.
Ik kon het nauwelijks geloven
na een Oost-Indische moeder.

Veel later bleek ook mijn vrouw
krekeldoof.

Wat zou ik
–  de afgelopen zesenzestig jaar  –
allemaal gemist hebben?

De ‘ik’ stelt in de laatste strofe gekscherend een retorische vraag, want de werkelijkheid is niet volledig kenbaar en het verleden nog minder. Mooi is het zinnetje ‘Veel later bleek ook mijn vrouw / krekeldoof’: alleen een ander kan dat constateren en uit dat besef komt de twijfel voort die de ‘ik’ uitspreekt: wat zou hij allemaal gemist hebben? Het verleden is niet te reconstrueren, iets wat ook spreekt uit het motto van de bundel: ‘Alles bleef / zoals het niet was.’ De tijd verglijdt en houvast aan het verleden heb je niet echt. Bereikbaar is het niet meer of het moest in poëzie zijn, maar of de weergegeven situatie dan waarheidsgetrouw is, kun je natuurlijk ook als dichter niet meer achterhalen. In ‘Huiswaarts’ vindt hij een ‘je’ in ‘de Amsterdamse school terug, / verscholen in een schelp van rode steen.’ Het verleden herleeft in het gedicht: ‘Verzeild zijn wij, in wat, in een gedicht, / een kelder waar we rechtop kunnen staan. / / We hoeven nergens meer naar toe.’ Een gelukkig moment, en dat kan ook in het heden voorkomen: ‘Soms, voor het dagelijks leven weer begint / en je weer terugkeert in het beschadigde / lichaam van een man, ben je even / een ademend wezen zonder toekomst en verleden.’ Maar: ‘Voor het beschreven is / is het voorbij’.  (‘Vroege morgen’). Maar de dichter beschreef het wel. Second best?

In zijn weemoed over een voorgoed voorbij verleden doet Van Geemert me denken aan dichters als Jan van Nijlen en Bloem. En ook met Nescio toont hij verwantschap. Zo mijmert Koekebakker in Titaantjes: ‘Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien, twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.’ Koekebakker heeft gelijk, velen van ons weten dat en de dichter ook. Onder het gedicht ‘Net echt’ staat de aanleiding voor het schrijven daarvan: Let it be, Londen, 24 oktober 2012. ‘Alles was er: de perfecte / John, Paul, George en / Ringo, de muziek’. Ook hier een terugblik: ‘Ik dacht aan de jongen, die alles nog kon worden / wat hij niet werd.’ Die titel ‘Net echt’ is knap. Twee woorden waarmee hij een wereld van onvervulbaar verlangen naar vervlogen tijden oproept. In die terloopse, schijnbaar eenvoudige formuleringen is hij een meester. Neem ‘Vader en zoon’, op het eerste gezicht een weinig opzienbarend gedicht over het verglijden van de tijd:

Van vader kende ik
         de schouders
     en zijn handen.
Soms, wil mij de afgelopen
  vijfentwintig jaar ook wel
         de bril te binnen schieten,
zijn stem, zijn hoest,
                          zijn dood.
Van meisjes ooit
         hoor ik hoeveel ik op hem lijk:
bijna hij, bijna.

Dit gedicht ontroert me, met name door die twee woorden ‘meisjes ooit’ tegenover ‘bijna hij, bijna’. Alweer die wereld van ‘voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’ en daar heeft hij maar twee woorden voor nodig – een vaak onopgemerkt stilistisch hoogstandje. En dat onbereikbare verleden staat tegenover een nabije toekomst, waarvan weinig meer te verwachten valt. Drie woorden ditmaal. En die herhaling van ‘bijna’, waaruit een stille berusting spreekt, prachtig.

De gedichten van Van Geemert zijn universeel. Dat komt niet alleen door zijn thematiek en uitgekiende gebruik van metaforen, maar soms ook doordat ze zo open zijn, dat iedere lezer zich ermee kan identificeren, of preciezer: de gedichten op zichzelf kan betrekken.  In het volgende gedicht heeft hij maar één woordje nodig om dat effect te bereiken: ‘het’.

OOK als het onverwacht komt,
als het me besluipt, bespringt, als
het er niet lijkt te zijn, als ik
het overschreeuw, ontken, als het
me uitput, verwondert,
als ik het uit- of toelach, als ik
het even vergeet.

Op het achterplat staat dat er vijf bundels van hem verschenen, die geen van alle meer verkrijgbaar zijn. Ik hoop dat het Krekeldoof beter gaat. Van Geemert verdient het.

***
J.H. van Geemert (1950) publiceerde in de jaren zeventig onder andere gedichten in De Gids en Hollands Maandblad; later in Tirade en De Zingende Zaag. In 2017 publiceerde hij Reynders, legendarisch kunstenaarscafé op het Leidseplein, samen met Paul Arnoldussen.  Indië tabee is in voorbereiding.

Recensie van Happy - Sasja Janssen

‘De dingen worden pas precies in mijn handen’

Sasja Janssen
Happy
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021407197
€ 16,99
64 blz.

De nieuwe bundel van Sasja Janssen heet Happy. Wie op grond van deze titel en het vertederende kalfje op het voorplat een feelgood-bundel verwacht, komt bedrogen uit. Een van de afdelingen heet ‘Have no fear of happiness’ en in het eerste gedicht daarvan wordt de uitspraak gecompleteerd: ‘Have no fear of happiness, it does not exist’. De bundel is verre van vrolijk, maar dat betekent niet dat je er somber van wordt, integendeel, daarvoor is hij te veelzijdig, zowel naar vorm als inhoud.

De bundel heeft twee motto’s. Het eerste bestaat uit de laatste twee strofen van ‘Het derde land’ van Nijhoff, met de regels: ‘O laat mij zonder herinnering // En zingend het derde land ingaan.’ Wat is dat derde land in dit geval? Een cynische lezer zou kunnen denken aan het leven na de scheiding van de dichteres, een motief in deze bundel. Maar waarschijnlijker is dat het om het land van de poëzie gaat. (Het tweede motto, de  songtekst van Jimi Hendrix’ ‘Little Wing’, wijst ook in die richting. Ik ga daar verder niet op in, dat zou te ver voeren).

Om de inhoud van een gedicht te laten leven, luisteren woordkeuze en vorm heel nauw. Regels als de volgende onderstrepen het belang daarvan: ‘Ik ben een twijfelaar, maar een van de meest zekere / want de dingen worden pas precies in mijn handen’. Het zijn regels uit het lange titelgedicht ‘Happy’. In dit geval gaat het niet om de modieuze term die op de meest uiteenlopende aangename sensaties wordt geplakt, maar om een woord dat de taalkundige Austin gebruikte in verband met taaldaden, zoals een bevel, een belofte of een afspraak. Taaldaden zijn effectief als een uiting binnen de gegeven context kloppend is, ‘happy’. Bij de dichteres is de taaldaad het garanderen van de poëtische voortgang: ‘( … ) zolang mijn zinnen happy worden / zoals John Austin me leerde, doen mijn pennen het’. En zolang haar pennen het doen, kan ze haar leven overeind houden of in ieder geval intensiveren; de existentiële rol die poëzie voor Janssen speelt maakt deze bundel uiterst boeiend. Nog een paar citaten uit dit gedicht:

Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden
of is het juist andersom? Ja, als onze daden happy
zijn, dan onze kauwen, onze bomen, onze doden
jij en ik, geen ons is ons teveel. Natuurlijk hebben we
genoeg mankop voor vergetelheid, zo ken ik je weer.
Wat trillen mijn handen?

(…)

(…) De wereld maak ik gelijk met de taal, wat
verwacht je anders van mij?

(…)

De letter ‘n’ is mijn vader (zijn tengere benen die van jou)
want de vorm is een daad, (…)

Een van de gedichten heet ‘Mindfuck’, een uiterst happy titel wat mij betreft: het gedicht is fascinerend. Vanuit wiens perspectief is dit gedicht geschreven? Neem de eerste strofe, wie zijn die ‘wij’?

Wanneer de koningin zegt het woord naar binnen
te dragen, is weelde ons antwoord, overal werk
slepen met werk, bladkamers bouwen, een weelde
aan werk.
Tot het woord over ons hoofd groeit, de droge zon in.

Ik lees ‘bladkamers’: zijn die ‘wij’ dichters? Of toch wij allemaal? Maar als je even verder leest, kunnen het ook bijen zijn – dwaze bijen? De associatie met Nijhoff dringt zich op – en, als je een paar strofen verder bent, kunnen het ook mieren zijn geweest, compleet met ‘de zang van de krekel’ die wordt gehoond om ‘zijn modieuze mindfuck van het nu’. Het ‘wij’ wordt afgewisseld met ‘ik’, de ene keer de dichter, een andere keer een mier. Wie er aan het woord is, is niet steeds duidelijk. Je idee daarover verandert bij herlezing en misschien is dat ook de bedoeling: de grenzen tussen mens en dier zijn minder duidelijk dan weleens wordt aangenomen, dat zie je vaker in de bundel. Het gedicht als geheel is een reflectie op leven en poëzie en de inzet is hoog:

Ik alleen kan het, me losweken van mijzelf, zoals
een gedicht van zijn maker.
Een camouflagetechniek, die met gemak aan te leren is.
De meeste mensen zijn er huiverig voor, maar willen er alles
van weten, totdat ze me verwijten dat ik geen zedelijk
bewustzijn heb.
Het komt te dicht bij de dood.
Hoewel je die al bij je eerste uur cadeau krijgt.

Een goed gedicht zingt zich los van de maker, zei Nijhoff, maar de ‘ik’ gaat nog een stapje verder: zij maakt zich schijnbaar los van zichzelf. (Ik ga ervan uit dat nu de dichteres aan het woord is, maar noodzakelijk is dat niet). Lijkt zij op een afstandelijke, waardenvrije manier naar de essentie van het leven te kijken? Het schrikt mensen blijkbaar af.

De gedichten in deze bundel zijn lang. Op vier na tellen ze meer dan een bladzij; het langste is ‘Happy’:  vierenhalf.
‘Ginnungagap’ is een proza-achtig gedicht van drieënhalve bladzij, verdeeld in strofen van ongelijke lengte. Het heeft het karakter van een klassiek kort verhaal, waarin ieder woord op zijn plaats staat en meer wordt verzwegen dan verteld, wat het kracht en spanning geeft. Het gedicht is raadselachtig, maar bij herlezing krijg je er greep op, zonder dat je tot een sluitende interpretatie komt – gelukkig niet, zo blijft het boeiend. Het gaat over het verwerken van de scheiding van de ‘ik’ in de vorm van een mythische zoektocht naar inzicht die voert van ‘knopendorp’ Baarlo naar kloosterdorp Steyl, dat bij Venlo aan de overkant van de Maas ‘met het miljoenen jaren oude water’ ligt.
Ginnungagap is ‘de kloof van schijnbare leegte, materievrije ruimte, niets of  vacuüm uit de Noordse mythologie’, lezen we in Wikipedia. Het is de ‘oorspronkelijke gapende afgrond in het scheppingsverhaal van de Edda.’
De dichteres lijdt onder haar scheiding, ze moet geheel opnieuw beginnen met haar leven, zich herscheppen. Het voelt als een terugkeer naar de Ginnungagap: ‘Terug in de Ginnungagap, gapende afgrond die geen ruimte inneemt en / al bestond voordat alles een lengte had, uitvouwbaar werd, net als ons / denken over niets.
De bijnaam ‘knopendorp’ wordt duidelijk als we lezen dat ‘begin en einde (…) de tempelpoort van Tajiri [is]’. Tajiri is de knoopkunstenaar, die zijn woonplaats Baarlo het geografisch middelpunt van Europa noemde. 
Voor de dichteres is niet alleen de scheiding, maar haar hele leven op dat moment een knoop, of beter: een serie knopen die ontward moeten worden. Dat verloopt zeer moeizaam: ‘De samenhang duizelt. De lijnen en hun betekenissen, ze maken van / de knoop een kogel, maar ik ben het zelf die ze verknoopt. Meer lopen, ik / moet lopen, mijn botten uitknijpen, mijn bewustzijn laten verdampen. / Verdriet als handeling.’ Uiteindelijk lukt het: ‘Langzaam weekt het gebied zich los uit elf knooppunten. / Ik benoem ze, ze draaien zich naar me toe, helderder dan ooit’. Dan is de tijd gekomen om de Maas weer over te steken naar het kloosterdorp. Haar verdriet laat zij achter zich: ‘De scherf laat ik in het water achter. / De pont brengt me naar de overkant, naar de roze slotzusters, om de / eeuwigheid te zien. Tot ook zij weer water worden.’

Happy is een heel spannende bundel omdat het welslagen van de gedichten voor de dichteres van essentieel belang lijkt te zijn voor haar leven. Het levert prachtige regels op. De bundel begint met: ‘Doodsengelen schijten op de plek waar een gedicht moet / staan (…) deze nacht werd ik wakker zonder taal’. Na zulke regels kun je de bundel niet meer wegleggen.

***
Sasja Janssen (1968) debuteerde met de roman De kamerling (2001). In 2007 verscheen haar eerste dichtbundel, Papaver, in 2010 Wie wij schuilen (genomineerd voor de Jo Peters poëzieprijs) en in 2014 Ik trek mijn species aan. Deze bundel werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.