Poëzie Kort 2018 / 2


© Levity Peters

Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita), Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper

Mijn taalorkest heet de nieuwe bloemlezing uit Brahman van Johan Andreas dèr Mouw (1863 – 1919). Hij is aangevuld met een sonnettenreeks nagelaten werk. Victor van Vriesland en Gerrit Komrij gingen de samensteller Jan Kuijper voor, maar overbodig is de bundel niet: Dèr Mouw dreigt van tijd tot tijd in de vergetelheid weg te zakken en dat verdient hij niet, integendeel: hij was een van onze grootste dichters. Voor degenen die zich vervolgens nader willen verdiepen in zijn poëzie: in 1986 verscheen een wetenschappelijke uitgave: Volledig dichtwerk, ed. H. van den Bergh, A.M. Cram-Malgré en M.F. Fresco.

Om zijn poëzie te kunnen waarderen, moet je iets van Dèr Mouws denkwereld weten. Het onderstaande baseer ik losjes op de onlangs verschenen biografie van Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. (Een bespreking volgt nog).
Dèr Mouw was classicus, filosoof en wiskundige. Als filosoof hield hij zich bezig met kennistheorie, met als belangrijke vraag in hoeverre de wereld kenbaar is voor een individu. Sinds Kant was de verhouding tussen het ‘subject’ (degene die kent) en het ‘object’ (het gekende ) problematisch. Onze hersenen leggen door hun werking een raster over de werkelijkheid, waardoor de ervaring van de werkelijkheid nooit volledig en objectief kan zijn. De ‘idealisten’ stelden dat de werkelijkheid slechts ons idee van de werkelijkheid is, een voorstelling die zich afspeelt in ons hoofd. De uiterste consequentie is, dat alleen het subject, het ‘ik’ reëel is, een voor Dèr Mouw ondraaglijk eenzaam idee: alle andere ‘ikken’ zijn dan immers slechts een onderdeel van je verbeelding. Deze filosofie heeft echter raakvlakken met de Indische wijsbegeerte, het Brahmanisme, en die gaat verder. Ook daarin wordt gesteld dat de wereld die wij ervaren een illusie is, een schijnbare splitsing van een eenheid in veelheden, ikken, tegenstellingen, maar op zeldzame momenten ervaar je dat alles een is in Brahman, de ‘Wereldziel’, iets wat hij ervoer als een bevrijding.  Als dichter – hij begon pas in de laatste zeven jaar van zijn leven serieus met poëzie! – nam hij niet voor niets het pseudoniem Adwaita (de tweeheidsloze)  aan.
Poëzie roept die Brahman-ervaringen soms op, ook voor de lezer. De laatste strofe van ‘Aquarium’: ‘en wie het leest, voelt, voor één ogenblik / verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik, / trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.’
Het sonnet (zijn meest gebruikte  versvorm) is bij uitstek geschikt om die eenheid te tonen, juist omdat de wending tussen octaaf en sextet vaak uit een tegenstelling bestaat. Aan de dichter de taak om te laten zien dat deze schijn is.

Zijn denkwereld maakt Dèr Mouw natuurlijk niet tot een goed dichter, daar is meer voor nodig. ‘Beperking moet vernuft en vinding wetten; / Tot heerschen is, wie zich beheerscht bij machte’, schreef Jaques Perk als reden zich vrijwillig te onderwerpen aan strenge vormregels. Het zou een lijfspreuk van Dèr Mouw geweest kunnen zijn. Jan Kuijper noemde de bundel niet voor niets Mijn taalorkest, Dèr Mouws typering van zijn eigen poëzie. In zijn nawoord geeft Kuijper een kort, helder overzicht van het gebruik van metrum vanaf de zestiende eeuw en de manier waarop Dèr Mouw daarmee omging. Hij was een meester in de spanning tussen metriek en ritme, bijvoorbeeld door het gebruik van anti-metrieën die de inhoud ondersteunen: ‘IJl ligt de wilgenschaduw op de wei / het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker’.

Om misverstanden te voorkomen: Dèr Mouw was geen zweverig dichter. Hij kon zeer aards zijn, voor zijn tijd soms seksueel expliciet, hij paarde humor aan diepe ernst, hij kon extatisch schrijven en ook zeer nuchter. Het is niet verwonderlijk dat de latere mannen van Forum hem waardeerden.

***
Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita) (2018). Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper. Uitgeverij Vantilt, 183 blz. € 19,95

 

Meleagros, Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes

Wie Catullus waardeert, zal ook van de Griekse liefdesdichter Meleagros houden. De esthetisch-decadent Oscar Wilde bewonderde hem; datzelfde gold voor Couperus en ongetwijfeld ook voor de jonge Jacob Israël de Haan. Wat hen aantrok was de hartstochtelijke liefde van het lyrisch ik, niet alleen voor vrouwen, maar vooral die voor opgroeiende jongens – de bekende Griekse liefde.
Paul Claes vertaalde de epigrammen van de in Syrië geboren dichter, die leefde van 135 tot ongeveer 70 v. Chr.  en voorzag ze van een inleiding en toelichting. Bitterzoete liefde heet de bundel en die titel is goedgekozen:

Bitterzoet

Hij is een lieve jongen. Zelfs zijn naam klinkt zalig:
Myiskos. Waarom zou hij niet mijn liefste zijn?
Hij is heel mooi, ja hemels mooi. Soms is hij lastig,
maar dan verzoet mijn liefde wel de bittere pijn.

De toelichting van Claes: ‘De verkleinnaam Myiskos (zie 18)  betekent ‘muisje’ of ‘vliegje’ (zie 23). De paradox van de bitterzoete liefde is een leidmotief (zie 47)’. Reve had dit gedicht kunnen schrijven, net als het gedicht ‘Liefdesdroom’, waarvan de eerste regels luiden: ‘Een heerlijk droombeeld van een glimlachende jongen / van achttien jaar oud die zijn reismantel nog droeg’. Het blijft bij die droom, uiteraard zou ik zeggen.

Epigrammen waren oorspronkelijk korte gedichten op een gedenkteken, graf, beeld of gebruiksvoorwerp, maar, schrijft Claes, vanaf ‘de vierde eeuw v. Chr. dienden epigrammen als entertainment bij feesten en drinkpartijen. Het speelse genre werd in de hellenistische periode bijzonder populair. De beknopte vorm bood ruimte voor uiteenlopende thema’s: epigrammen waren beurtelings graf- of treurdichten, liefdesverzen, wij- of votiefgedichten, beschrijvingen en spotverzen.’
Bij Meleagros ging het om momentopnames in de liefde: ‘verrassing, verleiding, bewondering, extase, hunkering, verbeelding, ontgoocheling en weemoed.’ Het lyrisch ik moet niet gelijk gesteld worden met de dichter. In de antieke cultuur was dat niet gebruikelijk: literatuur en leven werden strikt gescheiden.

Veel gedichten zijn opvallend humoristisch. Verrassend is de gelijkenis van ‘De beker’ met ‘Aan Betsy’ van Piet Paaltjens:

De beker

De beker lacht verrukt nu het praatzieke mondje
van mijn liefdesvriendin Zenofila hem vond.
Ach, mocht zij ook haar lippen op mijn lippen drukken
om in één teug mijn ziel te zuigen uit mijn mond.

Een aanwinst, deze vertaling.

***
Meleagros (2018). Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes. Atheneum – Polak & Van Gennep. 183 blz. € 12,50

 

Paul Claes, Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers

Na jarenlange ervaring als autodidact vertaler heeft Paul Claes een aantal vertaalregels opgesteld die hij goed kon gebruiken als eveneens autodidact docent, omdat bepaalde fouten systematisch terugkeren.  Hij constateerde dat beginnende vertalers vaak ongewild een tussentaal hanteren: het vertaals. Aan de ene kant moet je zo precies mogelijk vertalen wat er staat, maar aan de andere kant moeten er vaak zinnen ingrijpend worden veranderd om ze natuurlijk te laten klinken. Dat betekent niet dat je vrij moet vertalen, maar juist. Dat doet me denken aan een opmerking van mijn leraar Frans die ik nooit vergeten ben: ‘Vertalen is meer een kwestie van Nederlands dan Frans’. Strikte regels zijn het overigens niet. Als je goede redenen hebt om er vanaf te wijken, moet je dat vooral doen.

Claes gaat in op de regels voor het vertalen uit het Frans, Engels en Latijn en geeft een aantal tips voor het vertalen van gebonden verzen; zijn collega’s Frans Denissen en Adam Heylen namen het Italiaans voor hun rekening. Duits ontbreekt: voor die taal kon hij niemand vinden die de tijd had om mee te werken.
De hoofdstukken hebben een eenvoudige, effectieve opbouw: basisverschillen (abstracte formulering, personificatie en aanhechting bijvoorbeeld) en specifieke verschillen, zoals lidwoord, adjectief en substantief.  De auteurs geven zeer veel voorbeelden, wat het tot een ideaal handboekje maakt.

Vermakelijk zijn soms de ‘valse vrienden’: ‘woorden die qua vorm op Nederlandse woorden lijken, maar toch een andere betekenis hebben.’ Ze worden vaak klakkeloos overgenomen. Zo betekent ‘aussi’ aan het begin van de zin ‘daarom, dan ook’, een bonbon is een snoepje en een ‘candidature’ vrijwel altijd een sollicitatie. In het Engels (18 pagina’s valse vrienden!) is de juiste vertaling van ‘actual’ eigenlijk, feitelijk, echt of onderhavig. Leuk is het Italiaanse ‘casino’: als je daarnaar vraagt, denkt men dat je naar een bordeel wilt. Het kan overigens ook rotzooi of lawaai betekenen.

Boeiend is ook het laatste hoofdstuk, de ‘Wenken voor het  vertalen van gebonden verzen’. In de toelichting ‘Tekst en vertaling’ van Bitterzoete liefde zien we hoe Claes te werk gaat: ‘De epigrammen bestaan uit elegische disticha, combinaties van hexameters en pentameters. Nederlandse versies laten zich lastig in die maat dwingen. In plaats daarvan kies ik dan ook voor afwisselend vrouwelijke en mannelijke alexandrijnen. In kortere gedichten voeg ik vaak rijm toe om het epigramkarakter te versterken.’ De reden geeft hij in Gouden vertaalregels: het overnemen van de oorspronkelijke versificatie kan leiden tot ongelukkige constructies in de doeltaal. Als je vormvast wilt blijven – dat hoeft niet per se, Frans van Dooren heeft de Divina Commedia met goede argumenten in proza vertaald – zul je daarom zo creatief moeten zijn, dat je zowel de vorm als de eenheid recht doet.

Ook dit boekje is een aanwinst.

***
Paul Claes (2018). Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers. Uitgeverij Vantilt, 190 blz. € 19,50

Recensie van Het Liegend Konijn 2018/1 - Jozef Deleu

De stand van zaken

Jozef Deleu
Het Liegend Konijn 2018/1
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463103145
€ 20,00
256 blz.

Jozef Deleu laat in het eerste nummer van Het Liegend Konijn opnieuw zien hoe gevarieerd het Nederlands/Vlaamse poëzielandschap is. De bundel begint en eindigt met lange geëngageerde gedichten van respectievelijk Obe Alkema en Arno Van Vlierberghe. Alkema is de dichter die een weg moet zien te vinden in de kakafonie van het huidige leven. ‘Verhalen van Europa’ begint als volgt: ‘Mannen. / Midden jaren tien liep ik vast in besluiteloosheid. / De fictie (hopen te kunnen) onderscheiden van de officiële /                  geschiedenis en je dan het omgekeerde realiseren.’ Het gedicht ‘mark baumer is dood’ van Arno Van Vlierberghe is drie bladzijden lang. Uit de inhoudsopgave begreep ik dat het een fragment is van een groter geheel. Het begint met de regels: ‘Hier staan we dan, in ons zelfgekozen nu. / Het einde helder, grotesk in zicht. / Een plompverloren schuld, die ons vertaalt, verspreidt, uitdunt.’ Het eindigt met: ‘Wat moeten we doen wanneer niets meer kan? / Hier staan, in ons zelfgekozen nu.’ En tussen deze begin- en eindregels vraagt hij zich onder andere af hoe te dichten in een wereld waarin Mark Baumer, dichter en milieuactivist, werd doodgereden toen hij blootsvoets door de Verenigde Staten trok om de aandacht te vestigen op de klimaatverandering.  ‘Hoeveel Mark Baumers kunnen we dit jaar nog verliezen? / Ik wil een vuurtoren bouwen met de schedels van alle Mark / Baumers die we in 2017 verloren. / Het bloedrode licht kilometers ver de wereld in knuppelen. / Branden op het gevoeligste netvlies, de fijnste zenuwuiteinden van / de economie dichtschroeien.’ Maar hoe?

De bundel bevat relatief hermetische gedichten van Giuseppe Minervini en Peggy Verzett, maar ook het vertrouwde parlando van Luuk Gruwez. Ik moest lachen om zijn hekeldicht ‘Afscheid van een recensent’. Ik kan het niet laten om het in zijn geheel over te nemen.

Eindelijk, eindelijk kunnen we rustig slapen.
Ik hou er maar mee op mezelf en jullie nog
te kwellen, slaafs aan oordelen te onderwerpen,
want zelfs een blindeman kan zien dat dit
waarachtig nergens meer toe dient.

Heb ik mij dan vergist, ten onrechte mijn data
op de oneindigheid geplakt, beduusd door wat
er over jullie wonderlijke ik te melden viel?
En kwam het op mijn inzicht echt niet aan, maar
op de hevigheid waarmee ik jullie op wou vrijen?

Slechts enkelen werden gekoesterd, soms stuntelig,
met heel mijn literaire libido. En ook dacht ik:
men blijft bestaan zolang men weet hoe laat het is.
Nu kunnen jullie, net als ik, op beide oren slapen.
Niet langer zal ik jullie liefhebben of haten.

De beeldspraak van Sara Haven is goed getroffen en humoristisch (en tragisch, maar dat ligt in elkaars verlengde). Het gaat me om het garneren in de derde strofe van ‘het feest waarvan ik droomde’:

het feest waarvan ik droomde
toen ik nog geloofde
in einden en beginnen

is niet gekomen
dus ik berg de stoelen
met de gasten

haal de kippen uit hun ren
en garneer ze
met het onaangeroerde eten

Ook dichters als Charles Ducal, Eva Gerlach, Delphine Lecompte, Willem Thies en Mustafa Stitou kregen een plaats. Ik had me niet gerealiseerd dat Tempel, de laatste bundel van Stitou, al in 2013 is verschenen. Het is tijd voor een nieuwe.

‘Memento’ van Peter Mangel Schots zou je kunnen lezen als een illustratie bij het befaamde essay Waarom we poëzie haten van Ben Lerner. Mangel Schots keert zich zowel tegen ‘in brons gegoten’ gedichten die zijn voorbestemd voor de eeuwigheid als tegen de taal van ‘billboards en barnum’ die ‘een onwankelbare / twijfelloze zekerheid [afficheren], volmaakt geluk als wet / van Meden en van Perzen’.  Het gaat hem om heel iets anders. De laatste drie strofen van het gedicht:

ik moet beginnen
zonder voornemen iets te maken
waar niet aan te tornen valt, duizend woorden
mogen het eerste zijn, geen onwrikbaar begin
geen monolithisch midden
nauwelijks een eind

elk falen is een zegen
een absolutie van het absolute
het volstrekte wonder dat te zien

ik breek nu vazen om ze weer te kunnen lijmen
en te leren uit de onbeholpen naden
hoe het licht naar binnen sluipt

Elk falen is een zegen: het doet denken aan het ‘Fail again. Fail better’ van Samuel Beckett, iets waarop ook Lerner varieert in zijn essay. Ik citeer uit mijn recensie van 26 februari 2017: “Ieder gedicht schiet tekort en vormt slechts een afspiegeling van het verlangen ‘om [zo schrijft Lerner] voorbij het eindige en tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente en goddelijke te bereiken.’ Dat is onmogelijk: zoals bekend lopen dichters op tegen de grenzen van de taal. Het onbestaanbare volmaakte gedicht noemt Lerner het virtuele. Hij stelt dat tegenover het feitelijke: het gedicht zelf.” Bij Mangel Schots: tussen de naden van de gebroken (taal)vazen kan iets van dat virtuele naar binnen sluipen. Mooi is de paradox: juist door niet naar een eeuwigheidswaarde van zijn gedichten te streven, roept hij een vermoeden van dat virtuele op. Zijn beeld bracht me trouwens een mooie regel van Gerbrandy in herinnering: ‘Waar grammatica kiert kent lichtval een uitweg’ (Voegwoorden, p.627).

Ik vermoed dat Jozef Deleu het gedicht ‘Memento’ in zijn achterhoofd heeft gehad bij het schrijven van zijn inleiding ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn.’ Hij beroept zich expliciet op Lerner: alleen met een zeer kritische houding ‘waarmee men de eigen discipline en haar beoefenaars te lijf durft te gaan’ kan men poëzie beschermen, want ‘poëzie of wat ervoor door wil gaan [surft] al te vaak [mee] op het modieuze gebabbel van commentatoren die haar via parafrases of slappe performances van haar dubbele bodem en diepgang ontdoen.’ Stuitend vindt hij dat. ‘Op die manier verwordt poëzie tot een lichtekooi die wat vertier moet brengen in een sombere wereld. Ze wordt een hapklare brok voor handige reclamemakers, een stimulerend middel voor de consumptie.’
Deleu heeft gelijk, maar er klinkt wel veel wanhoop op uit zijn inleiding. Dat blijkt uit het welhaast bezwerende gebruik van het werkwoord ‘moeten’: ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn’ (de vraag wat gevaarlijke poëzie dan in vredesnaam is, laat ik hier in het midden); het essay van Ben Lerner ‘geeft de richting aan waarin gedacht moet worden’; in goede poëzie ‘moet de taal passie, ontregeling, inzicht en visie verwoorden’; poëzie ‘moet aan onze ervaringen en inzichten perspectief en diepgang verlenen.’ (De cursiveringen zijn van mij).
Laat ik hier nog een moetje aan toevoegen: nog niet gebundelde poëzie moet een goed zichtbaar podium hebben. Deleu biedt dat keer op keer.

Recensie van Ik herhaal je - Ingrid Jonker

De achttiende druk en toch een recensie. Waarom?

Ingrid Jonker
Vertaler: Gerrit Komrij
Ik herhaal je
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057599125
€ 19,99
221 blz.


Het leven van Ingrid Jonker
(1933 – 1965) blijft velen tot de verbeelding spreken, misschien juist in
deze tijd. Het bevatte alle dramatische elementen voor een  succesvolle film  en mede dankzij Boulevard-achtige aanbevelingen (‘Meeslepende en ontroerende liefdesbrieven laten je proeven van de immense schoonheid en pijn van het bestaan’, stond er bijvoorbeeld in de kwaliteitskrant Trouw*) werd  Vlam in de sneeuw, haar onstuimige briefwisseling met André Brink, goed verkocht. Het verbaast daarom niet dat er een achttiende druk is verschenen van Ik herhaal je, bestaande uit een ruime, tweetalige selectie van haar gedichten en een biografie.
Omdat de fascinatie voor Jonkers leven onverminderd groot blijft, is het goed om nog eens aandacht te besteden aan haar werk. Ik doe dat voornamelijk aan de hand van een exemplarisch gedicht.

Haar oeuvre is niet groot: bij leven heeft ze de bundels Ontvluchting (1956) en Rook en oker (1963) gepubliceerd; Kantelson verscheen postuum in 1966. De selectie en vertaling van de gedichten is van Gerrit Komrij, de biografie die ook in deze bundel is opgenomen van Henk van Woerden.
De gedichten zijn sterk autobiografisch en dat zorgde voor de betrokkenen soms voor veel ongemak. Toch hoef je over haar leven niet veel te weten, want namen gebruikt ze nauwelijks en de gedichten hebben over het algemeen een wijder bereik dan het strikt persoonlijke. En, nog belangrijker, ondanks haar schijnbare nonchalance was ze een meester van de vorm: haar gedichten zijn klankrijk en ritmisch, ze schreef beeldend en haar woordkeus is aantrekkelijk. Dat beleef je pas echt als je de gedichten in het Afrikaans leest (de bundel is gelukkig tweetalig), want, met alle respect, in de vertaling van Komrij gaat veel verloren.
Om beide te demonstreren citeer ik het bekende gedicht ‘Bitterbessie dagbreek’ zowel in het origineel als in vertaling. Daarnaast laat ik aan de hand van dit gedicht de werking zien van een paar beelden die door haar hele werk spelen.

BITTERBESSIE DAGBREEK

Bitterbessie dagbreek
bitterbessie son
’n spieël het gebreek
tussen my en hom

Soek ek na die grootpad
om daarlangs te draf
oral draai die paadjies
van sy woorde af

Dennebos herinnering
dennebos vergeet
het ek ook verdwaal
trap ek in my leed

Papegaai-bont eggo
kierang kierang my
totdat ek bedroë
weer die koggel kry

Eggo is geen antwoord
antwoord hy alom
bitterbessie dagbreek
bitterbessie son

BITTERVRUCHT VAN DAGERAAD

Bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon
een spiegel is gebroken
tussen mij en hem

Wil ik langs de hoofdweg
rennend op een draf
telkens slaan er paadjes
van zijn woorden af

Dennenbos herinnering
dennenbos vergeet
waar ik ook verdwaal
trap ik in mijn leed

Papegaai-bonte echo
lacht me, lacht me uit
totdat ik bedrogen
op het spotwoord stuit

Echo is geen antwoord
antwoordt hij alom
bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon

Wat betreft de vertaling: neem de eerste strofe van het origineel. De herhaling van de medeklinkers ‘b’ en ‘s’ in combinatie met het ritme (‘Bitterbessie dagbreek / bitterbessie son) en het gekruiste rijm met de afwisseling van vol- en halfrijm, zorgen voor een speelsheid die tegengesteld is aan de inhoud, die daardoor des te schrijnender overkomt. Bij Komrij vind je daar niets meer  van terug. En in de tweede strofe: het tentatieve ‘Soek ek’ bij Jonker is veel sterker dan het wat verongelijkte ‘Wil ik’ bij Komrij. En ook het ‘oral’ (overal) past beter bij de verwarring waarin de ‘ik’ verkeert dan het ‘telkens’ bij Komrij. ‘Telkens’ is alleen maar irritant hinderlijk voor iemand die langs de hoofdweg wil draven.

Alles verkeert in zijn tegendeel in dit gedicht. Hier is ‘dagbreek’ geen belofte, zoals in gedichten als ‘Moenie slaap nie’ (‘Slaap niet’):

Moenie slaap nie, kyk!
Agter die gordyne begin die dag dans
met ’n pouveer in sy hoed                                                        pauwenveer

En in ‘Bitterbessie’ zijn de paden dwaalwegen, in andere gedichten uitwegen. Dennenbossen vormen herinneringen aan een gelukkige jeugd – voordat ze bij haar vader kwam te wonen, tenminste – , in ‘Bitterbessie’ is het : ‘dennebos vergeet’.
Een spiegel verbeeldt de verdubbeling ten gevolge van de liefde: ‘Mijn omhelzing heeft me verdubbeld (…) // in een kamer ver weg / achter de gemorste herfst / kijken je ogen verdwaasd / naar de spiegel van je lijf’ schreef ze in een gedicht dat ze opdroeg aan André Brink. Hoewel in dit gedicht ook geen sprake is van puur geluk, in ‘Bitterbessie’ is de spiegel gebroken.
Puur geluk vind je in het gedicht ‘Ik herhaal je’. Hier is niet zozeer sprake van verdubbeling, maar van een overvloeien in elkaar: ‘Ik herhaal je / zonder begin of einde / herhaal ik jouw lichaam/ (…) met mijn borsten / die de holtes van jouw handen imiteren’.  (In het Afrikaans luidt die laatste regel: ‘wat die holtes van jou hande namaak’. Ook hier is het origineel weer mooier; vertalen kan ondankbaar werk zijn).

Ook in haar geëngageerde gedichten, als ze zich tegen de Apartheid keert, is de liefde sterk aanwezig. Nelson Mandela maakte haar gedicht ‘Het kind dat is doodgeschoten door soldaten in Nyanga’ wereldberoemd door het (in het Engels) voor te lezen tijdens zijn inauguratie als president in 1994. (Het origineel en de Nederlandse en Engelse vertaling vindt u hier). De laatste regel van dit gedicht, ‘Zonder een pas’, verwijst naar de beruchte pasjeswetten. Bij de demonstraties daartegen schoot een soldaat het kind in zijn moeders armen een kogel door zijn hoofd – Jonker identificeerde zich met de moeder, het kind had haar dochter Simone kunnen zijn, maar, zoals ik al eerder zei, nodig voor het begrip van dit gedicht is deze wetenschap niet. Het heeft een veel wijder bereik.

Het tweede deel van Ik herhaal je, de biografie ‘De dag kent een smalle schaduw’, is onevenwichtig en schetsmatig: zo telt het deels in verhaalvorm gegoten gedeelte tot en met haar elfde jaar twintig bladzijden en de daaropvolgende twaalf jaar tot haar debuut in 1956 acht. Dat kun je Henk van Woerden niet aanrekenen. In zijn verantwoording uit 2000 schrijft hij dat de controverse waartoe Jonker tijdens haar leven aanleiding had gegeven nog steeds actueel was, het Jonker-archief angstvallig werd bewaakt door de erven, op de vier ongepubliceerde  proefschriften over haar een embargo rustte en dat het gedeelte van het archief dat in het bezit was van een neef alleen voor een grote som geld beschikbaar zou worden gesteld. In een noot vermeldt de uitgever dat er na het overlijden van Van Woerden in 2005 veel informatie is vrijgegeven. Een herziene versie van de biografie zou daarom welkom zijn geweest. Ook een volledige uitgave van haar gedichten is wenselijk, maar niettemin is het goed dat er een nieuwe druk van Ik herhaal je is uitgekomen.

***
*Geciteerd in de aanbeveling ‘Lees ook’ in Ik herhaal je.

Recensie van Een spreeuw voor Harriët - H.C. ten Berge

De wereld van Ten Berge

H.C. ten Berge
Een spreeuw voor Harriët
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789045035703
€ 29,99
392 blz.

Een spreeuw voor Harriët is de derde bundel essays, dagboekbladen en veldnotities van H.C. ten Berge. In het voorwoord lezen we: ‘Het nieuwe boek bevat wederom een brede selectie van oude en nieuwe stukken, die gedeeltelijk in verspreide publicaties werden opgenomen, maar destijds weinig lezers hebben bereikt. Een aantal teksten is herzien en soms grondig bewerkt en uitgebreid. Andere – waaronder de dagboekbladen en de meeste veldnotities – verschijnen hier voor het eerst.’
Het accent in de bundel ligt op poëzie.

Ten Berge schrijft net zo makkelijk over moderne Nederlandse literatuur als over dertiende-eeuwse, zowel over de moderne Mexicaanse poëzie als die van de Azteken. Van wijdlopigheid is nergens sprake: hij schrijft op een samenhangende, heldere wijze. In ‘Een hel van ijs’, over de  ‘angstnocturnes van Roland Holst en de spooksonates van Vestdijk’, voert hij ons eerst langs Coleridge, Maurice Gilliams, de filmer Fassbinder, Fernando Pessoa en de lyriek van het oude en moderne Mexico om te laten zien dat het niet om strikt particuliere aangelegenheden gaat. Hij geeft de slapeloosheid en doodsangst van beiden een ‘brede en algemene context, waarin de menselijke benauwenissen literair gestalte krijgen.’ Uitermate boeiend. Vaak ga je na lezing van een essay over tot de orde van de dag, ook als het interessant is. Bij Ten Berge is dat meestal niet het geval: hij prikkelt je nieuwsgierigheid, hij doet je verlangen naar meer.

Heel actueel en verhelderend zijn de passages over engagement in poëzie, een motief dat door de hele bundel speelt. In het essay ‘De grillige lijn: een verkenning van Breyten Breytenbachs geschreven werk’ uit 2009 stelt hij zich onder andere de vraag hoe dichters die zich niet uitsluitend willen beperken tot het estheticisme – simpelweg omdat zij wereldse wantoestanden niet willen of kunnen negeren – toch hun vormkracht kunnen behouden. In de periode dat zijn vriend Breytenbach een jarenlange gevangenisstraf uitzat vanwege zijn strijd tegen apartheid, noteerde Ten Berge het volgende:

Er is een vraag die je niet opwerpt
en ten slotte toch maar stelt –
                hoe wij ons vermogen tot omvormen,
rangschikken, vormgeven,
kunnen behouden en beheren
tegen de omnipotente aanwezigheid van het ploertendom in.

Breytenbach citeerde met instemming Seamus Heaney, die erop wijst ‘dat poëzie voor alles een uiting in taal is en dus een taalproces weerspiegelt, waaruit het plezier in zichzelf mag en moet blijken: de dichter dient de taal tot in de haarvaten en uithoeken van haar bereik te onderzoeken. Ze bestaan om haar zelfs wil, en is daarin autonoom.’ Maar, kort gezegd, er is ook ‘het leven achter de pagina’, (Breytenbach) en ‘elk waarachtig schrijver [roert] aan fundamentele ethische kwesties’.

Hoe moet je je dit voorstellen? Een van de ‘Veldnotities’, ‘Wat een schrijverschap in stand houdt & versterkt’, is de weergave van een college aan een Zuid-Afrikaanse studenten Engels, Afrikaans en ‘kreatiewe skryfkunde’. Hij geeft de ‘de grafomanen van de toekomst’ een aantal suggesties. Hier volgen er twee:

* Werp al het vuilnis van je af; onwerkzame invloeden tot een minimum beperken; het probleem, de pressie en de verleiding van ‘de media’ een plaats geven.
* Bij dit alles de wereld toch in het oog houden en volgen. Laat de chaos in de wereld jouw geest niet overnemen en bezetten. Observeer, interpreteer, kerf een beeld in taal dat beklijft.

Hoe zien we dat bij Ten Berge zelf terug? Ik heb zijn laatste bundel Splendor er nog even bijgepakt. Gedicht 5 uit de reeks ‘O de aarde’:

De huid van de aarde, prooi
      van geweld: haar aanschijn doorsneden,
geperforeerd en ontveld.
Wat geschonden werd en stilaan heelt
wordt weer gevild, doorboord, opnieuw
aan plundering blootgesteld.

De wellust der verblinding explodeert.
Wonden worden kraters, gapend
      In de zielen van de daders.

Een gedicht van ingehouden woede over de aarde die herhaaldelijk verkracht wordt, een intens gedicht, en dat komt door de vorm. Neem alleen al die sterke nadruk op ‘prooi’, noodzakelijk voorafgegaan door een pauze (lees maar hardop), gevolgd door nog een pauze, gevisualiseerd door de spaties aan het begin van de tweede regel: het woord komt aan als een hamerslag. En dat in combinatie met de personificaties ‘huid’ en ‘haar aanschijn’ die de weerloosheid van de aarde benadrukken. En dan de klank, de felle korte e in ‘geweld’, ‘geperforeerd’, ‘ontveld’ in regel 2 en 3, of de dreigende a in kraters, gapend, daders in de laatste twee regels. Dat woord ‘gapend’ maakt die kraters in de zielen van de daders nog dieper, zeker met de associatie ‘een kras op je ziel’ op de achtergrond.
Een derde suggestie: ‘Heb oog voor nuances en oor voor de klank. Oefen de tong voor de smaak van de woorden. De taal is jouw instrument: koester, verken en bespeel het. Volg je temperament’. In dit gedicht laat hij dat op overtuigende wijze zien.

Het college wekt de verwachting dat Ten Berge een warm voorstander is van ‘kreatiewe skryfkunde’. Niets is minder waar. In ‘Van schrijven naar lezen’ houdt hij ons voor dat de schrijversvakscholen hebben gezorgd voor literaire inflatie en dat ‘het peloton van gediplomeerde dichters en schrijvers (…) dikwijls niet meer over een behoorlijke kennis van de eigen traditie en de eigen literatuur [beschikt]’, hoewel hij erkent dat er vele vakbekwame jonge schrijvers zijn die ‘goed, zoniet uitstekend kunnen schrijven. (…) Wat ons parten speelt, is een tekort aan lezers, een overproductie van boeken, een gehavend literatuuronderwijs en een chaotische hoeveelheid verleidingen van allerlei aard. Het kleine ‘segment’ van de poëzie zou daarom gediend zijn met de opheffing van schrijverscursussen en de instelling van lezersvakscholen die tegen een laag tarief een leestraining van hoge kwaliteit bieden.’ Voor een dichter als hij is sowieso geen schrijfonderwijs mogelijk: je moet zelf iedere keer opnieuw leren schrijven als je de werking van taal tot in al zijn uithoeken wilt onderzoeken.

Er is nog veel meer. In zijn veldnotitie ‘Romance & Passion: de vijf gedaanten van Rein Bloem (1932 – 2008)’ laat hij zich onder andere uit over Bloem als vertaler van canto’s van Ezra Pound, iets wat ook hijzelf heeft gedaan. Het is prachtig om te lezen hoe precies hij te werk gaat om te laten zien hoe goed Bloems vertalingen zijn.
In ‘Meditatie, observatie, conversatie: over de poëzie van Robert Hass’ gaat hij in op de scherpe naoorlogse tweedeling tussen ‘academische’ en ‘niet academische’ poëzie in de Verenigde Staten die pas verdween onder het presidentschap Bush junior, omdat de tegenstanders vanwege diens desastreuze beleid de handen in elkaar sloegen. Dit deed me denken aan de onverzoenlijk lijkende vijandschap tussen Ter Braak en Du Perron enerzijds en Anton van Duinkerken anderzijds en die verdween toen zij in de tweede helft van de jaren dertig alle drie een pennenstrijd begonnen tegen het opkomende nationaal-socialisme.
Hij schrijft over dichters die ik niet ken, maar naar wie ik nieuwgierig ben geworden, zoals Christopher Middleton en Eric Derluyn, het is teveel om op te noemen. ‘Wieviel, o wieviel / Welt. Wieviel / Wege’ luidt het motto van Celan. Als je zo’n motto kiest, weet je dat je werk nooit af is en de lezer profiteert daarvan.

Recensie van De jongenskamer - Willem van Toorn

Onderzoeken wie je bent

Willem van Toorn
De jongenskamer
Uitgever: Querido
2018
ISBN 9789021409351
€ 17,99
104 blz.

De jongenskamer is een verhaal in gedichten, waarin een oudere dichter zijn jongere ik herschept om te achterhalen wie hij lang geleden was, wie hij nu is en hoe dat zo is gekomen. Die jongere ‘ik’ staat inmiddels zo ver van hem af, dat hij hem in de derde persoon beschrijft. Je kunt de bundel lezen als een autobiografie van Willem van Toorn, maar dat hoeft niet per se: niemand kan immers met zekerheid zeggen wie hij is geweest, want het geheugen is verraderlijk onbetrouwbaar en in die zin is het verhaal exemplarisch. Een reconstructie – fictie dus – kan een middel zijn om dieper in je levensloop door te dringen. Iets dergelijks doet Georges Perec in W ou le souvenir d’enfance, in het Nederlands vertaald onder de titel W of de jeugdherinnering. Uit dit boek is het motto van de bundel afkomstig: Je ne sais où se sont brisés les fils qui me rattachent à mon enfance. (Vrij vertaald: ‘Ik weet niet wanneer de draden naar mijn jeugd zijn gebroken’).

De jongenskamer bestaat uit twee delen. Het eerste beslaat drie vierde van de bundel. De hoofdpersoon heet W, de eerste letter van Van Toorns voornaam en uiteraard een verwijzing naar Perec’s roman – naar de hoofdpersoon Winckler in dit geval, want in het boek is W een eiland. Dat eiland associeer ik met Amsterdam, dat de hele bundel door een belangrijke rol speelt. (Ook andere omgevingen hebben een wezenlijke betekenis voor de ontwikkeling van de hoofdpersoon). De gedichten over W gaan over karakteristieke momenten in zijn ontwikkeling. Ze zijn strak en helder, hebben een geconcentreerde spanning en de beschreven momenten maken de indruk de enig juiste te zijn. Waarschijnlijk is dat het gevolg van de afstand die de dichter heeft geschapen door het gebruik van de derde persoon enkelvoud, iets wat suggereert dat het gaat om de essentie, met het weglaten van toevalligheden – daar weet de dichter mij in ieder geval te overtuigen. Stukken proza (mijns inziens geen prozagedichten) leiden nieuwe perioden in. Gemiddeld zijn ze een pagina lang.
Het tweede deel heeft een ik-perspectief, vanuit de oudere dichter/schrijver die vanaf de jaren tachtig terugkijkt. Hij zoekt de jongen die hij was in de jaren van voor de oorlog – W is net als Van Toorn geboren in 1935 – tot en met de veertiger in de jaren zeventig. In dit tweede deel is hij de man die hij nog kent, de schrijver en dichter, de ‘ik’ die zich verwondert over wie hij is en hoe hij zo is geworden. Dat wil niet zeggen dat zijn zoektocht definitief tot een einde komt: ‘Je moet van tijd / tot tijd onderzoeken wie je bent, en waar // je zijn wilt (…)’ schrijft de dichter in een van de laatste gedichten.

Het is fascinerend om te zien hoe treffend Van Toorn tijdsbeelden geeft, soms in zeer weinig woorden. In de periode tussen de bevrijding en het begin van de koude oorlog heeft W’s vader, een schoenmaker die als zelfstandige niets van het communisme moet hebben, een aantal helden in een combinatie die alleen in die tijd kon voorkomen: ‘net zulke eenlingen als hij, // Domela, Churchill, de Bach van de cantates / uit de kerk die hij nors heeft verlaten, P.J. Troelstra, / Stalin en Havelaar die streed voor de Javanen // met zijn verheven woord. (…)’. Stalin in zo’n rijtje en bovendien van iemand die anti-communist is: een paar jaar later was dat ondenkbaar. Ook de inhoud van het volgende gedicht is strikt gebonden aan die paar dagen waarop het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog een feit werd.

Het vrolijkste ontbijt ooit. De radiodistributie aan
met jubelende stemmen van overal ter wereld
en W’s vader die lachend zijn ei tegen de rand
van zijn bord tikt: Jongens, nu komt er nooit meer oorlog.

Hoezo niet, vader? Omdat de Amerikanen
de keizer van Japan hebben verslagen met
een nieuwe bom zo vreselijk dat hele steden
wegsmelten in de onbeschrijfelijke hitte,

mensen, dieren, huizen, auto’s en al. Nu zal niemand
het ooit meer wagen zelfs maar aan oorlog te denken.
De foto’s later, de enorme paddenstoel boven
Hiroshima en Nagasaki, de ongetelde doden,

de verschrikking van de straling, het gerucht
dat Hitler hem ook bijna had, en Stalin.
Maar nu vreugde, feest alom, een vrede

die nooit meer zal overgaan. Witbrood uit Zweden,
koffie nog niet, geen boter maar margarine
nog op de bon maar toch. Dit is geluk.

In het eerste deel van de bundel zien we hoe het wereldbeeld van W verandert: van het eenvoudige goed en fout in de oorlog naar een belangrijk inzicht na de Hongaarse opstand in 1956, als hij misschien voor het eerst begrijpt ‘dat geen enkel regime deugt / dat systemen hoger aanslaat dan mensen.’ En het gaat verder. In het laatste gedicht van deel 1 concludeert W, als hij terugdenkt aan de jongenskamer in zijn ouderlijk huis: ‘het wordt nooit meer // zo simpel. Er is geen blauwdruk voor een beter leven / voor iedereen – er is fatsoen en het scherpe besef / te moeten doen wat de hand vindt om te doen.’ (De appel valt niet ver van de stam: niet alleen de vader, maar ook zijn zoon is thuis in de bijbel.)
In het tweede deel, als de ‘ik’ inmiddels een gevestigd schrijver en dichter is geworden, zie je dat engagement onder andere terug in zijn poëzie. Hij is op Poetry International:

De erfenis, het festival, stamde uit de jaren zestig, toen wij meenden
dat kunst en de straat niet elkaars vijanden dienden
te zijn – en dit stenen theater, deze havenstad
waren het podium geworden voor de talen

in hun meest vrije vorm. (…)

In dit gedicht geeft hij mooie citaten van Zbigniew Herbert, Joseph Brodsky, Seamus Heaney, James Fenton, Lucebert, Kouwenaar en Campert. Kouwenaar: ‘Het is een heldere dag het is een donkere wereld / tussen het groene gras is het vlees rood / de mensen laten zich breken voor brood.’ Indrukwekkend.
Het is op dit festival dat de dichter zijn huidige geliefde ontmoet. Het is niet verbazingwekkend dat zijn bij tijd en wijle turbulente liefdesleven een belangrijk motief vormt in de bundel. Zo maakt de eerste keer dat een vriendin een verkering uitmaakt een verpletterende indruk: ‘Hij leert ontsteld / dat in zijn stomverbaasde leven tot nu toe – / oorlog en al, en alle verre doden – / wat hier gebeurt de wreedste verbazing is.’ W beseft als opgroeiende jongen dat er misschien één ander ding is dat het leven even waardevol maakt als liefde en seks: lezen, ‘de andere totale / belevenis die dode gedachten uitwist.’ Ook zijn persoonlijke leesgeschiedenis, een reflectie op en de weerspiegeling van het leven, speelt door de hele bundel.
En het schrijven? W is een jaar of twaalf als hij protestleuzen op muren ziet staan tegen de arrestatie van Ratio Koster, een jonge communist, ‘in de kazerne opgepakt omdat hij / pamfletten heeft uitgedeeld tegen de vuile oorlog / in Indië, om het volk te wijzen op de misdaden // van het kapitaal (…)’. De leuzen maken grote indruk: “‘Hé jongens, Ratio Koster vrij!’ Het staat op muren gekalkt in West, de witte letters uitgedropen over grauwe baksteen. De eerste keer dat W ervaart dat opgeschreven woorden een stem hebben, kunnen schreeuwen.” Ook het dichten wordt een middel tot onderzoek naar wie je bent – deze bundel is daar een gelukkig gevolg van. Opvallend is dat omgevingen in die zoektocht een belangrijke rol spelen. W in het eerste deel:

Verander je ook zelf, en hoe dan wel, als je van plaats
verandert? Wie was je, en is wie je hier wordt
nu wie je werkelijk bent? Of laat je bij elke afslag
van je pad weer mogelijke levens achter

die je nooit meer kunt leiden, van een man
die je ook had kunnen zijn? (…)

In het tweede deel verbindt de dichter deze vraag met het dichterschap:

Ontstaat misschien zo in een kind woordlust
voor een leven lang – door zo diep te ervaren
dat er meer landschappen bestaan en talen
dan de vroegste, dat geen plek volmaakte rust

kan bieden, zodat het kind een passant
moet worden in steeds nieuwe gebieden,
luisterend naar woorden, taalmuziek, tongval

van vreemde tantes en vertellers, de verhalen
van voor de tijd begon, voordat de vaders
en moeders met name genoemd waren.

In Amsterdam West, in de jongenskamer van W en zijn twee broers, ‘het eigen hol van gelach en hees gefluister’, begon dit alles. W vond er veiligheid, hij praatte met zijn broers over hun ‘prille zekerheden’, ‘luistert huiverend’ als zijn oudere broers praten over ‘meisjes vrouwen, haar / dat ze overal hebben, net als de broers, maar W nog steeds maar niet’. Gedachten op verschillende momenten in de tijd laten zien dat de afstand tot de jeugd groter wordt, tot alles definitief voorbij is, zoals blijkt als een ‘toegewijd lezer’ een wandeling organiseert door ‘de onder woorden / gebrachte stad (…) die wereld van W.’ De woning is een wasserette geworden. In zijn ontroering schemert de door Van Toorn bewonderde Kopland door: ‘Dezelfde granieten vloer, tranen / meldden zich, in plaats van de jongenskamer wasautomaten, maar // nog wel de glazen duren naar de stadstuin’. De jeugd, het oude Amsterdam is verhaal geworden. De nieuwe stad herkennen zijn geliefde en hij niet meer. Het is niet voor niets dat zij naar Frankrijk vertrekken: ‘Later in die jaren ontgroeiden wij de stad / als industrie, als pretpark, het gestaag groeiend geweld / van het idee dat alles voor geld te krijgen was in / de ware stad van ons.’

In W ou le souvenir d’enfance wordt het jongetje niet gevonden. Als De jongenskamer een autobiografie is, geldt dat dan ook voor Van Toorn? Alleen hijzelf kan daar antwoord op geven, maar voor mij doet het er niet toe. Sterker nog: ik wil het niet weten. Van Toorn misschien ook niet, tenminste niet voor altijd. ‘Geef mij maar een vraag en geen antwoord’, zei Kopland. Dit citaat vinden we ook terug in deze knappe en ontroerende bundel.