Gedichten

entropie

raas

en ze spint rond mij
morfine in fastmotion
voedt mijn helemaal gevuld met ritme willen zijn
 
ik eet de pleinen met honderden ogen
met muren en benen en monden en handen
sleep door de huizen als kind tussen rekken
advertentiedraken met bloedende darmen
in het park kousehasjiesj, zwarte zingende monden 

                                                          (en kijk, ik kom los:)
 
ik draai ze rond mijn vinger, muntstuk aan mijn knokkels,
als russellparadox in de praktijk leef ik hier, 
                   maar ik kan dit van mij willen noemen
graaf mijzelf door gangen als met de myriademieren
waar alles orde 
                            alles plaats 
                                                 alles kudde is
 
en zoals ook die andere zij dat doet beweegt de stad
                             écht in de palm van mijn hand, draait, 
                             keert, omhelst als met duizend armen,
                             knispert lip op lip op lid op lip aan mijn denken.
        laaiend, kiemend lig ik in haar schoot
 
hoe kan het
dat enkel dit, branden en deze straten
dat eindeloze kloppen, kloppen, razen, denderen in mijn hoofd
doet stoppen
 
                                                                        (maar je loopt daar wel alleen)
 

reis

en het licht speelt pollock op de letters
          is even veel het lezen als het boek

met dubstep de nieuwe bebop
raas ik langs de landen
die ik ken maar nooit geweten heb,

deze wil ik zelfs niet kunnen:

de huizen geen heuvels meer;
opsommingen van meubels en waar de kamers staan
garages lippeloze monden
de ondiepe daken alles dan zichzelf verloren
                                       hebben zelfs geen jezus meer
 
in grauw gestreepte kelen zingen ze vals getemd hun leugen volk
          metsen met speeksel hun appelsienenkistemuren tot rot
 
(is het waar dat een samenleving in vrede na zestig jaar altijd uit elkaar stort?)

en dan is er lucht en ruiken en ruisen,
schoonheid verkracht in toeschouwers
                     vaal omhoog geschroeid
                              vervagend in eelten lucht;
                ladders:
                 oude
                doden
               bewonen
                  treden
                   naar
                nergens,

hier verzwijgt men zingen
         in lange grijsgele gangen
         onder lelijke lakens
         aan stoelen bij eenzame oerkoppen,
         hun levers onomatopeeën van lusteloos
hier kan ik niet meer stromen. 

kleine, het is misschien nog niet te laat,
         want enkel je wortels zijn van schimmel
kruip vanonder dit klemwoord
druk. je. hier. uit.

en alleen als er donker is op het strand
        en je met eindelijk kokend bloed naast je de bril afneemt 
        en de zwartere zee met de lucht rothko kan zien vormen
kan je weer iets je superset noemen
 
                                                                                (maar je staat daar wel alleen)
 

roes

en dan thuiskomen in stoten en razen op straten van st-gillis: 
                    zoenen [drie, minstens] en drinken en branden 
                    parler du français rempli de défauts
                    la nuit et la ville brûlent dans mes cuisses

 oh, de hemelse bedwelming van het waaromdefuckniet
                  ik ben weer kat in knisperen van brussel belletjespapier

ik wil dansen ik moet dansen ik mag dansen
           ik kan niet anders dan bewegen
                    op knal, op mens, met taal

waarschijnlijk zal ik die entropie in mijn denken
          dit razen, reizen, roezen en vooral dat dan wakker moeten tekenen
          de chaos van de eenentwinitgste eeuw
niet overleven
 
dus onder dat dakraam vol nacht
bij restanten van ribben
droom ik vrouw
ruik ik heupen

en if madness has a color
         dan is dat beddelakenwit
         belicht bij maneschijnwoelen
 
                                                                                         (maar je ligt daar wel alleen)