Recensie van Oefening in alleen lopen - Kreek Daey Ouwens

Een smal pad door angst omgeven

Kreek Daey Ouwens
Oefening in alleen lopen
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427044
€ 19,99
102 blz.

Kreek Daey Ouwens opent in de tweede herziene druk van haar nieuwe bundel Oefening in alleen lopen met een opmerkelijke uitspraak van Konrad Bayer: ‘Je mag niet luisteren, dan zul je alles beter begrijpen.’ Of dat nu betekent dat we niet moeten luisteren naar wat er in onze directe leefomgeving over en/of tegen ons wordt gezegd of van ons wordt verwacht, in alle gevallen lijkt Ouwens met Bayer een oproep te doen onze neiging tot navolgen van mensen in onze directe omgeving zoveel mogelijk achterwege te laten en zo snel mogelijk een begin te maken met het oefenen in het ‘alleenlopen’. Voor haar moeten nauwlettende, ogenschijnlijk onaanzienlijke observaties daartoe de weg effenen.
     Ouwens neemt ons mee in de wereld van de verwarring scheppende, non-verbaal emotionele overdracht die er tussen ouders en kind zich voltrekt. Daarin speelt de stilte en het zwijgen een voorname rol. Het elkaar begrijpen komt in deze bundel voornamelijk tot stand doordat de volwassenen zich veelal uit onvermogen hullen in een diep stilzwijgen, en niet doordat ze onderling gevoelens tegenover elkaar uitspreken. De emotionele ontwikkeling van kind tot volwassen vrouw vormt de thematische achtergrond waartegen deze bundel zich laat lezen: van vrolijke dagen als onbezorgd kind dat zich afvraagt wie de woorden heeft bedacht naar het voortaan een andere weg kiezen met alle (zelf)verlies van dien. In die zin is deze bundel een Werdegang die herkenbaar dicht bij de werkelijkheid van alledag blijft.
     Ouwens is goed in staat het kind en de volwassenen niet alleen in hun klein geluk, maar ook in hun onberekenbare afstand en kilheid te schetsen. Ze schrijft in een vorm die het midden houdt tussen proza en poëzie. In een interview met Remco Ekkers heeft ze al eens afgegeven dat ze niet zo geïnteresseerd is in dit onderscheid. Het past ook goed bij haar intuïtieve benadering van het dichterschap. Veel laat ze naar vorm en inhoud aan het toeval over, hoewel haar teksten in al hun eenvoud toch bij nader inzien een weloverwogen en doordachte indruk maken. Ze kiest ervoor overwegend verstaanbare taal te gebruiken. Je leest dat onder meer in verrassend geformuleerde aforistische versregels, zoals ‘Wie zegt dat hij van iemand houdt heeft de / angst aan zijn mond hangen’ en ‘Wat we niet weten slaan we op in ons hart.’
     De gedichten zijn sterk anekdotisch van karakter. Korte versregels. Herhaling en opsomming van woorden en zinsdelen zijn een veel gebruikt stijlmiddel om ritme en structuur in de teksten aan te brengen. Als zodanig doet deze poëzie denken aan poëzie voor kinderen. Het wordt duidelijk dat voor Ouwens taal een middel is om de ander te bereiken. Ze maakt weinig gebruik van metaforen. Het gevaar dat haar zodoende bedreigt, is dat ze daardoor de gelaagdheid in haar werkelijkheid niet altijd voldoende tot gelding weet te brengen, zoals in het volgende gedicht: ‘De lucht is blauw. / De zee is blauw. / De ogen zijn blauw.’ Ze weet niet altijd voldoende spankracht in haar teksten te leggen: ‘Ik vouw alles in haar terug als iets / wat het einde is. // Mooi als haar ogen. Groot als haar ogen.’ Haar techniek laat hier en daar te wensen over. Dikwijls heeft ze nogal wat versregels nodig om tot een pointe te komen, zoals in het titelloze gedicht:

Er zijn twee grootvaders. De ene brengt boeken
voor ons mee. ‘Je moet veel lezen,’ zegt hij.
‘Anders word je dom. Dat willen jullie toch niet,
dom zijn?’

De stille grootvader zegt niets.
Hij laat de poes eten van zijn bord.
Na het eten gaat hij naar buiten.
Omdat hij alleen wil zijn loopt niemand hem achterna.

                                      *

De grootvaders zijn nooit aan elkaar.

     De bundel bestaat uit twee omvangrijke delen. Het eerste betreft de periode als kind; het tweede deel de volwassenheid. Ouwens opent met een gitzwart beeld: ‘We kijken naar de inktzwarte wolk aan onze voeten.’ Er zijn in deze bundel heel wat dagen beschreven waarop de zon niet bij de ik naar binnen schijnt. ‘We staan op, we zijn samen. / We zijn onwetend [van elkaar] en [wellicht] afzonderlijk gelukkig in de heldere lucht.’ In die staat van onwetendheid neemt de ik haar familie waar.  De ik is bevangen door angsten en een drang om te begrijpen wat er achter de bewegingen – uiterlijk en innerlijk – schuilgaat. Haar observaties betreffen veelal het klein geluk van alledag: ‘Mijn grootmoeder. / Ze warmt haar handen aan de thee. / Op een zomerdag ziet ze een engel.’
     Op veel pagina’s staat een korte tekst of slechts een regel. Er ontbreekt een inhoudsopgave in de bundel. Dat maakt het moeilijk om op voorhand en achteraf overzicht te krijgen. De opbouw maakt daardoor een minder doordachte indruk dan ze in feite blijkt te hebben. De waarnemingen blijven dicht bij huis. Grootmoeder, grootvader, moeder en vader figureren doorlopend in de gedichten. Aan hen leest de ik veel levenswijsheid af. De dood komt een paar keer in het jonge leven van de ik langs. Stilte, sneeuw, sterren, vogels, zwijgen zijn trefwoorden die de achterliggende emoties maskeren, maar staan ook voor de wereld voorbij de dingen: ‘Als het sneeuwt zijn alle mensen goed.’ Kilte, slang, dood, afstand, weidsheid zijn woorden van de onoverbrugbare afstand tussen de volwassenen en de ik:

Aan het eind van alle dingen komt de naaimachine
Van moeder op gang.
Log als een koe.

‘The highest things are beyond words.’

Mamma naait een kille rok.
Mamma naait behulpzaam.
Praktische zaken.

Even is er hoop.

Mamma naait een bloem.
Ze naait een baby.
Kersenpit is haar hart.
Ik zou zo graag in liefde geloven.

Roze wereld. Om te bijten. Om te prikken.
Flard van een zoom.

     Dit gedicht raakt aan de kern van deze bundel: het onvermogen om te communiceren over wat de moeder en de ik bezielt. De moeder toont haar gevoel door babykleertjes te naaien. Woorden als ‘log’, ‘kil’ en ‘Kersenpit is haar hart’ typeren haar emotionele beperktheid en onvermogen zich uit te spreken. De ik zou zo graag in de liefde geloven. Ze omschrijft die als de ‘roze wereld’ van de baby die in elkaar gespeld en genaaid wordt. Een nieuw begin, een nieuwe hoop gloort op het tonen van emoties aan elkaar. Het gedicht is een schichtige poging daartoe, een ‘flard van een zoom’. De dingen waar het echt om gaat, kunnen niet goed onder de woorden komen. De verstandhouding van de ik tot haar familieleden laat zien hoezeer de scherp waarnemende ik hun wereld niet goed kan binnenkomen. Veel woorden die onderling gesproken worden zijn te vangen in de zinsnede: ‘We begrijpen het gedicht niet. We verstaan het wel.’ De kinderen mogen wel – zoals dat in een ander gedicht zegt – de losse haren zoeken op de jurk van de grootmoeder, maar ‘Alleen haar gezicht aanraken mogen we niet.’ De oefening in het alleen lopen levert geen duurzame resultaten op. Het kind stelt zich in een ander gedicht voor dat de eenden de hoofden van grootvader, grootmoeder, vader en moeder zijn. Het schuift de eenden over de plank. Ze kraken. Sommigen zijn verbrijzeld. Er spreekt woede en bitterheid uit deze beelden. Dit wrede afscheid van het voorgeslacht maakt het moeilijk nog aan een baby te denken, …. en alleen te kunnen lopen.
     Door de hele bundel heen is dit emotioneel tekort er de oorzaak van dat de ik stagnatie ondervindt en de existentiële eenzaamheid voortduurt, ook als er sprake is van een relatie met een ander:

klim eens, lieveling, over die muur – ik denk
wel dat jij dat zou kunnen – jij denkt van niet  
– jij bent ervan overtuigd dat je dat niet –
– dat niemand  

Gedurende zes minuten zijn we nieuw – een vliegje
spartelt in mijn limonadeglas – we zijn zo eenzaam
dat we dat zien

     Dit alles kan niet voorkomen dat ‘Er […] meer woorden in mijn hoofd dan / dode vliegen in de zon [liggen].’ Het is niet voor niets dat het verlangen naar de omhelzing de opening van het tweede deel vormt. Een groot verlangen naar liefde vult nadien de pagina’s: ‘We zijn onwetend en gelukkig in de heldere lucht’. In droomflarden komen de meer positieve momenten met de grootouders en hun verleden opnieuw terug in de werkelijkheid van de volwassen ik. Toch blijft er de angst de ervaren liefde te kunnen verliezen. De angst blijft mee regeren. Telkens keert het kind met zijn ontvankelijkheid voor de natuur, de lucht en de vogels terug en biedt het de opening naar het klein geluk en naar een manier van kijken om alleen te kunnen lopen. Het is duidelijk geworden dat Ouwens in deze bundel een smal pad volgt door angst omgeven.

***
Kreek Daey Ouwens (1942) debuteerde in 1999. Oefening in het alleenlopen is haar zevende bundel. In 2009 werd zij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en in 2013 werd zij geëerd met de Leo Herberghs Prijs.

Recensie van Als werden wij ergens ontboden - Miriam Van hee

Het verloren paradijs van de moeiteloosheid

Miriam Van hee
Als werden wij ergens ontboden
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449843
€ 17,90
57 blz.

Miriam Van hee heeft haar nieuwe bundel Als werden wij ergens ontboden een motto van de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878-1956) meegegeven: ‘Je hoeft niet zoveel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Walser was een ingetogen, licht waanzinnige schrijver die zich niet geheel thuis voelde in dit leven. Vanuit dat levensgevoel schreef hij eens over Mozart dat die ons voert ‘naar het verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Misschien is dat wel hetgeen waarnaar niet alleen Walser maar ook Van hee verlangt in de natuurgebieden waar ze ons mee naartoe neemt. Het motto van de bundel verwoordt precies de wijze waarop zij zich in haar poëzie verhoudt tot de werkelijkheid. Met haar personifiërende waarnemingen van de natuur creëert zij haar eigen binnenwereld. Zodoende neemt ze in een glimp het ongewone aan het gewone waar en toont ons de werkelijkheid op een ongeziene wijze.
     Deze nieuwe bundel bestaat uit zes afdelingen. De eerste afdeling, gewijd aan een verblijf op Texel, is titelloos. De overige afdelingen met titel zijn gesitueerd in Estland, Rusland en Frankrijk. De weidsheid, het ingetogen landschap van de noordelijke streken, het verlate Franse berglandschap én de verloren tijd dragen bij aan haar beschrijving van een innerlijke weg naar wat zich moeilijk laat betreden, naar herinneringen en naar dromen. In de schrale landschappen staat het verblijf van het lyrisch subject in het teken van haar zoektocht naar een ‘moederland dat je vergeten bent’. Een herinnering, een droom, een verlangen naar een ‘uitzicht’ dat niets in de weg zou staan, is hetgeen waarop Van hee in veel van haar gedichten uit is. Zo onderkent ze bij eenvoudig tot armoedig levende mensen in het verlate (berg)landschap van ‘le villaret’ een levenshouding waaruit moeiteloosheid en een onveranderlijkheid van de dingen spreekt, zoals zich ‘het licht // en de schaduw over het blauwe graniet’ werpt.
     Tijdens de bezoeken aan natuurgebieden in Europa wijst Van hee op kleine veranderingen, niet alleen in het landschap, in de bewegingen van mens en dier, maar ook in de wolkenformaties. Het is niet spectaculair wat zij opmerkt, maar wel vol aandacht en empathie, en daardoor opmerkelijk bijzonder. In de ‘wandeling op texel’ zijn er tal van momenten waarop de wij er zich over verbaast dat de hooglanders die ‘eruit zien alsof ze nog / de oertijd hebben meegemaakt’, zich niet afvragen dat de natuur is zoals zij is. De wij staan er in het gedicht ‘pinguïns’ even bij stil of deze vogels zich voor de afsprong van de kust vrienden hebben gemaakt, of ze heimwee of verlangen kennen, want ze zullen elkaar nadien nooit meer zien. Mensen zijn voortdurend bezig te ‘gissen naar betekenis’ en met het toekennen van woorden aan wat ze waarnemen en ervaren. Daarmee verschaffen ze zich overzicht en inzicht in wat hen omringt, maar tegelijkertijd nemen ze op die wijze afstand tot hun directe omgeving. Dieren stellen zich daarentegen niet boven of buiten hun leefomgeving, maar gaan er in op. Dit gepersonifieerd uitlichten van een natuurlijke omgeving biedt haar de mogelijkheid om zich het landschap in al zijn verschijningsvormen toe te eigenen.

wandeling op texel

de hooglanders bewegen, wij wandelen, zij lopen
in de weg, wij omzeilen, ze zien eruit alsof ze nog
de oertijd hebben meegemaakt, wij schrijven
onze tijd met verzen vol, over hoe er gras kan
groeien op het zand, we gissen naar betekenis,
zij niet en wij vergissen ons, zij grazen traag, ook

als het regenen begint en het uitzicht minder scherp
wordt, wij keren langs de zee terug waar strandlopers
spelen met de waterlijn, hun tere knietjes zitten
aan de achterkant, ze eten zand en zijn niet bang
van grote meeuwen op de uitkijk, en de wind
die ons huilend doet verlangen raakt ze niet

De tweede afdeling ‘Een maand aan het meer’, bestaande uit drie gedichten, benadrukt nog eens de afwezigheid van de mens in dit berglandschap. Wel zijn er in dit landschap de ‘verre claxons [die] in de vochtige / lucht roepen als eenzame zielen’. Dit verlaten landschap roept het verlangen bij de je op om er een vingerafdruk achter te laten. De dieren ‘lieten zich niet bidden, de woorden evenmin’. De natuur maakt sprakeloos, straalt iets onaantastbaars uit. Het enige levensteken waaruit de jij zou kunnen afleiden dat hij niet onopgemerkt is gebleven, zou gelegen kunnen zijn in ‘een / lila klokje  [dat] trilde na een schouderklopje van de wind’
     De derde afdeling ‘Een kleine vallei’ heeft wandeltochten rond de berg ‘Mont lozère’ tot onderwerp. Het gedicht ‘wolken in bassurels’ is thematisch een veelzeggend gedicht, mede omdat daarin de titel van de bundel is opgenomen. De wandelaars hebben boven zich een ‘dun wolkendek dat niet bewoog’; onder hen snellen andere wolken ‘als laatkomers op de vergadering // als stellen voorbij naar het zuiden’. Ze bevinden zich tussen de wolkenpartijen in. Dit beeld doet mij herinneren aan het beroemde schilderij van Caspar David Friedrich (1774-1840)  ‘Der Wanderer über dem Nebelmeer’. Het geheimzinnig en onheilspellend spel van de wolken, licht en duisternis houdt de wandelaars in zijn ban.  

halverwege rustten we uit, we konden de
luchtlagen zien, hoog boven ons hing een
dun wolkendek dat niet bewoog, daaronder
snelden als laatkomers op de vergadering

stellen voorbij naar het zuiden, waar zij zich
ophoopten in een donkere grot in de lucht,
daarvandaan werd wind naar ons toe
gespeeld, een overschot dat naar believen

huishield in de bomen die ons omringden,
wij hervatten de klim tussen de doornen, maar
die donkere grot kwam ons te na, als werden

wij ergens ontboden, het was nog te vroeg, we
wankelden maar we lieten de aarde niet los
we hielden elkaar stevig vast en weerstonden

Deze tocht lijkt een sublieme ervaring te verwoorden. De aantrekkingskracht die ervan uitgaat, is moeilijk te weerstaan. Met dit ‘wolkenspel’ lijkt iets als een ‘hemelvaart’ op handen te zijn. Hier raakt het lyrisch subject aan het ‘verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Het landschap roept herinneringen op aan vroeger tijden, aan mirakels, aan verdwenen gebruiken. Achtergebleven handafdrukken, tekeningen op de wand van grotten zetten de verbeelding bij het lyrisch subject in werking. Het lijkt alsof niet de mensen voor het landschap, maar het landschap voor de mensen zorg draagt: ‘het waakte, traag en vasthoudend, / de man voelt de avond komen met vorst, met // stille tred, lichtvoetig, maar nog even niet’.
     In de vierde afdeling ‘tussen wal en schip’ staan gedichten die teruggrijpen op veelzeggende herinneringen die zich als droomflarden aandienen. Het gevoel van de ik in verschillende levensfasen tussen wal en schip te vallen vindt uitdrukking in de gedichten uit deze afdeling. In het gelijknamige gedicht is de ik met haar ouders op bezoek bij vrienden die, zoals dat in een droom kan gebeuren, hun derde kind verstopten. Een vlucht uit de stad volgt. Op wonderbaarlijke wijze ‘brandde [het kind] zich aan het papier en ik // vermocht het niet te troosten’. In dit droomgedicht klinkt een vergeefsheid, verlatenheid en machteloosheid op: ‘verder fietsen over land, zonder / kwitantie, zonder geld en zonder kind’. De overige gedichten uit deze afdeling raken aan bizarre en onnavolgbare droomfragmenten waarin de ander onbereikbaar blijft, de wetten van de zwaartekracht worden getrotseerd en adembenemende taferelen zich in de verbeelding voltrekken.
     In de vijfde afdeling ‘De weekendtrein naar Volchovstroj’ trekt aan de je ‘het groen voorbij met vlekken / van seringen, een gordijn van berkenstammen / als in droomlandschappen’. In de lente trekken mensen uit de stad in het weekend er op uit nu het langer licht wordt. Van hee weet prachtig de geur van het platteland mee te nemen naar de stad ‘waar in de metro dagenlang / de geur van dille en van opgelegde uien hangt’. Het lieveheersbeestje dat van beneden naar boven en terug over de treinruit kruipt, illustreert deze wekelijkse beweging van de treinreizigers. In het gedicht ‘rijm is het probleem’ speelt rijm en ritme bij het vertalen van Russische teksten een voorname rol, omdat ze in overeenstemming dienen te zijn met ‘het rijm en ritme van / golfslag of hart’. Het heeft te maken met ‘de russische / treinen die wiegend in juni door weelderig / groen met hun wielen de maat slaan’. In dit gedicht is de reis door het Russische landschap de bedding waarbinnen het wachten op het juiste rijmwoord – passend in het juiste ritme – ‘als bergen van afmattend werk’ wordt ervaren.
     In de laatste afdeling ‘lente in käsmu’, ontstaan in het schrijversverblijf te Käsmu in Estland, gaat Van hee een dialoog aan met de wereld om haar heen en ver weg. De dennen en vogels doen haar bewust zijn van haar ziel die zich moet verankeren door het brood te eten. Op een geheel natuurlijke en profane wijze vlecht Van hee hier de eucharistieviering in haar poëzie. De bevreemding is gewekt. Ze maakt daardoor de werkelijkheid in deze cyclus transcendent. De ik spreekt als ware hij een heilige Franciscus tegen de vogels en herinnert zich tijdens Pasen dagen aan het gezinsvolle strand. De ik stuit op vroegere voornemens en ambities: ‘je talen / te kennen, de weg te vinden, naar huis’. Dat betekent vooral jezelf te worden. Het blijkt moeilijk te zijn daadwerkelijk contact te maken met het moederland, maar er is wel ‘een goudvink op het terras’ als teken van verbinding.
     Net zoals de vogels zoekt de ik in haar geïsoleerde positie een ’samenzijn tussen twee eenzaamheden’ door. De versvorm die Van hee in deze cyclus gebruikt, is net zo grillig als de gedachtesprongen die ze maakt. Hoe moeilijk het is de eenzaamheid te verdragen, spat van de pagina’s af. Het ‘kabbelen van de baai’ schenkt voor even gemoedsrust, terwijl ze de ander bij zich wil voelen. Een kuifmees lijkt zich echter bewust van haar aanwezigheid en wijst haar de weg: het bos uit. Hoe moeizaam de contacten met het moederland ook verlopen, in de natuur is voor de ik de weg gelegen, ‘het bos uit’, naar het licht, naar het paradijs van de moeiteloosheid’. Staren uit het raam met uitzicht op de paradijselijke natuur blijft nog altijd de positie die Van hee inneemt om vanuit haar eenzaamheid transcenderende poëzie in zich te voelen opkomen. Deze melancholische poëzie vindt bovenal haar troost in de natuur.

***
Miriam Van hee (1952) is dichteres en slaviste. Haar poëzie is vertaald in tien talen en werd bekroond met de Jan Campert-prijs, de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap en de Herman de Coninckprijs. Haar voorlaatste bundel Ook daar valt het licht (2013) werd genomineerd voor de VSB – Poëzieprijs.

Recensie van De aantrekking - Claude Van de Berge

De aantrekkingskracht van het onuitsprekelijke

Claude Van de Berge
De aantrekking
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339430
€ 17,50
69 blz.

Claude Van de Berge opent zijn zeventiende bundel De aanraking (2017) met een poëticale beginselverklaring. Voor hem is het eon als onstoffelijk deeltje van het atoom niet alleen richtinggevend voor de kosmische ontwikkeling in het groot en in het klein, maar drukt het tevens zijn schoonheidsverlangen uit dat tot de hoogste uitingen heeft geleid in dit heelal: het kunstwerk. De schoonheid is daarbij zijn kompas dat richting geeft aan de universele evolutie, en is tevens de matrix van de menselijke bestemming: aantrekking die liefde is, liefde die de wet van de eenheid weerspiegelt. Met deze kosmologische constellatie verbindt Van de Berge het klein heelal van zijn poëzie.
     De bundel ziet er strak en esthetisch uit, mede door de fraaie, tekst ondersteunende foto’s. De foto van de omslag herinnert aan de besneeuwde top van de Fuji. Daarmee verwijst Van de Berge al direct naar de adembenemende abstractiehoogte waarop zijn poëzie zich beweegt. Hij reikt naar het onuitsprekelijke, naar dat wat verdwenen en verzwegen is. Op het moment dat je het abstracte gedachtegangenstelsel van Van de Berge inloopt, verlies je in de kortste keren besef van een werkelijkheid zoals we die dagelijks om ons heen kunnen waarnemen. Voortdurend zweeft het lyrisch subject met zijn denk-, gewaarwordings- en gevoelswerkelijkheid in een onbegrensde ruimte, omgeven door een ruimte die leeg, stil en tijdloos is. Je komt terecht in een immens spiegelpaleis van licht-, klank- en droombeelden.
     Sommige commentatoren hebben dit wereldbeeld holistisch genoemd, ik zou liever willen spreken van een sterke esoterische dan wel spirituele, mystieke oriëntatie. Op diverse plaatsen blijken er relicten van een religieuze oorsprong aanwezig. Woorden als inwijding, aanbidding, offer, ziel, verschijning, geroepen tot een opdracht, vergeestelijking, onderdompeling en openbaring wijzen daarop. Aardse herkenningspunten ter oriëntatie laat de dichter in de meeste cycli schaars aanwezig zijn in zijn overvloed aan elkaar  tegenstrevende abstracte redeneringen. Van de Berge verlangt van zijn lezers dat ze meegaan naar zijn verre horizonten en ijle hoogten.

In deze bundel werkt het lyrisch subject toe naar een zich toevertrouwen aan de aantrekking van het alzijn, van de allesomvattende liefde. In zijn ‘Poëtica van de wederzijdse aantrekking’ schuilt in de diamant als sterkste verdichting van de koolstof ‘het cryptische woord (…) van / het dromend verdwenene’. Daarop volgt de cyclus ‘Inwijdingen’. In een geheiligde samenkomst vindt een inwijding plaats die de wederzijdse aantrekking symboliseert. Na de aanraking van een verzonken schrijn ontvangen de inwijdelingen de zegen: ‘Vogels van wit licht daalden neer’. ‘Geheime en geheiligde raadselwoorden’ weerklinken. Na het bezingen van de gewijde ruimten worden ze ‘vervoerd door een geheiligde aanschouwing’. Daarmee is het lyrisch subject bevangen geraakt door zijn ‘alles overspoelende verlangen’ in deze ‘onherroepelijke wereld van het bovenwerkelijke’. Daarin naderen ‘het verdwenene en het sprakeloze’ elkaar.
     In het eerste gedicht uit de cyclus ‘Witte schaduwen in de herinnering van de wakenden’ leidt het lyrisch subject ons naar een van zijn vele droomgezichten, naar ‘voorbij het bestaan dat ‘meer is dan wat is’.  Het verlangen leeft bij de ‘wij’ heel sterk zich te vervolmaken. Telkens is in het verleden gebleken dat de ‘wij’ zich verloor ‘in het onbereikbare van het oorsprongloze’. In deze opvluchten uit de concrete werkelijkheid weet Van de Berge steeds weer met natuurbeelden van zee, zand, duin, zwanen en vloedlijn te landen in de ons herkenbare werkelijkheid waarin hij de woorden weet op te vangen: ‘En steeds als het water week, waakten en veegden bij / de uitvloeiingsboord langzaam en zwijgend het zand van hen [=woorden] af, / als witte schaduwen in een herinnering.’ We zien dat het lyrisch subject zijn ijle ruimtewentelingen in dienst stelt van zijn zoektocht naar de oorsprong van de woorden. Deze spirituele dromer en zoeker naar wat achter en buiten de horizon van zijn denken ligt is bovenal iemand die het enigma van het dichterschap wil achterhalen uit zijn intense verbondenheid met het kosmische. Hij zou het liefst de taal die daarbij past willen kunnen gebruiken. Zijn vervluchtigende, ijle, wijdlopige en tegelijk zichzelf opheffende poëzie doet me in de verte denken aan de wereld van A. Roland Holst. Hij  schreef eens over zijn eigen werk: ‘wat ik opschreef (…) [had] geen ander doel (…), dan een mij ingeschapen wezen, dat in het dagelijks leven nooit, of in veel te geringe mate, aan bod kwam, maar buiten hoorbaar en zichtbaar te maken: enigermate te bestendigen, wellicht.’ In dat besef stemt de poëzie van de mysticus Van de Berge overeen met die van Holst. Hun beider poëzie lijkt in ballingschap te zijn geschreven.
     De cyclus ‘Wit landschap met gestalten’ leidt naar enkele omvormingen, naar witte schaduwen in de herinnering van de wakenden om uiteindelijk de aantrekking zelf te benaderen in een wezensstilte. Het komt er op aan dat de wij zich openstelt voor de ‘kristallen droomgezichten’ en om de ‘aanwezigheid van een onbekende liefde in ons te laten vullen’. Het gaat erom in de ‘stilheid’ van het ‘wezen van het grenzeloze (…) te zijn’. Zodra de dichter probeert een vast punt in zijn denken en/of gewaarworden te vinden, doemt er alweer een tegenbeweging op.
     Van de Berge personifieert voortdurend abstracties en omarmt de paradox, maar wijst deze ook telkens weer als ontoereikend af. De volmaaktheid van het onzichtbare lijkt in beeld te komen, want het grenzeloze en het begrensde sluiten elkaar niet uit. In een dergelijke meerzijdige ervaringswereld wordt de identiteitsvorming vloeiend: ‘En we wisten dat we nooit wij waren geweest wie we waren.’ Zoals het duin de gestalte van de wind bewaart, zo bewaart de mens de gestalte van ‘de stilte / nadat de mens verdwenen is/’. Er is bij de wij het voortdurende verlangen doordrenkt te worden van het onuitsprekelijke. Een alles omsluitende stilheid en de roerloosheid van de verten doet de wij verdwijnen in de gelijktijdigheid van eindeloze eindeloosheden.
     De voortdurende wenteling van elkaar in- en uitsluitende abstracte formuleringen doet na intensieve lezing een duizeling ontstaan die misschien ook wel de ervaring is die de dichter bij de lezer wil bewerkstelligen. De geconcentreerde tuimeling in verten, spiegelingen, tijdeloosheden en oneindigheden is een aanhoudende schreeuw om verlossing uit de taal die beperkingen oplegt, opdat de ‘inwijdende binnentreding in de weerspiegeling van / de aantrekking’ kan plaatsvinden. Dat is volgens Van de Berge de schoonheid die hij wil dat we gaan ervaren. Wat in ons verborgen en onbestaand is, zal zich aan ons manifesteren.
     Na het witte landschap volgen de ‘Omvormingen’. De witheid van het teruggekeerde licht geeft een ‘gevoel van onbestemde verhevenheid’ en opgenomen te zijn in het alzijn, in de heiligdommen van de stilte. Droombeelden omhelzen elkaar, een landschapsloze echo weerklinkt: ‘De klank van de droomstem is verweven met ons zwijgen / en wist in ons zichzelf uit op de altaartreden naar / de lege offerschalen van de verte.’ Telkens weerklinkt de stem van het lyrisch subject dat weer tot zwijgen moet worden gebracht. Een ieder vindt zichzelf onder die omstandigheden in elkaar. De wij is getuige van een verbondssluiting. Daarbinnen bestaat geen identiteit: ‘Er is geen wereld voor het naamloze. / Er is geen naam voor het verdwenene’.  De extase van het sprakeloze vloeit als ‘een wijde golf / doorheen alles en omsloot ons’.
     De evolutie gaat verder. In de cyclus ‘Witte schaduwen in de herinnering van de wakenden’ ruisen de droomaangezichten in de ‘lichtvervulde stilte’ langs, in het besef dat ‘wat voorbij het bestaan is, is wat meer is dan wat is’. Zo is het mogelijk in deze stilte te spreken met het onuitsprekelijke. Er leeft het sterke verlangen zichzelf te vervolmaken, zich te verliezen ‘in het onbereikbare van het oorsprongsloze’. Het vloedwater dat door de hemelwelving in beweging wordt gebracht, maakt de ‘witte schaduwen in een herinnering’ zichtbaar. Het concrete beeld van deze ‘onaardse verstilling van de zwaan op de stilte van / het witte oeverzand’ geeft aan de wij in deze kosmische context een gevoel van vervuld zijn. In deze ‘sculpturale leegte van openvloeiing en terugplooiing, / verwijding en verdichting’ toont zich ‘de onzichtbare drijfkracht’, de grote aantrekking, de schoonheidsvervulling waar alles om te doen is.
     De cyclus ‘De aantrekking’  doet de wij beseffen dat er een andere wereld begint. Het lijkt wel alsof de avond stilstaat ‘op het grafvormige duin’. Er weerklinkt een tempelzang, vol overgave. Wat de taal begrenst en vastlegt, maar onmiddellijk zijn begrensdheid verliest. Er is sprake van een aanraking in het ‘ruimteloze getijdenkrachtveld’ waarmee de oproep verbonden is om elkaar in dit veld van onbegrensheid niet te verlaten. In het onuitsprekelijke is wat van onszelf nooit verdwijnt. Niet de taal of de ziel spreekt, maar het onuitsprekelijke spreekt met een zwanenstem: ‘alles is voleindiging.’
     Aan de andere zijde van de nacht klinken ‘krachtvelden van stemsferen’ op. In deze omgeving van duin en zand lijkt het sprakeloze te kunnen spreken ‘door de verglaasde stemspleet / van de ruimte, liggend op het stuifduin’. Degenen die elkaar liefhebben, vragen zich af hoe zij in elkaars herinnering zullen blijven bestaan: ‘als we niet bestaan, / zullen we verschijnen in elkaars herinnering als wat zichzelf / schept zonder zichzelf te ontmoeten’. De oproep volgt:  ‘O, zoek mij niet in wat je bent, zoek mij in wat je niet bent’. Voortdurend vindt er over en weer een doordringing van de ziel plaats in de ruimte en het licht, opdat het bestaan alles en stilte wordt, en de wij het heelal is. De verblijfplaats van de wij is het onzichtbare geworden. Spiegelbeelden zingen geluidloos de wijding van de wijzang, de stilte beantwoordend met hun sprakeloosheid. Onze verblijfplaats was en is het onzichtbare. Voor Van de Berge is onuitsprekelijkheid taal en taal is onuitsprekelijkheid. En niets rest ons dan nog dan de bezwering.
     De bundel wordt afgesloten met een gebed:

We omhelzen je onuitsprekelijkheid als een woord dat van je
uitgaat en door ons heen naar jou terugkeert, het onbestaande
van onszelf in je verbergend, en eindeloos als jij is
het bestaande van onszelf en nooit ontstaat het
en nooit eindigt het.

     Daarmee heeft de tijd plaats gemaakt voor de oneindigheid. In een lange slaap strekt de wij zich uit, ‘ver van het oord van  onze woorden, / gegrepen door een glans waarin alle taal / haar kracht verliest’.
     Het blijft een wonderlijke, en soms vermoeiende ervaring poëzie te lezen die op gespannen voet staat met het onuitsprekelijke. Voor mij blijft deze poëzie voor lezers die ingewijden willen zijn in dit kosmologische, mystieke labyrint waarin Van de Berge zich ver van de werkelijkheid van alledag heeft verwijderd.

***
Claude Van de Berge (1945) is een schrijver en dichter met een omvangrijk oeuvre. Hij ziet zijn poëzie graag in het licht van de middeleeuwse vocaalpolyfonie, de Duits-Vlaamse mystiek en moderne kosmologie waarin hij de tijdeloosheid tracht te vatten. Hij wordt door de meeste commentatoren beschouwd als een transcendentalist in de Nederlandse literatuur.

Recensie van Balans - Leonard Nolens

Een tussentijdse balans

Leonard Nolens
Balans
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021408552
€ 16,99
56 blz.

Leonard Nolens maakt in zijn nieuwe bundel Balans (2017) op zijn geheel eigen wijze een tussentijdse balans van zijn leven op. Hij maakt vanuit zijn herinnering een selectie uit de kleine en grote levenswendingen. Telkens frappeert het weer hoezeer Nolens in staat is concrete feiten en toevallende gebeurtenissen een magische lading mee te geven en ze daardoor op een universeel niveau te brengen. Zo verleent hij ze in al hun op- en neergang een grote mate van herkenbaarheid voor de lezer: de verhouding tot de familie, de schoolperiode, de studiekeuze, het kiezen voor werk, het dichterschap, het reizen door Amerika, de opspelende liefde en de gang naar het levenseinde.
     De vraag of hij een balans bezit, is niet alleen afkomstig van de dichter, maar het is tevens een opmerking die zijn ouders hem hebben toegevoegd op het moment dat hij niet in de zakelijke voetsporen van zijn vader en grootvader wilde treden: ‘ik die nooit een taal, een getal, een talent bezat / voor geld en goed /. Zij beschouwden blijkbaar het kunstenaarschap maatschappelijk gezien als een hachelijke onderneming. Is het immers niet slechts aan enkele kunstenaars beschoren om daarin zeer succesvol te zijn? Achteraf gezien blijkt de jonge Nolens de keuze van zijn leven te hebben gemaakt. Hij heeft met vasthoudendheid en overtuiging aan zijn dichterschap gewerkt. Vanaf eind jaren zeventig heeft hij als een gevierd dichter zijn heldenrol gespeeld. Ondertussen heeft hij een poëtisch oeuvre bij elkaar geschreven dat grote waardering en oprecht respect verdient. Dat het allemaal niet zonder slag of stoot is gegaan, kunnen we opnieuw lezen in deze bundel. De gedichten tonen ons een dichter die zich heel bewust heeft afgeschermd van de wereld, zonder die wereld uit het oog te willen verliezen. Zijn eenzaamheid heeft altijd veel bekijks gekregen, mede door zijn dagboeken en voordrachten.
     Nolens spiegelt zich in de twee gedichten uit de eerste afdeling ‘Bezat je nu maar een balans’, aan de Chinese dichter Meng Jiao (751-814) als een van zijn vele buitenlandse inspiratiebronnen. In hem bewondert hij zijn talent voor het voelen van de pijn van ‘de jong gestorven abrikozen’. Dit gedicht over deze ‘doden’ doet hem naar meer smaken, omdat Jiao bovenal de vervluchtiging weet tegen te gaan, iets wat Nolens ook voorstaat: ‘Het kind dat hier geurde zal nooit meer leven.’ Hij brengt zijn jeugd in herinnering. Om dat alles heen bevindt zich het ‘snakkende huis op het vrijthof’, het ‘alom’ aanwezige ‘zakenkantoor’, waar de kinderen ‘hinkstapspringen op (…) [het] schaakbord van tegels’. Niet alleen de dingen en situaties komen in het vizier, maar ook de gelijkenis met zijn ouders: ‘Ik ben u, Vader, naar het schijnt / uit het gezicht gesneden.’ Hij stelt vast dat hij als een godsgeschenk voor zijn ouders moet zijn geweest, maar iets in hem staat hem in de weg zijn waardering in terugblik te uiten: ‘En het krijgt zich niet open, het blijft hier maar hopen / u, zijn twee doden, te loven.’ Hij kijkt ‘in het voorbijgaan in de spiegel / naar een paar dat steels je blik ontwijkt.’ Dat gebeurt zodanig dat ‘pijn / in het geheim je roepnaam is, alleen / de spiegel weet hoe jij stilzwijgend heet.’ Naast de pijn en moeite om zijn waardering tot uitdrukking te brengen is er het zoeken naar wie hij zelf eigenlijk is.
     Zijn zuster Hilda, die niet alleen een voortreffelijke kokkin was, maar ook gold als ‘het postuur van heel onze honger’, groet hij in een gedicht aan haar overlijden gewijd. Onderwijl veronderstelt hij dat zijn ‘maag soms (…) [haar] ziel’ is, zozeer voelde hij zich met haar zielsverwant. Het verlangen naar huis, het Vrijthof, knaagt aan hem, maar al op jonge leeftijd heeft de oproep geklonken: ‘Versta je met vreemden, met andere loners / dan jij, met je heimwee, het leert je de toekomst / vertragen.’
     Nu de oude dag nadert, is er het stervensadvies van Seneca: laat je niet verleiden door een thuis voelen in het leven, want ‘Sinds wanneer heet wat langer sterven leven?’ De voortdurend verspringende naald van de unster geeft de onzekere maar vooral onmogelijke balansvoering aan om de ziel te gaan wegen.

Unster

Bezat je nu maar een balans,
bij voorkeur zo’n fijne Romeinse,
om koudweg je ziel te gaan wegen van top
tot teen, totaal, je doden bijeen
in die op- en neergaande dans

van zo’n balans, de twistende sterfdag
van vader, en later, het doofstomme ziekbed
van moeder, de as van broer Paul
die je schoenen bestuift en de last
van je krimpende kennissenkring, de barst

in het hart van je vriendschap met Frans,
bezat je nu maar zo’n balans –
je blijft op je zestigste blind als de helder
ziende, voortdurend verspringende naald
van geen enkel, geen telbaar getal.

     Telkens begeeft Nolens zich in het wankele evenwicht tussen de melancholische aanvaarding van het leven en het verzet tegen de vergankelijkheid ervan. Hoe fraai weet hij dikwijls zijn narratief metaforisch op te tuigen: ‘Het vrijthof omhelsde je kinderjaren. / Dat was pas een lekker naar lindebloesems / geurende kamer’.
     In de tweede afdeling, ‘Ik speel mijn heldenrol’, komt het dichterschap en de condities waaronder hij als ‘loner’ dat wil leven, aan de orde: ‘Verlangen naar stilte klinkt als de zangerige denkende toon / van liefde liefst zonder geliefde.’ Zijn ‘stilzwijgende mannenmystiek omstuwt (…) het aura / van naamloze Laura’s’.
     De ik beschrijft in de derde afdeling, ‘Eenzaamheid had veel bekijks’, zijn latere periode in het ziekenhuis waar ‘(…) [zijn] nergens / te bekennen tegenwoordigheid // van geest’ op de loop is gegaan. Hij laat zich gewillig door middel van het gemompel van de boordcomputer door de stad heen rijden. Het lukt hem gelukkig al weer snel uit het ziekenhuis te kunnen vertrekken.
     Het gedicht ‘Dichter’ uit de vierde afdeling, ‘Voor mij is dansen mijn ouders’, geeft de poëticale attitude van Nolens in essentie aan: ‘Je hebt er die dansen. / En je hebt dansers. / Anani is danser’. Zoals Anani danser is, is Nolens dichter. Leven en werk, werk en leven vallen bij hem volkomen samen. Natuurlijk wist hij zich gedurig door de buitenwereld en zichzelf in zijn ambitie aangevochten, maar toch was er ‘de trots van mijn twijfels’ en heeft hij zich ‘wanhopig omhoog’ gezongen ‘zoals op mijn tafel die dansende wesp in de hals van een bierfles.’ In het gedicht ‘De literaire receptie’ signeert de ik zijn bundels voor een publiek dat niet geheel en al met hem bekend is: ‘Pardon, ik heb uw naam niet goed verstaan.’ Uit dit gedicht spreekt de onverholen trots van de dichter. Hij die zich terugtrekt uit de wereld, verlangt toch heimelijk naar die broodnodige erkenning voor zijn talent. Het suggereert alsof spreken geheimen verzwijgen is en schrijven een manier van omgaan met het publiek is ‘om straks uit uw woorden te raken / aan vlees?’ Ondanks de vervreemding blijft het publiek nochtans gebiologeerd naar het werk van deze ‘buitenstaander / in de binnenstad’ reiken.
     In de laatste afdeling, ‘En zij belt je stilzwijgend’, staat de cyclus ‘Amerika 1980’, gewijd aan een rondreis van een verliefde ik en jij door de VS. Daarin laat de ik zich door de liefde verleiden om op te stijgen en naar het westen te vliegen: ‘destijds uit dat nest van mijn vliegangst.’ Zoals Nolens je in dit gedicht door de syntactische complexiteit en gelaagdheid van deze zinsnede duidelijk weet te maken hoezeer de glimlach van de ander bij vertrek je over je vrees voor vliegen en vertrekken kan heenhelpen en je een hemelse beleving van de dingen kan aanreiken, getuigt naar zijn vorm en inhoud van meesterschap: ‘Ik ging op je glimlach de lucht in / van duizelingwekkend hoog spel, / ons tête-à-tête in de hemel.’ Opgaan, omhooggaan, in dat duizelingwekkende hoog spel van de hemelse liefde weet de ik zich hier meegevoerd.
     De alles (ver)vormende liefde vormt een voortdurende leidraad. In het voorlaatste gedicht ‘Nanacht’ maakt de schemering langzaam plaats voor het morgenlicht, waarin het oudere liefdespaar zich spiegelt in het moderne stadsbeeld van Antwerpen. Het mobieltje maakt dat de ik zich niet alleen hoeft voelen in de stilte van zijn werkvertrek: ‘En zij belt je stilzwijgend // aan de wandel haar golven en meeuwen.’ Met dit eigentijdse beeld verlaat de dichter zijn lezers. Voor de duur van zijn bundel heeft hij met al zijn onevenwichtigheden uit het verleden tot op het heden zijn tussentijdse balans opgemaakt en is hij de vervluchtiging te lijf gegaan. En passant keek hij in de spiegel om voor even de tijd te kunnen bevriezen.

***
Leonard Nolens (1947) publiceerde in 2009 Dagboek van een dichter 1979-2007. In 2012 verscheen Manieren van leven 1975-2011. Liefdesverklaringen werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs, in België met de driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie. Voor zijn gehele werk kreeg hij de Constantijn Huygensprijs, voor Bres de VSB Poëzieprijs. In 2012 ontving hij de Prijs der Nederlandse Letteren.

Recensie van De loeiende tier - Mark Van Tongele

Er is geen grens aan het verbeelden

Mark Van Tongele
De loeiende tier
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450908
€ 21,99
56 blz.

Bezonnen en hartstochtelijk tegelijk zijn de typeringen die je te binnen schieten, als je de poëzie van Mark Van Tongele leest in zijn nieuwste bundel De loeiende tier. Wat een vitaliteit en taalkracht! Wat een taalfeest! Van Tongele is nog altijd een dichter die ten onrechte tamelijk onbekend is in Nederland. Zijn poëzie kent een dynamiek en beweeglijkheid die verrassend en verfrissend is. Ze maken dat je bij elk gedicht nieuwsgierig blijft naar het begin, de voortgang en de afloop. Het komt nog wel eens voor, zoals in het gedicht ‘Zonnecellenwonderspray’ dat Van Tongele zich overmand weet door een waaier van klanken, beelden en woorden die zich in hun onbegrepen zijn, in hun ‘wezenlijke desoriëntatie’ tot elkaar verhouden, omdat de taal op die plaatsen blijkbaar niet het middel is om de beleefde ervaring aan te raken. Het lijkt me een vorm van ‘klank- en woordstamelen’, van opperste verwondering, een vorm van dichterlijke overlevingskunst, maar de pen blijft wel op papier.  Je ziet op die plaatsen het beleven aan het beseffen voorbijgaan.
          Dikwijls weet hij uit zijn soms woeste dan weer verstilde bewegingen je een oproep, een aansporing, een levenshouding voor te houden waarmee hij je een uitweg biedt uit de ‘voortdurende verandering van de werkelijkheid’, zoals in het gedicht ‘Vannacht op het strand, doffe zeeruis’: ‘Waarom kunnen wij niet / over toekomst spreken met dezelfde / trefzekerheid als over verleden?’, of zoals in het gedicht ‘Zwaaiplaats’: ‘Puur geluk is het enige wat ons beschermt.’, of zoals in het gedicht ‘Heb je zwoerd achter je oren?’: ‘Hoe ontkomen aan kwalitatieve imperatieven? / Hoe milieu, groei en werk met elkaar verzoenen?’
          De bovengenoemde strofen tonen ons een dichter die er niet voor terugdeinst om zijn politiek-maatschappelijke betrokkenheid en de daaruit voortvloeiende moraliteit te laten zien. Het gedicht ‘Samenhangzin’ eindigt met een strofe ‘Wat kunnen wij anders dan / zo goed en kwaad als mogelijk / elkaars zwaartekracht helpen dragen.’ In deze regels klinkt voor mij het gedicht van Judith Herzberg ‘Er is nog zomer` uit de bundel Zoals (1992) mee: ‘wat zou het loodzwaar / tillen zijn wat een gezwoeg / als iedereen niet iedereen / terwille was als iedereen / niet iedereen / op handen droeg’.
          Zijn maatschappijkritiek komt in enkele gedichten direct naar voren, zoals in de gedichten: ‘This was the week when the financial markets began’, ‘Heb je zwoerd achter je oren?’ en ‘Play more’. In plaats van zich besprongen te weten door angst en onzekerheid ziet hij waarachtig de aantrekkelijkheid van catastrofen in. In de ongebreidelde vrijheid van de financiële markten bestaat de kans dat we ons overbelasten. Dan is het zaak temperamentvol, loyaal en neutraal te blijven. Ook de dichter ervaart bij de genese van zijn gedichten al vóór de bewustwording van de woorden een warmte als ‘een innerlijk geheel met je-/ zelf verbonden: een alzijdige en gelijktijdige, / wederkerige beïnvloeding van alles door alles’. Hij weet zich als dichter betrokken bij het proces, maar dient zich er ook met een zekere afzijdigheid door te laten meevoeren.
          Van Tongele rekent niet alleen op de helende krachten van de natuur, maar ook op die van de menselijke natuur, zoals uit het gedicht ‘Overlevingskunst’: ‘het meest adembenemende, / van dood gebarende paars draagt in zich // het puurste rood en het eerbaarste blauw: / ochtendgloren en een onbewolkte hemel.’ Dit soort versregels illustreert zijn levenskunstenaarschap. Hij blijft zijn poëtische zandkastelen bouwen. Hij zoekt naar de zin en de balans tussen alle lichte en duistere krachten.
          We hebben van doen met een lenig dichter. Zijn woord- en klankacrobatiek is indrukwekkend. Als een middeleeuwse ridder te paard portretteert deze dichter zichzelf als een ‘loeiende tier’ die zijn schielijke bewegingen in taal laat vloeien. Hij kan soms nauwelijks de ‘tier’, ‘de welige groei’ van de taal bijhouden. Hij weet zoals in het gedicht ‘Tegenwoordig’ soms bijna niet hoe de woorden en beelden bij hem binnenkomen en aan hem ontstaan: ‘Hoe de vlinder / aan zijn ogen komt. // Is dit de geest / van een verloren gedicht / die zijn lichaam verlaat?’ In dat ontstaansproces polijst hij zijn ‘sporen van aanraking’ en de ‘slijtage van vergelding’. Het leven laat zijn onuitwisbare sporen in hem achter. Als een verliefde Narcissus kijkt hij in zijn eigen spiegelbeeld. Hij herkent in de ‘copulerende schaters’ en de ‘klankstukken van het kuras’ de gelaatstrekken van vele voorgangers. Zijn gedicht ‘Zelfportret’ eindigt hij met de versregels: ‘Onverdroten houd ik een gedicht / met de zon voor mijn gezicht.’ In de poëzie ligt zijn hemelrijk, zijn verleden, heden en toekomst, zijn levensvreugde, zijn ‘diep verlangen naar geluk’ als ‘tegengif’ voor alle verlies en tegenspoed. Dit taalspel is nooit zonder risico’s. Hij blijft zijn lichtmythe doorvertellen. Ook al is dat in deze bundel zo nu en dan met gedichten die enkel bestaan uit een opsomming van klankrijke woorden die in samenhang ons begrip te boven gaan, maar ons wel willen laten zien dat deze dichter zijn zoektocht naar zin en licht niet wenst op te geven. Binnen deze karakteristiek past ook in de vrije toepassing van allerhande strofevormen zijn gebruik van archaïsmen, zoals ‘tier’ en neologismen, zoals ‘samenhangzin’.
          In deze nieuwe bundel heeft Van Tongele enkele gedichten gevlochten die betrekking hebben op zijn familie. De dood van zijn vader en de geboorte van zijn kleinzoon Oskar hebben poëzie bij hem losgemaakt. Dichtbij de kust op het kerkhof van Ostende tegen de valavond doet de geur van het water van de Noordzee hem herinneren aan zijn jeugd: ‘de koude schijn / doet het leven beven. […] Hoe ver van hier reikt mijn bestaan?’ In dit soort regels strekt de melancholie zich naar de oppervlakte uit. Het levenselixir van Van Tongele is divers en bruisend van samenstelling. Het gedicht aan zijn kleinzoon ‘Lang Leve Oskar’ gewijd roept bij mij reminiscenties op aan die andere grote Vlaamse taalkunstenaar Paul Van Ostaijen vanwege de taalvreugde en levensblijheid die zijn verzen uitstralen.
          Het is moeilijk kiezen waaraan ik mijn laatste voorkeur geef uit deze nieuwe bundel van Van Tongele. Ik kies uiteindelijk voor zijn gedicht over de melancholie, omdat ik daarin zijn vreugde, zijn strijd, zijn wanhoop en zijn hoop op leven tot aan het onverbiddelijke einde toe zie verwoord. Aan zijn onbedwingbare beweeglijkheid in woord, beeld en klank zal altijd die rouwrand van de melancholie blijven zitten: het oneindige spanningsveld tussen het willen en kunnen. Het helpt hem om de ‘veelvoudigheid van vergeten / in de spiegel van herinneringen’ op gang te houden. In zijn gedicht ‘Wat een mens bezielen kan!’ legt hij de bestaansgrond van zijn dichterschap neer: ‘Wat men beleeft werkt sterker dan wat men beseft. Er is geen grens / aan het verbeelden van een steeds grotere ruimte / in de geest. Een openheid, volheid, meervoudigheid. / Een royale resonantieruimte.’ Zo begint hij zijn bundel, maar hij eindigt hem met de vaststelling van ‘De onmogelijkheid van waarheid / De voortdurende verandering van de werkelijkheid.’ Daaronder beweegt zich zijn levensgevoel van de melancholie in deze vitaliserende bundel!

Melencolia

De wereld bekijken als een puinhoop,
bric-à-brac, als theater van tegenspoed.

Afstand doen van de werkelijkheid,
tot zelfs van zijn eigen lichaam.

Wat nu bedenken? Men kan dromen,
en schaduwen tot leven brengen.

Als een vurige roeping rusteloos.
Het begeerde gevaar van te veel passie.

Ondergaan in een onbedwingbare
hang naar het oorspronkelijkste.

De rouw om verloren illusies.
Maar niet van melancholie afraken,

dat is het ergste. Uit de catastrofe
ontstaat het paradijs. Inwijdingen.

Herhalingen. De permanente pendel
tussen mislukken en weigeren te berusten.

Het begin van het einde komt
altijd op kousenvoeten.

***
Mark Van Tongele (1956) is, als dichter, altijd een buitenstaander geweest. Hij experimenteerde met taal en dacht als een van de eersten na over digitale poëzie. Zijn bundels zijn tot nu toe altijd goed ontvangen door een select en enthousiast publiek. In 2004 kwam een verzamelde bundel onder titel Gedichten uit.