Recensie van Tijdrijder - Peter Theunynck

De tijd uitrijden: een schijn van permanence

Peter Theunynck
Tijdrijder
Uitgever: Wereldbibliotheek
2018
ISBN 978902842617
€ 19,99
72 blz.

Peter Theunynck is er zich in zijn nieuwe bundel Tijdrijder (2018) sterk van bewust dat de wereld gevormd wordt door het onzichtbare element van de tijd. ‘De tijd is een raadsel, een losbandig en mateloos fenomeen dat weigert zich te laten kennen en waarom wij uit hulpbehoevendheid een schijn van orde hebben aangebracht’, aldus Cees Nooteboom in zijn roman Het volgende verhaal. Theunynck verkent in deze bundel op diverse wijzen het fenomeen tijd.
De bundel kent een doordachte opzet. Na het openingsgedicht volgen er zes afdelingen: ‘tegen de tijd’, ‘wintertijd’, ‘sluitingstijd’, ‘altijd’, ‘speeltijd’ en ‘gestolde tijd’, met als afsluiting het titelgedicht ‘Tijdrijder’. In elke afdeling wil hij laten zien op welke wijze zijn lyrisch subject aan de vergankelijke tijd tracht te ontkomen. Hij creëert voor even momenten van permanence.
In de eerste afdeling ‘Tegen de tijd’ tekent Theunynck verzet aan tegen de geest van de tijd. Hij zoekt een weg uit het jachtige bestaan waarin alles volgens plan moet verlopen. Aan het lege vermaak op de kermis uit het gedicht ‘Reuzenrad’ waar ‘een schietkraam ons ooit in bloei had geschoten’, kan men niet de beoogde innerlijke rust ontlenen. In de ‘Ode aan de ing vorm’ ironiseert hij de vermarkting als een ‘verduistering van de verlichting’. Daaruit vloeit de oproep tot een andere levensstijl in zijn gedicht ‘Jachthonden’ voort: ‘Schaak de jachthonden in jezelf’. In het gedicht ‘Gelukkig jaar’ dresseert hij met de nodige distantie zijn bitterheid over troepen achter de Eufraat die ‘nog wachten op stevige zakken’ en aan hun ‘joystick [zitten], maar waar is (…) [hun] vreugde?’ De slapeloosheid in het gedicht ‘Slaap’ eindigt in zo’n moment van permanence dat we ook op andere plaatsen in de bundel tegenkomen: ‘Mijn grootste geluk is het langzame uur / vlak tegen de ochtend.’ Theunynck bevraagt in deze afdeling de veelvormige werkelijkheid die hem omringt. Ten slotte doet hij in het gedicht ‘Staken’ een oproep om de verwachtingen niet te hoog te spannen, maar de groeipaden te verzaken, koopkracht te laten voor wat ze is en ‘de zon de zon, de maan de maan’ te laten zijn.
In de tweede afdeling ‘Wintertijd’ heeft het fenomeen tijd betrekking op de herinnering, het vergeten en de sprakeloosheid. Als de taal wegvalt, is er geen herinneren meer mogelijk. De stijlfiguur van de herhaling in het gedicht ‘Woord’ benadrukt de onmogelijkheid de tijd uit te rijden. Wat een onvermogen is er als de woorden blijven stuiteren tussen “luchtpijp en tongbeen: ‘O, wat was dat woord’ “. In het gedicht ‘Sprakeloos’ vragen de ‘wij’ zich vertwijfeld af wat het zou betekenen ‘als de taal was gevlucht uit ons lijf?’ De wintertijd is aangebroken als de taal verdwijnt uit het leven van dierbare mensen. Het ontbreekt het lyrisch subject aan woorden om zijn gevoel over het overlijden van de moeder uit te spreken. Na de moeder duikt de vader op in zijn herinnering. Hij wordt liefderijk beschreven in zijn machteloos makende vergeetachtigheid: ‘Soms is zijn hand een lelie die danst’, maar dan rest: ‘Wanneer de sneeuwjacht gaat liggen / in hem’, uiteindelijk niet veel meer dan: ‘wat botten, rimpels, een ader.’ Eenzelfde ontluisterend beeld weet Theunynck subtiel te verwoorden in het gedicht ‘Wilfried’: ‘Heel soms, tussen de medicijnen door, / daalt weer de leraar in hem neer.’ De verbijstering over het land van de vergetelheid dat we dementie noemen, is groot. De engste cel lijkt in je hoofd te zitten, zoals hij in het gedicht ‘Cel’ laat weten: ‘als nergens pleisters groeien? Raak maar eens / aan de overkant als iedereen zijn brug ophaalt.’ Heldere, rake en beklemmende poëzie tekent Theunynck in deze afdeling op.
In de derde afdeling ‘Sluitingstijd’ zet Theunynck levens voor even stil op papier: het beweeglijke leven en de stilzettende dood raken elkaar. Het begint al met gedicht ‘Zomer’. In de voorlaatste strofe tekent hij weer zo’n moment buiten de tijd op: ‘Een blauwdruk van het paradijs: / de zon, de wind, de zee en alle elementen / zitten mee. We hebben alles in de hand.’ De tijd lijkt even stil te staan, maar de realiteit dringt zich onmiskenbaar in de slotregel aan ons op: ‘De dood danst aan de rand.’ Naast taal vormen zang en dans belangrijke motieven in deze bundel om het gemis aan taal te compenseren en zodoende de tijd uit te kunnen rijden. Dikwijls zijn ze gesitueerd in een natuurlijke omgeving: ‘Zingen kan altijd nog. / Zelfs als niemand luistert, hindert het / niet.’ Maar ‘Hoe lang kan een mens blijven zingen?’ als hij aan een katheter ernstig ziek te bed ligt? In zijn uitvaartgedichten toont hij zijn betrokkenheid bij mensen die zonder familie en vrienden het leven moeten verlaten: ‘Achter de tralies van je intercom / zat je te wachten tot het op was.’
In de vierde afdeling ‘Altijd’ schetst Theunynck  portretten van kunstenaars met wie hij zich door de tijd heen verwant is gaan voelen. Zij vormen voor hem een rijke bron van inspiratie. Paul Verlaine zet hem aan tot karakteriserende regels: ‘Je daalde steeds dieper af in jezelf’, (…) ‘Je werd door je armoe omarmd. De demon / at uit je hand, de dorst had zijn oase gevonden.’ De strijdvaardige beeldend kunstenaar Käthe Kollwitz typeert hij in haar strijd met de woorden: ‘Het ploegde de held in je boven: geharnast / in taal. Het lied van de Hades hoorde je niet.’ In de fietsende jongen over het plein van Rakvere belichaamt hij de componist Arvo Pärt, de onaanraakbare zanger die doorfietst ‘tot er alleen nog maar, / alleen nog maar / muziek is.’ Met de choreografe Anne Teresa De Keersmaeker voelt de dichter zich innerlijk verbonden in de dans als eeuwige cadans: ‘Het wuiven van het graan is de dans.’ Het gesprek met Remco Campert komt uit de herinnering boven als een samenspraak met vurige tongen: ‘een luisterend lied van tezamen.’ In hun aller kunstenaarschap herkent Theunynck momenten die hem helpen voor even zich aan de vergankelijkheid te kunnen onttrekken.
De vijfde afdeling ‘Speeltijd’ komt opnieuw de macht van de muziek naar voren om momenten van permanence te ervaren. Theunynck schrijft in deze cyclus doorleefde, helder getoonzette verzen. Neem zijn gedicht ‘Hoog hout’, waarin je over de klank van hobo leest: ‘Pijnlijk precies, een tandarts gelijk, / kerft een man zich de ziel uit het hout.’ Stuk voor stuk lijken het gedichten te zijn als ‘van god’ afkomstig, anders ben je niet in staat om te schrijven: ‘Het koren ging ervan [de koperinstrumenten]  / blozen, alsof het door goden werd aangeblazen.’ Voor mij is een hoogtepunt in deze reeks het gedicht ‘Arpeggio’. Hoe Theunynck de uiterlijke en innerlijke verstrengeling van de harpist met (de klanken van) zijn instrument beschrijft, maakt hem voor mij tot een voorbeeldig woordkunstenaar.

Je harp is je vliegtuig
naar Carnegie Hall.

De vrouw van je leven.
Ze leunt op je lijf en jij
tokkelt de hemel uit haar.

Hoe heb je ooit vingers genoeg
voor elk van haar pezen.
Hoe been je haar bij
in het zuiverste zingen?

Hoe kun je haar ooit omhelzen
als vallende regen?
Hoe rakel je op uit haar vel
die suites van Bach?

Zij is het bloed onder je nagels
de eelt op je vingers, de kramp
in je polsen. Hoe pijnlijk
kan reikhalzen zijn.

Jij bent gehavend in haar.
In haar krijgt je leven gestalte
op iedere breedtegraad.

Ze tilt je hoog boven de tijd.
Ontsnapt aan je sterfelijkheid.

Je voelt de tintelingen in je opkomen als je zulke versregels leest: ‘Wie weet het tij te keren als de hemel hem ten dans vraagt, / als engelen jubelen in het lijf en ieder zintuig zingt?’
De zesde afdeling ‘Gestolde tijd’ is geïnspireerd door het boek van Neil MacGregor A History of the World in 100 Objects. ‘Wat achteloos achterblijft, / vertelt hoe de wereld echt is geweest’. Een mammoetrest, een steen, een kei, een kleitablet zijn de restanten die de toekomst van het verleden symboliseren. ‘Ooit was de wereld onbeschreven. / Voortdurend werd alles vergeten’, maar in het kleitablet ligt de begingeschiedenis van de mens die zich wil  onttrekken aan de tijd. Met het kleitablet werd alles telbaar, tastbaar en opvraagbaar: ‘Machtiger nog, iemand ontdekte / de deur naar andermans denken.’ Misschien is dat wel het beste middel om bevrijd te raken van je angst voor jezelf en de ander, zoals het slotvers van het gedicht ‘Liefde in tijden (niet van cholera) zegt: ‘De bijl werd geborgen. De daad werd geruild voor het woord.’
Theunynck weet met traditionele poëtische stijlmiddelen de dronkenschap van het zuiverste lied te beheersen. De regelmaat in versvorm, regellengte en strofevorm bieden hem houvast. Zijn herhalingen en enjambementen zijn overwegend doeltreffend. Hij is erin geslaagd inhoudelijk, structureel en woordkunstig een evenwichtige bundel samen te stellen. Op vele plaatsen weet hij zich beeldrijk en vindingrijk uit te drukken. In veel gedichten verrast de pointe aan het einde, de omkering in het denken, de vloeiende lijn die door blijft lopen tot in het oneindige. Zijn zeggingskracht is direct, helder en blijft tot het laatst perspectief houden. Op het moment dat de gedichten en de versregels langer worden dreigt er wel eens wat verlies aan span- en zeggingskracht. Assonanties en alliteraties dragen met hun welluidende ritme bij aan een betoverende pulse, zoals in het gedicht ‘Hoog hout’: ‘De klank van de hobo begint met geduld. / Het geduld van de buxus hoog op de heuvel / wachtend op wasdom in zinderend zonlicht.’
Theunynck is een zanger met een warm timbre en gevoel voor wisselingen in ritme, toon en kleur. Hij strooit vaardig met inspirerende beelden. Uit zijn beelden spreekt een mildheid en zachtmoedigheid die tot een melancholieke ontroering aanzet. Voor hem is ‘De luit (…) de stem van de avond.’ Hij mag zich in deze bundel met recht een beeldend woordkunstenaar noemen die de tijd meesterlijk weet te trotseren.

***
Peter Theunynck (1960) debuteerde in 1997 met Berichten van de Panamerican Airlines & C, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn biografie van Karel van de Woestijne (2010) werd genomineerd voor de AKO Literauurprijs. In 2016 verscheen zijn roman De Slembroucks. Samen met Lies Van Gasse schreef hij de graphic novel Nel – Een zot geweld. Tijdrijder is zijn achtste dichtbundel.

Recensie van Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin - Peter Holvoet-Hanssen

Op weg naar het zuivere dichterschap

Peter Holvoet-Hanssen
Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102674
€ 19,99
101 blz.

Cees Nooteboom spreekt in zijn Dagenboek 533 (2016) over dichters in wier werk veel onduidelijk blijft. Dat is iets wat mij bij eerste lezing van de nieuwe bundel van Peter Holvoet-Hanssen Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) ook overkwam. Holvoet-Hanssen is echter wel een dichter, zoals dat voor Nooteboom Lucebert was, met ‘een druïdische zingzang […]. Je laat je mee wiegen op een stem en een ritme omdat je weet dat die stem bij iemand hoort die volstrekt zeker is van zichzelf en zich in zijn eigen universum bevindt. Je vertrouwt de melodie, je ratio heb je weggestuurd om ergens op een parkbank te rusten, deze taal wil eerst gehoord worden.’ Er lijkt een betovering van dit voorlezen uit te gaan die voorafgaat aan het begrijpen.
Tezamen met de bundel Gedichten voor de kleine reus (2016) vormt de nieuwe bundel Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) een nieuw begin van zijn dichterschap. Alles wat hij in voorgaande jaren zich aan taal en (droom)werelden heeft eigen gemaakt, zet hij opnieuw maar in verhevigde mate in deze bundels voort. Daarin is hij overmoedig en eigenzinnig. Dat zit hem niet alleen in de grote associatieve salto’s die hij zijn lezers laat maken, maar ook in de niet te onderdrukken behoefte thematiek uit de boven- en de onderwereld, het dagelijkse en het buitenissige, de dag- en de droomwereld, de buiten- en de binnenwereld, de hoge en lage literatuur, het mythische en het realistische soms wat al te schielijk met elkaar te verbinden. Desalniettemin onderkent Holvoet-Hanssen zijn nietigheid, ‘een zandkorrel in een ooghoek’ te zijn, ‘een traan op de wang van het heelal’. Hoezeer hij ook het verlangen naar een allesomvattende eenheid najaagt, hij beseft tegelijkertijd de vergeefsheid ervan.
Holvoet-Hanssen schept zich een eigen universum waarin alles met alles samenhangt. Dat laatste geeft hem houvast ondanks het feit dat hij ook wel weet dat er heel wat slagen in de lucht gemaakt worden, voordat je het zelf gaat geloven. Hij opereert nogal eens als een circusclown die zijn eigen overmoed beseft maar daaraan gedurende zijn act niet wil toegeven. Hoe het ook zij, hij gelooft sterk in zijn eigen optreden, in de verwachting dat zijn publiek ermee in zal stemmen. Er zijn momenten dat je gefrappeerd wordt door zijn durf in het samenbrengen van woorden en beelden, maar even zovele malen heb je het gevoel met luchtfietserij van doen te hebben. Het werk lijkt dan ‘geen goedgekeurd engagement / of onschadelijke melkschuimauthenticiteit’ te bezitten. Je verliest als lezer nogal eens de vaste grond onder de voeten. Je voelt je hier en daar verloren in een verbeeldingswereld die wel elementen uit de bekende werkelijkheid en de traditie bevat, maar die niet altijd doeltreffend in een gepresenteerde samenhang zijn gebracht. Al voordat hij losbarst, heeft de dichter, zoals hij in zijn ‘Toegankelijk gedicht’ uit de afdeling ‘nachtmatroos’ aangeeft, zelf even de behoefte er maar het zwijgen toe te doen: ‘warmte en wifi een zeldzaam gezonde / bries van stilte zwijg liever zwijg toch / tot in het negende octaaf’.
Het is een omvangrijke bundel geworden. Holvoet-Hanssen kent opnieuw in deze bundel een zeer vrije omgang met de versvormen, de regellengtes, de bladspiegel, de typografie en de omvang van de verzen. Daarin volgt hij zijn grote voorbeeld: Paul van Ostaijen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen waarbij verschillende gedichten uit onderafdelingen bestaan. Het karakter van zijn poëzie heeft een sterk narratieve en beeldrijke inslag waaraan hij elementen uit zijn (auto)biografie en de literaire traditie toevoegt waarbij hij ‘de zaden van het kwaad tot bloemen noodt’, om in de geest van Baudelaire te spreken. Hoewel poëtische stijlfiguren als herhaling, parallellisme en opsomming veelvuldig terug te vinden zijn in deze bundel, schrijft Holvoet-Hanssen overwegend proza-achtige poëzie.
In de tweede afdeling ‘Kleine reuzin’ gebruikt hij beelden die hij ontleent aan beelden van zijn kleine reuzin Anna Roza Holvoet. Deze gedichten spelen zich af in een droomachtige sfeer. De droomwereld is een verbeeldingsomgeving waarin Holvoet-Hanssen zich zeer thuis voelt:

Ze danste in het gebroken wit van de zon,
tekende gedichten als danseressen
met dromen groter dan het heelal.
Haar slagschaduw. De sterren sterven mee
naar het andere einde.

Hij stelt zijn kosmische werkelijkheid op scherp om haar in het oog te krijgen: ‘Grote Beer staat op zijn kop, ziet in de ogenglans / van de moeder zorgen om haar Kleine Beer’. Hij wil zo snel mogelijk ‘het ontdroomde land’ achter zich laten om zoveel mogelijk te kunnen toeven in die droomwerkelijkheid. In deze dubbelheid verkeert Holvoet-Hanssen permanent. Het gaat voor hem uiteindelijk om de vergetelheid waarin vadertje Tijd het laat afweten: ‘weet dat het te pas en te onpas / om de liefde gaat, de dromenstaat.’ Hij gaat voortdurend een gevecht aan met de tijd en wenst zich een verblijf op ‘een eiland waar de tijd in cirkels loopt’, waar de liefde kan zegevieren. Daar beklimt hij zijn Grote Reuzin en ziet er voor het eerst de dreiging van de Goleman. Het is ook de plaats waar hij voor het eerst het lied van het maanzeemeisje hoort.

In de andere kamer hoor ik je donderen, zwart kruipend lijk
naar de aarde gebogen als regen die hangt aan omgedraaide molens.
Sokken in de kom van je soep.
Vadertje Tijd, wees een levende wolk in de vergetelheid.
Als engelen zingen om je aandacht
weet dat het te pas en te onpas
om de liefde gaat, de dromenstaat.
Vaar in een stralend wit hemd in een bloemenboot
maar niet naar de overkant van de rivier.
Niet naar de andere kamer. Daar moet ik groot worden.
En ik ben nog liever dood.

In ‘De Ballade van Gérardie Byarvoi’ speelt Holvoet-Hanssen met de traditie van de vagantenliederen, de hoofse poëzie van Hooft en Huygens, de modernistische poëzie en moderne rapteksten. Hoge en lage literatuur zijn met elkaar vervlochten, want ‘ware poëzie’ is in de ogen van deze dichter ‘rebellie’. Hij wenst niet te investeren in ‘stiekeme poëtica’s’ maar in ‘speelse natuur’, want die is veel ‘resistenter’ tegen de duisternis van deze wereld.
Zijn bundel Blauwboek moet ‘een talisman met veel gezichten’ zijn. Daarmee kun je de Goleman, het monster, het onheil met een gerust hart tegemoet treden. Door alle duisternis heen blijft de sprokenverteller geloven in dit leven. Zoals bij het beeld Miracolo in het Middelheimmuseum te Antwerpen de ruiter op het paard van Marino Marini steeds blijft duren, zo zal ‘na dood het leven uitweg’ zoeken.
De belangrijkste afdeling uit de bundel is die van ‘de vijftien staties naar het grote blauw’. Hij bevat een oproep je kruis op te nemen en je dromendief een brief te sturen om zodoende op weg te gaan naar het azuur, ‘het blauw gedicht’. De wolk van de zwarte god hangt boven Watou, de plek waar jaarlijks de poëzie samenkomt: Hugo Claus, Eddy Van Vliet, Gerrit Kouwenaar en vele anderen. Holvoet-Hanssen volgt op eigenzinnige wijze de nieuwtestamentische staties en geeft er een humanistische, eigentijdse en soms bizarre betekenis en kleuring aan. De ik plaatst zich in de rol van Jezus en probeert een hedendaagse aankleding van het lijden van de hedendaagse mens te schetsen, in het bijzonder zijn eigen rol als dichter in een duistere wereld vol dreiging, geweld en vernietiging.
De ik wil dat het dodenland weer door een dans bevlogen raakt. Uit de diepte van ellende klinkt een grondtoon op. Jezus verschijnt in bizarre eigentijdse beelden om de verlatenheid van de hedendaagse mens uit te drukken: ‘verlaten straat, alleen de camera’s waken – dan kijkt hij / naar omhoog: Het is oneindig, en maar goed ook.’ Misschien is de vierde statie wel de meest cruciale in deze profane reeks met religieuze connotaties: de poëzie als blauwdruk kan de pijn niet stillen, want ‘verdraaid vernuftig was het dichtersconcentraat’. De afstand tussen ik en jij blijft immers bestaan. De hoop blijft dat anderen hulp kunnen bieden. Holvoet-Hanssen voert Maria Magdalena als publieke vrouw op die op het strand met een veel te kleine beha probeert de laatste lust bij Jezus los te maken. We verplaatsen ons daarop naar een hemelse tuin. Ondertussen gaan we onze ondergang tegemoet. Deze kruisgang mondt uit in een verdediging van het eigen dichterschap en de waarde die zij voor de mensheid kan hebben.
De ik vereenzelvigt zich met Jezus als visser van mensen, maar noemt zich ‘een verzenvisser zonder sleepnet.’ Holvoet-Hanssen, de ik, verwoordt tevens de kritiek die net als in het geval van Jezus vanwege zijn eigenzinnige manifestatie op hem is afgevuurd: ‘ik werd beschuldigd van esoterie, numerologie, HET MAKEN VAN CRYPTOGRAM, / te brede gedichten en nachtwinderige rede’. Hoe het ook zij: voor een ieder is er ‘geen leven na de dood’. En toch is de conclusie ‘er is geen dood: alles leeft de dood leeft en de rotsen stromen, strrrrrrr’. In de elfde statie valt de veroordeling, de kruisiging. Hij verafschuwt de fraaipraters van de bewierookte poëzie van Leonard Nolens. Toch zullen we allen transformeren. De stervende dooft uit, maar ‘Het sterven is geboren worden in het staalblauw, de hellevaart voorbij.’ Er volgt een grote sprong, ten slotte een lamento. Hoewel Blauwbaard je de hals omdraait, vindt er een transformatie plaats tot een nieuw mens. Moraal van het verhaal: reik elke dag de hand’ en ‘Laat het leven landen als een koninginnenpage op je dikke teen.’
Holvoet-Hanssen is een dromer, een middeleeuwse sprokenverteller, een fabulist, een trieste maar vrolijke artiest in een duistere wereld. Hij blijft op weg gaan naar het zuivere dichterschap, schoongewassen en gedroogd door de ‘Speed Queen’ van zijn taalwasmachine, met als risico dat we na zijn centrifugale werking zwijgen ‘in een taal die niemand spreekt’.

Recensie van Oefening in alleen lopen - Kreek Daey Ouwens

Een smal pad door angst omgeven

Kreek Daey Ouwens
Oefening in alleen lopen
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427044
€ 19,99
102 blz.

Kreek Daey Ouwens opent in de tweede herziene druk van haar nieuwe bundel Oefening in alleen lopen met een opmerkelijke uitspraak van Konrad Bayer: ‘Je mag niet luisteren, dan zul je alles beter begrijpen.’ Of dat nu betekent dat we niet moeten luisteren naar wat er in onze directe leefomgeving over en/of tegen ons wordt gezegd of van ons wordt verwacht, in alle gevallen lijkt Ouwens met Bayer een oproep te doen onze neiging tot navolgen van mensen in onze directe omgeving zoveel mogelijk achterwege te laten en zo snel mogelijk een begin te maken met het oefenen in het ‘alleenlopen’. Voor haar moeten nauwlettende, ogenschijnlijk onaanzienlijke observaties daartoe de weg effenen.
     Ouwens neemt ons mee in de wereld van de verwarring scheppende, non-verbaal emotionele overdracht die er tussen ouders en kind zich voltrekt. Daarin speelt de stilte en het zwijgen een voorname rol. Het elkaar begrijpen komt in deze bundel voornamelijk tot stand doordat de volwassenen zich veelal uit onvermogen hullen in een diep stilzwijgen, en niet doordat ze onderling gevoelens tegenover elkaar uitspreken. De emotionele ontwikkeling van kind tot volwassen vrouw vormt de thematische achtergrond waartegen deze bundel zich laat lezen: van vrolijke dagen als onbezorgd kind dat zich afvraagt wie de woorden heeft bedacht naar het voortaan een andere weg kiezen met alle (zelf)verlies van dien. In die zin is deze bundel een Werdegang die herkenbaar dicht bij de werkelijkheid van alledag blijft.
     Ouwens is goed in staat het kind en de volwassenen niet alleen in hun klein geluk, maar ook in hun onberekenbare afstand en kilheid te schetsen. Ze schrijft in een vorm die het midden houdt tussen proza en poëzie. In een interview met Remco Ekkers heeft ze al eens afgegeven dat ze niet zo geïnteresseerd is in dit onderscheid. Het past ook goed bij haar intuïtieve benadering van het dichterschap. Veel laat ze naar vorm en inhoud aan het toeval over, hoewel haar teksten in al hun eenvoud toch bij nader inzien een weloverwogen en doordachte indruk maken. Ze kiest ervoor overwegend verstaanbare taal te gebruiken. Je leest dat onder meer in verrassend geformuleerde aforistische versregels, zoals ‘Wie zegt dat hij van iemand houdt heeft de / angst aan zijn mond hangen’ en ‘Wat we niet weten slaan we op in ons hart.’
     De gedichten zijn sterk anekdotisch van karakter. Korte versregels. Herhaling en opsomming van woorden en zinsdelen zijn een veel gebruikt stijlmiddel om ritme en structuur in de teksten aan te brengen. Als zodanig doet deze poëzie denken aan poëzie voor kinderen. Het wordt duidelijk dat voor Ouwens taal een middel is om de ander te bereiken. Ze maakt weinig gebruik van metaforen. Het gevaar dat haar zodoende bedreigt, is dat ze daardoor de gelaagdheid in haar werkelijkheid niet altijd voldoende tot gelding weet te brengen, zoals in het volgende gedicht: ‘De lucht is blauw. / De zee is blauw. / De ogen zijn blauw.’ Ze weet niet altijd voldoende spankracht in haar teksten te leggen: ‘Ik vouw alles in haar terug als iets / wat het einde is. // Mooi als haar ogen. Groot als haar ogen.’ Haar techniek laat hier en daar te wensen over. Dikwijls heeft ze nogal wat versregels nodig om tot een pointe te komen, zoals in het titelloze gedicht:

Er zijn twee grootvaders. De ene brengt boeken
voor ons mee. ‘Je moet veel lezen,’ zegt hij.
‘Anders word je dom. Dat willen jullie toch niet,
dom zijn?’

De stille grootvader zegt niets.
Hij laat de poes eten van zijn bord.
Na het eten gaat hij naar buiten.
Omdat hij alleen wil zijn loopt niemand hem achterna.

                                      *

De grootvaders zijn nooit aan elkaar.

     De bundel bestaat uit twee omvangrijke delen. Het eerste betreft de periode als kind; het tweede deel de volwassenheid. Ouwens opent met een gitzwart beeld: ‘We kijken naar de inktzwarte wolk aan onze voeten.’ Er zijn in deze bundel heel wat dagen beschreven waarop de zon niet bij de ik naar binnen schijnt. ‘We staan op, we zijn samen. / We zijn onwetend [van elkaar] en [wellicht] afzonderlijk gelukkig in de heldere lucht.’ In die staat van onwetendheid neemt de ik haar familie waar.  De ik is bevangen door angsten en een drang om te begrijpen wat er achter de bewegingen – uiterlijk en innerlijk – schuilgaat. Haar observaties betreffen veelal het klein geluk van alledag: ‘Mijn grootmoeder. / Ze warmt haar handen aan de thee. / Op een zomerdag ziet ze een engel.’
     Op veel pagina’s staat een korte tekst of slechts een regel. Er ontbreekt een inhoudsopgave in de bundel. Dat maakt het moeilijk om op voorhand en achteraf overzicht te krijgen. De opbouw maakt daardoor een minder doordachte indruk dan ze in feite blijkt te hebben. De waarnemingen blijven dicht bij huis. Grootmoeder, grootvader, moeder en vader figureren doorlopend in de gedichten. Aan hen leest de ik veel levenswijsheid af. De dood komt een paar keer in het jonge leven van de ik langs. Stilte, sneeuw, sterren, vogels, zwijgen zijn trefwoorden die de achterliggende emoties maskeren, maar staan ook voor de wereld voorbij de dingen: ‘Als het sneeuwt zijn alle mensen goed.’ Kilte, slang, dood, afstand, weidsheid zijn woorden van de onoverbrugbare afstand tussen de volwassenen en de ik:

Aan het eind van alle dingen komt de naaimachine
Van moeder op gang.
Log als een koe.

‘The highest things are beyond words.’

Mamma naait een kille rok.
Mamma naait behulpzaam.
Praktische zaken.

Even is er hoop.

Mamma naait een bloem.
Ze naait een baby.
Kersenpit is haar hart.
Ik zou zo graag in liefde geloven.

Roze wereld. Om te bijten. Om te prikken.
Flard van een zoom.

     Dit gedicht raakt aan de kern van deze bundel: het onvermogen om te communiceren over wat de moeder en de ik bezielt. De moeder toont haar gevoel door babykleertjes te naaien. Woorden als ‘log’, ‘kil’ en ‘Kersenpit is haar hart’ typeren haar emotionele beperktheid en onvermogen zich uit te spreken. De ik zou zo graag in de liefde geloven. Ze omschrijft die als de ‘roze wereld’ van de baby die in elkaar gespeld en genaaid wordt. Een nieuw begin, een nieuwe hoop gloort op het tonen van emoties aan elkaar. Het gedicht is een schichtige poging daartoe, een ‘flard van een zoom’. De dingen waar het echt om gaat, kunnen niet goed onder de woorden komen. De verstandhouding van de ik tot haar familieleden laat zien hoezeer de scherp waarnemende ik hun wereld niet goed kan binnenkomen. Veel woorden die onderling gesproken worden zijn te vangen in de zinsnede: ‘We begrijpen het gedicht niet. We verstaan het wel.’ De kinderen mogen wel – zoals dat in een ander gedicht zegt – de losse haren zoeken op de jurk van de grootmoeder, maar ‘Alleen haar gezicht aanraken mogen we niet.’ De oefening in het alleen lopen levert geen duurzame resultaten op. Het kind stelt zich in een ander gedicht voor dat de eenden de hoofden van grootvader, grootmoeder, vader en moeder zijn. Het schuift de eenden over de plank. Ze kraken. Sommigen zijn verbrijzeld. Er spreekt woede en bitterheid uit deze beelden. Dit wrede afscheid van het voorgeslacht maakt het moeilijk nog aan een baby te denken, …. en alleen te kunnen lopen.
     Door de hele bundel heen is dit emotioneel tekort er de oorzaak van dat de ik stagnatie ondervindt en de existentiële eenzaamheid voortduurt, ook als er sprake is van een relatie met een ander:

klim eens, lieveling, over die muur – ik denk
wel dat jij dat zou kunnen – jij denkt van niet  
– jij bent ervan overtuigd dat je dat niet –
– dat niemand  

Gedurende zes minuten zijn we nieuw – een vliegje
spartelt in mijn limonadeglas – we zijn zo eenzaam
dat we dat zien

     Dit alles kan niet voorkomen dat ‘Er […] meer woorden in mijn hoofd dan / dode vliegen in de zon [liggen].’ Het is niet voor niets dat het verlangen naar de omhelzing de opening van het tweede deel vormt. Een groot verlangen naar liefde vult nadien de pagina’s: ‘We zijn onwetend en gelukkig in de heldere lucht’. In droomflarden komen de meer positieve momenten met de grootouders en hun verleden opnieuw terug in de werkelijkheid van de volwassen ik. Toch blijft er de angst de ervaren liefde te kunnen verliezen. De angst blijft mee regeren. Telkens keert het kind met zijn ontvankelijkheid voor de natuur, de lucht en de vogels terug en biedt het de opening naar het klein geluk en naar een manier van kijken om alleen te kunnen lopen. Het is duidelijk geworden dat Ouwens in deze bundel een smal pad volgt door angst omgeven.

***
Kreek Daey Ouwens (1942) debuteerde in 1999. Oefening in het alleenlopen is haar zevende bundel. In 2009 werd zij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en in 2013 werd zij geëerd met de Leo Herberghs Prijs.

Recensie van Als werden wij ergens ontboden - Miriam Van hee

Het verloren paradijs van de moeiteloosheid

Miriam Van hee
Als werden wij ergens ontboden
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449843
€ 17,90
57 blz.

Miriam Van hee heeft haar nieuwe bundel Als werden wij ergens ontboden een motto van de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878-1956) meegegeven: ‘Je hoeft niet zoveel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Walser was een ingetogen, licht waanzinnige schrijver die zich niet geheel thuis voelde in dit leven. Vanuit dat levensgevoel schreef hij eens over Mozart dat die ons voert ‘naar het verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Misschien is dat wel hetgeen waarnaar niet alleen Walser maar ook Van hee verlangt in de natuurgebieden waar ze ons mee naartoe neemt. Het motto van de bundel verwoordt precies de wijze waarop zij zich in haar poëzie verhoudt tot de werkelijkheid. Met haar personifiërende waarnemingen van de natuur creëert zij haar eigen binnenwereld. Zodoende neemt ze in een glimp het ongewone aan het gewone waar en toont ons de werkelijkheid op een ongeziene wijze.
     Deze nieuwe bundel bestaat uit zes afdelingen. De eerste afdeling, gewijd aan een verblijf op Texel, is titelloos. De overige afdelingen met titel zijn gesitueerd in Estland, Rusland en Frankrijk. De weidsheid, het ingetogen landschap van de noordelijke streken, het verlate Franse berglandschap én de verloren tijd dragen bij aan haar beschrijving van een innerlijke weg naar wat zich moeilijk laat betreden, naar herinneringen en naar dromen. In de schrale landschappen staat het verblijf van het lyrisch subject in het teken van haar zoektocht naar een ‘moederland dat je vergeten bent’. Een herinnering, een droom, een verlangen naar een ‘uitzicht’ dat niets in de weg zou staan, is hetgeen waarop Van hee in veel van haar gedichten uit is. Zo onderkent ze bij eenvoudig tot armoedig levende mensen in het verlate (berg)landschap van ‘le villaret’ een levenshouding waaruit moeiteloosheid en een onveranderlijkheid van de dingen spreekt, zoals zich ‘het licht // en de schaduw over het blauwe graniet’ werpt.
     Tijdens de bezoeken aan natuurgebieden in Europa wijst Van hee op kleine veranderingen, niet alleen in het landschap, in de bewegingen van mens en dier, maar ook in de wolkenformaties. Het is niet spectaculair wat zij opmerkt, maar wel vol aandacht en empathie, en daardoor opmerkelijk bijzonder. In de ‘wandeling op texel’ zijn er tal van momenten waarop de wij er zich over verbaast dat de hooglanders die ‘eruit zien alsof ze nog / de oertijd hebben meegemaakt’, zich niet afvragen dat de natuur is zoals zij is. De wij staan er in het gedicht ‘pinguïns’ even bij stil of deze vogels zich voor de afsprong van de kust vrienden hebben gemaakt, of ze heimwee of verlangen kennen, want ze zullen elkaar nadien nooit meer zien. Mensen zijn voortdurend bezig te ‘gissen naar betekenis’ en met het toekennen van woorden aan wat ze waarnemen en ervaren. Daarmee verschaffen ze zich overzicht en inzicht in wat hen omringt, maar tegelijkertijd nemen ze op die wijze afstand tot hun directe omgeving. Dieren stellen zich daarentegen niet boven of buiten hun leefomgeving, maar gaan er in op. Dit gepersonifieerd uitlichten van een natuurlijke omgeving biedt haar de mogelijkheid om zich het landschap in al zijn verschijningsvormen toe te eigenen.

wandeling op texel

de hooglanders bewegen, wij wandelen, zij lopen
in de weg, wij omzeilen, ze zien eruit alsof ze nog
de oertijd hebben meegemaakt, wij schrijven
onze tijd met verzen vol, over hoe er gras kan
groeien op het zand, we gissen naar betekenis,
zij niet en wij vergissen ons, zij grazen traag, ook

als het regenen begint en het uitzicht minder scherp
wordt, wij keren langs de zee terug waar strandlopers
spelen met de waterlijn, hun tere knietjes zitten
aan de achterkant, ze eten zand en zijn niet bang
van grote meeuwen op de uitkijk, en de wind
die ons huilend doet verlangen raakt ze niet

De tweede afdeling ‘Een maand aan het meer’, bestaande uit drie gedichten, benadrukt nog eens de afwezigheid van de mens in dit berglandschap. Wel zijn er in dit landschap de ‘verre claxons [die] in de vochtige / lucht roepen als eenzame zielen’. Dit verlaten landschap roept het verlangen bij de je op om er een vingerafdruk achter te laten. De dieren ‘lieten zich niet bidden, de woorden evenmin’. De natuur maakt sprakeloos, straalt iets onaantastbaars uit. Het enige levensteken waaruit de jij zou kunnen afleiden dat hij niet onopgemerkt is gebleven, zou gelegen kunnen zijn in ‘een / lila klokje  [dat] trilde na een schouderklopje van de wind’
     De derde afdeling ‘Een kleine vallei’ heeft wandeltochten rond de berg ‘Mont lozère’ tot onderwerp. Het gedicht ‘wolken in bassurels’ is thematisch een veelzeggend gedicht, mede omdat daarin de titel van de bundel is opgenomen. De wandelaars hebben boven zich een ‘dun wolkendek dat niet bewoog’; onder hen snellen andere wolken ‘als laatkomers op de vergadering // als stellen voorbij naar het zuiden’. Ze bevinden zich tussen de wolkenpartijen in. Dit beeld doet mij herinneren aan het beroemde schilderij van Caspar David Friedrich (1774-1840)  ‘Der Wanderer über dem Nebelmeer’. Het geheimzinnig en onheilspellend spel van de wolken, licht en duisternis houdt de wandelaars in zijn ban.  

halverwege rustten we uit, we konden de
luchtlagen zien, hoog boven ons hing een
dun wolkendek dat niet bewoog, daaronder
snelden als laatkomers op de vergadering

stellen voorbij naar het zuiden, waar zij zich
ophoopten in een donkere grot in de lucht,
daarvandaan werd wind naar ons toe
gespeeld, een overschot dat naar believen

huishield in de bomen die ons omringden,
wij hervatten de klim tussen de doornen, maar
die donkere grot kwam ons te na, als werden

wij ergens ontboden, het was nog te vroeg, we
wankelden maar we lieten de aarde niet los
we hielden elkaar stevig vast en weerstonden

Deze tocht lijkt een sublieme ervaring te verwoorden. De aantrekkingskracht die ervan uitgaat, is moeilijk te weerstaan. Met dit ‘wolkenspel’ lijkt iets als een ‘hemelvaart’ op handen te zijn. Hier raakt het lyrisch subject aan het ‘verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Het landschap roept herinneringen op aan vroeger tijden, aan mirakels, aan verdwenen gebruiken. Achtergebleven handafdrukken, tekeningen op de wand van grotten zetten de verbeelding bij het lyrisch subject in werking. Het lijkt alsof niet de mensen voor het landschap, maar het landschap voor de mensen zorg draagt: ‘het waakte, traag en vasthoudend, / de man voelt de avond komen met vorst, met // stille tred, lichtvoetig, maar nog even niet’.
     In de vierde afdeling ‘tussen wal en schip’ staan gedichten die teruggrijpen op veelzeggende herinneringen die zich als droomflarden aandienen. Het gevoel van de ik in verschillende levensfasen tussen wal en schip te vallen vindt uitdrukking in de gedichten uit deze afdeling. In het gelijknamige gedicht is de ik met haar ouders op bezoek bij vrienden die, zoals dat in een droom kan gebeuren, hun derde kind verstopten. Een vlucht uit de stad volgt. Op wonderbaarlijke wijze ‘brandde [het kind] zich aan het papier en ik // vermocht het niet te troosten’. In dit droomgedicht klinkt een vergeefsheid, verlatenheid en machteloosheid op: ‘verder fietsen over land, zonder / kwitantie, zonder geld en zonder kind’. De overige gedichten uit deze afdeling raken aan bizarre en onnavolgbare droomfragmenten waarin de ander onbereikbaar blijft, de wetten van de zwaartekracht worden getrotseerd en adembenemende taferelen zich in de verbeelding voltrekken.
     In de vijfde afdeling ‘De weekendtrein naar Volchovstroj’ trekt aan de je ‘het groen voorbij met vlekken / van seringen, een gordijn van berkenstammen / als in droomlandschappen’. In de lente trekken mensen uit de stad in het weekend er op uit nu het langer licht wordt. Van hee weet prachtig de geur van het platteland mee te nemen naar de stad ‘waar in de metro dagenlang / de geur van dille en van opgelegde uien hangt’. Het lieveheersbeestje dat van beneden naar boven en terug over de treinruit kruipt, illustreert deze wekelijkse beweging van de treinreizigers. In het gedicht ‘rijm is het probleem’ speelt rijm en ritme bij het vertalen van Russische teksten een voorname rol, omdat ze in overeenstemming dienen te zijn met ‘het rijm en ritme van / golfslag of hart’. Het heeft te maken met ‘de russische / treinen die wiegend in juni door weelderig / groen met hun wielen de maat slaan’. In dit gedicht is de reis door het Russische landschap de bedding waarbinnen het wachten op het juiste rijmwoord – passend in het juiste ritme – ‘als bergen van afmattend werk’ wordt ervaren.
     In de laatste afdeling ‘lente in käsmu’, ontstaan in het schrijversverblijf te Käsmu in Estland, gaat Van hee een dialoog aan met de wereld om haar heen en ver weg. De dennen en vogels doen haar bewust zijn van haar ziel die zich moet verankeren door het brood te eten. Op een geheel natuurlijke en profane wijze vlecht Van hee hier de eucharistieviering in haar poëzie. De bevreemding is gewekt. Ze maakt daardoor de werkelijkheid in deze cyclus transcendent. De ik spreekt als ware hij een heilige Franciscus tegen de vogels en herinnert zich tijdens Pasen dagen aan het gezinsvolle strand. De ik stuit op vroegere voornemens en ambities: ‘je talen / te kennen, de weg te vinden, naar huis’. Dat betekent vooral jezelf te worden. Het blijkt moeilijk te zijn daadwerkelijk contact te maken met het moederland, maar er is wel ‘een goudvink op het terras’ als teken van verbinding.
     Net zoals de vogels zoekt de ik in haar geïsoleerde positie een ’samenzijn tussen twee eenzaamheden’ door. De versvorm die Van hee in deze cyclus gebruikt, is net zo grillig als de gedachtesprongen die ze maakt. Hoe moeilijk het is de eenzaamheid te verdragen, spat van de pagina’s af. Het ‘kabbelen van de baai’ schenkt voor even gemoedsrust, terwijl ze de ander bij zich wil voelen. Een kuifmees lijkt zich echter bewust van haar aanwezigheid en wijst haar de weg: het bos uit. Hoe moeizaam de contacten met het moederland ook verlopen, in de natuur is voor de ik de weg gelegen, ‘het bos uit’, naar het licht, naar het paradijs van de moeiteloosheid’. Staren uit het raam met uitzicht op de paradijselijke natuur blijft nog altijd de positie die Van hee inneemt om vanuit haar eenzaamheid transcenderende poëzie in zich te voelen opkomen. Deze melancholische poëzie vindt bovenal haar troost in de natuur.

***
Miriam Van hee (1952) is dichteres en slaviste. Haar poëzie is vertaald in tien talen en werd bekroond met de Jan Campert-prijs, de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap en de Herman de Coninckprijs. Haar voorlaatste bundel Ook daar valt het licht (2013) werd genomineerd voor de VSB – Poëzieprijs.

Recensie van De aantrekking - Claude Van de Berge

De aantrekkingskracht van het onuitsprekelijke

Claude Van de Berge
De aantrekking
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339430
€ 17,50
69 blz.

Claude Van de Berge opent zijn zeventiende bundel De aanraking (2017) met een poëticale beginselverklaring. Voor hem is het eon als onstoffelijk deeltje van het atoom niet alleen richtinggevend voor de kosmische ontwikkeling in het groot en in het klein, maar drukt het tevens zijn schoonheidsverlangen uit dat tot de hoogste uitingen heeft geleid in dit heelal: het kunstwerk. De schoonheid is daarbij zijn kompas dat richting geeft aan de universele evolutie, en is tevens de matrix van de menselijke bestemming: aantrekking die liefde is, liefde die de wet van de eenheid weerspiegelt. Met deze kosmologische constellatie verbindt Van de Berge het klein heelal van zijn poëzie.
     De bundel ziet er strak en esthetisch uit, mede door de fraaie, tekst ondersteunende foto’s. De foto van de omslag herinnert aan de besneeuwde top van de Fuji. Daarmee verwijst Van de Berge al direct naar de adembenemende abstractiehoogte waarop zijn poëzie zich beweegt. Hij reikt naar het onuitsprekelijke, naar dat wat verdwenen en verzwegen is. Op het moment dat je het abstracte gedachtegangenstelsel van Van de Berge inloopt, verlies je in de kortste keren besef van een werkelijkheid zoals we die dagelijks om ons heen kunnen waarnemen. Voortdurend zweeft het lyrisch subject met zijn denk-, gewaarwordings- en gevoelswerkelijkheid in een onbegrensde ruimte, omgeven door een ruimte die leeg, stil en tijdloos is. Je komt terecht in een immens spiegelpaleis van licht-, klank- en droombeelden.
     Sommige commentatoren hebben dit wereldbeeld holistisch genoemd, ik zou liever willen spreken van een sterke esoterische dan wel spirituele, mystieke oriëntatie. Op diverse plaatsen blijken er relicten van een religieuze oorsprong aanwezig. Woorden als inwijding, aanbidding, offer, ziel, verschijning, geroepen tot een opdracht, vergeestelijking, onderdompeling en openbaring wijzen daarop. Aardse herkenningspunten ter oriëntatie laat de dichter in de meeste cycli schaars aanwezig zijn in zijn overvloed aan elkaar  tegenstrevende abstracte redeneringen. Van de Berge verlangt van zijn lezers dat ze meegaan naar zijn verre horizonten en ijle hoogten.

In deze bundel werkt het lyrisch subject toe naar een zich toevertrouwen aan de aantrekking van het alzijn, van de allesomvattende liefde. In zijn ‘Poëtica van de wederzijdse aantrekking’ schuilt in de diamant als sterkste verdichting van de koolstof ‘het cryptische woord (…) van / het dromend verdwenene’. Daarop volgt de cyclus ‘Inwijdingen’. In een geheiligde samenkomst vindt een inwijding plaats die de wederzijdse aantrekking symboliseert. Na de aanraking van een verzonken schrijn ontvangen de inwijdelingen de zegen: ‘Vogels van wit licht daalden neer’. ‘Geheime en geheiligde raadselwoorden’ weerklinken. Na het bezingen van de gewijde ruimten worden ze ‘vervoerd door een geheiligde aanschouwing’. Daarmee is het lyrisch subject bevangen geraakt door zijn ‘alles overspoelende verlangen’ in deze ‘onherroepelijke wereld van het bovenwerkelijke’. Daarin naderen ‘het verdwenene en het sprakeloze’ elkaar.
     In het eerste gedicht uit de cyclus ‘Witte schaduwen in de herinnering van de wakenden’ leidt het lyrisch subject ons naar een van zijn vele droomgezichten, naar ‘voorbij het bestaan dat ‘meer is dan wat is’.  Het verlangen leeft bij de ‘wij’ heel sterk zich te vervolmaken. Telkens is in het verleden gebleken dat de ‘wij’ zich verloor ‘in het onbereikbare van het oorsprongloze’. In deze opvluchten uit de concrete werkelijkheid weet Van de Berge steeds weer met natuurbeelden van zee, zand, duin, zwanen en vloedlijn te landen in de ons herkenbare werkelijkheid waarin hij de woorden weet op te vangen: ‘En steeds als het water week, waakten en veegden bij / de uitvloeiingsboord langzaam en zwijgend het zand van hen [=woorden] af, / als witte schaduwen in een herinnering.’ We zien dat het lyrisch subject zijn ijle ruimtewentelingen in dienst stelt van zijn zoektocht naar de oorsprong van de woorden. Deze spirituele dromer en zoeker naar wat achter en buiten de horizon van zijn denken ligt is bovenal iemand die het enigma van het dichterschap wil achterhalen uit zijn intense verbondenheid met het kosmische. Hij zou het liefst de taal die daarbij past willen kunnen gebruiken. Zijn vervluchtigende, ijle, wijdlopige en tegelijk zichzelf opheffende poëzie doet me in de verte denken aan de wereld van A. Roland Holst. Hij  schreef eens over zijn eigen werk: ‘wat ik opschreef (…) [had] geen ander doel (…), dan een mij ingeschapen wezen, dat in het dagelijks leven nooit, of in veel te geringe mate, aan bod kwam, maar buiten hoorbaar en zichtbaar te maken: enigermate te bestendigen, wellicht.’ In dat besef stemt de poëzie van de mysticus Van de Berge overeen met die van Holst. Hun beider poëzie lijkt in ballingschap te zijn geschreven.
     De cyclus ‘Wit landschap met gestalten’ leidt naar enkele omvormingen, naar witte schaduwen in de herinnering van de wakenden om uiteindelijk de aantrekking zelf te benaderen in een wezensstilte. Het komt er op aan dat de wij zich openstelt voor de ‘kristallen droomgezichten’ en om de ‘aanwezigheid van een onbekende liefde in ons te laten vullen’. Het gaat erom in de ‘stilheid’ van het ‘wezen van het grenzeloze (…) te zijn’. Zodra de dichter probeert een vast punt in zijn denken en/of gewaarworden te vinden, doemt er alweer een tegenbeweging op.
     Van de Berge personifieert voortdurend abstracties en omarmt de paradox, maar wijst deze ook telkens weer als ontoereikend af. De volmaaktheid van het onzichtbare lijkt in beeld te komen, want het grenzeloze en het begrensde sluiten elkaar niet uit. In een dergelijke meerzijdige ervaringswereld wordt de identiteitsvorming vloeiend: ‘En we wisten dat we nooit wij waren geweest wie we waren.’ Zoals het duin de gestalte van de wind bewaart, zo bewaart de mens de gestalte van ‘de stilte / nadat de mens verdwenen is/’. Er is bij de wij het voortdurende verlangen doordrenkt te worden van het onuitsprekelijke. Een alles omsluitende stilheid en de roerloosheid van de verten doet de wij verdwijnen in de gelijktijdigheid van eindeloze eindeloosheden.
     De voortdurende wenteling van elkaar in- en uitsluitende abstracte formuleringen doet na intensieve lezing een duizeling ontstaan die misschien ook wel de ervaring is die de dichter bij de lezer wil bewerkstelligen. De geconcentreerde tuimeling in verten, spiegelingen, tijdeloosheden en oneindigheden is een aanhoudende schreeuw om verlossing uit de taal die beperkingen oplegt, opdat de ‘inwijdende binnentreding in de weerspiegeling van / de aantrekking’ kan plaatsvinden. Dat is volgens Van de Berge de schoonheid die hij wil dat we gaan ervaren. Wat in ons verborgen en onbestaand is, zal zich aan ons manifesteren.
     Na het witte landschap volgen de ‘Omvormingen’. De witheid van het teruggekeerde licht geeft een ‘gevoel van onbestemde verhevenheid’ en opgenomen te zijn in het alzijn, in de heiligdommen van de stilte. Droombeelden omhelzen elkaar, een landschapsloze echo weerklinkt: ‘De klank van de droomstem is verweven met ons zwijgen / en wist in ons zichzelf uit op de altaartreden naar / de lege offerschalen van de verte.’ Telkens weerklinkt de stem van het lyrisch subject dat weer tot zwijgen moet worden gebracht. Een ieder vindt zichzelf onder die omstandigheden in elkaar. De wij is getuige van een verbondssluiting. Daarbinnen bestaat geen identiteit: ‘Er is geen wereld voor het naamloze. / Er is geen naam voor het verdwenene’.  De extase van het sprakeloze vloeit als ‘een wijde golf / doorheen alles en omsloot ons’.
     De evolutie gaat verder. In de cyclus ‘Witte schaduwen in de herinnering van de wakenden’ ruisen de droomaangezichten in de ‘lichtvervulde stilte’ langs, in het besef dat ‘wat voorbij het bestaan is, is wat meer is dan wat is’. Zo is het mogelijk in deze stilte te spreken met het onuitsprekelijke. Er leeft het sterke verlangen zichzelf te vervolmaken, zich te verliezen ‘in het onbereikbare van het oorsprongsloze’. Het vloedwater dat door de hemelwelving in beweging wordt gebracht, maakt de ‘witte schaduwen in een herinnering’ zichtbaar. Het concrete beeld van deze ‘onaardse verstilling van de zwaan op de stilte van / het witte oeverzand’ geeft aan de wij in deze kosmische context een gevoel van vervuld zijn. In deze ‘sculpturale leegte van openvloeiing en terugplooiing, / verwijding en verdichting’ toont zich ‘de onzichtbare drijfkracht’, de grote aantrekking, de schoonheidsvervulling waar alles om te doen is.
     De cyclus ‘De aantrekking’  doet de wij beseffen dat er een andere wereld begint. Het lijkt wel alsof de avond stilstaat ‘op het grafvormige duin’. Er weerklinkt een tempelzang, vol overgave. Wat de taal begrenst en vastlegt, maar onmiddellijk zijn begrensdheid verliest. Er is sprake van een aanraking in het ‘ruimteloze getijdenkrachtveld’ waarmee de oproep verbonden is om elkaar in dit veld van onbegrensheid niet te verlaten. In het onuitsprekelijke is wat van onszelf nooit verdwijnt. Niet de taal of de ziel spreekt, maar het onuitsprekelijke spreekt met een zwanenstem: ‘alles is voleindiging.’
     Aan de andere zijde van de nacht klinken ‘krachtvelden van stemsferen’ op. In deze omgeving van duin en zand lijkt het sprakeloze te kunnen spreken ‘door de verglaasde stemspleet / van de ruimte, liggend op het stuifduin’. Degenen die elkaar liefhebben, vragen zich af hoe zij in elkaars herinnering zullen blijven bestaan: ‘als we niet bestaan, / zullen we verschijnen in elkaars herinnering als wat zichzelf / schept zonder zichzelf te ontmoeten’. De oproep volgt:  ‘O, zoek mij niet in wat je bent, zoek mij in wat je niet bent’. Voortdurend vindt er over en weer een doordringing van de ziel plaats in de ruimte en het licht, opdat het bestaan alles en stilte wordt, en de wij het heelal is. De verblijfplaats van de wij is het onzichtbare geworden. Spiegelbeelden zingen geluidloos de wijding van de wijzang, de stilte beantwoordend met hun sprakeloosheid. Onze verblijfplaats was en is het onzichtbare. Voor Van de Berge is onuitsprekelijkheid taal en taal is onuitsprekelijkheid. En niets rest ons dan nog dan de bezwering.
     De bundel wordt afgesloten met een gebed:

We omhelzen je onuitsprekelijkheid als een woord dat van je
uitgaat en door ons heen naar jou terugkeert, het onbestaande
van onszelf in je verbergend, en eindeloos als jij is
het bestaande van onszelf en nooit ontstaat het
en nooit eindigt het.

     Daarmee heeft de tijd plaats gemaakt voor de oneindigheid. In een lange slaap strekt de wij zich uit, ‘ver van het oord van  onze woorden, / gegrepen door een glans waarin alle taal / haar kracht verliest’.
     Het blijft een wonderlijke, en soms vermoeiende ervaring poëzie te lezen die op gespannen voet staat met het onuitsprekelijke. Voor mij blijft deze poëzie voor lezers die ingewijden willen zijn in dit kosmologische, mystieke labyrint waarin Van de Berge zich ver van de werkelijkheid van alledag heeft verwijderd.

***
Claude Van de Berge (1945) is een schrijver en dichter met een omvangrijk oeuvre. Hij ziet zijn poëzie graag in het licht van de middeleeuwse vocaalpolyfonie, de Duits-Vlaamse mystiek en moderne kosmologie waarin hij de tijdeloosheid tracht te vatten. Hij wordt door de meeste commentatoren beschouwd als een transcendentalist in de Nederlandse literatuur.