Gedichten

Marjan De Ridder aka Marianders is heilig verliefd op woorden. Daarnaast combineert ze deze met beelden, het resultaat daarvan kan je bekijken op haar website. Haar teksten zijn nomaden en reizen van poëzie, slam, spoken word tot rap. In de zomer van 2017 ging ze aan boord van de poëziebus, sindsdien is ze naar eigen zeggen niet meer uitgestapt.

Drieluik over achterlaten

Ongepast

Uitgewuifde zaken nemen geen keer,
 zeggen ze
met hun mond vol boterhammen en soep
er hoeft geen tandarts voor regelgeving
en de zwartgejaste inktvlek op jouw oogbol is anders dan die op de mijne
ik zie nooit verder,  jij altijd scherp
moet ik daarom cowboyschoenen aan
en jij van die zachtgemetste gympen
ik ben oorverdovend luid
jij onuitstaanbaar stil
en ik weet wat je wil, wat je wil,
duiven dansen door dwaalsommen heen
en ik schreeuw
ik ben niet alleen, ik ben niet alleen
toch zijn alle hoekjes uitgeveegd en hoeft niets
hier een servetje, en toch
vijf keer heeft een sluipschutter mijn slaap gemist
en dan dronk ik koffie om wakker te blijven
lenigheid is dan wenselijk, naast kracht
die van zwaarte
de oer, de gewichtige stilte
naast ons op hoge poten
zoals giraffen over een muurtje kijken in de zoo
wij, wij zouden kerselaars zaaien
maar slikten de pitten in

ongepast/niet compatibel

je hebt exact 5 minuten de tijd
om door dit bloedarmoedige sleutelgat heen te kruipen
Alice “ik zie je in” wonderlandsgewijs
ik net als zij in tranen,
een petticoatvormige waterval
zoveel en zo weinig tijd
zoveel en zo weinig tijd heb je
om de betrekkelijke pijnlijkheid van deze situatie in te schatten
totdat jouw ogen dat soort donkerblauw gaan bevatten
koninklijk – ondrinkbaar – nachtblind – waterputdiep –  blauw
de zachte vormen van de onbegrepen arm om mijn schouders
leunt zoals veel te dikke vogels op een wasdraad
en ik voel me even vrij als de (geoccupeerde)(dixi)toiletten
na een  Radioheadoptreden op Werchter
ik ben een kauwgombalmachine
met gebalde kleurvuisten en plofstiltes
om honger tegen te gaan
ik ben onder jouw armen,
anders arm,
anders dan gewoonlijk,
erbarmelijke economische gaten in portefeuilles voorbij
een kolk van draaiiongen
in een droste effect
ik zie mezelf onder, een arm, onder een arm, onder een arm
tot mijn gewrongen handen ongezwachteld gapend openen,
zoals vlindervormige vongole in een hete pan,
Jij hebt exact een tirade de tijd om de deur open te gooien
en dansend op mijn tenen te gaan staan
ik laat je niet gaan
ik laat je niet gaan
ik laat je niet gaan

vergeten / herinneren

ik zal nooit vergeten hoe jij naar me keek
me uit de boom staarde
een raaf zonder vos
alla fontaine
ik zal de vingers aan mijn pols steeds herinneren
autobandgravures
cactusprikkels
onzeilbare schepen
en je hand, en je hand die bijna overstag ging
en mijn hoofd, en mijn hoofd dat in de weg zat
of nee, mijn hart
en dat is anders
nochtans pompt mijn denken ook het bloed tot in mijn tenen
aan de voeten die je soms probeerde meenemen in je jaszak
zodat ik niet te ver kon gaan
je gaat te ver, zei je dan
grenzen zou overschrijden, te voet of gewoon ter harte
je wikkelde jezelf boaconstrictorgewijs om mijn nek
niet vergeten
vergeet me nietje
”Myosotis” onder de familie van de ruwbladigen
klein bloempje – grote vraag
groeit echt overal – echt overal
niet te missen – brutalige ik en mijn blote voeten
die soms grensoverschrijdend vergeet-me-nietjes kopje onder wandelen
waarom ik toch zo makkelijk over jou,
of nee,  jou over mij – laat wandelen
als dat geen liefde is… was
kopje onder, steeltje brak
even hangen tot de blaadjes de grond raken en wegsmelten
en mijn voeten
mijn voeten in de zakken van jouw jas