Recensie van Nieuwe tekeningen en gedichten - Hugo Claus

Tien jaar na zijn sterfdag, de verrassing die Claus heet. Een eerbetoon.

Hugo Claus
Nieuwe tekeningen en gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106205
€ 24,99
229 blz.

Over de dichter en schrijver Hugo Claus (Brugge 1929 – Antwerpen 2008) is veel geschreven, zowel over de mens als zijn omvangrijk en veelzijdig oeuvre; hij publiceerde talrijke dichtbundels, meer dan 20 romans, toneelstukken, essays. novellen, filmscenario’s, libretti en vertaalde onder meer Under Milk Wood van Dylan Thomas.
Minder bekend is dat hij ook wat de beeldende kunst betreft actief was en met name de tekeningen die hij maakte zijn van een ontwapenende charme.

Tijdens een verblijf in het ziekenhuis in februari 2003 gaf de schilder-dichter Jan Vanriet  hem, om de verveling te verdrijven, een dummy cadeau in de veronderstelling dat dit zijn vriend zou aanzetten tot het schrijven van poëzie.
Na twee weken gaf de herstelde Claus hem de dummy terug.
Jan Vanriet was met stomheid geslagen; er stond geen enkel gedicht in!
Wel 108 tekeningen.

Jaren later vertelde Suzanne Holtzer, die de redacteur van Claus was geweest, aan Jan Vanriet dat zij van plan was een bloemlezing over diens werk samen te stellen ter gelegenheid zijn tiende sterfdag. Hierop stelde Jan Vanriet haar de dummy ter beschikking. Zij was er verrukt over en ging op zoek naar bijpassende dichtregels. Zo ontstond dit boekwerk.

Beetje gewaagd. Mijn ervaring is dat in een bundel waarin zowel beeld als poëzie zijn opgenomen deze elkaar niet altijd versterken. Integendeel, zij staan vaak de interpretatie van de lezer-kijker in de weg; het beeld stuurt het geschrevene en omgekeerd en remt daarmee de verbeelding .
In kinderboeken kan het doorgaans wel omdat hier (ook) sprake is van een leerproces en wanneer tekst en beeld door dezelfde kunstenaar zijn gecreëerd en samengesteld, zoals bij Joke van Leeuwen het geval is, is de kans van slagen groter, maar niet zelden doen ook dan beide kunstuitingen elkaar tekort.

Wat deze uitgave betreft zou een boek met de tekeningen zonder dichtregels zeker de moeite waard zijn geweest, en, zij het wat minder (de tekst werd aangepast aan de tekeningen en niet andersom) kan dit worden  gezegd over een bundel met alleen de poëzie.
Maar wat Suzanne Holtzer met kennis en grote zorg heeft bijeengebracht verrijkt zowel het een als het ander. Een geslaagde symbiose.
(Wel jammer dat ik me in deze bespreking moet beperken tot de dichtregels en niet ter illustratie twee aansluitende pagina’s kan tonen met op de rechter een tekening en op de linker het daarbij passende gedicht ).

In de bloemlezing springen zoals gebruikelijk allereerst de tekeningen in het oog. Ze geven een gevarieerd  beeld van wat Claus voor ogen had: de mens tonen in al zijn schoon- en lelijkheid, zijn aardsheid, zijn grappige geilheid en zijn kinderlijke fantasie. Dit alles overgoten met humor.

In de gedichten en fragmenten daarvan valt het kinderlijk en schaamteloze plezier op dat Claus schept in het te pas en te onpas rijmen. Uit ‘APOLLINAIRE REVISITED’: Hier sta ik dan / een zinnig man (…) Apollinaire geloofde / in zijn horoscoop / Ik in de uitverkoop / van wanhoop (…)’ en uit ‘XVIII MOEDER DOET BOODSCHAPPEN’ : ‘(…) Op mijn klompen, met ontwrichte rug, / met kapotte ingewanden / blijf ik stappen naar de hel. // Mijn zoontje hoopt op een mirakel: / een fiets met banden en een bel.’
En hier dan nog een deel uit ‘Rijmen voor een reiziger in Antwerpen’ :

Wat hinnikt er nog zo laat in de straat?
Het fantoom van een paard,
een blanke nachtmerrie.
Ik ben het die draaf
en kletter en galop
gevleugeld in mijn hansop.

Een versje eigenlijk, zoals er meerdere in de bundel staan, en kijk, hiernaast zou de bijbehorende tekening moeten staan om er optimaal van te genieten.

Zoals gezegd maakte Claus de tekeningen in slechts twee weken en de spontaniteit en het ogenschijnlijk speels gemak waarmee ze aan het papier zijn toevertrouwd, doet vermoeden dat de zieke zich geen zorgen maakte in het hospitaal. Het zijn ongekunstelde schetsen die zonder kritische stops tussen hart en hoofd naar de hand zijn gegaan.
De dichtregels stralen dezelfde onbezorgdheid uit. Geen geserreerde poëzie waarbij ieder woord is gewogen maar met de kraan wijd open laat Claus de woorden stromen met een taalgevoel dat geen grenzen kent. Alleen iemand die de materie volkomen beheerst kan zich een dergelijke manier van schrijven veroorloven.
De kunst ervan is dat wat bij de lezer in eerste instantie als onachtzaam en slordig kan overkomen zoveel heeft te zeggen; sterker, het schijnbaar achteloos formuleren heeft een relativerend effect en maakt, hoe gek het ook klinkt, de inhoud sterker.
Twee voorbeelden:

Toen ik naar haar lachte
sloeg zij mij. Alsjeblieft. Pats in mijn gezicht. Dank je wel.

Nu heb je liefdesslagen, genaamd prohana
het liefst met de handpalm op de billen
(niet met de knokkels, dat vindt de Meester barbaars)
waarop het slachtoffer verplicht is te antwoorden
met de liefdeskreet stît,
een heftig gesis tussen bijna dichte tanden.
Sommige meisjes roepen dan om hun moeder,
dat mag ook, volgens de Meester.

Uit: ‘Stît’

Hij zegt: ‘Ik wou,
.                ik wou als het zou kunnen,
.                misschien toch,
.                eigenlijk, tenminste, heel even,
.                nee, vergeet het, ik ben er niet,
.                niet geweest.’-

Zij staat in de kamer, knijpt haar dijen samen,
(want moet plassen)
Haar stem is hees alsof zij naar hem verlangt,
(want moet niezen)
Haar blik verwacht hem en helemaal,
(want moet slapen).

Uit: ‘Een soort afscheid’

Graag zou ik als criticus ook iets minder positiefs willen opmerken, maar, afgezien van het helaas ontbreken van een leeslint, lukt me dat niet; behalve de tekeningen en de poëzie verdient de verzorging van deze uitgave ook nog eens een pluim: mooi dik papier, en godlof geen ronkende promotieteksten op de omslag.

Een heerlijk boek.

Recensie van Verlies me niet - Jacob Groot

Het ranselen van de molen die de tijd verdrijft

Jacob Groot
Verlies me niet
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 97863360364
€ 17,90
72 blz.

Laat ik het nu eens niet aan de conclusie overlaten, want al na de eerste vluchtige doorloop van deze bundel werd ik getroffen door de uitzonderlijke schoonheid ervan. Voor mij verrassend omdat ik na de tweede bundel van Groot, Uit de diepten (1972), waarin de neo-romantische  sentimenten me teveel werden, niets meer van deze dichter had gelezen.
Jacob Groot werd in 1947 in Venhuizen (NH) geboren en debuteerde in 1970 met Net als vroeger onder het pseudoniem Jacob der Meistersänger. Hierna publiceerde hij met regelmaat, zo om de twee / drie jaar, een nieuwe  bundel en daartussendoor essays (o.a. een over Herman Gorter) en enkele romans.
Van 1994 tot 1999 was hij redacteur bij het literaire tijdschrift Revisor en in 2012 won hij de Adriaan Roland Holstprijs.

Wat op het voorplat in het oog springt is dat de ondertitel van de bundel niet spreekt van gedichten maar van ‘een gedicht’. Slaat men het werk open dan treft men in dit tweeënvijftig ‘strofen’ tellende gedicht merendeels eenregelige zinnen aan die alle worden gevolgd door een witregel en alle beginnen met een hoofdletter. Ze staan behalve in samenhang met de andere regels daarmee ook op zichzelf.

1
Zonder dat ik het ben kom ik bij je in een andere tijd

Een moment wacht op ons lichaam als plaats

Rust niet tot we komen waar het ons vindt

Worden we begeleid?

Alsof het de laatste geluiden zijn voor het eerst

Zal er gezegd worden wie we waren?

Een instrument speelt ons

Een instrument speelt met ons

Een instrument speelt met ons mee

Uit dit voorbeeld wordt ook duidelijk dat Groot zich niet gebonden acht aan direct herkenbare zinsconstructies, hij speelt met de grammatica op een doodernstige manier en dwingt de lezer hiermee tot aandachtig lezen om de diepgang van zijn poëzie te ondergaan. Je zou denken dat deze ingewikkelde manier van formuleren onaangenaam vermoeiend is maar op enkele uitzonderingen na is het tegendeel waar, ze prikkelt en daagt uit; je wilt weten wat er staat en wat er toch ook ‘niet’ staat. Ter adstructie zo’n uitzondering uit strofe 6: ‘(…) Steeds lichter, zo dun als de snede tussen de seconden van de minuut waarin wordt gewacht op het verzamelde getal van de polsslag, eerst wijd en uiteindelijk verwaarloosbaar gering, werd, zo bleek, het onderscheid tussen de ene verlating en de andere, alsof ze weliswaar afzonderlijk en na elkaar maar in wezen tegelijkertijd (…)’. Dit lijkt me duivels interessant voor breedsprakige politici, maar minder voor poëzieliefhebbers.
En om nog even kritisch te blijven, sommige teksten zijn wel erg gezocht en hoogdravend. Uit strofe 16: ‘(…) Welkom wat gewist wordt, relict van de route naar de unie in de oorspronkelijke betekenis van het woord / En volg me zo toxisch, multicolor de hemellijn, waar ik de plaats vind / O delict van delight / Waar ik je nalaat als laatste’.

Het ontkennende woordje ‘niet’ komt opvallend frequent voor en wel op plaatsen waar je het niet verwacht.  In het begin dacht ik even dat Groot ons voor de gek wil houden – je kunt ze ook weglaten -, maar na herhaald en secuur lezen blijkt dat ze er wel degelijk toe doen. Een paar voorbeelden: ‘3 Gedenk de tijd dat je niet leefde (…) Het kan bijna niet, maar zeg: het bewoog naar je toe, ik boog voor die tijd, ik loog niet toen ik zag wie je was (…) 11 Daar komt de auto, zeg nooit meer wat je net niet zei (…); 12 Laat je meenemen, je komt toch niet terug (…).’
En ook de titel doet in deze mee: Verlies me niet.

Het motto van de bundel komt uit het gedicht ‘Ode To A Nightingale’ van John Keats:
‘Forlorn! the very word is like a bell to toll me back from thee to my sole self!’ (In de vertaling van Cornelis W. Schoneveld: ‘Betoverd! juist het woord dat als een klok van jou mij terugluidt enkel naar mijzelf!’). Beetje raadselachtig, maar juist daardoor dekt het de lading.

Inhoudelijk gaat het gedicht in een lange adem over afscheid – het missen en gemist worden – en het zoekraken van de beleving van plaats en tijd. En daarnaast over de vragen die een en ander oproept: Wat is verlies eigenlijk? Wat stelt het voor? Wat geeft het terug? Kan het troostend zijn, opent het nieuwe perspectieven?
Op deze vragen wordt met een grote intensiteit ingegaan – soms wanhopig maar nooit lamenterend –  en gelukkig worden zij zo nu en dan onderbroken door licht ironische regels. Uit 25: ‘(…) De dauw slingert haar vingers nog roze rondom zijn herinnering  / Nu is hij de ander die je zelf niet was / Ook deze noemt zich ik en hij voelt geen verschil, behalve dat het er niet eenvoudiger op is geworden’.

Om terug te keren naar voornoemde intensiteit:
Uit 34: ‘(…) En ben ik nu de bruidegom van je bruid omdat het bloed uit m’n handpalm bonst in je beek? / Of ik gesuikerd je zuivel zuig als je deken van me afglijdt? / Ja zeg ik, ja, maar je luistert niet eens, zo luid klinken we samen / Want je ranselt de molen die m’n tijd verdrijft’.
En uit de laatste strofe: ‘(…) Stof waait op in de zon van m’n longen / Raakt de slag van m’n hart de sprong van m’n tong, tokkelt de globe schoner dan de dagen / Leer de ochtend te blijven maar dan valt de avond, leer de avond te blijven maar dan valt de nacht, leer de nacht te blijven maar dan blijft hij ook (…)’.

Ik huiver doorgaans van religieuze poëzie waarin zinsneden uit de Bijbel worden aangehaald, – en zoals uit bovenstaande blijkt schuwt Groot de Schrift niet – maar omdat hij deze niet gebruikt om het christelijk geloof uit te dragen of te verheerlijken, heb ik daar in dit geval vrede mee. (Het lijkt me eerder dat hij citeert om de talige bekoring, zoals ook niet-gelovigen ‘Het Hooglied van Salomo’ kunnen waarderen en genieten).

Je kunt je afvragen waarom Jacob Groot, afgezien van de A. Roland Holstprijs, niet vaker gelauwerd is met grote literaire prijzen en ik denk, nu ik deze gedichten heb laten bezinken, dat ondanks zijn fenomenaal taalgebruik, zijn originaliteit en ook zijn zeggingskracht de oorzaak hiervan ligt in het te veel willen zeggen en door het onbedoeld te virtuoos etaleren van zijn meesterschap.

Hoe dan ook, en ondanks dat, een prachtige bundel!

Recensie van Trage nederlaag met volle zeilen - Henri Michaux

Vreemde in eigen land, in Frankrijk op de kaart gezet

Henri Michaux
Vertaler: Bart Vonck
Trage nederlaag met volle zeilen
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 9789056552761
€ 24,90
143 blz.

Zelden zal men een boekwerk tegenkomen waarin door één schrijver zoveel  literatuurgenres worden geëtaleerd  als in de bloemlezing Trage nederlaag met volle zeilen van Henri Michaux : fabels, fictieve verhaaltjes, mythes en legenden, extatische lyriek, narratieve poëzie en zoals vertaler Bart Vonck  ze in zijn nawoord noemt ‘Vormloze vormen’.
Laat ik beginnen met een van de ‘Fabels van de oorsprongen’ die Michaux (1899 – 1984) in zijn jonge jaren schreef en die doen denken aan de sprookjes van indianenstammen uit Midden- en Zuid-Amerika.
(Michaux verbleef lange tijd in Zuid- Amerika, met name in Ecuador).

De oorsprong van de tent

Dwa heeft de tijger gedood,
Hij rijt hem open en eet ervan.
De wind steekt op; en het regent.
De tijgervacht waait op,
En omhult Dwa.
In de tijgervacht regent het niet,
Er staat geen wind. Het is er aangenaam.
Dwa is tevreden.
                          Zo is de Tent ontstaan.

Henri Michaux werd in Namen geboren, groeide daar ook op, maar voelde zich niet thuis in België. Hij vertrok naar Frankrijk en liet zich in 1955 naturaliseren tot Fransman. In die hoedanigheid voelde hij zich meer op zijn gemak, maar niettemin reisde hij de hele aardbol af om dichter bij zijn wezenlijke ik te komen. Hij stierf tenslotte in Parijs.
Bijna zijn hele oeuvre ademt dit rusteloze zoeken naar de eigen identiteit.
In zijn vermakelijke fabels, waar hij er vele van schreef, gaat deze onrust nog schuil achter een eenvoudig  te volgen verteltrant, maar later in 1927 komt Wie ik geweest ben uit, dat behalve  raadsels en gedichten een absurdistische introspectie bevat waarin hij door middel van een dialoog met ‘Wie-ik-geweest-ben’ een beeld geeft van zichzelf en zijn opvattingen over de mens en de wereld  in het algemeen.
Enkele stukjes daaruit:
“Ik word bewoond; ik praat met wie-ik-geweest-ben en wie-ik-geweest-ben praten met mij. Soms voel ik me beklemd, als was ik een vreemdeling. Zij vormen tegenwoordig een echte gemeenschap en het gebeurt soms dat ik mezelf niet meer hoor. (…) De ziel is heel de mens. Ze kan zich verplaatsen en uit vorm raken. De aandacht is de houding, het enige talent van de ziel. (…) ‘Ik wil niet sterven’ zei Wie-ik-geweest-ben. ‘Ik wil niet sterven’en toch is hij sceptisch! Kijk zo bedriegt men zichzelf. En zo loopt men heel wat mis. Men voelt het verlangen om een roman te schrijven, en men schrijft filosofie. Men is niet alleen in zijn vel.’

Van de zojuist aangehaalde tekst denkt men niet direct aan dichtkunst , hoogstens kan men, zeker bij de fabels,  spreken van poëtisch proza en dit laatste geldt ook voor de ‘Raadsels’:

Met wat broodkruim vormde ik een diertje, een soort muis. Ik was nog
          niet klaar met het derde pootje of, kijk, het begon zowaar al te
          rennen…Het vluchtte weg in het donker van de nacht.

In het laatste deel van Wie ik geweest ben komt tenslotte de dichter Michaux aan het woord en wel op een bijzonder experimentele manier, niet alleen wat de inhoud betreft maar ook om de verrassende wijze waarmee hij met de taal omspringt .

SLU en SLI

en slo
en slu
en zoonssloor slikt
sli en slo
en slikt zijn voet
slu en slo
en in zich slik-en-sli-en-slo

(…)

En het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’ begint als volgt: ‘Hij vermoesbrijzelt hem en takelbebeult hem tegen de grond; / Hij kapotscheurt hem en tegensputtert hem tot aan zijn greutel; / Hij prateelt hem en jiboekt hem en romppettert hem krapen; / Hij  knuppelsult en vleeskemelt hem,/ (…)’.

Het is een lang gedicht maar u zult nu al wel begrijpen dat het slecht met ‘hem’ afloopt .

Hoe meer je van Henri Michaux leest, des te pregnanter wordt de vraag wie deze man eigenlijk is, een vraag die hij, zoals eerder gezegd, zichzelf ook voortdurend stelde en wel zo indringend dat je wel met dit onderzoek mee moet gaan. Om in die zoektocht niet te verdwalen (Leed Michaux aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis? Schreef hij om puur hygiënische redenen?) zijn het heldere, diepgravende nawoord en de beschreven levensloop van Michaux door Bart Vonck een goede gids. Hij duidt wat te duiden valt en durft vraagtekens te plaatsen bij teksten waarover hij wat de gelaagdheid betreft zijn twijfels heeft. Hiermee kan de lezer in het spoor  blijven.

De worsteling met zichzelf van Michaux komt vooral naar voren in zijn wijdlopige gedichten waarin hij veelvuldig de anafoor als stijlfiguur gebruikt; zo beginnen bijna alle 200 regels van ERGENS, IEMAND  met ‘Iemand’ : ‘Ergens is iemand een hond en blaft naar de maan / Iemand wordt als Chinese geboren en is nu zeventien / Iemand het is een blondine en haar zuster is levendig, echt uitgelaten / iemand zijn vader is highlander /(…)’. Zes pagina’s verder: ‘Iemand de zon schijnt niet meer op zijn boom / Iemand er gebeurt niets meer in zijn leven, niets meer, niets meer, niets meer dan leegte, niets meer, niets meer / Hij haakt naar stilte, iemand / Iemand  zoekt een nieuw venster.’
Wie dit gedicht achter elkaar leest kan er zowel door in trance als in ademnood van geraken en krijgt mogelijk de indruk dat al die ‘iemanden’ voor ‘niemand’ staan, zeker als men weet dat Michaux bewust heeft uitgedragen dat hij de realiteit wilde ontlopen door niets en niemand te zijn. Hij wilde om die reden ook niet tot een stroming behoren – literaire kringen wilden hem tot de surrealisten rekenen – en weigerde literaire prijzen. Veelbetekenend in dit opzicht is de titel van deze bloemlezing.

Deze selectie uit het werk van Henri Michaux beslaat overigens nog maar het deel dat een beeld schetst van de periode 1922-1946. Het tweede deel (1947-1984) moet nog verschijnen en hoewel ik in deze eerste band niet echt flonkerende poëzie ben tegengekomen (wat Michaux ook niet nastreefde) , lijkt me het vervolg ervan toch iets om naar uit te kijken.

Een gedichtje dat dit staaft:

HET MEISJE VAN BOEDAPEST

In de lauwe nevel van de meisjesadem heb ik plaatsgenomen.
Ik heb mij teruggetrokken, ik heb mijn plaats niet verlaten.
Haar armen wegen niets. Ze voelen als water.
Wat verwelkt is verdwijnt voor haar blik. Alleen haar ogen blijven,
Lange mooie grashalmen, lange mooie bloemen groeiden op onze akker.
Zo’n licht gewicht op mijn borst, zoals jij nu op me leunt,
Je leunt zo zwaar op me, nu je er niet meer bent.

Last but not least: de vertaling. Het moet een heksenwerk zijn geweest, maar Vonck maakt zijn reputatie van meester-vertaler meer dan waar. Souplesse gepaard aan een bijzondere vindingrijkheid waar het de omzettingen betreft van de talrijke Franse neologismen van Michaux die u (nog)niet in de Van Dale zult aantreffen. (Zie de aangehaalde regels uit het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’).
Eigenlijk merk je niet dat het een vertaling is – daarom was ik in eerste instantie vergeten er iets over te zeggen – en dat is m.i. het grootste compliment dat je een vertaler kunt geven.

Recensie van Zo kan het niet langer - Paul Bogaert

Hoe dan wel?

Paul Bogaert
Zo kan het niet langer
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102834
€ 19,99
64 blz.

Paul Bogaert is een lastpak, dat was mijn eerste indruk nadat ik zijn Zo kan het niet langer even snel en met groeiende ergernis had doorgebladerd. Ik had gehoopt poëzie in handen te hebben waar ik me aan kon warmen, maar dat bleek een misrekening. Ik kreeg de indruk voor de gek te worden gehouden; de kleren van de keizer. (Paul Bogaert is een gelauwerd dichter, die voor eerdere bundels de Poëzieprijs van de Vlaamse gemeenschap en de Herman de Coninckprijs won en in 2010 werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs). Warrige en onzorgvuldig geschreven teksten. En bovendien, de op het achterplat aangekondigde geestigheid kon ik niet ontdekken. De gedichten leken me in een dronken bui zonder zelfkritiek op het papier gesmeten. Geen samenhang, geen houvast.

‘Bierfiets 3’ (Het derde in een cyclus van zes gedichten).

Als na verloop, dus ja,
van tijd  {  Bijlange niet  x2  + Bx
       Ik mix whisky in de whiksymixer  }  een paal

Ons en de gemoederen dwingt
Tot rechtsomkeert in Comic Sans (alles

Héél erg wysiwyg)-  Tè-rug!  Tè-rug!  -zet iemand
    (tot dan al 3 kwartier een dirigent) zijn tanden in
    (Patsy???) de opblaaspop.

Elke rollator lokt een   *Yolo*  uit en één grote
[*door Van Dale in euh… 2012 genomineerd]
Één grote collectieve teug, wie moet de slipmuts nu

Aàn-doen  Aàn-doen!  De wind grijpt

het plastic…weg; scandeert er iemand van
       HOER-over-boord  door door dehandpalmmegafoon.

Anderen werken ondertussen
aan een definitieve visietekst,
leveren goederen
of geven bloed.

Vertwijfeld overwoog ik de bespreking van deze bundel aan een ander over te laten, maar besloot uiteindelijk me er toch in te verdiepen en het zelf te proberen.

En gelukkig, want na het meermalen herlezen van deze poëzie werd stilaan duidelijk dat het alleen de bedoeling is om de lezer te laten delen in Bogaerts dichterlijke manier te breken met de structuur en de samenhang van zowel maatschappelijke gesteldheden als die van de taal. De titel Zo kan het niet langer is niet ironisch bedoeld maar dient serieus in dat licht te worden gelezen.
De titelgedichten, drie stuks, illustreren treffend zijn afkeer van bureaucratie en al wat ingesleten is. Hier een gedeelte van het tweede:

Zo kan het niet langer

Eindelijk, het nieuwe jaarverslag!
De ragfijne terzijdes, de rondzwevende haakjes.
Het constante geschud en gezift. Het gespin
over het zeven van de verbeteringen
en het verbeteren
van de zeven. Het geklingklang aan de mond
van de clichéoven. (…)
De walm rond de vaten met overdatumerrata.
Men overleeft het niet zonder ventielen en zware massages.
Jaja, het is hard werken in de uitsloverij.

De Poëziekrant noemt Bogaert de Messi van de Vlaamse literatuur; een deels rake vergelijking want inderdaad ook Messi ontsnapt graag aan de gangbare wetten, in zijn geval met die van het voetbal, waardoor hij ongrijpbaar wordt; evenwel, hij heeft daar een doel mee, namelijk om te kunnen scoren of een medespeler daartoe in staat te stellen. Ik vraag me af wat het oogmerk van Bogaert is. Is het bij hem niet een doelloze onderneming? Wordt het middel tot doel verheven? Je zou het denken want op het opstandige motto ‘Zo kan het niet langer’ is de vraag gerechtigd ‘Hoe dan wel?’ en daar kreeg ik, afgezien van wat speelse taalprobeersels geen antwoord op.
Deze vraag dus maar laten voor wat hij is en genoegen nemen met zijn pogingen te ontsnappen aan hem beknellende conventies en taboes.
Dat lukte me redelijk; ik kan nu zelfs grinniken om het eerst geciteerde gedicht uit ‘Bierfiets’.

Maar de raadsels blijven en ik ben niet de enige bij wie de gedichten vragen oproepen, Bogaert zelf stelt ze eveneens, veelvuldig zelfs, en zonder deze te beantwoorden: ‘Wat betekenen de kopzorgen (…) Wat behelzen de kwaaltjes (…) Wat stellen de ontgoochelingen voor (…) Wat is het verschil tussen de paniek / van personen met een problematische visionaire geaardheid / en het onbehagen / van personen met een hier-en-nu-verleden?’
En ook komt men herhaalde malen ‘zou je denken’ en ‘wat te doen’ tegen.
Vraagtekenpoëzie van alle kanten.

Onlangs hoorde ik op de cultuurzender radio 4 iemand het hier voor een deel aangehaalde titelgedicht voorlezen. Hij was vol lof zonder uitleg waarom en struikelde tijdens zijn voordracht over woorden als ‘overurenwinkelmandje’ en ‘overdatumerrata’. In ademnood sprak hij de laatste regel uit en was daarna duidelijk opgelucht.   
Ik kon met hem meevoelen.

Recensie van Vloeken is gezond - J.C. Aachenende

Eerbetoon aan een fenomeen

J.C. Aachenende
Vloeken is gezond
Uitgever: Eijlders Dichters
2017
ISBN 9789070187156
€ 10
58 blz.

‘Vloeken is gezond’, spat in het vleermuisachtige handschrift van de dichter in ongepolijste letters van de omslag. Verder treft men er niets op aan, ook niet op de achterzijde of op de rug van het boekwerkje. Verwijdert men deze losse omslag dan komt het interieur van het Amsterdamse poëzieminnende Café Eijlders in beeld met daarin tussen andere dienaars van het woord de dichter J.C. Aachenende, de éminence grise van het etablissement.
Niet alleen die titel is overigens tegengif voor de reclame van De Bond tegen vloeken; ook in meerdere gedichten wordt er lustig op los  gefulmineerd en gespot.

Aan de doden

Doden, schaam je niet!
Word nooit weer wakker, alsjeblieft!
Slaap door, blijf waar je bent.

De wereld die je hebt gekend
is alleen ruis nog en vertrapt
en door je kinderen afgeschaft;
die, in een luie stoel gezeten
op der lui domme, bolle reten
-vier pilsjes binnen handbereik 
 en wat kroketten om te vreten-
staren naar ’t schaamt’loos feestgedruis
op het volhoerig raambordeel
van NOS, En-Pee-O-twee: de buis

Deze directe en ongezouten manier van uitdrukken is niet de enige kwaliteit van  Aachenende. Hij onderscheidt zich met name door zijn uitzonderlijk meesterschap over de vorm; geen syllabe te veel of te weinig en alle woorden feilloos op de juiste plaats. En ook de ritmiek, wezenskenmerk van voordrachtspoëzie (de verzen van Aachenende lenen zich bij uitstek voor het podium) is perfect. Ter adstructie een klein gedicht uit een eerdere bundel, waarin dit duidelijk wordt:

Momentopname

Ongeschoren
ongewassen,
maar niet ontevreden
zit de boekhandelaar
in zijn winkel
te ontbijten:
zijn vrouw,
een feministische slons,
is er vandoor

Hier valt niets aan toe te voegen, maar haalt men een woord weg – ‘feministische’ bij voorbeeld – dan verliest het gedicht haar kracht.
Wie het werk van Aachenende leest of hem hoort voorlezen voelt dat de dichter met alle klassieke vormen vanaf de Middeleeuwen (en nog van daarvoor) vergroeid is. Hij kent de ballade, het rondeel en het sonnet als zijn broekzak en kan daardoor op lichtvoetige wijze met deze vormen spelen; in de bundel staan titels als ‘Geen rondeel’, ‘Bijna rondeel’ en ‘Rondeel’.
Maar in tegenstelling tot zijn liefde voor de oude vaste vorm gebruikt hij geen archaïsche woorden, zijn taalgebruik is zeer eigentijds en de hedendaagse schuttingtaal is hem niet vreemd. (Zie hierboven het eerst geciteerde gedicht).
Mij doet zijn poëzie dikwijls denken aan die van François Villon, de Franse vagebond en dichter uit de late Middeleeuwen. Vergelijk bij voorbeeld diens grafschrift ‘Kwatrijn’ in de vertaling van Ernst van Altena met ‘Grote God’ van Aachenende. ‘Kwatrijn’: ‘Ik ben François, wiens naam zo bont is. / Parijs dat mijn geboortegrond is, / hangt mij straks aan een touw dat rond is, / zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is.’ En ‘Grote God’: ‘Alles is weg, bijna voorbij: / de lange dagen, korte nachten, / de dingen die er op mij wachten, / de toekomst, mensen aan je zij. / Alléén jij, Grote God, bij machte / tot alles, bent nu zeer nabij.’
Opvallend in de bundel zijn enkele gedichten in het Frans, Engels en Duits. Wat de reden daarvan is, weet ik niet. Mij doet het wat rommelig aan. De dichter is een polyglot, dat maakt het wel duidelijk en dit is niet verwonderlijk; hij werd geboren in Maastricht, kruispunt van culturen en talen, en bracht zijn jongelingsjaren door in Parijs, de stad die hij nog regelmatig inruilt voor Amsterdam.
In het boekwerkje staan meer dan in eerdere publicaties openhartige gedichten over het ouder worden en de dood; ik vind ze raak en verreweg de sterkste.

Vlucht

Naar het verleden wil ik vluchten.
Wat eens ideeën waren: zuchten
zijn het nog maar, of klachten
en geruchten.

Ach, het verleden kan niet praten:
het is een stille makker
achter de deur, maar nooit verlaten.

Als geheel is deze bundel overigens niet de beste tot nu toe, daarvoor is hij te wisselvallig van niveau. De knapste verzen van deze fijnbesnaarde, op papier soms grofgebekte dichter treft men aan in Tweeënveertig gedichten vol vuur en vaart, een selectie uit eerder werk.

Tot slot: alle bundels van Aachenende (1932), ook de  Franstalige En vers et contre tous, zijn telefonisch te bestellen bij Editions Saint Jacques, tel. 06-33650322. Vloeken is gezond is ook te verkrijgen via de uitgever ervan.