Recensie van Waar ik jou word - Antjie Krog

Een stem die grijpt en niet loslaat

Antjie Krog
Vertaler: Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer
Waar ik jou word
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598722
€ 15,00
125 blz.

In welke volgorde kan men de Zuid- Afrikaanse gedichten in deze bundel van Antjie Krog en de vertalingen daarvan  in het Nederlands door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer, het beste lezen? Na enig experimenteren kwam ik er achter: eerst elk gedicht in de oorspronkelijke taal, bij voorkeur hardop, om de bekoring van het kruidige Afrikaans te proeven, daarna de vertaling om het vers beter te begrijpen en daarna nogmaals het origineel om begrip en taalsensatie te laten samengaan. (Bijkomend voordeel: aan het eind van de bundel gekomen kan men in de waan verkeren een aardig woordje Afrikaans te spreken).
Wilt u dit proberen, hier het origineel en de vertaling van de laatste strofe uit de cyclus ‘land van genade en verdriet’, die de hevige maar moeizame  liefde van de dichteres voor haar land tot onderwerp heeft.

(…)
(maar as die oue nie skuldig is nie
        nie skuld bely nie
kan die nuwe natuurlik ook nie skuldig wees nie
en nooit voor stok gekry word
         as hy die oue herhaal nie
alles begin dus van voor af aan
die slag anders ingekleur)

(maar als het oude niet schuldig is
       geen schuld belijdt
kan het nieuwe natuurlijk ook niet schuldig zijn
en nooit worden berispt
        als het nieuwe het oude herhaalt
begint alles dus van voor af aan
maar dit keer anders ingekleurd)

Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad in het noordwesten van Zuid-Afrika, groeide op in een gezin van schrijvers op een boerderij, is moeder van vier kinderen (dit laatste is van belang; het moederschap behoort tot haar meest indringende onderwerpen) en is momenteel buitengewoon hoogleraar in Kaapstad.
Van 1996 tot 1998 was zij hoofd van het team dat verslag deed van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.
Naast haar werk aan de universiteit is zij journaliste,  dichteres en schrijfster van proza en toneelstukken.
Zij trad in Nederland onder meer op bij Poetry International, de Nacht van de Poëzie en in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Deze bundel bestaat uit een selectie van vijfentwintig gedichten, die zodra je er aan begint niet meer loslaten.
Hoe komt dat, wat maakt haar poëzie zo meeslepend?
Ik denk de compleetheid, het openen van alle registers van gevoel en rede.
De mening dat het bij poëzie alleen om een spel met de taal gaat en niet om het daarin uiten van emoties, vitaliteit, betrokkenheid en nog zo wat, kortom  het totaal  van menselijke hoedanigheden, wordt hier ondubbelzinnig gelogenstraft.

Bij Antjie Krog gaan deze laatstgenoemde kwaliteiten dan ook nog eens gepaard met een felheid en ‘onkuisheid’, die bevrijdend en overweldigend werken. Geen poespas, geen tierelantijnen, wel een cascade aan woorden die er alle toe doen.
Ter illustratie:

sonnet van die warm gloede

iets kram jou rugmerg ê rens vas jy voel
hoe sprei ’n pasgestigte angs
vanuit jou bors, jou are loop met vuur
jou vleis ontvlam jou hart kook vuurvas voort
(…)
soos ’n krijger staan jy op en gooi jou wapens
vlammend weg – jy gryp die dood. Jy druk
sy fokken neus in jou klipperige kaal geplukte poes

sonnet van de opvliegers

iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt
een pas ontstane angst opwellen
in je borst. Je aderen zinderen van vuur
je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door
(…)
als een krijger sta je op en smijt je wapens
vlammend weg – je grijpt de dood. Je drukt
die rotgok van ‘m in je korrelige kaalgeplukte kut

Er is geen onderwerp dat deze dichteres schuwt; van het baren van kinderen, het gezinsleven, ouderdom, de verscheurende apartheid en de gehechtheid aan haar geboorteland tot aan het landschap, de geologie, menselijke lotsverbondenheid, wonderen en politiek.

Zelden werd ik zo getroffen door op vergelijking berustende beeldspraak:
Uit ‘hoe en waarmee overleef je dit’: ‘(…) mijn stem klinkt als een mengermalermixerhakker / mijn neus lekt als een ijskast / mijn ogen bibberen als eieren in kookwater /  (…), en uit ‘klaaglied’: ‘(…) in het gouddonker van Rwanda /- (het schitterzwart hart van iedereen) / hakt een kapmes de tanden dwars door zijn gezicht / klooft een kapmes haar vagina tot ravijn / schilt een kapmes het hoofd van het kleintje als een ui / (…).’

Een bijzonder gedicht is de cyclus ‘om te verjij-en’, dat Krog schreef  ter gelegenheid van Gedichtendag 2009 onder de titel ‘Waar ik jou word’. Hierin wordt de blik nu eens niet naar buiten gericht maar naar binnen. Een introspectieve odyssee, waarbij de ik stap voor stap via onder andere de sterren, de gravitatie en de liefde nader komt tot de slotsom dat zij uit meerdere jij-en bestaat en uiteindelijk tot een wij. Dit laatste is medebepalend geweest ten aanzien van haar relativerende houding tegenover haar landgenoten die voor de apartheid waren.
Enkele fragmenten uit dit gedicht:

(…)
maar ik die jou had kunnen zijn
maar nog niet weet dat ik dat ben, schuifel
hardnekkig maar je blijft schiften tot toebedeelde
veelzaamheid
(…)
het punt
waarop het ik zo talrijk is
dat het niet meer uitmaakt om te zeggen
dat het ik zichzelf niet meer is
maar herkenbare
veelvouden
(…)
maar waar ik jou ben
jullie ben geworden
begin ik buiten mezelf
met lichte kwikzilver-zingende polsslagen
iets voorbij iedere mensheid te kaatsen
(…)

Op het voorplat staat dat deze vijfentwintig gedichten door iedereen gelezen zouden moeten worden. Ik ben het daar hartgrondig mee eens.

Recensie van Zonder is het licht niet zacht genoeg - Sven Cooremans

Dat moeders van oudsher de hoeders van de feiten zijn

Sven Cooremans
Zonder is het licht niet zacht genoeg
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339294
€ 16,00
48 blz.

Geen poëziebundel meer uitnodigend dan deze: een intrigerende titel, een met die titel corresponderende geheimzinnige omslag  en dit openingsgedicht:

Voornemen

In een kamer met bladgrond
en takjes die zorgen voor klimgelegenheid

zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen

en na weken van uitharden en op kleur komen
zal ik mijn vleugels ontvouwen

vleugels die ik nodig heb

om mezelf, ik noem maar iets
uit te drukken in het voornemen

om u te woord te staan

Goed, het opvallende en prachtige synoniem ‘bladgrond’ ( van ‘teelaarde’), naar mijn weten door Gust Gils bedacht en tevens de titel van de laatste bundel van Roland Jooris, kan een beetje pikkerig overkomen, maar daar staat tegenover: ‘zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen // (…) om mezelf, ik noem maar iets / uit te drukken in het voornemen // om u te woord te staan’.
Subtiele zelfspot en veelbelovend.

De Vlaamse schrijver ervan, Sven Cooremans (1970), is psycholoog en leadzanger van de rockband Ludo. Verhalen en gedichten van hem verschenen in onder andere De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2003 debuteerde hij met Myeline, welke bundel hier eerder werd besproken door Yves Joris.
Hij is als bestuurslid van PEN Vlaanderen verantwoordelijk voor het ‘Writers in Prison Committee’.

Gaan wij verder met het gedicht ‘Sisyphus’, waarmee hij in 2014 de tweede prijs won in de prestigieuze Turing Gedichtenwedstrijd.
Het is geschreven naar de uitzichtloosheid van de arbeid van Sisyphus in de gelijknamige mythe waar vele dichters zich door lieten en laten inspireren. Het verplicht verrichten van deze arbeid als straf voor het tarten van de goden; alsof de mens met zijn handelen de wereld zou kunnen bestieren, de hoogmoed! De wereld gaat aan vlijt ten onder, we weten het, maar het lukt maar niet daarnaar te leven; de vrije wil, wat is dat, bestaat er wel zoiets als een vrije wil?
Cooremans  speelt het klaar in enkele regels over blauwzwarte mestkevers die zich op de sterren verlaten en via zijn winkelwagentje met koppige wieltjes duidelijk te maken dat deze vraag ‘berust in de aard van de beperkingen’. Knap.

Wordt dit niveau voortgezet in de bundel? Ik vind van niet, vooral in een aantal gedichten direct hierna is het aanzienlijk minder. Het derde gedicht, een cyclus met de titel ‘Een moeilijke oefening’ maakt die titel meer dan waar; er staan regels in die niet alleen hoogdravend zijn maar ook eerder strompelen dan lopen: ‘(…) zitten we met opgerolde handdoeken / onder de hielen van onze rusteloosheid (…)’ en ‘(…) vertwijfeld  liggen ze op het malste gras van matten / onze oren in de stilte van het zachte verhemelte / te luisteren te leggen’.
En zo gaat het nog een gedicht of zeven door. Cooremans  wil hierin in vaak losse regels te veel zeggen, regels die te weinig samenhang hebben waardoor het geheel loszanderig en cryptisch wordt: ‘uiteindelijk duurt niets en slaap is belangrijk // ook de mooie dagen noch de stem bij vorst van moeder niet: // ze verzwijgt ons het voordeel dat niet opweegt – sneeuwgericht / zou zonder plastic minder op onze winterharde zieltjes drukken (…)’ uit ‘Voorleesuur voor wintergroenten’. En uit ‘Hoe gordijnen hangen’: ‘hoe gordijnen hangen: rakelings, zo // dat het bijna raakt // hoe de gele hoogklank, hoe de buitenwereld: // op veilige afstand van onze binnenzee // drijft de middagzon onze kamer (de ogen geloken) // voorbij, schuiven lijven als gemoederen / naar de oude binnenstad (…)’.

Na deze inzinking stuit ik in de tweede deel van de bundel op afwisselend boeiende en minder geslaagde  gedichten, de eerste vaak met  verrassende wendingen en geestige regels als ‘(…) ook voor watergebruikers die kranten lezen / is water een bestaansvoorwaarde // en in iedere krant zit wel een kikker’. ( Uit: ‘De kikker in kwestie’).

Tot slot een vers dat door eenvoud en balans de vergelijking met de twee eerstgenoemde gedichten in deze recensie  kan doorstaan:

Logisch positivisme

denken aan niets dan waarneembare geiten

en jerrycans: ritmisch klotsend
vullen ze zich met het ondergrondse

en moeders: ritmisch zingend over het geloof
in de vooruitgang van de mensheid

tot de drinkbak van modder water bevat
en ze met hun ruige ruggen staan te drinken

en weten dat moeders van oudsher
de hoeders van de feiten zijn

Al met al een bundel met pareltjes, mindere gedichten en te ambitieuze verzen die ik respectievelijk met bewondering, fronsend en hoofdschuddend  heb gelezen.
Het leek het leven zelf wel.

Recensie van Nicola - een soort van antenne - Ruben van Gogh

Poëzie proeven, maar dan anders

Ruben van Gogh
Nicola - een soort van antenne
Uitgever: crU
2017
ISBN 9789079993161
€ 22,50
55 blz.

Een experiment. In 2012 vroeg de componist Paul Oomen aan Ruben van Gogh het libretto te schrijven voor zijn opera Nicola – a Techno  Opera  in 4D Sound, waarin een machine, de Nicola, gedachten hoorbaar maakt. Na veel wikken en wegen werd dit libretto geen verhalende tekst maar een serie van negenendertig gedichten die de gedachten vertegenwoordigen.
Bij dit muziekwerk komen klank en tekst, afhankelijk van waar men zich bevindt ten opzichte van de vele speakers op verschillende manieren op de luisteraar af. Zo ervaart ieder zijn eigen opera.
In  de bundel Nicola – een soort van antenne wordt iets soortgelijks geprobeerd door in elk exemplaar een andere volgorde van de gedichten op te nemen; elke bundel is hierdoor in zekere zin uniek. De hier besproken Nicola is nummer negentien.
(De facto heeft men met één bundel overigens alle exemplaren in handen; de volgorde van lezen is immers naar eigen keuze en bijna eindeloos).
In proza zijn vergelijkbare experimenten gerealiseerd, onder andere door Julio Cortàzar in Rayuela, een hinkelspel, waarin men de hoofdstukken in verschillende sequenties kan lezen en zo meerdere sluitende romans aantreft in één boek. Een meesterwerk.
Interessant, maar bij het beluisteren van de opera gaat het om de plek waar men zich bevindt, bij het lezen van de poëzie om de volgorde waarin men de tekst tot zich neemt. Bij proza geen probleem, de lezer houdt de lijnen van de verschillende verhalen gemakkelijk vast. Proza is doorgaans eenduidig. 
Bij de dichtkunst ligt het complexer; poëzie is vaak meerduidig, geserreerd, bevat beeldspraak en toverspreuken en vraagt derhalve om rustmomenten (de witregels) en om herlezing en contemplatie.
Toch proberen.
De bundel bestaat uit drie delen en omdat de gedichten in elk deel verwantschap tonen lees ik om een idee te krijgen zonder pauzes en in hetzelfde tempo het hele laatste deel: dertien korte gedichten.
Het blijkt geen wereldschokkende ervaring, maar de taal wordt hierdoor wel dynamischer en roept andere associaties en verbanden op dan wanneer men zich focust op de gedichten afzonderlijk – naar ik aanneem omdat een en ander je ontgaat en/of omdat je niet leest wat er staat. Daar titels en een index ontbreken en de toon in de verzen min of meer gelijkluidend is kan men, mits hardop lezend, zo’n reeks echter wel degelijk als één geheel beleven. (Wat niet wil zeggen dat dit geheel meer is dan de som der delen).
Ter illustratie zou ik een aaneenschakeling van gedichten zonder cesuur aan kunnen halen, maar dat zou teveel ruimte innemen. Ik beperk me daarom tot het aaneenrijgen van enkele strofen van verschillende gedichten zonder aan te geven welk deel bij welk gedicht hoort. Een potpourri.

er daalt sneeuw neer vanavond
en gefragmenteerde zinnen

iedere sneeuwvlok
een gedachte

elke vlaag een schreeuw
om aandacht

ik moest aan mensen denken
en ik zag ze

moleculen, ridicuul informele
informatie uit een immer

uitdijende brei van woorden

Voor zover het experimentele aan Nicola.  

Inhoudelijk gaat het in sterke mate over wat een gedachte, een woord, bij de lezer of luisteraar teweeg kan brengen, namelijk het oproepen van andere woorden, die op hun beurt  weer andere woorden naar boven halen: ‘ieder beeld / leidt tot nieuwe // opgeroepen beelden, / één woord wordt al een waterval (…)’.
Voorwaarde is wel dat men zich openstelt, een ‘soort van antenne’ wil en durft te zijn. Dit laatste is waar de dichter ons meer bewust van maakt en alleen daarom is deze bundel het uitgeven al waard: hij schudt ons wakker.
Genoemde aanmoediging wordt in soepele, niet opdringerige maar wel indringende beelden overgebracht. Hoofd en hart in evenwicht. Weliswaar kan het obsessief (?) gebruik van enjambement storen, maar voor het overige is het poëzie van hoog niveau.
Tot besluit een gedichtje dat dit aantoont:

er klinkt geruis door
in de stemmen die mij

omringen, gefluister
waar ik wel naar moet
luisteren, als zijn het

sirenen die zingen

maar ergens daar
doorheen hoor ik
een hulpeloze stem

die zo persoonlijk naar mij
roept, dat ik haast denk
dat ik dat ben

***
Ruben van Gogh (Dokkum, 1967) is dichter, presentator, librettist, vertaler en bloemlezer.
Hij debuteerde in 1996 met De man van taal. Zijn vierde bundel Klein Oera Linda zorgde door een afwijkende typografie voor opschudding en ook zijn anthologie Sprong naar de sterren, de laatste generatie van de twintigste eeuw deed veel stof opwaaien. Hij vertaalde onder anderen Jacques Prévert en gaf voordrachten op talloze nationale en internationale podia.

Recensie van Liever niet - Armando

Noodsignalen

Armando
Liever niet
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450243
€ 19,99
80 blz.

Wie er in de jaren zeventig van de vorige eeuw rijp voor was, herinnert zich ongetwijfeld de legendarische televisie-uitzendingen van Herenleed, de wekelijks in de Soester Duinen opgenomen en door de VPRO uitgezonden sketches met Cherry Duyns als hooghartige heer met bolhoed, opgedraaide snor en grootspraak, Armando met ziekenhuisbrilletje als zijn serviele tegenpool, en de later toegevoegde Johnny van Doorn als delirerende vrouw, kabouter en koning. Zij vermaakten de liefhebbers van het komisch-absurde en werden verguisd door de rest van Nederland.
Zo leerde men Armando kennen als acteur.
Maar wie van zigeunermuziek hield wist dat Armando ook een virtuoos musicus was die in het orkest van Tata Mirando viool speelde. (Onlangs zong hij nog in De Rode Bioscoop te Amsterdam).
Velen zullen hem bovendien kennen als de beeldend kunstenaar die van 1998 tot 2007 een eigen museum in Amersfoort had en nadat dit in vlammen was opgegaan sinds 2014 een nieuwe kunstzaal in Bunnik heeft. Kortom: Armando is een multitalent.

Na zijn vorige bundel Gedichten 2009 waarvoor hij de VSB Poëzieprijs kreeg, hield de dichter zich publicitair stil tot 2015. Toen verscheen de bundel Waaromdie hier werd besproken door Hans Franse, en is er dan nu de bundel Liever niet en die verschilt enigszins van zijn eerdere werk.
Niet dat zijn thematiek is veranderd, die behelst als vanouds de gruwelen van de oorlog, met name die in Kamp Amersfoort tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar de verschrikkingen komen minder expliciet in beeld en ook de grimmige humor die in eerdere bundels ruimte kreeg, is verdwenen.
Als je niet beter wist, zou je bij enkele verzen zelfs kunnen denken een vrijblijvend natuurgedicht te lezen, om dan toch door een enkel woord uit de droom te worden geholpen.

Lente

‘t Is bijna lente, de knoppen zijn al weerloos,
de takken steken hun armen uit
en de groei heeft de bloei ontdekt.

Het blijft voorlopig lente,
omdat het gretig groen is.

Het was de luidruchtige lente,
die even heeft geglimlacht.

Is de dichter met de jaren milder geworden? Ik denk het niet, wel subtieler en universeler. Het gaat weliswaar altijd over een steeds verder achter ons liggende oorlog, maar het is of daardoor, en door het ingetogen woordgebruik én omdat wij in een steeds onbestendiger tijd leven, de dreiging van een komende catastrofe intenser wordt.
Hoewel getypeerd als de dichter die de locaties waar verschrikkingen hebben plaatsgevonden verbindt met het kwaad, is Armando geen moralist; hij beschrijft en duidt, oordeelt niet.
Ook in deze bundel komt men deze projecties tegen: (…) ‘Uit de jachtige nevels / doemt het schrikbewind der bomen op: / de wens naar een volmaakte vraag. ( Uit: ‘Wens’ ).
Het volgende gedicht is wat dit betreft exemplarisch.

Overleven

De wolken mopperen en de
Sterren schelden:
Een oproep tot lawaai.

Brekende gevels scheurende muren,
Het waaien van de hardvochtige storm,
Geen ochtend en geen dag meer,
Schokken uit de kreunende aarde,
Gillende nachten staan ’s nachts onder water.

Moet er alsnog overleefd worden?

De gedichten in Liever niet zijn kort maar het openingsgedicht ‘Namen’ is daar een uitzondering op; dat omvat maar liefst zeven pagina’s, zij het dat de stiltes erin, het wit tussen de strofen, meer ruimte innemen dan het geschrevene. Het doet qua structuur sterk denken aan ‘Awater’ van Martinus Nijhoff hoewel dat een doorlopend gedicht is. Maar in beide wordt iemand voorgesteld, waarna de dichter deze figuur volgt en hij de lezer deelgenoot maakt van zijn heimelijke bevindingen door hem te bestoken met aansporingen om goed op te letten.
Bij Armando zijn deze aansporingen noodsignalen.
Voor mij is ‘Namen’ het hoogtepunt van de bundel maar het gedicht is helaas te lang om het hier in z’n geheel aan te halen, terwijl eruit citeren het tekort zou doen. Toch enkele regels om een idee te geven.

Namen

U hebt hem gezien,
hij liep gewoon op straat, hij
ging misschien naar huis, u
hebt hem mogen zien.

(…)

Hij draagt een zware mantel, hij 

heeft een trotse lijst met namen en
op z’n hoofd een hoed.

Hij heeft de lijst met namen, hij
draagt de dood op handen.

(…)

Hij denkt dat u een dagtaak had en een geboortejaar,
Dat u een wankele wraak bezat,

(…)

Hij neemt de maat en vindt een pasklaar antwoord,
verkondigt een lange loopbaan
en teistert de bestrating.

(…)

Weldra heeft hij u ontmoet,
Sindsdien zijn er geen namen meer.

(…)

Er staan ook minder geslaagde gedichten in deze bundel, enkele malen is er zelfs sprake van mooischrijverij (‘Met het oog op ogenblikkelijke stilte’, ‘mateloze einders’, ‘een jachtig jagen naar gevaar’) maar dat is van ondergeschikt belang, omdat het bij Armando vooral om de boodschap gaat. Deze is zo indringend dat zijn poëzie voor docenten een bruikbaar handvat zou zijn om leerlingen bewust te maken van de geschiedenis die leert dat wij voortdurend strijd moeten leveren om de vrede en dat niets wat is bereikt als vanzelfsprekend van blijvende aard is.

Recensie van Ja Nee - Tonnus Oosterhoff

De capriolen van het ondermaanse

Tonnus Oosterhoff
Ja Nee
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454861
€ 17,99
54 blz.

Een intrigerend voorplat: JA ondersteboven en daaronder in even grote koeienletters NEE. Een breinbreker om met Marten Toonder te spreken, maar wat hiermee ook gezegd wil worden, de auteur ervan is niet moeilijk te raden: wie anders dan Tonnus Oosterhoff.
Geboren in Leiden (1953), maar noorderling in hart en nieren. Hij studeerde taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en woont in een gehucht in Oost-Groningen, waar hij jarenlang het bij hem passende beroep van brugwachter bekleedde: open- en dichtdoen, doorlaten en tegenhouden, contrasten die zijn werk kenmerken. (Zie de titel!)
Zijn eerste gedichten werden opgenomen in het literaire tijdschrift Raster, dat een voorkeur had voor afwijkende literatuur met themanummers als ‘Gestoorde teksten’ en ‘Meneer m/v’ .
Naast meerdere dichtbundels schreef Oosterhoff verhalen, essays, romans (Op de rok van het universum is een aanrader), hoorspelen en een toneelstuk. En wat het vallen in de prijzen betreft won hij, naast vele andere, in 1990 met de bundel Boerentijger de C Buddingh’- prijs en in 2012 voor zijn oeuvre tot dan toe de P.C. Hooft-prijs.
Een erkend en gelauwerd auteur dus, maar zuinig gevierd en met een beperkte lezerskring.
Dat laatste is jammer, want of je nu graag ernstig ontregeld wilt worden, van humor houdt of geniet van het stoeien met taal, je komt bij deze dichter hoe dan ook aan je trekken. Open de website en je bent verloren.

Nu de bundel. Het openingsgedicht:

kijk uit de schelp naar de krab uit het gras naar de koe
uit het nieuws naar de krant uit de bal naar de stok
uit de koe naar de man met het mes en de bloedgeur
kijk uit het stof naar de nacht uit het hol
dat niet hol is het vol dat niet vol is de regen

Vijf regels slechts, maar ze ontregelen inderdaad, zijn niet gespeend van humor en bieden een interessant alternatief de wereld te bekijken.
Dit is, op die regen na misschien, een heldere tekst, wat echter niet altijd het geval is. Neem nu: ‘Ik uitdreig verschrikvolkelijke globomspannende vloekjulienne, / geen beveiliger die me nog beveiligen wil, / ja, nee, geen hond of roofpanserdier, geen wezenheid klein of groot / niet, nee, met tallozen nog niet voor geen goud.(…)’.
Verrukkelijke regels, al kan ik er geen touw aan vast knopen. Dat hoeft gelukkig ook niet, klank en dwaasheid kunnen soms meer raken dan betekenis en diepgang; een van de charmes van de dichtkunst.
Waarschijnlijk ten faveure van de samenhang komen bepaalde zinnetjes meermalen in verschillende gedichten terug: ‘Staar heeft de kijker, de denker loopt over.’, ‘Weet ik waar de lichtknop zit!’, ‘Voor mijn keel ligt mijn tong’.
En nu ik toch met het regelmatig voorkomende bezig ben, onthoofdingen en andere gruwelen vallen daar ook onder, maar zonder moraal; het gaat zoals het gaat: ecce homo. ‘Zekere bendes naaien het hoofd op een voetbal; /andere juist een voetbal op de schouders; / dit zijn cultuurverschillen.’

Er staat een gedicht van twee pagina’s in de bundel dat bestaat uit een eindeloze aaneenschakeling van woorden zonder een enkel leesteken. Het doet denken aan de tekst van een computer die spontaan op hol is geslagen: ‘lijm op stekels lijm op stekels lijm op stekels lijm op stekels lijm op stekels’ en dan nog drie regels ‘lijm op stekels’ voor er tussen de ‘lijm op stekels’ zo nu en dan associërende variaties verschijnen als: ‘ik denk lijm op stekels’, ‘dit brein is lijm op stekels’, ‘verstekeling’, ‘lijm op stelten’, ‘ogen op steeltjes’.
Na de bovenste halve pagina stopt de reeks abrupt, om op de onderste midden in het wit te melden: ‘kool omarmt zich met eigen blad’.
Hierna een verontrustende halve pagina vaalgrijs gedrukte woorden die niet of nauwelijks verband met elkaar hebben als ‘olipodrigo, vreugdesprong, en bungelknuffels’, waartussen nogmaals het nu vetgedrukte zinnetje: ‘kool omarmt zich met eigen blad’.
Bij het lezen van de vierde en laatste halve pagina slaakt men een zucht van verlichting; de tekst is nagenoeg hetzelfde als die op de eerste halve pagina en weer leesbaar gedrukt.
Het resetten is gelukt, de computer is niet gecrasht!

Het analyseren van het werk van Oosterhoff is geen sinecure omdat het zo grillig is en blijft verrassen, het gaat om wonderen en waanzin, om eten en gegeten worden, om spot en zelfspot. En de talrijke, vaak alledaagse bronnen van de afleidingsmanoeuvres erin (DWDD, televisiesoaps, versleten grappen) maken het er niet eenvoudiger op.
Enkele zinsneden uit het gedicht ‘Een handoplegging voor moeder. Een kus voor haar’:

(…)
Internet slaapt niet, de tumor slaapt niet, dan ik ook niet
Langzaam groeien is goed, minder beroerd wordt het bouwplan
Ik hang niet depressief boven geen afgrond
(…)
Iemand doet betekenisvolle dingen, verstijft en zegt niets meer
Een lichaam wil omvallen maar het ligt al
Bestaat er een beter, een slechter?
(…)
Het vinden van een naam voor de kat is een lastig karweitje
Vos? Hyena? Je blijft er toch over denken
Dit grijze weer moesten ze eigenlijk doodslaan
(…)

Tot slot terug naar de omslag want die is al even uitzonderlijk als de inhoud van de bundel: slechts de titel, de naam van de auteur en die van de uitgeverij op het voorplat en op de rug. Meer niet, ook niet aan de binnenzijden; een verademing.