Recensie van Vloeken is gezond - J.C. Aachenende

Eerbetoon aan een fenomeen

J.C. Aachenende
Vloeken is gezond
Uitgever: Eijlders Dichters
2017
ISBN 9789070187156
€ 10
58 blz.

‘Vloeken is gezond’, spat in het vleermuisachtige handschrift van de dichter in ongepolijste letters van de omslag. Verder treft men er niets op aan, ook niet op de achterzijde of op de rug van het boekwerkje. Verwijdert men deze losse omslag dan komt het interieur van het Amsterdamse poëzieminnende Café Eijlders in beeld met daarin tussen andere dienaars van het woord de dichter J.C. Aachenende, de éminence grise van het etablissement.
Niet alleen die titel is overigens tegengif voor de reclame van De Bond tegen vloeken; ook in meerdere gedichten wordt er lustig op los  gefulmineerd en gespot.

Aan de doden

Doden, schaam je niet!
Word nooit weer wakker, alsjeblieft!
Slaap door, blijf waar je bent.

De wereld die je hebt gekend
is alleen ruis nog en vertrapt
en door je kinderen afgeschaft;
die, in een luie stoel gezeten
op der lui domme, bolle reten
-vier pilsjes binnen handbereik 
 en wat kroketten om te vreten-
staren naar ’t schaamt’loos feestgedruis
op het volhoerig raambordeel
van NOS, En-Pee-O-twee: de buis

Deze directe en ongezouten manier van uitdrukken is niet de enige kwaliteit van  Aachenende. Hij onderscheidt zich met name door zijn uitzonderlijk meesterschap over de vorm; geen syllabe te veel of te weinig en alle woorden feilloos op de juiste plaats. En ook de ritmiek, wezenskenmerk van voordrachtspoëzie (de verzen van Aachenende lenen zich bij uitstek voor het podium) is perfect. Ter adstructie een klein gedicht uit een eerdere bundel, waarin dit duidelijk wordt:

Momentopname

Ongeschoren
ongewassen,
maar niet ontevreden
zit de boekhandelaar
in zijn winkel
te ontbijten:
zijn vrouw,
een feministische slons,
is er vandoor

Hier valt niets aan toe te voegen, maar haalt men een woord weg – ‘feministische’ bij voorbeeld – dan verliest het gedicht haar kracht.
Wie het werk van Aachenende leest of hem hoort voorlezen voelt dat de dichter met alle klassieke vormen vanaf de Middeleeuwen (en nog van daarvoor) vergroeid is. Hij kent de ballade, het rondeel en het sonnet als zijn broekzak en kan daardoor op lichtvoetige wijze met deze vormen spelen; in de bundel staan titels als ‘Geen rondeel’, ‘Bijna rondeel’ en ‘Rondeel’.
Maar in tegenstelling tot zijn liefde voor de oude vaste vorm gebruikt hij geen archaïsche woorden, zijn taalgebruik is zeer eigentijds en de hedendaagse schuttingtaal is hem niet vreemd. (Zie hierboven het eerst geciteerde gedicht).
Mij doet zijn poëzie dikwijls denken aan die van François Villon, de Franse vagebond en dichter uit de late Middeleeuwen. Vergelijk bij voorbeeld diens grafschrift ‘Kwatrijn’ in de vertaling van Ernst van Altena met ‘Grote God’ van Aachenende. ‘Kwatrijn’: ‘Ik ben François, wiens naam zo bont is. / Parijs dat mijn geboortegrond is, / hangt mij straks aan een touw dat rond is, / zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is.’ En ‘Grote God’: ‘Alles is weg, bijna voorbij: / de lange dagen, korte nachten, / de dingen die er op mij wachten, / de toekomst, mensen aan je zij. / Alléén jij, Grote God, bij machte / tot alles, bent nu zeer nabij.’
Opvallend in de bundel zijn enkele gedichten in het Frans, Engels en Duits. Wat de reden daarvan is, weet ik niet. Mij doet het wat rommelig aan. De dichter is een polyglot, dat maakt het wel duidelijk en dit is niet verwonderlijk; hij werd geboren in Maastricht, kruispunt van culturen en talen, en bracht zijn jongelingsjaren door in Parijs, de stad die hij nog regelmatig inruilt voor Amsterdam.
In het boekwerkje staan meer dan in eerdere publicaties openhartige gedichten over het ouder worden en de dood; ik vind ze raak en verreweg de sterkste.

Vlucht

Naar het verleden wil ik vluchten.
Wat eens ideeën waren: zuchten
zijn het nog maar, of klachten
en geruchten.

Ach, het verleden kan niet praten:
het is een stille makker
achter de deur, maar nooit verlaten.

Als geheel is deze bundel overigens niet de beste tot nu toe, daarvoor is hij te wisselvallig van niveau. De knapste verzen van deze fijnbesnaarde, op papier soms grofgebekte dichter treft men aan in Tweeënveertig gedichten vol vuur en vaart, een selectie uit eerder werk.

Tot slot: alle bundels van Aachenende (1932), ook de  Franstalige En vers et contre tous, zijn telefonisch te bestellen bij Editions Saint Jacques, tel. 06-33650322. Vloeken is gezond is ook te verkrijgen via de uitgever ervan.

Recensie van Morgue en andere gedichten - Gottfried Benn

Goedemorgen. Poëzie die wakker schudt

Gottfried Benn
Vertaler: Huub Beurskens
Morgue en andere gedichten
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313393
€ 15
39 blz.

Dat hij zich met het instampen van naamvallen, geslachten en vervoegingen niet geliefd zou maken, moet mijn leraar Duits hebben geweten, en de Duitse taal, toch al niet populair in de vijftiger jaren van de vorige eeuw, zou hij er geen dienst mee bewijzen.
Waarschijnlijk besteedde hij daarom meer aandacht aan de Duitse cultuur, met name aan de literatuur en de liedkunst. Hij declameerde Goethe  en Heine en draaide Schubert. Op een ochtend, eerste lesuur, droeg hij, om de dag te openen het volgende gedicht voor van ene Gottfried Benn:

Mooie jeugd

De mond van het meisje dat lang in het riet gelegen had
zag er zo aangeknaagd uit.
Toen men haar borst openbrak, zat de slokdarm zo vol gaten.
In een prieel onder het middenrif ten slotte
vond men een nest jonge ratten.
Een klein zusje lag er dood.
De andere leefden van lever en nieren,
dronken het koude bloed en hadden
hier een mooie jeugd doorgebracht.
En mooi en gauw kwam ook hun dood:
Men gooide het hele stel in het water.
Ach, wat piepten die kleine snuiten!

Wij, zijn leerlingen, de slaap nog niet uit de ogen gewreven,  waren op slag wakker.

Wie was deze Gottfried Benn? Geboren in 1886, zoon van een dominee, studeerde na aandringen van pa theologie, wat hem niet beviel. Hij schakelde over op geneeskunde en chirurgie, een vakgebied dat hem inspireerde tot zijn overlijden in 1956 en tot zijn debuutbundel ‘Morgue en andere gedichten’ in 1912.
Het gedicht dat ons adolescenten zo trof was er een van de zesdelige cyclus ‘Morgue’, wat lijkenhuis betekent.
Ook de andere gedichten in deze reeks gaan niet zozeer over de dood in de zin van de teloorgang van de ziel maar om het aangezicht van wat er tastbaar overblijft na het overlijden, het lijk.
Dat was men in dichterskringen  niet gewend, ‘Tod und Liebe’ dat was waar het om ging, niet om het stof waaruit wij komen en wederkeren;  ‘Morgue’ werd dan ook zeer kritisch ontvangen, men vond het pervers en cynisch en dat laatste kan niet worden ontkend in onder meer het gedicht ‘Kringloop’: ‘De eenzame kies van een snol / die naamloos gestorven was / had een gouden vulling. / De rest was als bij stille afspraak / uitgevallen. / De lijkbezorger tikte die ene eruit, / verpatste hem en ging ervan uit dansen. / Want, zei hij, / alleen aarde moet tot aarde worden’.

Behalve degenen die negatieve kritiek hadden, waren er gelukkig ook recensenten die Benn een interessant ‘geval’ vonden, voer voor psychiaters. Men vond het moedig om openhartig over dingen te schrijven als rottende kadavers en walgelijke autopsies.
De meesten onder hen meenden echter tevens dat zijn werk weinig artistieke waarde had omdat er weliswaar menselijkheid in zijn gedichten te bespeuren viel maar dat deze niet bepaald poëtisch was.
Wat de vorm van veel werk van Benn betreft ben ik het met die laatste mening eens. In feite zijn vele gedichten eerder proza: losse met een hoofdletter beginnende en met een punt eindigende zinnen, hier en daar willekeurig afgebroken om het op een gedicht te doen lijken.
Toch maakt het een onuitwisbare indruk, of het nu proza is of poëzie.

Merkwaardig is dat niet deze vorm werd aangevallen maar de inhoud.
En ook merkwaardig dat  de uitgever van dit debuut, Alfred Meyer, niet de gedichten opnam die Gottfried Benn zelf beter achtte en liever in de bundel had gezien.
Het ging de boekenmaker kennelijk om de sensatie, niet om de kwaliteit, iets wat in de huidige tijd een bijna geaccepteerd verschijnsel is. Maar goed, het opende voor Gottfried Benn wel de mogelijkheid om verder te publiceren en ofschoon hij daarvan gretig gebruik maakte, wat een indrukwekkend oeuvre opleverde en hem in 1951, vijf jaar voor zijn dood, de Georg-Büchner-Preis opleverde, wordt zijn werk behalve Morgue en andere gedichten nauwelijks meer gelezen.
Over de ‘andere gedichten’ gesproken, daar staan wel strofen in met een hoog dichterlijk gehalte, bijvoorbeeld in:

Man en vrouw lopen door de kankerbarak

De man:

Hier, dit is een rij aangevreten schoot
en dit is een rij vervallen borst.
Bed stinkt naast bed. De zusters verschonen elk uur.

Kom, til gerust deze deken op.
Kijk, deze homp vet en rotte sappen
Dat was ooit de trots van een of andere man
Dat heette ook roes en vaderland –

(…)

En ook treft men  wel erg gezochte formuleringen aan in sommige verzen:

Nachtcafé
(…)
Groene tanden, pukkel in het gezicht
wenkt een ooglidontsteking.
(…)

Was de eigenzinnige Benn een van de voorlopers van het Duitse expressionisme dat putte uit het onderbewuste en zich afzette tegen de passieve zienswijze van  het impressionisme?
Dat vraagt om nuancering; hij was bezeten van de geneeskunde en de snijkamer  en vanuit die passie beschreef hij de werkelijkheid zonder illusies te koesteren. Hij vervormde de realiteit nauwelijks. En dat laatste was wel wat het expressionisme karakteriseerde.
Je zou kunnen zeggen dat hij voor de Eerste Wereldoorlog  wakker schudde,  wat zich na die oorlog ontwikkelde tot het expressionisme. 

De jonge uitgeverij Koppernik stelt zich geen ander doel dan uit te geven wat zij mooi en van belang acht en niet om de commercie te behagen; het gaat haar om niveau met een voorkeur voor gedurfde en uitdagende teksten en zij heeft zich met deze integrale heruitgave bewonderenswaardig aan dit streven gehouden.

Recensie van Aan de roekelozen - Dinie Sophie Fintelman

Van een lichtheid die helderder doet klinken

Dinie Sophie Fintelman
Aan de roekelozen
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519030
€ 15,95
52 blz.

De inkorting Liverse van de gelijknamige Dordtse  uitgeverij staat voor light verse, toegankelijke, relativerende poëzie die de humor niet schuwt, en de gedichten in Aan de roekelozen van de Zeeuwse dichteres Dinie Sophie Fintelman (1951) passen goed binnen dit genre. De bundel, haar tweede, is evenals haar debuut Bots, zie de recensie in Meander januari 2015, opgenomen in de Bordeauxreeks van Liverse.

Wat de humor in haar verzen betreft, moet men niet denken aan de hilarische tak daarvan in bijvoorbeeld de ‘Dodenrit’ van Drs. P, je valt er niet van om; Fintelmans humor is meer iets voor de glimlach, onderhuids en prikkelend tot in de dunste haarvaatjes.
Uit ‘Landstreek’:

(…)

Je auto op de polderwegen
met achterin je nieuwe vrouw
en in de bermen weegbree meebewegen

Ik vroeg of ik meerijden mocht
naar afgelegen, onbekende streken
maar je schakelde in de bocht

van ereprijs naar dovenetel

(…)

Voldoet deze poëzie ook aan dat andere kenmerk van light verse, de toegankelijkheid? Jawel, jawel, maar niet altijd; er schuilen raadsels in enkele gedichten, die je ook na frequent herlezen met vragen achterlaten. (Mij tenminste). ‘Moeder II’: ‘Dat jouw web een kraambed is / en op het lange gras // dat je zitten blijft / als zij vervellen / elkaar opeten // plaats maakt ’.

De bundel is opgedeeld in zes rubrieken. Ik zal op alle kort ingaan. Het eerste deel omvat twee gedichten waarvan de titels ‘Landstreek’ en ‘Water’ direct duidelijk maken waar het om gaat: enerzijds de ogenschijnlijk stillevenachtige natuur van het Zeeuwse land (‘Soms droom ik dat ik in een landstreek / woon waar ik slaap als ik wakker word’), anderzijds het gevaar van water en wind (‘Je moet wel geloven / wil je niet verzuipen’).

De tweede rubriek bestaat uit de cyclus ‘Meisje’, herinneringen van de ik-figuur  aan de problemen met haar linkshandigheid tijdens haar vroege schooltijd, de geur van potloodslijpsel, het spelen op het schoolplein met elastiek en buiten schooltijd het kruipen door droge sloten. In het laatste gedicht van deze reeks voert ze voor het eerst haar moeder op, met wie zij als kind een innige band had en die zij zich als volgt herinnert: ‘Ik weet niet wanneer ze vertrok / Wel dat het lachen verdween / ’s Nachts zijn er dromen van zomers / met teilen vol water en zon op haar hoofd’.

Het derde deel wordt bevolkt door winterse droombeelden, waarin niet alleen het schaatsen een rol speelt maar de kou in overdrachtelijke zin in kilte verandert: ‘De eerste keer was op de brug / over de Rijn. (…) Een tweede keer met krasjes / op je onderarm. / De geur van alcohol. / De vloer een golf van water’.

In het volgende hoofdstuk drie gedichten die zowel bevreemden door een niet alledaagse invalshoek (een insect dat bij het wegstromen van het badwater door het afvoerputje wegloopt wordt Kafka genoemd) als je meevoeren in een Alice in Wonderlandachtige fantasie. Uit ‘Koningswoud’: ‘(…) Ik bouw een bewolkte kamer en graaf / mij een meer. Hier zal ik wonen als een // prinses. Op een troon zet ik me neer. / Een koningsvis zwemt mee in mijn schrale / onderkomen als een straalvinnige. / Vleugelslagen oefenen wij niet meer’.

De vijfde rubriek bevat de meeste gedichten, elf, en ook de meeste waarbij ik vraagtekens heb geplaatst, wat betekent dat ik die niet kan volgen en/of te gekunsteld vind. Uit ‘Aan zee’: ‘Aan zee / tegen de wind mee / een rechte lijn scheidt lucht en water (…)’. Maar daartegenover staat ‘Moeder I’, een teer gedicht over de intimiteit tussen moeder en dochter:

Moeder I

Afwezig vertrekt ze met mij aan haar hand
spreekt onderweg over haar geruilde land

In de wei gaat ze zitten op een kruk
de melkemmer tussen haar benen
Neemt niet de moeite poten te binden
trekt sterke stralen uit de spenen

Ik zie het kletteren
op het zink, drink
de geur en bespeur
in het groen
het gemorste wit
terwijl zij daar zit

Ze kijkt op en vraagt
wat ik ervan vind; ik zie een vrouw die terstond
mijn moeder is en vraag haar of ze het mij wil leren

Het afsluitende deel omvat vier kleine gedichten, waarvan twee in memoriam verzen. Over Wim Brands schreef Fintelman: ‘Ik herinner me dat / je schreef over / ontsnappen en vluchten // op het strakke bed koos / ik ervoor te blijven // de volgende dagen waren van / een schaamteloze lichtheid // die de zwarte vogels helderder / liet klinken dan ooit ‘.

Samenvattend kan ik zeggen dat deze op herinneringen gestoelde, zeer persoonlijke en locaal georiënteerde poëzie bepaald niet wereldschokkend is maar ontroert op een manier die geruststelt. Bijzonder.

Recensie van Waar ik jou word - Antjie Krog

Een stem die grijpt en niet loslaat

Antjie Krog
Vertaler: Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer
Waar ik jou word
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598722
€ 15,00
125 blz.

In welke volgorde kan men de Zuid- Afrikaanse gedichten in deze bundel van Antjie Krog en de vertalingen daarvan  in het Nederlands door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer, het beste lezen? Na enig experimenteren kwam ik er achter: eerst elk gedicht in de oorspronkelijke taal, bij voorkeur hardop, om de bekoring van het kruidige Afrikaans te proeven, daarna de vertaling om het vers beter te begrijpen en daarna nogmaals het origineel om begrip en taalsensatie te laten samengaan. (Bijkomend voordeel: aan het eind van de bundel gekomen kan men in de waan verkeren een aardig woordje Afrikaans te spreken).
Wilt u dit proberen, hier het origineel en de vertaling van de laatste strofe uit de cyclus ‘land van genade en verdriet’, die de hevige maar moeizame  liefde van de dichteres voor haar land tot onderwerp heeft.

(…)
(maar as die oue nie skuldig is nie
        nie skuld bely nie
kan die nuwe natuurlik ook nie skuldig wees nie
en nooit voor stok gekry word
         as hy die oue herhaal nie
alles begin dus van voor af aan
die slag anders ingekleur)

(maar als het oude niet schuldig is
       geen schuld belijdt
kan het nieuwe natuurlijk ook niet schuldig zijn
en nooit worden berispt
        als het nieuwe het oude herhaalt
begint alles dus van voor af aan
maar dit keer anders ingekleurd)

Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad in het noordwesten van Zuid-Afrika, groeide op in een gezin van schrijvers op een boerderij, is moeder van vier kinderen (dit laatste is van belang; het moederschap behoort tot haar meest indringende onderwerpen) en is momenteel buitengewoon hoogleraar in Kaapstad.
Van 1996 tot 1998 was zij hoofd van het team dat verslag deed van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.
Naast haar werk aan de universiteit is zij journaliste,  dichteres en schrijfster van proza en toneelstukken.
Zij trad in Nederland onder meer op bij Poetry International, de Nacht van de Poëzie en in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Deze bundel bestaat uit een selectie van vijfentwintig gedichten, die zodra je er aan begint niet meer loslaten.
Hoe komt dat, wat maakt haar poëzie zo meeslepend?
Ik denk de compleetheid, het openen van alle registers van gevoel en rede.
De mening dat het bij poëzie alleen om een spel met de taal gaat en niet om het daarin uiten van emoties, vitaliteit, betrokkenheid en nog zo wat, kortom  het totaal  van menselijke hoedanigheden, wordt hier ondubbelzinnig gelogenstraft.

Bij Antjie Krog gaan deze laatstgenoemde kwaliteiten dan ook nog eens gepaard met een felheid en ‘onkuisheid’, die bevrijdend en overweldigend werken. Geen poespas, geen tierelantijnen, wel een cascade aan woorden die er alle toe doen.
Ter illustratie:

sonnet van die warm gloede

iets kram jou rugmerg ê rens vas jy voel
hoe sprei ’n pasgestigte angs
vanuit jou bors, jou are loop met vuur
jou vleis ontvlam jou hart kook vuurvas voort
(…)
soos ’n krijger staan jy op en gooi jou wapens
vlammend weg – jy gryp die dood. Jy druk
sy fokken neus in jou klipperige kaal geplukte poes

sonnet van de opvliegers

iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt
een pas ontstane angst opwellen
in je borst. Je aderen zinderen van vuur
je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door
(…)
als een krijger sta je op en smijt je wapens
vlammend weg – je grijpt de dood. Je drukt
die rotgok van ‘m in je korrelige kaalgeplukte kut

Er is geen onderwerp dat deze dichteres schuwt; van het baren van kinderen, het gezinsleven, ouderdom, de verscheurende apartheid en de gehechtheid aan haar geboorteland tot aan het landschap, de geologie, menselijke lotsverbondenheid, wonderen en politiek.

Zelden werd ik zo getroffen door op vergelijking berustende beeldspraak:
Uit ‘hoe en waarmee overleef je dit’: ‘(…) mijn stem klinkt als een mengermalermixerhakker / mijn neus lekt als een ijskast / mijn ogen bibberen als eieren in kookwater /  (…), en uit ‘klaaglied’: ‘(…) in het gouddonker van Rwanda /- (het schitterzwart hart van iedereen) / hakt een kapmes de tanden dwars door zijn gezicht / klooft een kapmes haar vagina tot ravijn / schilt een kapmes het hoofd van het kleintje als een ui / (…).’

Een bijzonder gedicht is de cyclus ‘om te verjij-en’, dat Krog schreef  ter gelegenheid van Gedichtendag 2009 onder de titel ‘Waar ik jou word’. Hierin wordt de blik nu eens niet naar buiten gericht maar naar binnen. Een introspectieve odyssee, waarbij de ik stap voor stap via onder andere de sterren, de gravitatie en de liefde nader komt tot de slotsom dat zij uit meerdere jij-en bestaat en uiteindelijk tot een wij. Dit laatste is medebepalend geweest ten aanzien van haar relativerende houding tegenover haar landgenoten die voor de apartheid waren.
Enkele fragmenten uit dit gedicht:

(…)
maar ik die jou had kunnen zijn
maar nog niet weet dat ik dat ben, schuifel
hardnekkig maar je blijft schiften tot toebedeelde
veelzaamheid
(…)
het punt
waarop het ik zo talrijk is
dat het niet meer uitmaakt om te zeggen
dat het ik zichzelf niet meer is
maar herkenbare
veelvouden
(…)
maar waar ik jou ben
jullie ben geworden
begin ik buiten mezelf
met lichte kwikzilver-zingende polsslagen
iets voorbij iedere mensheid te kaatsen
(…)

Op het voorplat staat dat deze vijfentwintig gedichten door iedereen gelezen zouden moeten worden. Ik ben het daar hartgrondig mee eens.

Recensie van Zonder is het licht niet zacht genoeg - Sven Cooremans

Dat moeders van oudsher de hoeders van de feiten zijn

Sven Cooremans
Zonder is het licht niet zacht genoeg
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339294
€ 16,00
48 blz.

Geen poëziebundel meer uitnodigend dan deze: een intrigerende titel, een met die titel corresponderende geheimzinnige omslag  en dit openingsgedicht:

Voornemen

In een kamer met bladgrond
en takjes die zorgen voor klimgelegenheid

zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen

en na weken van uitharden en op kleur komen
zal ik mijn vleugels ontvouwen

vleugels die ik nodig heb

om mezelf, ik noem maar iets
uit te drukken in het voornemen

om u te woord te staan

Goed, het opvallende en prachtige synoniem ‘bladgrond’ ( van ‘teelaarde’), naar mijn weten door Gust Gils bedacht en tevens de titel van de laatste bundel van Roland Jooris, kan een beetje pikkerig overkomen, maar daar staat tegenover: ‘zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen // (…) om mezelf, ik noem maar iets / uit te drukken in het voornemen // om u te woord te staan’.
Subtiele zelfspot en veelbelovend.

De Vlaamse schrijver ervan, Sven Cooremans (1970), is psycholoog en leadzanger van de rockband Ludo. Verhalen en gedichten van hem verschenen in onder andere De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2003 debuteerde hij met Myeline, welke bundel hier eerder werd besproken door Yves Joris.
Hij is als bestuurslid van PEN Vlaanderen verantwoordelijk voor het ‘Writers in Prison Committee’.

Gaan wij verder met het gedicht ‘Sisyphus’, waarmee hij in 2014 de tweede prijs won in de prestigieuze Turing Gedichtenwedstrijd.
Het is geschreven naar de uitzichtloosheid van de arbeid van Sisyphus in de gelijknamige mythe waar vele dichters zich door lieten en laten inspireren. Het verplicht verrichten van deze arbeid als straf voor het tarten van de goden; alsof de mens met zijn handelen de wereld zou kunnen bestieren, de hoogmoed! De wereld gaat aan vlijt ten onder, we weten het, maar het lukt maar niet daarnaar te leven; de vrije wil, wat is dat, bestaat er wel zoiets als een vrije wil?
Cooremans  speelt het klaar in enkele regels over blauwzwarte mestkevers die zich op de sterren verlaten en via zijn winkelwagentje met koppige wieltjes duidelijk te maken dat deze vraag ‘berust in de aard van de beperkingen’. Knap.

Wordt dit niveau voortgezet in de bundel? Ik vind van niet, vooral in een aantal gedichten direct hierna is het aanzienlijk minder. Het derde gedicht, een cyclus met de titel ‘Een moeilijke oefening’ maakt die titel meer dan waar; er staan regels in die niet alleen hoogdravend zijn maar ook eerder strompelen dan lopen: ‘(…) zitten we met opgerolde handdoeken / onder de hielen van onze rusteloosheid (…)’ en ‘(…) vertwijfeld  liggen ze op het malste gras van matten / onze oren in de stilte van het zachte verhemelte / te luisteren te leggen’.
En zo gaat het nog een gedicht of zeven door. Cooremans  wil hierin in vaak losse regels te veel zeggen, regels die te weinig samenhang hebben waardoor het geheel loszanderig en cryptisch wordt: ‘uiteindelijk duurt niets en slaap is belangrijk // ook de mooie dagen noch de stem bij vorst van moeder niet: // ze verzwijgt ons het voordeel dat niet opweegt – sneeuwgericht / zou zonder plastic minder op onze winterharde zieltjes drukken (…)’ uit ‘Voorleesuur voor wintergroenten’. En uit ‘Hoe gordijnen hangen’: ‘hoe gordijnen hangen: rakelings, zo // dat het bijna raakt // hoe de gele hoogklank, hoe de buitenwereld: // op veilige afstand van onze binnenzee // drijft de middagzon onze kamer (de ogen geloken) // voorbij, schuiven lijven als gemoederen / naar de oude binnenstad (…)’.

Na deze inzinking stuit ik in de tweede deel van de bundel op afwisselend boeiende en minder geslaagde  gedichten, de eerste vaak met  verrassende wendingen en geestige regels als ‘(…) ook voor watergebruikers die kranten lezen / is water een bestaansvoorwaarde // en in iedere krant zit wel een kikker’. ( Uit: ‘De kikker in kwestie’).

Tot slot een vers dat door eenvoud en balans de vergelijking met de twee eerstgenoemde gedichten in deze recensie  kan doorstaan:

Logisch positivisme

denken aan niets dan waarneembare geiten

en jerrycans: ritmisch klotsend
vullen ze zich met het ondergrondse

en moeders: ritmisch zingend over het geloof
in de vooruitgang van de mensheid

tot de drinkbak van modder water bevat
en ze met hun ruige ruggen staan te drinken

en weten dat moeders van oudsher
de hoeders van de feiten zijn

Al met al een bundel met pareltjes, mindere gedichten en te ambitieuze verzen die ik respectievelijk met bewondering, fronsend en hoofdschuddend  heb gelezen.
Het leek het leven zelf wel.