Recensie van Trage nederlaag met volle zeilen - Henri Michaux

Vreemde in eigen land, in Frankrijk op de kaart gezet

Henri Michaux
Vertaler: Bart Vonck
Trage nederlaag met volle zeilen
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 9789056552761
€ 24,90
143 blz.

Zelden zal men een boekwerk tegenkomen waarin door één schrijver zoveel  literatuurgenres worden geëtaleerd  als in de bloemlezing Trage nederlaag met volle zeilen van Henri Michaux : fabels, fictieve verhaaltjes, mythes en legenden, extatische lyriek, narratieve poëzie en zoals vertaler Bart Vonck  ze in zijn nawoord noemt ‘Vormloze vormen’.
Laat ik beginnen met een van de ‘Fabels van de oorsprongen’ die Michaux (1899 – 1984) in zijn jonge jaren schreef en die doen denken aan de sprookjes van indianenstammen uit Midden- en Zuid-Amerika.
(Michaux verbleef lange tijd in Zuid- Amerika, met name in Ecuador).

De oorsprong van de tent

Dwa heeft de tijger gedood,
Hij rijt hem open en eet ervan.
De wind steekt op; en het regent.
De tijgervacht waait op,
En omhult Dwa.
In de tijgervacht regent het niet,
Er staat geen wind. Het is er aangenaam.
Dwa is tevreden.
                          Zo is de Tent ontstaan.

Henri Michaux werd in Namen geboren, groeide daar ook op, maar voelde zich niet thuis in België. Hij vertrok naar Frankrijk en liet zich in 1955 naturaliseren tot Fransman. In die hoedanigheid voelde hij zich meer op zijn gemak, maar niettemin reisde hij de hele aardbol af om dichter bij zijn wezenlijke ik te komen. Hij stierf tenslotte in Parijs.
Bijna zijn hele oeuvre ademt dit rusteloze zoeken naar de eigen identiteit.
In zijn vermakelijke fabels, waar hij er vele van schreef, gaat deze onrust nog schuil achter een eenvoudig  te volgen verteltrant, maar later in 1927 komt Wie ik geweest ben uit, dat behalve  raadsels en gedichten een absurdistische introspectie bevat waarin hij door middel van een dialoog met ‘Wie-ik-geweest-ben’ een beeld geeft van zichzelf en zijn opvattingen over de mens en de wereld  in het algemeen.
Enkele stukjes daaruit:
“Ik word bewoond; ik praat met wie-ik-geweest-ben en wie-ik-geweest-ben praten met mij. Soms voel ik me beklemd, als was ik een vreemdeling. Zij vormen tegenwoordig een echte gemeenschap en het gebeurt soms dat ik mezelf niet meer hoor. (…) De ziel is heel de mens. Ze kan zich verplaatsen en uit vorm raken. De aandacht is de houding, het enige talent van de ziel. (…) ‘Ik wil niet sterven’ zei Wie-ik-geweest-ben. ‘Ik wil niet sterven’en toch is hij sceptisch! Kijk zo bedriegt men zichzelf. En zo loopt men heel wat mis. Men voelt het verlangen om een roman te schrijven, en men schrijft filosofie. Men is niet alleen in zijn vel.’

Van de zojuist aangehaalde tekst denkt men niet direct aan dichtkunst , hoogstens kan men, zeker bij de fabels,  spreken van poëtisch proza en dit laatste geldt ook voor de ‘Raadsels’:

Met wat broodkruim vormde ik een diertje, een soort muis. Ik was nog
          niet klaar met het derde pootje of, kijk, het begon zowaar al te
          rennen…Het vluchtte weg in het donker van de nacht.

In het laatste deel van Wie ik geweest ben komt tenslotte de dichter Michaux aan het woord en wel op een bijzonder experimentele manier, niet alleen wat de inhoud betreft maar ook om de verrassende wijze waarmee hij met de taal omspringt .

SLU en SLI

en slo
en slu
en zoonssloor slikt
sli en slo
en slikt zijn voet
slu en slo
en in zich slik-en-sli-en-slo

(…)

En het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’ begint als volgt: ‘Hij vermoesbrijzelt hem en takelbebeult hem tegen de grond; / Hij kapotscheurt hem en tegensputtert hem tot aan zijn greutel; / Hij prateelt hem en jiboekt hem en romppettert hem krapen; / Hij  knuppelsult en vleeskemelt hem,/ (…)’.

Het is een lang gedicht maar u zult nu al wel begrijpen dat het slecht met ‘hem’ afloopt .

Hoe meer je van Henri Michaux leest, des te pregnanter wordt de vraag wie deze man eigenlijk is, een vraag die hij, zoals eerder gezegd, zichzelf ook voortdurend stelde en wel zo indringend dat je wel met dit onderzoek mee moet gaan. Om in die zoektocht niet te verdwalen (Leed Michaux aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis? Schreef hij om puur hygiënische redenen?) zijn het heldere, diepgravende nawoord en de beschreven levensloop van Michaux door Bart Vonck een goede gids. Hij duidt wat te duiden valt en durft vraagtekens te plaatsen bij teksten waarover hij wat de gelaagdheid betreft zijn twijfels heeft. Hiermee kan de lezer in het spoor  blijven.

De worsteling met zichzelf van Michaux komt vooral naar voren in zijn wijdlopige gedichten waarin hij veelvuldig de anafoor als stijlfiguur gebruikt; zo beginnen bijna alle 200 regels van ERGENS, IEMAND  met ‘Iemand’ : ‘Ergens is iemand een hond en blaft naar de maan / Iemand wordt als Chinese geboren en is nu zeventien / Iemand het is een blondine en haar zuster is levendig, echt uitgelaten / iemand zijn vader is highlander /(…)’. Zes pagina’s verder: ‘Iemand de zon schijnt niet meer op zijn boom / Iemand er gebeurt niets meer in zijn leven, niets meer, niets meer, niets meer dan leegte, niets meer, niets meer / Hij haakt naar stilte, iemand / Iemand  zoekt een nieuw venster.’
Wie dit gedicht achter elkaar leest kan er zowel door in trance als in ademnood van geraken en krijgt mogelijk de indruk dat al die ‘iemanden’ voor ‘niemand’ staan, zeker als men weet dat Michaux bewust heeft uitgedragen dat hij de realiteit wilde ontlopen door niets en niemand te zijn. Hij wilde om die reden ook niet tot een stroming behoren – literaire kringen wilden hem tot de surrealisten rekenen – en weigerde literaire prijzen. Veelbetekenend in dit opzicht is de titel van deze bloemlezing.

Deze selectie uit het werk van Henri Michaux beslaat overigens nog maar het deel dat een beeld schetst van de periode 1922-1946. Het tweede deel (1947-1984) moet nog verschijnen en hoewel ik in deze eerste band niet echt flonkerende poëzie ben tegengekomen (wat Michaux ook niet nastreefde) , lijkt me het vervolg ervan toch iets om naar uit te kijken.

Een gedichtje dat dit staaft:

HET MEISJE VAN BOEDAPEST

In de lauwe nevel van de meisjesadem heb ik plaatsgenomen.
Ik heb mij teruggetrokken, ik heb mijn plaats niet verlaten.
Haar armen wegen niets. Ze voelen als water.
Wat verwelkt is verdwijnt voor haar blik. Alleen haar ogen blijven,
Lange mooie grashalmen, lange mooie bloemen groeiden op onze akker.
Zo’n licht gewicht op mijn borst, zoals jij nu op me leunt,
Je leunt zo zwaar op me, nu je er niet meer bent.

Last but not least: de vertaling. Het moet een heksenwerk zijn geweest, maar Vonck maakt zijn reputatie van meester-vertaler meer dan waar. Souplesse gepaard aan een bijzondere vindingrijkheid waar het de omzettingen betreft van de talrijke Franse neologismen van Michaux die u (nog)niet in de Van Dale zult aantreffen. (Zie de aangehaalde regels uit het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’).
Eigenlijk merk je niet dat het een vertaling is – daarom was ik in eerste instantie vergeten er iets over te zeggen – en dat is m.i. het grootste compliment dat je een vertaler kunt geven.

Recensie van Zo kan het niet langer - Paul Bogaert

Hoe dan wel?

Paul Bogaert
Zo kan het niet langer
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102834
€ 19,99
64 blz.

Paul Bogaert is een lastpak, dat was mijn eerste indruk nadat ik zijn Zo kan het niet langer even snel en met groeiende ergernis had doorgebladerd. Ik had gehoopt poëzie in handen te hebben waar ik me aan kon warmen, maar dat bleek een misrekening. Ik kreeg de indruk voor de gek te worden gehouden; de kleren van de keizer. (Paul Bogaert is een gelauwerd dichter, die voor eerdere bundels de Poëzieprijs van de Vlaamse gemeenschap en de Herman de Coninckprijs won en in 2010 werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs). Warrige en onzorgvuldig geschreven teksten. En bovendien, de op het achterplat aangekondigde geestigheid kon ik niet ontdekken. De gedichten leken me in een dronken bui zonder zelfkritiek op het papier gesmeten. Geen samenhang, geen houvast.

‘Bierfiets 3’ (Het derde in een cyclus van zes gedichten).

Als na verloop, dus ja,
van tijd  {  Bijlange niet  x2  + Bx
       Ik mix whisky in de whiksymixer  }  een paal

Ons en de gemoederen dwingt
Tot rechtsomkeert in Comic Sans (alles

Héél erg wysiwyg)-  Tè-rug!  Tè-rug!  -zet iemand
    (tot dan al 3 kwartier een dirigent) zijn tanden in
    (Patsy???) de opblaaspop.

Elke rollator lokt een   *Yolo*  uit en één grote
[*door Van Dale in euh… 2012 genomineerd]
Één grote collectieve teug, wie moet de slipmuts nu

Aàn-doen  Aàn-doen!  De wind grijpt

het plastic…weg; scandeert er iemand van
       HOER-over-boord  door door dehandpalmmegafoon.

Anderen werken ondertussen
aan een definitieve visietekst,
leveren goederen
of geven bloed.

Vertwijfeld overwoog ik de bespreking van deze bundel aan een ander over te laten, maar besloot uiteindelijk me er toch in te verdiepen en het zelf te proberen.

En gelukkig, want na het meermalen herlezen van deze poëzie werd stilaan duidelijk dat het alleen de bedoeling is om de lezer te laten delen in Bogaerts dichterlijke manier te breken met de structuur en de samenhang van zowel maatschappelijke gesteldheden als die van de taal. De titel Zo kan het niet langer is niet ironisch bedoeld maar dient serieus in dat licht te worden gelezen.
De titelgedichten, drie stuks, illustreren treffend zijn afkeer van bureaucratie en al wat ingesleten is. Hier een gedeelte van het tweede:


Zo kan het niet langer

Eindelijk, het nieuwe jaarverslag!
De ragfijne terzijdes, de rondzwevende haakjes.
Het constante geschud en gezift. Het gespin
over het zeven van de verbeteringen
en het verbeteren
van de zeven. Het geklingklang aan de mond
van de clichéoven. (…)
De walm rond de vaten met overdatumerrata.
Men overleeft het niet zonder ventielen en zware massages.
Jaja, het is hard werken in de uitsloverij.

De Poëziekrant noemt Bogaert de Messi van de Vlaamse literatuur; een deels rake vergelijking want inderdaad ook Messi ontsnapt graag aan de gangbare wetten, in zijn geval met die van het voetbal, waardoor hij ongrijpbaar wordt; evenwel, hij heeft daar een doel mee, namelijk om te kunnen scoren of een medespeler daartoe in staat te stellen. Ik vraag me af wat het oogmerk van Bogaert is. Is het bij hem niet een doelloze onderneming? Wordt het middel tot doel verheven? Je zou het denken want op het opstandige motto ‘Zo kan het niet langer’ is de vraag gerechtigd ‘Hoe dan wel?’ en daar kreeg ik, afgezien van wat speelse taalprobeersels geen antwoord op.
Deze vraag dus maar laten voor wat hij is en genoegen nemen met zijn pogingen te ontsnappen aan hem beknellende conventies en taboes.
Dat lukte me redelijk; ik kan nu zelfs grinniken om het eerst geciteerde gedicht uit ‘Bierfiets’.

Maar de raadsels blijven en ik ben niet de enige bij wie de gedichten vragen oproepen, Bogaert zelf stelt ze eveneens, veelvuldig zelfs, en zonder deze te beantwoorden: ‘Wat betekenen de kopzorgen (…) Wat behelzen de kwaaltjes (…) Wat stellen de ontgoochelingen voor (…) Wat is het verschil tussen de paniek / van personen met een problematische visionaire geaardheid / en het onbehagen / van personen met een hier-en-nu-verleden?’
En ook komt men herhaalde malen ‘zou je denken’ en ‘wat te doen’ tegen.
Vraagtekenpoëzie van alle kanten.

Onlangs hoorde ik op de cultuurzender radio 4 iemand het hier voor een deel aangehaalde titelgedicht voorlezen. Hij was vol lof zonder uitleg waarom en struikelde tijdens zijn voordracht over woorden als ‘overurenwinkelmandje’ en ‘overdatumerrata’. In ademnood sprak hij de laatste regel uit en was daarna duidelijk opgelucht.   
Ik kon met hem meevoelen.

Recensie van Vloeken is gezond - J.C. Aachenende

Eerbetoon aan een fenomeen

J.C. Aachenende
Vloeken is gezond
Uitgever: Eijlders Dichters
2017
ISBN 9789070187156
€ 10
58 blz.

‘Vloeken is gezond’, spat in het vleermuisachtige handschrift van de dichter in ongepolijste letters van de omslag. Verder treft men er niets op aan, ook niet op de achterzijde of op de rug van het boekwerkje. Verwijdert men deze losse omslag dan komt het interieur van het Amsterdamse poëzieminnende Café Eijlders in beeld met daarin tussen andere dienaars van het woord de dichter J.C. Aachenende, de éminence grise van het etablissement.
Niet alleen die titel is overigens tegengif voor de reclame van De Bond tegen vloeken; ook in meerdere gedichten wordt er lustig op los  gefulmineerd en gespot.

Aan de doden

Doden, schaam je niet!
Word nooit weer wakker, alsjeblieft!
Slaap door, blijf waar je bent.

De wereld die je hebt gekend
is alleen ruis nog en vertrapt
en door je kinderen afgeschaft;
die, in een luie stoel gezeten
op der lui domme, bolle reten
-vier pilsjes binnen handbereik 
 en wat kroketten om te vreten-
staren naar ’t schaamt’loos feestgedruis
op het volhoerig raambordeel
van NOS, En-Pee-O-twee: de buis

Deze directe en ongezouten manier van uitdrukken is niet de enige kwaliteit van  Aachenende. Hij onderscheidt zich met name door zijn uitzonderlijk meesterschap over de vorm; geen syllabe te veel of te weinig en alle woorden feilloos op de juiste plaats. En ook de ritmiek, wezenskenmerk van voordrachtspoëzie (de verzen van Aachenende lenen zich bij uitstek voor het podium) is perfect. Ter adstructie een klein gedicht uit een eerdere bundel, waarin dit duidelijk wordt:

Momentopname

Ongeschoren
ongewassen,
maar niet ontevreden
zit de boekhandelaar
in zijn winkel
te ontbijten:
zijn vrouw,
een feministische slons,
is er vandoor

Hier valt niets aan toe te voegen, maar haalt men een woord weg – ‘feministische’ bij voorbeeld – dan verliest het gedicht haar kracht.
Wie het werk van Aachenende leest of hem hoort voorlezen voelt dat de dichter met alle klassieke vormen vanaf de Middeleeuwen (en nog van daarvoor) vergroeid is. Hij kent de ballade, het rondeel en het sonnet als zijn broekzak en kan daardoor op lichtvoetige wijze met deze vormen spelen; in de bundel staan titels als ‘Geen rondeel’, ‘Bijna rondeel’ en ‘Rondeel’.
Maar in tegenstelling tot zijn liefde voor de oude vaste vorm gebruikt hij geen archaïsche woorden, zijn taalgebruik is zeer eigentijds en de hedendaagse schuttingtaal is hem niet vreemd. (Zie hierboven het eerst geciteerde gedicht).
Mij doet zijn poëzie dikwijls denken aan die van François Villon, de Franse vagebond en dichter uit de late Middeleeuwen. Vergelijk bij voorbeeld diens grafschrift ‘Kwatrijn’ in de vertaling van Ernst van Altena met ‘Grote God’ van Aachenende. ‘Kwatrijn’: ‘Ik ben François, wiens naam zo bont is. / Parijs dat mijn geboortegrond is, / hangt mij straks aan een touw dat rond is, / zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is.’ En ‘Grote God’: ‘Alles is weg, bijna voorbij: / de lange dagen, korte nachten, / de dingen die er op mij wachten, / de toekomst, mensen aan je zij. / Alléén jij, Grote God, bij machte / tot alles, bent nu zeer nabij.’
Opvallend in de bundel zijn enkele gedichten in het Frans, Engels en Duits. Wat de reden daarvan is, weet ik niet. Mij doet het wat rommelig aan. De dichter is een polyglot, dat maakt het wel duidelijk en dit is niet verwonderlijk; hij werd geboren in Maastricht, kruispunt van culturen en talen, en bracht zijn jongelingsjaren door in Parijs, de stad die hij nog regelmatig inruilt voor Amsterdam.
In het boekwerkje staan meer dan in eerdere publicaties openhartige gedichten over het ouder worden en de dood; ik vind ze raak en verreweg de sterkste.

Vlucht

Naar het verleden wil ik vluchten.
Wat eens ideeën waren: zuchten
zijn het nog maar, of klachten
en geruchten.

Ach, het verleden kan niet praten:
het is een stille makker
achter de deur, maar nooit verlaten.

Als geheel is deze bundel overigens niet de beste tot nu toe, daarvoor is hij te wisselvallig van niveau. De knapste verzen van deze fijnbesnaarde, op papier soms grofgebekte dichter treft men aan in Tweeënveertig gedichten vol vuur en vaart, een selectie uit eerder werk.

Tot slot: alle bundels van Aachenende (1932), ook de  Franstalige En vers et contre tous, zijn telefonisch te bestellen bij Editions Saint Jacques, tel. 06-33650322. Vloeken is gezond is ook te verkrijgen via de uitgever ervan.

Recensie van Morgue en andere gedichten - Gottfried Benn

Goedemorgen. Poëzie die wakker schudt

Gottfried Benn
Vertaler: Huub Beurskens
Morgue en andere gedichten
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313393
€ 15
39 blz.

Dat hij zich met het instampen van naamvallen, geslachten en vervoegingen niet geliefd zou maken, moet mijn leraar Duits hebben geweten, en de Duitse taal, toch al niet populair in de vijftiger jaren van de vorige eeuw, zou hij er geen dienst mee bewijzen.
Waarschijnlijk besteedde hij daarom meer aandacht aan de Duitse cultuur, met name aan de literatuur en de liedkunst. Hij declameerde Goethe  en Heine en draaide Schubert. Op een ochtend, eerste lesuur, droeg hij, om de dag te openen het volgende gedicht voor van ene Gottfried Benn:

Mooie jeugd

De mond van het meisje dat lang in het riet gelegen had
zag er zo aangeknaagd uit.
Toen men haar borst openbrak, zat de slokdarm zo vol gaten.
In een prieel onder het middenrif ten slotte
vond men een nest jonge ratten.
Een klein zusje lag er dood.
De andere leefden van lever en nieren,
dronken het koude bloed en hadden
hier een mooie jeugd doorgebracht.
En mooi en gauw kwam ook hun dood:
Men gooide het hele stel in het water.
Ach, wat piepten die kleine snuiten!

Wij, zijn leerlingen, de slaap nog niet uit de ogen gewreven,  waren op slag wakker.

Wie was deze Gottfried Benn? Geboren in 1886, zoon van een dominee, studeerde na aandringen van pa theologie, wat hem niet beviel. Hij schakelde over op geneeskunde en chirurgie, een vakgebied dat hem inspireerde tot zijn overlijden in 1956 en tot zijn debuutbundel ‘Morgue en andere gedichten’ in 1912.
Het gedicht dat ons adolescenten zo trof was er een van de zesdelige cyclus ‘Morgue’, wat lijkenhuis betekent.
Ook de andere gedichten in deze reeks gaan niet zozeer over de dood in de zin van de teloorgang van de ziel maar om het aangezicht van wat er tastbaar overblijft na het overlijden, het lijk.
Dat was men in dichterskringen  niet gewend, ‘Tod und Liebe’ dat was waar het om ging, niet om het stof waaruit wij komen en wederkeren;  ‘Morgue’ werd dan ook zeer kritisch ontvangen, men vond het pervers en cynisch en dat laatste kan niet worden ontkend in onder meer het gedicht ‘Kringloop’: ‘De eenzame kies van een snol / die naamloos gestorven was / had een gouden vulling. / De rest was als bij stille afspraak / uitgevallen. / De lijkbezorger tikte die ene eruit, / verpatste hem en ging ervan uit dansen. / Want, zei hij, / alleen aarde moet tot aarde worden’.

Behalve degenen die negatieve kritiek hadden, waren er gelukkig ook recensenten die Benn een interessant ‘geval’ vonden, voer voor psychiaters. Men vond het moedig om openhartig over dingen te schrijven als rottende kadavers en walgelijke autopsies.
De meesten onder hen meenden echter tevens dat zijn werk weinig artistieke waarde had omdat er weliswaar menselijkheid in zijn gedichten te bespeuren viel maar dat deze niet bepaald poëtisch was.
Wat de vorm van veel werk van Benn betreft ben ik het met die laatste mening eens. In feite zijn vele gedichten eerder proza: losse met een hoofdletter beginnende en met een punt eindigende zinnen, hier en daar willekeurig afgebroken om het op een gedicht te doen lijken.
Toch maakt het een onuitwisbare indruk, of het nu proza is of poëzie.

Merkwaardig is dat niet deze vorm werd aangevallen maar de inhoud.
En ook merkwaardig dat  de uitgever van dit debuut, Alfred Meyer, niet de gedichten opnam die Gottfried Benn zelf beter achtte en liever in de bundel had gezien.
Het ging de boekenmaker kennelijk om de sensatie, niet om de kwaliteit, iets wat in de huidige tijd een bijna geaccepteerd verschijnsel is. Maar goed, het opende voor Gottfried Benn wel de mogelijkheid om verder te publiceren en ofschoon hij daarvan gretig gebruik maakte, wat een indrukwekkend oeuvre opleverde en hem in 1951, vijf jaar voor zijn dood, de Georg-Büchner-Preis opleverde, wordt zijn werk behalve Morgue en andere gedichten nauwelijks meer gelezen.
Over de ‘andere gedichten’ gesproken, daar staan wel strofen in met een hoog dichterlijk gehalte, bijvoorbeeld in:

Man en vrouw lopen door de kankerbarak

De man:

Hier, dit is een rij aangevreten schoot
en dit is een rij vervallen borst.
Bed stinkt naast bed. De zusters verschonen elk uur.

Kom, til gerust deze deken op.
Kijk, deze homp vet en rotte sappen
Dat was ooit de trots van een of andere man
Dat heette ook roes en vaderland –

(…)

En ook treft men  wel erg gezochte formuleringen aan in sommige verzen:

Nachtcafé
(…)
Groene tanden, pukkel in het gezicht
wenkt een ooglidontsteking.
(…)

Was de eigenzinnige Benn een van de voorlopers van het Duitse expressionisme dat putte uit het onderbewuste en zich afzette tegen de passieve zienswijze van  het impressionisme?
Dat vraagt om nuancering; hij was bezeten van de geneeskunde en de snijkamer  en vanuit die passie beschreef hij de werkelijkheid zonder illusies te koesteren. Hij vervormde de realiteit nauwelijks. En dat laatste was wel wat het expressionisme karakteriseerde.
Je zou kunnen zeggen dat hij voor de Eerste Wereldoorlog  wakker schudde,  wat zich na die oorlog ontwikkelde tot het expressionisme. 

De jonge uitgeverij Koppernik stelt zich geen ander doel dan uit te geven wat zij mooi en van belang acht en niet om de commercie te behagen; het gaat haar om niveau met een voorkeur voor gedurfde en uitdagende teksten en zij heeft zich met deze integrale heruitgave bewonderenswaardig aan dit streven gehouden.

Recensie van Aan de roekelozen - Dinie Sophie Fintelman

Van een lichtheid die helderder doet klinken

Dinie Sophie Fintelman
Aan de roekelozen
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519030
€ 15,95
52 blz.

De inkorting Liverse van de gelijknamige Dordtse  uitgeverij staat voor light verse, toegankelijke, relativerende poëzie die de humor niet schuwt, en de gedichten in Aan de roekelozen van de Zeeuwse dichteres Dinie Sophie Fintelman (1951) passen goed binnen dit genre. De bundel, haar tweede, is evenals haar debuut Bots, zie de recensie in Meander januari 2015, opgenomen in de Bordeauxreeks van Liverse.

Wat de humor in haar verzen betreft, moet men niet denken aan de hilarische tak daarvan in bijvoorbeeld de ‘Dodenrit’ van Drs. P, je valt er niet van om; Fintelmans humor is meer iets voor de glimlach, onderhuids en prikkelend tot in de dunste haarvaatjes.
Uit ‘Landstreek’:

(…)

Je auto op de polderwegen
met achterin je nieuwe vrouw
en in de bermen weegbree meebewegen

Ik vroeg of ik meerijden mocht
naar afgelegen, onbekende streken
maar je schakelde in de bocht

van ereprijs naar dovenetel

(…)

Voldoet deze poëzie ook aan dat andere kenmerk van light verse, de toegankelijkheid? Jawel, jawel, maar niet altijd; er schuilen raadsels in enkele gedichten, die je ook na frequent herlezen met vragen achterlaten. (Mij tenminste). ‘Moeder II’: ‘Dat jouw web een kraambed is / en op het lange gras // dat je zitten blijft / als zij vervellen / elkaar opeten // plaats maakt ’.

De bundel is opgedeeld in zes rubrieken. Ik zal op alle kort ingaan. Het eerste deel omvat twee gedichten waarvan de titels ‘Landstreek’ en ‘Water’ direct duidelijk maken waar het om gaat: enerzijds de ogenschijnlijk stillevenachtige natuur van het Zeeuwse land (‘Soms droom ik dat ik in een landstreek / woon waar ik slaap als ik wakker word’), anderzijds het gevaar van water en wind (‘Je moet wel geloven / wil je niet verzuipen’).

De tweede rubriek bestaat uit de cyclus ‘Meisje’, herinneringen van de ik-figuur  aan de problemen met haar linkshandigheid tijdens haar vroege schooltijd, de geur van potloodslijpsel, het spelen op het schoolplein met elastiek en buiten schooltijd het kruipen door droge sloten. In het laatste gedicht van deze reeks voert ze voor het eerst haar moeder op, met wie zij als kind een innige band had en die zij zich als volgt herinnert: ‘Ik weet niet wanneer ze vertrok / Wel dat het lachen verdween / ’s Nachts zijn er dromen van zomers / met teilen vol water en zon op haar hoofd’.

Het derde deel wordt bevolkt door winterse droombeelden, waarin niet alleen het schaatsen een rol speelt maar de kou in overdrachtelijke zin in kilte verandert: ‘De eerste keer was op de brug / over de Rijn. (…) Een tweede keer met krasjes / op je onderarm. / De geur van alcohol. / De vloer een golf van water’.

In het volgende hoofdstuk drie gedichten die zowel bevreemden door een niet alledaagse invalshoek (een insect dat bij het wegstromen van het badwater door het afvoerputje wegloopt wordt Kafka genoemd) als je meevoeren in een Alice in Wonderlandachtige fantasie. Uit ‘Koningswoud’: ‘(…) Ik bouw een bewolkte kamer en graaf / mij een meer. Hier zal ik wonen als een // prinses. Op een troon zet ik me neer. / Een koningsvis zwemt mee in mijn schrale / onderkomen als een straalvinnige. / Vleugelslagen oefenen wij niet meer’.

De vijfde rubriek bevat de meeste gedichten, elf, en ook de meeste waarbij ik vraagtekens heb geplaatst, wat betekent dat ik die niet kan volgen en/of te gekunsteld vind. Uit ‘Aan zee’: ‘Aan zee / tegen de wind mee / een rechte lijn scheidt lucht en water (…)’. Maar daartegenover staat ‘Moeder I’, een teer gedicht over de intimiteit tussen moeder en dochter:

Moeder I

Afwezig vertrekt ze met mij aan haar hand
spreekt onderweg over haar geruilde land

In de wei gaat ze zitten op een kruk
de melkemmer tussen haar benen
Neemt niet de moeite poten te binden
trekt sterke stralen uit de spenen

Ik zie het kletteren
op het zink, drink
de geur en bespeur
in het groen
het gemorste wit
terwijl zij daar zit

Ze kijkt op en vraagt
wat ik ervan vind; ik zie een vrouw die terstond
mijn moeder is en vraag haar of ze het mij wil leren

Het afsluitende deel omvat vier kleine gedichten, waarvan twee in memoriam verzen. Over Wim Brands schreef Fintelman: ‘Ik herinner me dat / je schreef over / ontsnappen en vluchten // op het strakke bed koos / ik ervoor te blijven // de volgende dagen waren van / een schaamteloze lichtheid // die de zwarte vogels helderder / liet klinken dan ooit ‘.

Samenvattend kan ik zeggen dat deze op herinneringen gestoelde, zeer persoonlijke en locaal georiënteerde poëzie bepaald niet wereldschokkend is maar ontroert op een manier die geruststelt. Bijzonder.