Gedichten

Gedichten uit Voor de prijs van mijn mond, samengesteld en vertaald door Jan Mysjkin

ANA BLANDIANA

Glas met margrietjes

Glas met veldmargrietjes
Op een witte tafel
Waar ik aan schrijf
Vrijer dan ik ben;
Om mij heen
De geur van hooi
Die me tot de slaap verleidt,
Waaruit misschien een woord
Zal druppelen;
Zachte hemel in het avondrood
Gelijkend op de kudden
Die weleer naar de stal terugkeerden;
Liefde voor alles wat is geweest,
Voor alles wat nog moet verdwijnen,
Liefde zonder zin,
Liefde zonder grenzen –
De schaduwen van populieren, lange tralies over het veld,
Veldmargrietjes
In een glas.

NINA CASSIAN

Klucht

Ik zou graag een keer mijn beenderen schikken
in een andere configuratie,
mijn beenderen die de weg van mijn vlees
versperren, lastige beletsels die

het omleggen in de vorm van een vrouw
en een peer, en een zeester voor mijn handen.
Ik zou graag mijn goddeloze beenderen
uitproberen in schema’s allerhande,

bijvoorbeeld: de grondvorm van het oerschip,
het doorkijkskelet van de luzerne,
ofwel de stamboom met postume vruchten
die opklimt tot een maagdelijke kern.

En ik wil graag ook mijn beenderen plooien
alsof ik geknield aan het bidden toog,
zodat ik hém op een dwaalspoor kan brengen,
de argeloze Paleontoloog.


Een hond kopen

De engel kwam en zei tegen me:
‘Wil je geen hond kopen?’
Ik was niet in staat om hem te antwoorden.
Alle woorden die ik hem zou hebben toegeroepen
zouden geblaf zijn geweest.
‘Wil je geen hond kopen?’
vroeg de engel me, en in zijn armen hield hij
mijn blaffende
hart,
kwispelend met zijn bloed als met een staart.
‘Wil je geen hond kopen?’
vroeg de engel me,
terwijl mijn hart
kwispelde met zijn bloed als met een staart.

NORA IUGA

de raadgevingen van sam aan zijn zoon benedict

weet je te gedragen benedict
wees als een ei bij het ontbijt
niet te hard en niet te zacht
wees als de meloen
niet te groen en niet te rijp
in gezelschap wees de koekoek in de klok
zing alleen op gestelde tijden
blaf noch bijt
de kleinen dek je toe
de groten geef je een afgemeten glimlach
bedien je van de wetten
ze zijn noodzakelijk als de hand van de meester
voor de hond en de marketentster
voor de soldaat
ben je verliefd
geef aan de bedelaars
ga de vrouw binnen als een kerk
vergeet je ideaal niet
herhaal geregeld de tafels van vermenigvuldiging
en wees fatsoenlijk
eet geen zonnebloempitten op straat
leer de taal van je buren
maar spreek met god enkel in je eigen taal
bemin je naaste zoals jezelf
en begeer zijn geit noch zijn vrouw
noch zijn bult
kijk uit buiten is er iemand
die jekip plukt
weet je aan tafel te gedragen benedict
smak niet noch slurp
laat altijd een stukje achter op je bord
dood de anarchist in jou


Roepgedicht

Mijn naam is de naam van een mierennest
waarin zich alle insecten die me eten ophoopten.
Ik woon in de buitenwijk van een gemiddelde stad,
ik eet slecht, ik slaap weinig.

Het leven betekent niet min of meer te leven,
het leven bestaat niet enkel na de dood.

‘s Avonds laat kwam mijn opa opgewekt van de mijn terug.
Het deed er niet toe wat hij had gedaan, hoeveel hij had gewerkt,
het deed er niet toe voor wie, of hoe moeizaam hij zich door de
sneeuwhopen had gesleept.
Hij was in leven en keerde bij oma en mij terug
en uren na elkaar, ‘s nachts, na zijn komst,
speelden we alsof we elkaar nog nooit hadden gezien.
Wij en het roet van de wolken.

CLAUDIU KOMARTIN

ik hou van die stad

ik zou willen dat deze morgen je handen had
want de nacht is diep en koud geweest
‘diep en koud’, had men kunnen zeggen

als de mond van een filosoof
verdwaald
tussen duistere bladen

ik zou willen dat deze morgen je rug had:
die weegschaal overtrokken met een roze huid,
waaronder welwillende sterren flonkeren

ik hou van die stad in de verte
waarin het milde licht
van de avondschemering
jouw naam meekreeg.