Gedichten

Het nieuwe land

Ik werd wakker in een nieuw landschap
met paarse vogels, groene bloemen en giftige vlinders.

Ik hoorde het zingen van de beekjes
milkshake waarin vissen naar de bodem zonken,

in de verte rezen bergen balkenbrij op
uit een zee van vlokkige melkwei,

ik zag schapenweitjes waar gebraden haantjes
te pletter vlogen tegen gsm-masten.

In de bergen vielen gezelschappen naar beneden

en ik zag je tanden
lang en hard als pantserwagens.

In dit nieuwe land
dat wij samen betraden
mocht ik niets meer voelen,
ik moest alles leuk vinden en super

en o nergens zag ik mensen,
nergens mensen meer
om lief te hebben.

Vrijdagochtend

Ik ben naar de wc gegaan, trillend van woede,
om een gedicht te schrijven.
Beneden mij zie ik mijn schoenen,
mijn gespreide knieën,
alsof ik het leven moet schenken aan een monster.
Het voelt goed een pen vast te houden
op deze plek,
alsof ik een wapen heb.
De wc is een riante wellnessruimte met watergeluiden,
geflankeerd door engelen van brons.
Hier vecht ik in het geheim tegen de Cloud,
waar al mijn bestanden in verdwenen zijn.
Ik vraag me af hoe vaak mijn collega’s
naar de wc gaan om te vloeken,
uiting te geven aan dwanghandelingen,
of vijf minuten lang hysterisch te huilen,
vervolgens door te spoelen.

Zondagochtend

De hele lege dag
staat de auto achter het huis te wachten.
Morgen moet ik naar kantoor om deze tijd.
De auto staat klaar.
Hij wacht op mij.
Mijn vriendin verbiedt mij aan morgen te denken.
Vandaag ben je vrij.
Deze vrijheid, deze hele dag van vrijheid
is mij contractueel toegekend.
Ik zou heel even in de auto kunnen gaan zitten.
Op het koele leer. En de radio aanzetten.
Om te voelen hoe het is naar mijn werk te rijden,
zonder dat ik naar mijn werk rijd.
Ik voer mijn plan uit.
Dit is nochtans waar ik recht op heb.
Dit is vrijheid.
Ik streel het stuur, draai het raampje open.
Wacht een uur.

Chandler Grafner

1.

Het donker is zacht en leeg en geweldloos.
Schoensmeerzwart, zo dik dat je het snijden kunt.
De mond openen om een hap te nemen
van het schemerlicht dat door een spleet komt.
Proberen het te drinken, in het donker opgevouwen.
De hele dag. De hele nacht. Zoeken naar
vlokjes havermout en voelen hoe je spieren branden.
Hoe je bloed dik wordt. Dromen over water.
Wakker worden en haaien zwemmen om je heen.
Je likt het droge ijzer van het slot.

Buiten wacht een draak. In de nacht is de dood.
En de dag is een flinterdun vliesje over de nacht, een laagje cellofaan
met het leven van een kind erop geprint.

Je steekt erdoorheen met een mes,
om te laten zien hoe dun het is, hoe ongeloofwaardig.

In je eigen plas liggen. Je eigen uitwerpselen.
De stront over de muren smeren, omdat je niets anders kunt doen dan dat.
Fluisteren dat je een mes zult pakken
Het daglicht villen. De slacht.

Recensie van Een steen openvouwen - Alexis de Roode

‘Ik ben vandaag in dienst getreden van het goede’

Alexis de Roode
Een steen openvouwen
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598517
€ 17,50
80 blz.

Alexis de Roode timmert al een kleine 15 jaar aan de weg met zijn poëzie. Een steen openvouwen is zijn eerste bundel in zeven jaar, na Gratis tijd voor iedereen (2010). In deze zeven jaar heeft hij overigens geenszins stilgezeten. Samen met Daniël Dee en Benne van der Velde bracht hij vorig jaar de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is uit. Op hekelvers wordt dit project voortgezet. Ook is hij actief lid van het Utrechts Stadsdichtersgilde, waar hij van 2014 tot 2016 gildemeester van was. Hoe belangrijk en geliefd ook, de stad is hem vaak te benauwd. De spanning tussen mens en natuur is een belangrijk thema in zijn werk, nadrukkelijk verkend in zijn tweede bundel Stad en land (2008). De natuur is bij De Roode een oerkracht, een mythische en doorleefde aanwezigheid, zoals we die eerder aantreffen in het door hem geliefde Zweden dan in het kille, aangeharkte Nederland. Toch kenden zijn eerste drie bundels verder een gevarieerde samenstelling waarin ook veel aandacht voor persoonlijke beslommeringen en wel en wee in de liefde.
Een steen openvouwen heeft een motto van Comte de Lautréamont: ‘Ach, wat is dan toch goed en kwaad! Is het een en hetzelfde (…)’. Het eerste gedicht sluit hier direct op aan: ‘Ik ben vandaag in dienst getreden van het goede, / met inzet van al mijn beperkte middelen, / om de wereld tot een betere planeet te maken.’

VRIJDAGAVOND

Mijn baan is fantastisch. Ik meen dit
wat ik eerder ook gezegd moge hebben.
Vanochtend verliet ik gebroken mijn huis,
maar als een koning keer ik terug.

Gedurende acht uren nam een weten bezit
van mijn wezen: dat ons doel een goed doel is.
O taken die aansnellen als vrolijke kinderen,
kwetterend, licht hysterisch! Als vanzelf

kwamen ze naar me toe en evenzo vanzelf
voerde ik ze uit. Glinsterende vissenscholen,
lokkend en verschietend. Geweldig bedankt!
E-mailtjes fluisteren dat ik onmisbaar ben.

In de file naar huis glijden koude slangetjes
langs mijn ruggengraat omhoog, hun gevorkte
tongen schieten uit en likken mijn cerebellum,
briljant, ik zie nu hoe briljant dit bedrijf is,

het is geen vlees, het is een nieuw bewustzijn,
we zijn echt een beweging en het knettert
in mijn hoofd ter hoogte van de Meernbrug
heb ik een geniaal idee voor een viral

straks thuis nog even uitwerken na het eten
en voor middernacht naar mijn baas mailen
ik wil dat hij zijn grote glimlach lacht (briljant)
het doet bijna pijn om naar huis te gaan.

Het enthousiasme van deze kantoormedewerker laat zinsbouw en interpunctie ontsporen, en werkt aanstekelijk. Wie kent dat gevoel niet: ‘E-mailtjes fluisteren dat ik onmisbaar ben.’ Maar de totale toewijding van deze werknemer wekt ook argwaan. Wat is het niet benoemde doel van het bedrijf? En hoe ziet de baas er uit, met zijn briljante glimlach?
Veel gedichten hebben een donkere, om niet te zeggen donkerroode ondertoon. De achterflap spreekt van ‘de meest sardonische en lyrische gedichten’ die De Roode tot nu toe schreef. De dichter geeft woorden aan de schutter van Columbine, en schotelt ons een enthousiaste introductiebrief van een nieuwe medewerker in Treblinka voor: ‘Ik heb er veel zin in! Doen waar ik voldoening uit haal bij een bedrijf dat bij mijn waarden aansluit.’ Wrange grappen. Maar ook teksten die voelbaar maken dat zelfs deze zwarte bladzijden in de geschiedenis door gewone mensen met hun eigen kleine overwegingen en behoeften geschreven zijn. En omgekeerd: dat misschien de gewone man met zijn kantoorbaan een radertje is in een groot, vernietigend systeem.

De bundel kent vier afdelingen: ‘De Dwaas’, ‘De Heerser’, ‘De Duivel’ en ‘Het Oordeel’. We herkennen hierin vier speelkaarten uit het Tarotspel. Toch kent de bundel een minder duidelijke thematische opbouw dan deze titels doen verwachten. De worsteling met goed en kwaad en de thematiek van het kantoorleven als metafoor voor de moderne mens zijn in meerdere afdelingen terug te vinden. Mooi is de overeenkomst tussen het eerste en het laatste gedicht van ‘De Heerser’. In ‘De jongen in het gras’ wordt de wereld een kwartslag gedraaid: ‘Recht tegenover hem stond het heelal. / Achter hem de muur van de groene planeet. (…) // Hangend aan de aarde, buik naar de afgrond, / blik naar beneden, zag hij miljoenen / sterrenstelsels als lichtgevende draakvissen / wegzinken in de diepte.’ Het laatste gedicht van de afdeling, tevens titelgedicht van de bundel, nodigt uit een soortgelijke beweging te maken: ‘Kantel de regels om het riet te zien. / Ga staan met je rug tegen de grond, / en kijk de sterren recht in de ogen, / tot ze op je af komen stormen. / Open je mond. Slik ze in.’ In ‘Schepping, week 2’, het tweede gedicht van deze afdeling, bouwt de dichter voort op het thema mens en natuur. Voor de afwisseling een vormvast gedicht, zeven strofen van zeven regels, waarin het scheppingsverhaal op hilarische wijze vanuit het standpunt van de mens wordt bekritiseerd:

De mens sprak: De dieren en planten behoren aan mij,
maar zij gehoorzamen aan tijd. Ze bloeien in de lente
en geven zaadvruchten in de herfst. De vogels leggen
eieren naar hun aard, maar in de winter leggen ze niks.
Ik zal de planten een huis van glas geven en in de kippenstal
zal ik een helder licht branden. Ik zal eieren eten in december.
Weer werd het avond en morgen: de derde dag.

In de derde afdeling, ‘De Duivel’, staat het kwaad volledig centraal. Het gedicht ‘Chandler Grafner’ vertelt ons over de gruwelijke dood van dit zevenjarige Amerikaanse jongetje (2000 – 2007). ‘En de dag is een flinterdun vliesje over de nacht, een laagje cellofaan / met het leven van een kind erop geprint.’ Het dunne laagje beschaving, de beestachtigheid die misschien wel in ons allemaal schuilgaat. Confronterend. En minstens zo confronterend is het gedicht dat hierop volgt: een opsomming van tientallen namen van kinderen die door hun ouders of verzorgers zijn vermoord. Is dit nog poëzie? Is het een aanklacht? Het getuigt ook van een obsessieve interesse van de dichter in deze gitzwarte materie. In het gedicht ‘Scott’ beschrijft De Roode even verderop in nuchtere en gedetailleerde bewoordingen de moord op een driejarig jongetje door zijn moeder en een vriend, vanuit het gezichtspunt van een huisgenoot. De dichter lijkt te onderzoeken hoe ver hij kan gaan, niet alleen in zijn verbeelding maar juist in de weergave van een werkelijkheid die onze ergste voorstelling te boven gaat. Het doet denken aan de poëtische wederwaardigheden van Gottfried Benn (1886 –1956) in het lijkenhuis. Maar zit de lezer hier wel op te wachten?

Gelukkig zijn er ook gedichten, waarin De Roode in lyrische en heldere stijl misstanden aan de kaak stelt. Gedichten zonder overdadige ironie, zonder dubbelzinnige flirt met het kwaad.

VRIJHEID

Vrijheid, o opgerekt, uitgelubberd woord,
uitgetrokken tot een flinterdun vlies
over ijskoude Hollandse luchten,

woekerend woord in dit steenrijke land
waar de mensen vet van vrijheid zijn,
vrijheid van vrije markt en vrije jongens,

vrijheid om door de brievenbus te pissen,
vrijheid om een kopstootje uit te delen,
vrijheid om je zwangere vrouw in elkaar te slaan,
vrijheid om kinderen in een cel op te sluiten,

o vrijheid, ploertendoder van Kapitein Krijsbek
vrijbrief voor vreemdelingenhaat,
moordenaar van gelijkheid en broederschap,

claim je Franse naam terug,
kruip uit de monden van de ratten
en klim op ladders de hemel in,
schijn op alle mensen, verwarm dit bange land.

Wat een schitterende oneliner: vrijheid, moordenaar van gelijkheid en broederschap. Laten we deze allemaal retweeten. Laten we Kapitein Krijsbek uitnodigen zijn partij om te dopen in Partij voor de Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Omdat het één niet zonder het ander kan. Laat vrijheid weer klinken zoals in het gedicht van Paul Eluard: Liberté!

Poëzie Kort 2016 / 6

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.), Ik proef iets wat bedorven is.

Door Hans Puper

De samenstellers van de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is willen laten zien dat het een misverstand is hekeldichten uitsluitend als light verse te beschouwen, want ze kunnen ook ‘groots, ernstig en complex’ zijn. En dat is natuurlijk niet hetzelfde als nobel: ze kunnen tegelijkertijd vals, leugenachtig, incorrect of ronduit smerig zijn. Het dieptepunt wordt gevormd door een weerzinwekkend anti-semitisch gedicht van de nazi Georg Kettmann uit 1941. De samenstellers motiveren die keuze door te stellen dat, als je volledig wilt zijn, een ethisch oordeel geen bruikbaar criterium is voor de selectie van hekeldichten. Ik ben dat met hen eens. De ethiek komt door de achterdeur echter weer binnen, doordat zij één zo’n voorbeeld genoeg vonden en dat waardeer ik. Alle andere opgenomen gedichten, hoe vals of leugenachtig ze soms ook zijn en hoeveel ergernis ze ook kunnen opwekken, blijven binnen de grenzen van het voorstelbare.

De samenstellers blijken de definitie van hekeldichten erg ruim te nemen en daardoor houden zij de misvatting van light verse ten dele in stand . Een voorbeeld is het gedicht ‘Raad’ van Annie M. G. Schmidt over het advies van een moeder geen dichter als man te nemen: ‘zo een wordt er ook met de jaren / niet monogamer op …’ . ( … ) ‘Neem liever de kruidenier, dochter. / Want alle tederheid die bij hem / uitstijgt boven de kersenjam / en boven de kleine zakjes blauw, / dochter, is altijd voor jou’. Ik kan dat met de beste wil ter wereld geen hekeldicht noemen, hoe geweldig ik het ook vind. ‘De’ kruidenier in plaats van ‘een’. Prachtig.

Een echt hekeldicht komt voort uit heftige verontwaardiging, woede, haat of minachting, soms zelfs alle vier tegelijk. Jan Greshoff schreef in al in 1932 het ‘Wiegeliedje’ over de nazidreiging. De eerste strofe:

Kleine S.A.-man, slaap zacht,
Hitler houdt immers de wacht;
Voor hém heb je pas in het holst van den nacht
Een zoodje marxistische joden geslacht:
Kleine S.A. – man, ’t gaat goed,
Geen betere meststof dan bloed.

Het zou me niet verbazen als dit gedicht, waarin iedere strofe begint met dezelfde regel, ten grondslag ligt aan de tekst van ‘Welterusten Meneer de president’ van Boudewijn de Groot.

Het is niet verwonderlijk dat het aantal hekeldichten toeneemt naarmate we dichter bij onze tijd komen: we hoeven maar aan de scheldpartijen op Facebook te denken – over kwaliteitsverschillen heb ik het hier natuurlijk niet.

De gedichten zijn ondergebracht in afdelingen. De meest venijnige vind je in ‘Tegen poëzie en de literaire wereld’ en ‘Tegen dichter X’. Je krijgt een beeld van collega’s die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en als verschijnsel is dat boeiend om te lezen. Afgunst neem soms zulke kleinzielige vormen aan, dat een hekeldichter zichzelf effectief de grond in boort. Neem Jan Kal, die jaloers was op H.C. ten Berge, omdat deze kennelijk meer subsidie kreeg dan hijzelf – het gedicht stamt uit 1997. ‘Hij zat op 38 000 gulden, / Ik op een twaalfde: 3200.’ Dat kwam natuurlijk doordat de geldgevers snobisten waren, anders hadden ze hem wel ruimer bedeeld. De laatste strofe van onze caberateske sonnettenbakker: ‘Ik ben geen epigoon van Ezra Pound / maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound. / En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.’ Jan Calimero.

Een aantal dichters reageert op hekeldichten van anderen. Je kunt ook zelf gedichten met elkaar in verband brengen. Zo zegt Marc Tritsmans in een hekeldicht tegen de dood dat die ‘hebberig naar alle / lijven graait en vergeet waar / het echt om draait’. Het lijf is slechts overbodige ballast. In de laatste strofe zegt de dichter: ‘Povere / mislukkeling: precies hetgeen je / hebben wilt ontsnapt je elke keer.’ Dat gedicht zou je kunnen laten volgen door eentje van Leopold uit een andere afdeling. Hij onderscheidt twee soorten mensen: ‘intelligente mensen zonder vroomheid / en vrome mensen zonder intellect.’

***

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.) (2016). Ik proef iets wat bedorven is. Uitgeverij Passage, De doos van passage, 109 blz. € 19,90


Jan Fabre,
Restanten

Door Lennert Ras

Jan Fabre exposeerde onder andere in het Louvre in Parijs en is bekend om zijn performances en theaterwerk.

Restanten is een ode aan de droom, meer in het bijzonder de nachtmerrie. De droomwereld is misschien te verkiezen boven de dagelijkse wakende staat, ‘omdat ik de droomreizen in mijn droomwereld / veel spannender en plezieriger vind / dan de harde realiteit / (van een theatervoorstelling).’ Fabre is een slechte slaper.

In de bundel maakt hij gebruik van de herhaling en ook speelt hij met spreekwoorden en gezegdes. Hij schuwt de seksualiteit niet en het Oedipuscomplex komt voorbij. ‘Zoals elke zoon zijn moeder penetreert / in zijn kwellende maar vanzelfsprekende droom.’ In zijn droom grijpt de verteller zijn prooi.

Op de achterkant van de bundel staat een gedicht uit de bundel afgedrukt: ‘onthoofd me / zodat ik kan slapen / eeuwig / want ik heb veel minder angst / voor de dood / dan voor het altijd wakker zijn.’

De bundel heeft een spirituele inslag. De droom is geschreven in een vergeten taal en brengt ons bij de belangrijkste bron van wijsheid. Het is een dromerige bundel, maar ook hard. De droom spaart je niet. Ze beschrijft Fabres worsteling met de slaap.

De bundel werd geschreven met het oog op Mount Olympus, een ambitieus project waarin dertig jaar theater maken samenkomt. Mount Olympus brengt een brok geschiedenis aan de hand van verhalen en figuren uit de Griekse tragedies. Toch lijkt de Griekse oudheid geen overheersende rol te spelen in de bundel. Alhoewel de verteller het wel heeft over zijn favoriete Griekse componist. Voor mij refereert de inhoud van de bundel eerder aan de indianen met hun dromenvangers.

De bundel heeft soms een filosofische ondertoon. Want wanneer leef je nu echt? Tijdens het waken of tijdens de droom? De bundel schudt wakker, zet aan het denken en doet verlangen naar de belevingen in de remslaap.

***

Jan Fabre (2016). Restanten. De Bezige Bij, 96 blz. € 18,90

Anja Jager en Margreet Schouwenaar, Warm van vacht

Door Hans Puper

Warm van vacht bestaat uit een serie van dertien miniaturen van Anja Jager en de gedichten die Margreet Schouwenaar daarbij heeft gemaakt.
In het colofon staat dat Jager een middeleeuwse schildertechniek heeft gebruikt, ei tempera. Ze doen dan ook denken aan de verbazingwekkend rijke kunstwerkjes in 13-eeuwse handschriften, bijvoorbeeld de Arthurromans. Die zijn echter zeer ingetogen, in tegenstelling tot deze miniaturen: die zinderen van erotiek door de niets verhullende kleding en de vorm van bladeren. Het contrast met onschuldige poppen of beertjes onderstreept die erotiek nog. Een overeenkomsten met de middeleeuwse hoofse miniaturen is de sprookjesachtige sfeer.
De bundel is een ode aan de liefde: ‘als spel, als jagen, als dromen en verboden vrucht’. En liefde is natuurlijk geen liefde zonder verdriet. In ‘Mijn lief is mijn lief niet meer’ leidt dat niet tot passiviteit: ‘Ik zal hem nooit meer vinden / dan waar hij zich naliet, maar meer zal ik / worden dan zijn ontbreken.’ Mooie regels.

In ‘Liefste zei hij’ speelt Schouwenaar een elegant spel met taal en werkelijkheid. Er is de beschreven werkelijkheid en er is de talige van het gedicht. De ‘ik’ stelt zich een beeld voor: het eerste woord op een onbeschreven blad van de liefde te zijn. Haar liefde wordt werkelijkheid: ‘Liefste’ zei hij, ‘liefste!’ En ik was het.’ In de talige is werkelijkheid is ‘Liefste’ ook in concreto het eerste woord.
Mooi is ook de paradox in de derde strofe: ‘pluk [de liefde] met geen / woord. Laat haar vallen als fruit.’ Maar het woord – dit gedicht – brengt de liefde wel degelijk tot leven.

‘Liefste’, zei hij. ‘Liefste.’
En ik wilde de liefste zijn
als een eerste woord
op een wit blad, als
milde regen na een droge
dag. ‘Liefste’, zei hij,
‘liefste!’ En ik was het.

Ik was de kom van handen
waaruit water liep, de muziek
van wilde wind en mals blad.

Maar van woorden was ik niet.
Ik aarzelde zelfs om te spreken.
Spelen wilde ik en van het wikken
zocht ik de wegen.
Wek de liefde niet voor zij wil
ontwaken, pluk haar met geen
woord. Laat haar vallen als fruit,
vochtig door de lippen van de dauw.
Hoe ze zingt: voor jou, voor jou.
Alleen voor jou.

Ik doe beiden tekort door alleen een gedicht te citeren, want de gedichten en miniaturen geven elkaar glans. Koop de bundel, zou ik zeggen. Het zou mooi zijn als er een expositie werd georganiseerd waarin miniaturen en gedichten paarsgewijs werden opgehangen. En als ik conservator was, zou ik in de expositieruimte nooit meer dan dertien personen tegelijk binnen laten, zodat niemand wordt gestoord door hinderlijke mede-bewonderaars.

***

Anja Jager, miniaturen en Margreet Schouwenaar, poëzie (2015). Warm van Vacht. Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 34, 40 blz. € 18,95. (NB Op de titelpagina staat dat de bundel is uitgegeven in 2015, in het colofon wordt 2016 vermeld).

Dirk Kroon, Verzamelde liefdesgedichten

Door Hans Puper

De Verzamelde liefdesgedichten van Dirk Kroon (1946) beslaan een periode van vijftig jaar: 1965 – 2015. De bundel bestaat uit twee gedeelten: over liefde in het eerste deel van het leven en over liefde in het tweede. In het eerste tref je regels aan als ‘[wij] worden verslonden /door de vogelspin liefde’. In het tweede niet meer, dat is overwegend reflectief: de dichter kijkt terug, vraagt zich af wat liefde in de herfst van het leven betekent en welke rol de dood daarin speelt.

Kroon is het best als hij eenvoudig schrijft. (Voor de goede orde: dat is iets totaal anders dan simpel). Een gedicht waarin de ‘ik’ zich voorstelt dat hij tegen zijn geliefde blijft praten als zij dood zal zijn, is vertederend – of schrijnend, dat hangt af van de ervaringen van de lezer:

Afspraak

‘Als je dood bent,
blijf ik met je praten.
Niemand zal het horen,
maar ik zal vragen:
Vind je deze schoenen mooi,
of zal ik die andere nemen?
De verkoopster zal het paar inpakken
dat jij gekozen hebt.’

Het gaat niet altijd goed met de gedichten. ‘Wakker wordend kijkt ze zeer bestraffend / naar degene die haar durfde wekken, / een half oog kijkt verkennend op hem neer’ schrijft hij in ‘Straf’. Maar is het niet zo dat je klaarwakker moet zijn om bestraffend naar iemands gedrag te kijken? En kun je zowel bestraffend kijken als met een half oog op iemand neerkijken?
Bovendien maakt een gedicht soms de indruk het resultaat van moeizaam maakwerk te zijn, zoals ‘Osmose’. Achterberg zal hem op het idee hebben gebracht: hij schreef een gedicht met dezelfde titel. Voor het begrip van Kroons gedicht is het voldoende te weten dat het bij osmose om een dun vlies gaat dat wel een vloeistof doorlaat, maar niet de daarin opgeloste stoffen. De doorstroom duurt net zolang tot de concentraties van de opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk zijn. Hij gebruikt in de eerste strofe het volgende beeld: ‘De werkelijkheid is slechts een vlies / met eigenschappen die wij zelf / niet kunnen maken.’ Maar als de werkelijkheid wordt voorgesteld als ‘slechts een vlies’, dan valt al het andere daarbuiten. Dat beeld klopt niet. Waarschijnlijk bedoelt Kroon dat zo’n vlies voor de geliefden realiteit is.
In de tweede strofe beschrijft hij de richting waarin de vloeistof – liefde? – stroomt: ‘ik kom dan wel in jou terecht / maar jij vloeit nimmer in mij over.’ Het beeld is duidelijk, maar het heeft – bedoeld of onbedoeld – een seksuele connotatie en dat maakt het beeld bizar.

Het is een hachelijke onderneming om een bundel te vullen met zo’n 120 liefdesgedichten, want je moet van zeer goeden huize zijn om de lezer steeds opnieuw te raken. Het is Kroon niet gelukt, maar verwonderlijk is dat niet: het is voor weinigen weggelegd.

***

Dirk Kroon (2015). Verzamelde liefdesgedichten. – het is nooit volmaakt – . Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 35, 144 blz. €14,95

Recensie van Gratis tijd voor iedereen - Alexis de Roode

Wat tijd kost

Alexis de Roode
Gratis tijd voor iedereen
Uitgever: Podium
2010
ISBN 9789057594229
€ 16,00
52 blz.

Wie zich verveelt zal er niet meteen aan denken om Gratis tijd voor iedereen, de nieuwe bundel van Alexis de Roode, aan te schaffen. Toch zou het misschien geen gek idee zijn. De bundel is heel onderhoudend, en behalve dat: de titel is ook enigszins misleidend. De vlag dekt de lading niet. Er wordt geen tijd verstrekt op deze bladzijden, en al helemaal niet gratis (de bundel kost 16 euro bij oom Bol). En – helaas voor alle volksstammen die zich vrijblijvend de illusie denken te kunnen veroorloven – tijd is nooit gratis. Als het geen geld is, kost tijd altijd nog tijd: de dood wacht echt niet langer dan het leven nodig heeft (voor wie zich verveelt een goeie reminder).
Alexis de Roode weet dat natuurlijk allemaal wel. Maar waarom zou hij ermee zitten? Hij praat via zijn bundel met zijn lezers zonder er zelf verder tijd aan te hoeven spenderen en geeft en passant in de titel nog een leuke oneliner om te scanderen wanneer het leven ons te haastig wordt. Het is altijd weer verbluffend hoe een dichter liegen kan en ermee wegkomt! Maar genoeg hierover (woorden kosten immers ook tijd). De bundel opent met het volgende gedicht:

HET RECHT OP TRAAGHEID

Waarom zouden wij
u en ik
niet gerechtigd zijn
tot traag / leven.
Tot zeer / traag / leven.
Alle apparaten
mag u / uitzetten.
Stilstaan is
geoorloofd. Ten volle.
U mag ook
de ogen / sluiten.
Voor alles.
Zelfs eraan denken
hoeft niet.
U hoeft niet
te antwoorden.
U hoeft
niet / verder.
U mag hier blijven.
U hoeft / dit gedicht
niet uit te lezen.

Het leuke is natuurlijk dat we dit gedicht praktisch al uitgelezen hebben voor we lezen dat het niet hoeft. De lezer treft zichzelf in een paradoxale situatie. Maar is het gedicht dan werkelijk uit? Wanneer ons oog als een vliegtuig ‘de startbaan van het gedicht’ heeft verlaten begint het eigenlijk pas. En in deze metafoor denkend kan daar wellicht nog aan toegevoegd worden dat terwijl een echt vliegtuig steeds harder moet gaan om te kunnen opstijgen, precies het omgekeerde geldt voor het oog: pas (bijna) tot stilstand gekomen op papier komt een lezer in zijn eigen, niet aan tijd gebonden verbeeldingsruimte los van de grond.
De dichter doet in dit gedicht heel erg zijn best om dat effect te bereiken. Met korte zinnetjes die gedeeltelijk elkaars inhoud herhalen probeert hij ons het gevoel te geven dat we al lezend ‘tot stilstand kunnen komen’. Maar alleen de poging blijkt uiteindelijk geslaagd. Het gedicht als gedicht faalt omdat het de benodigde dramatiek mist, en misschien ook een stukje geloofwaardigheid. Iets wat voor meer gedichten in deze bundel geldt:

ECHO’S

De oude geliefde,
waar is ze nu?
(ze nu, ze nu)

Weet zij ook dat het nooit voorbij is,
de dingen die voorbij zijn?

Ach lief als je dit leest:
jij weet ook wel
dat je alleen nog bestaat
in mijn geest.

Je hebt nu misschien een baby
die op je lijkt.

Weet je dat er indertijd een ster verschoof –
soms kan ik geloven
dat wij daar nog ergens wonen.

In absolute duisternis
en bij nul graden Kelvin

zie ik Voyager I en Voyager II
voor eeuwig staren

naar het ongebroken beeld
van wie wij waren.

Genoeg stof voor dramatiek zou je zeggen. Maar ook hier overheerst de schijn. Het eeuwig staren van de Voyagers naar ‘het ongebroken beeld’ van wie wij waren suggereert alleen dat het beeld nu gebroken is. Maar een gescheurde foto hoeft nog geen echtscheiding te betekenen. Stond er in de laatste strofe bijvoorbeeld ‘naar het beeld van wie wij ongebroken waren’, dan was het al wat anders, maar deze poëzie lijkt zijn vingers niet teveel te willen branden. Daar is ze te licht voor, de bundel als geheel wat te gladjes. Wat overigens nou ook weer niet betekent dat er geen aparte gedichten in staan:

MIDDAG

Met de zon recht boven mijn keel
(het licht valt tot de ingewanden)
wil ik zingen: een opwaarts geluid
langs de as van het hart.
Muren trekken hun schaduw in
zoals een kat haar nagels en ik
lach: hoogmoed die uit banden knapt,
het huis tot in de hoeken verlicht,
verdrinkend in stortend wit.
Alle kracht wordt gestapeld
op de smalle zuil van de dag.
Dat vraagt om roekeloosheid.
Nu spelen! Duw de pilaar om! Alles los!
Zie hoe als een marmeren kogel
de zon de rode heuvel af rolt.

Deze ‘hoogmoed die uit banden knapt’ en in de kracht van zijn leven naar roekeloosheid neigt komt in elk geval geloofwaardig genoeg over om in de ondraaglijke lichtheid van het bestaan zijn val gesmeerd te laten verlopen. De Roode drukt zich plastisch vaak heel aardig uit. Het grootste gevaar wat hem bedreigt is dat van vervlakking.
In dit verband dringt zich de vergelijking op met Tjitske Jansen (eveneens uitgegeven bij Podium), wier bundel Het moest maar eens gaan sneeuwen ik toch wel wat beter vind. Jansen schrijft ook lichte, makkelijk toegankelijke gedichten, maar er zit over het algemeen meer venijn in dan bij de Roode, meer gif dat door de poriën (ook van een dikke huid) kan dringen:

Elvis-bril

‘Als ze niet durft te zeggen hoeveel
ze ervoor betaald heeft,
was hij duurder dan een tientje.’

Ik kocht niet alleen die bril voor al dat geld,
ik kocht ook
dat de jongen die hem droeg
hem niet meer dragen kan.

Zijn lijf stond hem te goed.

Jaloersheid (echt of niet) lijkt hier een serieus te nemen prikkel. Serieuzer te nemen, vrees ik, dan ‘de verwondering over de almacht van de tikkende klok’ van Alexis de Roode, waarvan gewag wordt gemaakt op de achterflap van Gratis tijd voor iedereen. Of toch niet? Er is een gedicht dat me doet twijfelen:

INWISSELBARE BEELDEN III

Achter het huis
staat een rammelende ribbenkast
die kwispelt als we uit de verte
nog eens naar hem kijken.
Ooit was hij een wolf
die in de bossen op ons joeg,
ons dwong te rennen voor ons leven.
We legden hem aan de ketting
van uren en minuten, lieten hem
arbeiders bijeendrijven,
schapen aan het werk zetten.
Toen hij onze hand begon te likken
gingen we minder van hem houden,
vergaten hem steeds vaker
eten te geven. Nu is hij versleten.
Op hoge trillende poten
staat hij te janken van geluk
als wij aan komen lopen met het touw,
speurend naar een tak.

Hier heerst wel een totaal andere sfeer dan in de meeste gedichten van de bundel. En helemaal grimmig wordt het in die laatste regels, waar het niet duidelijk is of we gaan wandelen met de hond, of dat we hem gaan afmaken. Hoe dan ook: dit is een gedicht met een ‘bite’, zoals er niet vele zijn. Ik weet alleen niet of ‘inwisselbaar’ de juiste benaming is voor deze ambivalentie, dit ‘open einde’. Wat mij betreft niet. Het beste is nooit inwisselbaar. Dat is in strijd met het wezen van de tijd, en leidt – verdorie! – alweer tot verveling.