Gedichten

Het onopmerkelijke van mussen

Om kruimels, glippend door de mazen
van de dag, speelden opgewonden mussen
zich als een oud pauzefilmpje af.

Telkens verspringende beeldjes, bij beetjes
gemiste mus daartussen, ik zag ze
stukjes aanwezigheid overslaan.

Je vroeg toen waar ik was, man die naast
je zat in zijn stilte. Die zei het niet
te weten, want gedachten had hij wel,

onbeduidende, kolkend hoofd vol.
Maar geen idee van wat speelde ertussen,
waar hij zich ophield, vermiste man.

Fleischmann

De trein kreeg ik van mijn vader.
Bewaarde ik weer voor mijn zoon,
die er dan niet van kwam, later.

Haal ik hem voor de geest, ruik ik
elektriciteit, drukt zich die oude
vloerbedekking weer in mijn knieën.

Is het eten klaar, komt verlegen vader
achter de krant vandaan, moet de trein
alleen in de kamer blijven staan.

Gaat hij in mijn hoofd rondjes rijden
door voorbije tijd, over spoor zonder
wissel, zonder overgang – stootblok.

Rails ligt nu roestend in de berging.
Locomotief in coma, kolenwagentje
en wagons er weeskinderen bij.

Zolderdoden aan de dis

Je klom huiverend de trap op naar zolder,
waar de doden, in staat van ontbinding,
in een gruwelijk verbond aan tafel zaten
(Je familie beneden had niets in de gaten)

Je schoof aan. Als razenden schransden ze
vreemd wildgebraad, knettergek gevogelte
uit groteske oorden, macabere sagen.
Je durfde niet om de appelmoes te vragen.

Je was veilig, ongenode, vreemde jongen,
zo lang ze niet wisten dat je levende was.
Je keek hen wijselijk niet lang in de ogen,
hief mét hen grijnzend, krijsend, het glas.

Maar één hield je wantrouwend in het oog.
Kende hij je uit een vergeten proloog?
Wist je van iets, maar moest het vergeten?
Je hoorde je moeder weer: smakelijk eten!