Gedichten

Een oude film is Rusland; waar
je ook aan terugdenkt, steeds is daar
die achtergrond met veteranen,
ze dominoën met elkaar.

Als ik een borrel neem en sterf,
dan waait het in de vogelkers,
dan is voorgoed die kleine jongen
in shorts verdwenen van het erf.

Een grijsbesnorde veteraan,
zijn snoep weer in zijn zak gedaan,
zal denken: waar is hij gebleven?
Ik ben naar voren toegegaan.
 

Ode

Jawel, een draver!*
A.P.

Nacht. Een ster. Klabakken rijden
rond. Hun autolampen glijden
door de straten en de kuilen,
langs een muur, een boom, een heg,
en als boze dromen schuilen
griezels in de schaduw weg.

Vier man sterk op pad getogen.
Acht verdrietig-blauwe ogen.
Ivanov. Sinitsyn. Zjarov.
Lejkink, tweeënveertig jaar,
aan de broekriem zijn Makarov –
een pistool (ik zeg het maar).

Bij de winkel ‘Frisse dranken’
ligt een kerel op een bankje.
Zegt Sinitsyn: ‘Even kijken,
jongens, ik vertrouw het niet.’
Ivanov, Sinitsyn, Lejkin,
Zjarov: rover of bandiet?

Nacht. Er dreigen korte metten.
Bloedig rode epauletten.
‘O, ‘t is niks,’ zegt dan de plisie
voordat men de tocht hervat,
‘dat is dronken Borka Ryzji,
beste dichter van de stad.’

* Uit de novelle in verzen ‘Het huisje in Kolomna’ van Alexander Poesjkin (1799-1837)
 

Als ik terugkom uit Nederland, geef ik je Lego,
en dan bouwen we samen een prachtig kasteel.
Je kunt jaren en mensen tot terugkeer bewegen,
en ook liefde – wat zeg ik, er is nog zoveel.
Ik ging weg voor altijd, maar terug zal ik komen,
en dan reis ik met jou naar de zon en de zee.
Of we huren gewoon iets goedkoops voor de zomer
en we tellen ons geld en misschien valt het mee.
We gaan leven en luieren tot het gaat sneeuwen.
En als zoiets niet lukken mocht eventueel –
nou, dan stuur ik, mijn zoon, je uit Nederland Lego,
en dan bouw je maar zelf een fantastisch kasteel.
 
Ik kom de bioscoop uit, ligt er sneeuw op straat.
Er staat een baardmans met een houten plank te vegen.
Een roze tram rijdt door de lucht – jawel, daar gaat
lijn vijfentwintig, nee, de veertien, nee, de negen.

De hele wereld is ineens een ander ding,
maar ik ben toch nog ik, waar moet ik het nu zoeken.
Ik bel vriendinnen op, maar nee, dat heeft geen zin,
er wonen daar allang weer anderen; ze vloeken.

Het komt doordat de sneeuw de bloemen heeft bedolven.
Ik zal naar huis toe gaan, de sleutels heb ik mee,
de lege kamers door, waar ik de kou voel golven.
Dan naar de keuken, hop, twee engelen aan de thee.
 

Twintig was ik, jong en onbezonnen,
en mijn jeugd beloofde wonder wat,
daarmee is het allemaal begonnen,
ik was dom en geen geheim is dat.

Eerst wou ik als dichter door het leven,
iets dat weinig perspectieven gaf,
want er wordt geen loon voor bijgeschreven
en geen bosje bloemen kan eraf.

Daarom ben ik mijnbouw gaan studeren
en ik werd met lof gediplomeerd.
Nu is ‘t uit met door de herfst flaneren,
verzen worden niet meer genoteerd.

Wel de roze violist beluisterd
in de roze rokerige kroeg.
Brede schouders heb ik en mijn knuisten
tellen in mijn zakken geld genoeg.

Dus een dichter ben ik niet geworden,
en ik weet, ik word er nooit meer een.
Heren, zeg eens, vindt u dat in orde?
Maar de heren drinken voor zich heen,

zwijgen, huilen en omhelzen meisjes,
drinken weer en zwijgen allemaal,
ritmisch hoofden schuddend op de wijsjes
blèren ze op rijm hun schuttingtaal.

(c) Boris Ryzji
Vertaling: Anne Stoffel