Recensie van De olifant van Oostzaan - Erik Bindervoet

Wartaal is waarheid

Erik Bindervoet
De olifant van Oostzaan
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360425
€ 17,90
112 blz.

Eén plaatje zegt meer dan duizend woorden. Het plaatje op het omslag van de bundel De olifant van Oostzaan van Erik Bindervoet wat mij betreft meer dan tweeduizend. Het gaat om een reproductie van The elephant Celebes, van Max Ernst en doet denken aan een stofzuiger. Een stofzuiger die op zijn beurt weer een rare olifant is. Op het internet vinden we de volgende beschrijving (Tate Gallery label, oktober 2016):

The central rotund shape in this painting derives from a photograph of a Sudanese corn-bin, which Ernst has transformed into a sinister mechanical monster. Ernst often re-used found images, and either added or removed elements in order to create new realities, all the more disturbing for being drawn from the known world. The work’s title comes from a childish German rhyme that begins: ‘The elephant from Celebes has sticky, yellow bottom grease’. The painting’s inexplicable combinations, such as the headless female figure and the elephant-like creature, suggest images from a dream and the Freudian technique of free association.’

Ernst kreeg het voor elkaar om ‘beelden uit een droom’ te suggereren. Beelden die normaal niet bij elkaar horen brengen, door ze bij elkaar te zetten, een bevreemdend effect teweeg. Dit moet Bindervoet hebben aangesproken.
De olifant van Oostzaan is, zoals de tekst op de achterflap zegt, één zeer lang, verhalend gedicht. Een SLURF misschien (Super Lang Uitgerekt Rariteiten Frutsel). Níet te verwarren met de slurf van de olifant die met zijn lange snuit een verhaaltje uitblies. Meer een slurf à la het internet: eentje waardoor we worden opgezogen. Op het internet door een aandacht slurpende stroom van informatie en in het gedicht door een kakofonie van personages en gebeurtenissen (wat op hetzelfde neerkomt).
Waar gaat het in dit gedicht over? Antwoord: dáárover. Het antwoord op de vraag is informatie. Het gedicht gaat over ‘een hotel in de polder, bedreigd door een gruwelstorm van informatie.’ Als we tenminste mogen geloven wat op de achterflap staat. En de achterflap moeten wij altijd geloven. Tenminste zolang wij ons zelf geen oordeel gevormd hebben.
Maar zoals ik al zei: het is een vrij lang gedicht (pakweg 100 bladzijden). Dus er staat nog veel meer in. Alles gedekt door de paraplu ‘informatie’.
Wat is informatie eigenlijk? Wikipedia: informatie (van Latijn informare: ‘vormgeven, vormen, instrueren’) is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. Interpreteren en integreren van informatie resulteert in kennis.
Leuke definitie. Vooral het eerste deel ervan. Weten we meteen dat veel van de ‘informatie’ die via het internet tot ons komt van een bedenkelijk niveau is, omdat onze onzekerheid en de ‘onbepaaldheid der dingen’ er ‘bepaald’ niet beter op worden.
Interessant duo: poëzie en informatie. Beide zijn interpreteerbaar, maar waar ambivalentie informatie vertroebelt, bloeit juist de poëzie. Een ramp voor een informaticadeskundige lijkt een zegen voor een dichter.
Het zou me niet verbazen als De olifant van Oostzaan aan deze (on)gelukkige omstandigheid zijn ontstaan te danken heeft. De chaotische wijze waarop informatie (vaak door elkaar en ongevraagd) op ons afkomt brengt hilarische en absurde situaties teweeg. Poëzie! moet Eric Bindervoet hebben gedacht. Poëzie die ontstaat door kortsluiting:

Er is kortsluiting.
Tussen de regels knettert
Interferentie.
Wat zijn dit voor boodschappen?
Wat wordt hier medegedeeld?

Beelden die in taal bij elkaar of door elkaar staan beïnvloeden elkaar net zo goed als de beelden op het schilderij van Ernst. Door interferentie ontstaan nieuwe betekenissen (iets waar dichters gretig gebruik van maken). Heerlijk voor het poëtisch gehalte van een tekst, maar desastreus voor de duidelijkheid. Toch gaat het (denk ik) bij Bindervoet niet alleen om de lol van het scheppen van poëzie uit ‘crashende informatie’. Er zit ook iets treurigs in de bonte stoet van personages die een schitterend ongeluk in dit gedicht staan te beleven. Er is – om te beginnen – sprake van nostalgie. Bijvoorbeeld in de eerste regels van het gedicht, waar de komende storm (van informatie) al stiekem in sommige woordjes verstopt wordt aangekondigd:

Bushalte de Kolk.
Waar Molen de Olifant
Stond, lang geleden,
En later badhuis annex
Verpleeghuis Ons Verpleeghuis, […]

Waar Ole Bouman
Nog een tijdje heeft gewoond,
De historicus
Die zijn geliefde uitschold
Voor lul als zij iets fout deed,

Zoals bijvoorbeeld
De kat van ome Willem
Opzetten terwijl
Hij om In een rijtuigie
Had gevraagd, heel duidelijk,

Staat nu een hotel.
Een hoog gebouw met kamers,
Een rechthoekig blok,
Uitgehouwen in de lucht
Van Oostzaan in Noord-Holland,

Het hotel dat geteisterd gaat worden door een ‘storm van informatie’ staat op een riskante plek. Een plek die vroeger veel wind ving. Er stond niet voor niets een molen. ‘Molen de Olifant’, die werd aangedreven door gewone wind. In een tijd dat er nog niet zoveel redenen voor misverstanden waren. Het leven ging nog niet zo snel – informatie ging nog niet zo snel, moet ik zeggen – en de kans op een ontsporing was misschien wat kleiner. Maar de basis van wat er komen ging was er al wel. Een molen (kolk) draait. Zoals ook een storm – een orkaan met een oog – draait. De dichter moet zich hebben gerealiseerd dat molens in de literatuur vaker gebruikt worden als beelden voor (beginnende) waanzin. Bij alle personages die hij noemt zit ook een zekere meneer Quichot.

Niet alleen nostalgie speelt de dichter parten. Ook de tegenstelling die hij – simpelaar – voelt met de ingewikkelde buitenwereld die als een storm van informatie op hem afkomt, valt hem zwaar. Daarmee gepaard gaat immers de miscommunicatie die mensen van elkaar dreigt te vervreemden. Wanneer iedereen in het hotel voor de storm aan het schuilen is en er van alles gebeurt schrijft hij:

Ik ben maar een simpelaar
Hou ervan als jij zegt ‘kook van jou’
Wij houden van elkaar
‘Houden van’ voor mij is dat ik hou

En dat ben jij nou
Laat je niet meer gaan
Jou heb ik en hou ik
Dicht tegen mij aan

Liefde blijkt uiteindelijk het tegengif. Maar de storm raast door. Het schilderij van Ernst wandelt als een levende nachtmerrie door het gedicht:

En over het land
Dreunde een log gevaarte
Van blik en beton,
Een monsterlijk wezen dat
Alles wat op zijn pad kwam

Vertrapte en met
Een stalen stofzuigerslurf
Opzoog en verzwolg
In zijn holle bolle bast
Ter vertering en vermaak.

Gehoornd was het beest
En het had ook slagtanden,
Een schaafmachine
Op zijn rug en de lege
Ogen van een gasmasker.

En de schaaf was ook
Een nietpistool en een schip
En het beest was ook
Een graansilo uit Soedan
En een tank uit W.O. I.

Een archetypisch beeld? Een metafoor voor de storm? Wie weet wat het is. Bindervoet lijkt er in elk geval door gefascineerd. Al wijdt hij er geen duizend woorden aan. Of toch? Zijn hele gedicht heeft iets van het schilderij van Ernst. En tegelijkertijd is het ook een hotel: een hotel waarin wij als lezers worden bestookt met informatie (zo werkt de ambivalentie, die in dit fragment wordt benadrukt). Iets verderop lezen we:

En de boom sprak: bij
Oververhitting krijgt u
Meer informatie dan er
Grenstoestanden zijn en gaat
De samenhang verloren,

De verstrengeling,
De lijn die ons bij elkaar
Houdt. En de steen sprak:
Spoken bestaan niet. Maar de
Kromme en de boom spraken:

Helder. Duidelijk.
En de verstrengeling sprak:
En vice versa.
En er verschenen strepen
En er klonk statische ruis

Maar het beest ging door
En zoog het landschap
Kaal en woest en leeg
En het was aarde donker –
De kievit was zijn nest kwijt.

Een ogenblik waarop het mis gaat. Een virus? Een DDoS aanval? Misschien gewoon een crash, waardoor onze computer vastloopt. En daarop volgend: een terugkeer naar de toestand van vóór de (digitale) schepping; het scherm (het landschap) dat weer kaal en woest en ledig wordt: aarde donker.
Molen de Olifant is verdwenen. Daar kwam The elephant Celebes voor in de plaats. Met een soort stofzuigerslang als slurf. Een stalen slang waarmee het beest volgens de dichter ‘alles wat op zijn pad kwam opzoog en verzwolg in zijn holle bolle bast’. Ja, een stofzuiger denkt niet na over keuzes. Hoewel: hier wijkt de dichter toch af van het schilderij dat hij beschrijft. Het beest op het schilderij van Ernst heeft een gasmasker om en steekt zijn slurf in zichzelf (mogelijk zijn achterste). Is dat om zijn eigen stank niet te hoeven ruiken? Een gasmasker als filter voor het eigen ego, zoiets? Nu ja, het gaat waarschijnlijk om een beeld voor onze status quo! Zowel bij het schilderij, als in dit gedicht. En als we het over een soort stofzuiger hebben: is er een leegte in ons hoofd? Een nihilistisch vacuüm (mogelijk veroorzaakt door een geloofscrisis) waardoor we alles maar binnen laten komen en ons geen raad meer weten als het teveel wordt? Een informatiecrash heeft ook iets weg van een zwart gat waarin de meest uiteenlopende zaken op elkaar gedrukt worden. Ons hoofd als zwart gat en hotel tegelijk; ons hoofd als de riskante plek waar het om gaat en waar alles (om) draait bij het verzamelen van informatie!

Tot zover een interpretatie van de informatie die dit gedicht tenslotte óók is. Er zal ongetwijfeld nog veel meer over te zeggen zijn. Maar ik moet er een eind aan breien. Net zoals de dichter doet door te suggereren dat zijn gedicht een perpetuum mobile is en dat men de tekst kan blijven lezen tot het moment van overlijden (ja, ik zal daar gek zijn).

Het knappe van Bindervoets gedicht is dat het vragen oproept. Want antwoorden geven: dat is een heel andere zaak. Dat zou maar informatie zijn. Een gedicht is daar te ambivalent voor.

***
Erik Bindervoet (1962) publiceerde zeven dichtbundels, waaronder Voor altijd voor het eerst (2008), Het spook van de vrijheid (2010), De mond van de waarheid (2013) en Het vuil van de schoonheid (2015).
Samen met Robbert-Jan Henkes schreef hij onder meer Waar wij voor zijn en tegen en Bloemsdag; zij verzorgden verder geprezen vertalingen van Finnegans WakeUlyssesHamletKoning Lear en van de songteksten van The Beatles en Bob Dylan.

Recensie van rekonstruktie/konstruktie - sadà\exposadà

Poëzie voor de onderbuik

sadà\exposadà
rekonstruktie/konstruktie
Uitgever: crU
2018
ISBN 9789079993185
€ 30
150 blz.

Blijkbaar is het scheppen van kunst heel wat anders dan het analyseren ervan. Een conclusie als een open deur die, na het lezen van de bundel rekonstruktie/konstruktie van sadà\exposadà, helaas niet is dichtgegaan voor mij. En hierbij zou ik het willen laten.
Maar dat kan niet, vrees ik. Meander heeft me niet aangenomen om na twee maanden samenwonen (ik neem graag de tijd om te wennen) in een recensie alleen met déze uitspraak aan te komen. Dus zwicht ik voor wat geen verleiding kon zijn en ga iets zeggen over rekonstruktie/konstruktie van sadà\exposadà.

Nieuwsgierig? Okay. De lezer stelle zich direct bloot aan wat de schrijver met zijn diepzinnige inleiding mij mogelijk wilde besparen:

gouddildo

         bedien de fontein. drink zon uit water, de hoer is
goud in de fontein. bedien het fonteinkalf. drink de
hoer uit water, het kalf is goud in de fontein.
neem ontvangbad in de hoer. bedien de fonteindildo.
drink het kalf uit water, de vrouwmaker is goud in de
fontein. neem genadebad in de hoer. terug, de fontein
neemt zon. terug, de fontein neemt zaad. wat bezinkt is
koncentreergeur wat bezinkt is koncentreergeur.
           het waterkalf slaat het water.

           opgemaakte zon, zware hoer, berijdt als mensen
de hoerendoder, opgemaakte zon, zuivere hoer, vindt
in het bloed genade, vindt in het bloed
wijn en zuur.
       de waterhoer slaat het water.

Het advies uit de inleiding is om de tekst hardop te lezen en zo de ingewanden mee te laten resoneren. Dit is zintuigelijke poëzie. En voor de duidelijkheid: betekenis doet er niet (echt?) toe. Alleen de rite van de grammatica, de syntaxis: dát. Poëzie is dictie en de dichter is de niet-erkende wetgever van de wereld. Dus geen gezeur over… ja, waarover? Ik kan me niet onttrekken aan de gedachte dat het zelfs voor deze schrijver, of schrijfster (het blijft onduidelijk) wél uitmaakt wat er staat. Wat zijn dat anders voor wetten die een dichter uitschrijft? En een zinsnede als ‘drink zon uit water’ klinkt toch tamelijk begrijpelijk als een aanmoediging om de gespiegelde zon op te nemen. Ook ‘opgemaakte zon, zware hoer’, is niet vrij van betekenisvolle associaties (de zon schminkt zich in zekere zin met de stof waarop ze schijnt). Nog een voorbeeldje?

Uit de gele boeken/zout: XI louteraars: XLIII

     drankhuil koortsig over godsbleke kontheuvels, de
stroom over de witkoepel loutergeil.

     trek en drankhuil koortsig over bleke kontheuvels,
met koncentrerende tongen koncentrerende neus.

     fallusval van de
     witkoepelkont.
     trek in de
     louteraars. louteraars. louteraars. louteraars.

Goed. De schrijver hecht vooral belang aan de klank en het affect (gevoel) dat een tekst oproept. Hij (wiens naam niet genoemd mag worden) haalt uitvoerig Edmund Burke aan, die beweert dat van de drie effecten die woorden in onze hersenen opleveren (klank, beeld en gevoel) het beeld nog de minste impact heeft. Vooral het gevoel (affect) dat een tekst overbrengt steekt zijn kop diep in het onbewuste, dat ‘louter uit voorstellingen bestaat’ en geen uitsluiting kent, geen dit óf dat, zoals het dichotomische denken. Zelfs geen tijd: alles bestaat er broederlijk naast elkaar.
In het onbewuste worden temporele relaties naar ruimtelijke omgezet. Maar het omgekeerde gebeurt ook: wanneer we ons van iets bewust worden, wordt een voorstelling in het onbewuste voor de tweede keer bewerkt tot een proces in de tijd: tot spreken, schrijven, een taalvoorstelling. En deze secundaire bewerking is volgens de schrijver nog doortrokken van het primaire (onbewuste) affect. Woorden, die rare dingen die uiterlijk helemaal niet lijken op wat ze vertegenwoordigen, wekken uiteindelijk bijna hetzelfde affect op als de dingen waarvoor ze (be)staan! Daardoor wordt een nieuw soort ‘tijd’ geschapen: een tijd die de lezer niet zozeer ‘leeft’, als wel ‘leest’; een tijd die hij kan manipuleren door oogbewegingen en oogsprongetjes. Twee pingpongballen die gebroederlijk in hun eigen cadans over een tekst stuiteren scheppen een ‘ruimtelijke tijd’. De lezer wórdt de tijd, de ‘tijdeloze tijd’ zélf.
Teksten moeten de lezer ‘nieuwe ingewanden geven door een zin-zintuiglijke metamorfose’. Een soort gut feeling? Misschien. Maar metamorfose is volgens mij hier het sleutelwoord. Taal zou ons moeten openbreken en veranderen. Niet voor niets haalt de schrijver de mythe van Actaeon erbij. Een jager die met zijn vijftig honden een hert achterna zit. In het woud ziet hij tijdens de jacht als hij wat wil drinken bij een bron de godin Diana – die aan het baden is – per (on)geluk naakt. Diana straft hem daarvoor door hem in een hert te veranderen. De arme jager wordt daarna door zijn eigen honden verscheurd…
We moeten het niet vergeten: een lezer kan worden vergeleken met Actaeon. In het woud van de tekst zitten we als lezers een magisch hert achterna. Diana naakt zien (bij de bron!) is eigenlijk niets anders dan het (onbewust?) gezochte dat deel uitmaakt van onszelf in de bron, de tekst – die een spiegel is – te zien (te aanschouwen). Waarop deze eye opener ons als lezer verandert, en ons als een ‘haunting truth’ verscheurt (iets over jezelf leren is meestal niet leuk). Wat iedere schrijver uiteindelijk wil is zijn lezers veranderen! Lezen als herstructureren van hersenen: rekonstruktie/konstruktie. Poëzie als aanklacht en de lezer als aangeklaagde. Lezen als effect en de tekst als getuige.

Tot zover mijn interpretatie van de inleiding van de schrijver. Om de lezer een idee te geven van de context waarin deze poëzie gepresenteerd wordt. En over context gesproken (ik heb er al op gezinspeeld): sadà\exposadà is géén persoon. De schrijver vertelt dat het de naam is van een ‘corpus van teksten’. Een corpus waarvan de naam blijkbaar is geïnspireerd door (‘geroofd van’, vgl. de inleiding) de film L’ Empire des Sens (het rijk der zinnen) van de Japanse filmregisseur Nagisa Oshima uit 1976. Een hoofdrolspeler heet daar Sadà en heeft een onverzadigbare seksuele obsessie. Ze wil één worden met haar partner, die ze zelfs bereid is daarvoor te vermoorden (afgaande op hoe iemand anders dit beschrijft, want ik heb de film zelf niet gezien). 
Binnen dit kader past het dat de teksten obsessief en seksueel getint zijn en ‘zintuiglikke’ effecten proberen na te streven:

         ‘buig  jij  buig  voor  de   pik  buig  de  pik  in   je
volgmond.  buig. buig  de vis de  vogel, verstoort  de
mond het bloed. buig jij  buig  voor  de  pik  buig het
bloed in je volgmondring. buig. buig het speeksel de
wijn, vreet de mond het bloed. voed jij voed voor de
pik voed de pik in je volgmondring.’

Zijn er nog meer redenen te bedenken waarom de schrijver voor seksueel getinte teksten koos? Is het zijn Freudiaanse inslag die hem-het-haar heeft ingegeven? In de inleiding wordt Freud uitgebreid aangehaald. Het is mogelijk. Ik zeg dit omdat de inleiding feitelijk ook voor iedere andere soort poëzie kan worden gebruikt. Er is in wezen niets in het proces waarmee wij taal ondergaan dat voorschrijft hoe poëzie eruit moet zien (of wel?). En bovendien: de schrijver zelf geeft aan dat het belang van betekenis ondergeschikt is: ‘het onder een begrip brengen is irrelevant’!
Misschien is de schrijver zich ervan bewust dat in iedere lezer (en schrijver) een narcist verscholen zit, en geilt hij zichzelf op met zulke teksten (lijkt me niet onwaarschijnlijk hier). Seks is en blijft één van de grootste driften van de mens. Naast de doodsdrift natuurlijk, die in de film L’ Empire des Sens ook aan de orde komt. Is het een combinatie van deze beide driften die ons drijft…  bij lezen, én schrijven? Dat zou dan het sm-sfeertje in sommige teksten kunnen verklaren. De keurige en strakke uitvoering van de bundel en de intelligente inleiding passen daar uitstekend bij. Maar ik ben geen echte kenner dus ik weet het niet… Wat weet ik niet? Nou, voor wie ik deze recensie (deze aanklacht) schrijf. Een beklaagde die ontkent dat hij of zij van vlees en bloed is (want enkel taal) kan eigenlijk geen beklaagde meer zijn; een corpus van teksten maakt van iedere opmerking een boemerang die terugvliegt naar wie hem maakt. En de echte schrijver woont ver weg: onkwetsbaar in het bos, een super-narcist die zich compleet in zijn tekst heeft weggeschreven. Een goede metafoor verduistert, nietwaar? Ach, dát zit mij natuurlijk dwars! Dát (wat ik niet ken). Frustrerend, want

geen vrouw geen vent die ik als recensent
niet gaarne in het hart tref met mijn pen.

***
rekonstruktie/konstruktie bevat de drie boeken die voorafgaan aan de grote middag en de zaal van baards!, te weten: zienerlied-entartet, ON- en de gele boeken/zout. Voor de lezers van het eerdere werk van sadà\exposadà vormt dit boek een onmisbare completering. Voor de eerdere maar zeker voor nieuwe lezers heeft sadà een inleiding geschreven die een goede ingang geeft tot het geheel van dit corpus. (informatie van de website van de uitgever)

Recensie van Op de hoogte van de vogels - Dirk Kroon

Een barmhartige sentimentalist

Dirk Kroon
Op de hoogte van de vogels
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519047
€ 35
650 blz.

Onder de titel Op de hoogte van de vogels zijn bij Uitgeverij Liverse de verzamelde gedichten van Dirk Kroon uitgegeven. Bijna zeshonderd bladzijden gevuld met teksten, waarin een prominente plaats is weggelegd voor universele thema’s als liefde en dood. Poëzie waarvan de inhoud alvast geen belemmering kan zijn om gretig te gaan lezen… Helaas voor deze dichter behoor ik niet tot de groep mensen die, omdat ze liefhebbers van schepen zijn, een schilderij van een schip automatisch een goed schilderij vinden. Maar laat ik niet teveel op mijn eigen kritiek vooruit lopen. Een voorbeeld:

Disgenoten

Wie een atlas ter hand neemt
en tijd als een fictie beschouwt,
ziet in het hart van Europa de vuren
gestookt aan Bourgondische hoven,
de druiven geperst tot een weldaad.
Die warmte stijgt op naar het noorden.

Bedenk hoe schilders in Holland intussen
hun blik lieten dwalen in verten en luchten,
en de ultieme helderheid schiepen
die het kenmerk van onze plek werd.

Wie hier nu met liefde zijn werk vindt,
neemt deze twee ingrediënten, mengt
warmte en licht, schept klaarheid en
alles wat goed doet. Zo wordt het lam
van het land gebracht naar zacht vuur –
een knisperend teken van weelde.

Iemand heeft iets te vieren of te genieten,
heft dus uitbundig de glazen.
Het ogenblik tussen gelukwens en dronk,
laat ruimte voor de verbeelding. Het wordt
een stilleven: een milde dis waarop
alleen maar fonkelende lente ligt.

Zo op het eerste gezicht geen moeilijke poëzie. Maar dat kan nog tegenvallen. Wie scherp leest ziet al gauw dat je als lezer haast geen woord letterlijk kunt nemen. Wie in een atlas de vuren die gestookt worden aan Bourgondische hoven kan zien moet misschien toch wat verder van de kachel gaan zitten. En wat is die warmte die opstijgt naar het noorden? Geen schoorsteenwarmte vermoed ik. We zouden natuurlijk kunnen denken aan het vuur van kunst en beschaving uit de Renaissanceperiode. Maar dat wordt waarschijnlijk niet bedoeld. Italië is ook niet het centrum van Europa als we de kaart goed bekijken. Mogelijk bedoelt de dichter dat wij in het noorden bepaalde joviale gebruiken van het zuiden hebben overgenomen: de weldaad van de wijn, het Bourgondische zwelgen? Het blijft gissen. In de derde strofe blijft bij alle ‘klaarheid’ die in deze strofe geschapen wordt het woordje ‘zo’ tamelijk duister. Er wordt een logisch verband gesuggereerd, maar is dat er wel? Dat de dichter het niet zo nauw neemt met letterlijke zaken en dus ook niet met plastische blijkt eveneens uit de laatste strofe. Iemand heft daar meerdere glazen tegelijk. Tenminste, als we de laatste vier regels in ogenschouw nemen (ach, je kunt natuurlijk niet snel genoeg dronken worden).

Woorden in hun letterlijke betekenis zijn absoluut functioneel. Het zijn net ankers die voorkomen dat een schip wegdrijft. Dit gedicht van Dirk Kroon heeft iets van een schip dat aan het wegdrijven is: het geeft geen houvast. En het oogt een beetje nevelig: de logica dreigt uit het zicht te verdwijnen.
Misschien dat dempende adjectieven, zoals zacht en milde, dit effect nog versterken. De dichter lijkt scherpe contrasten te schuwen. Toegegeven, dat heeft ook voordelen: zwakke overgangen of een onlogische gedachtegang vallen daardoor minder op. In de derde strofe bijvoorbeeld, wordt een lam van het land naar ‘zacht vuur’ gebracht. Dat is niet alleen beschaafd, maar versluiert ook de wreedheid tegenover het lam dat voor ‘alles wat goed doet’ wordt opgeofferd.
Er zitten ongetwijfeld voordelen aan een wollige stijl. Maar de nadelen zijn groter: de zeggingskracht van een gedicht lijdt eronder als er weinig contrast is. Het gedicht krijgt minder profiel (men onthoudt het minder goed) en het straalt iets tams uit: alsof het de dichter aan durf ontbreekt. Het blijft steken in een veilige (conventionele) gedachtegang: in sentiment.

Een ander gedicht om dit nog wat meer te verduidelijken:

Gegeven

Je neemt de krant
en ziet de wereld.
Wat je niet kunt verdragen
lees je mij voor.

Ik staar naar jouw hand –
de diamant die je daar draagt
is harder dan de kale feiten.

Een statement: liefde is sterker dan de wereld, zoiets. Die diamant is blijkbaar een gift en zit daar niet zomaar. Maar ook hier een denkfout: er worden appels met peren vergeleken. Het hard zijn van de diamant heeft niets te maken met het hard zijn van ‘de kale feiten’. Bovendien: de diamant is waarschijnlijk niet gegeven omdat hij hard is, maar omdat hij mooi is. Dus ‘de mate van hardheid’ is niet een correcte dimensie om deze zaken met elkaar te vergelijken.
Ook in dit gedicht is er sprake van sentiment. Sentiment: die gemeenplaats van ingesleten gevoelens die wij allen hebben; gevoelens die in het verleden zijn gecreëerd en waarop heden nog gedreven wordt; gevoelens waardoor van te voren veilig verondersteld kan worden dat een lezer het met de daarbij passende en gegeven gedachtegang wel eens zal zijn. Een gedachtegang die daarom misschien ook niet zo heel precies hoeft te worden weergegeven… Of wel? Nu ja, het hangt er vooral van af wat we onder poëzie verstaan (wie veel sentiment in poëzie kan verdragen zal deze recensie niks vinden). Zelf kan ik er niet zo goed tegen. Ik heb het al eens eerder beweerd: om een goede dichter te zijn moet je scherp kunnen denken. Wat dus in dit verband betekent: denken zonder sentiment. Kroon is een bewonderaar van Achterberg. Dat is een heel goede dichter, ongetwijfeld. Maar ook een dichter die goed kan denken en vooral: een dichter (bijna) zónder sentiment (op het psychopatische af). In poëtisch opzicht een tegenpool van Dirk Kroon.

Gelukkig is het sentiment niet in alle gedichten even sterk aanwezig:

Elkaar

Je bent elkaar
te dicht genaderd,
verzet is nagenoeg onmogelijk –
je zou jezelf verwonden
als geen ander.

Kort en bondig formuleren bevordert soms de zakelijkheid. De twee laatste regels zijn de kers op de taart van dit gedichtje. En dan zijn er nog gedichten als deze:

Hoog bezoek

Het kwam niet om te nestelen
maar om even te verblijven,
voordat de winter overging.

Het heeft op ons balkon
een warme plek gezocht.
Het rilt en trilt soms,
bolt zich met z’n veertjes
tegen al te schrale wind.

Eerder dan de dag aanbreekt
zingt het al het zonlicht toe
in het donker van ons leven.

Het grote in het kleine. Vooral omdat het kleine op meerdere manieren is te duiden. Een gelovige zou hier een goddelijke aankondiging in kunnen zien voordat de winter van het leven (de ouderdom) voorbij is en de dag (van zijn dood) aanbreekt. ‘Het’ (geen vogel, maar een engel met veren dus; de bundel had ook Op de hoogte van de engelen kunnen heten) zingt hem al vóór zijn dood het goddelijke licht toe. En nu ik toch Christelijk zo goed op dreef ben: men vergeve het mij: ik vind dat poëzie meer moet zeggen dan wat er staat.

Recensie van Belgium Bordelio, volume 2 - Jan H. Mysjkin (samenstelling)

Moules belges (over parels en mosselen)

Jan H. Mysjkin (samenstelling)
Belgium Bordelio, volume 2
Uitgever: l'Arbre à paroles & PoëzieCentrum
2017
ISBN 9789056551261
€ 22,50
556 blz.

Als lezer kom je van alles tegen. Het volgende gedicht vond ik ergens, grasduinend in een bonte verzameling:

Ons

Ik zou van de bomen kunnen leren, van de katten,
van het rustige oktoberlicht, maar ik lees utopie
over mensen en machines, brood en rode vlaggen,
en het levert niets op, zoals je ziet.

Waarom beschrijf ik niet de geur van je oksels,
die mij scherp en aanwezig maakt, of de pijn
in je handen, die niet kan stoppen
omdat je wil boksen, wil slaan, telkens weer?

Dit is een rustige tijd in een rustige wereld, de zon
is schadelijk, maar dat valt niet op. De kranten
op tafel maken de koffie gezellig. Sterft een kind
om de drie of vier tellen, je hebt toch gelijk. Ons

mag niet kapot.

De eeuwige tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid. Of de schijn van de werkelijkheid, zo men wil. Het fraaist is misschien wel de derde strofe, met die ‘rustige tijd in een rustige wereld’. ‘Leugen, leugen!’ schreeuwde het in mij, toen ik dat las. Maar het staat er toch gewoon, gemoedelijk. Alsof het waar is. Zwart op wit legitimeert de leugen zich, wordt het niet ware waar. En de kranten op tafel maken de koffie gezellig, moeten we niet vergeten. Aan de oppervlakte gebeurt niets bijzonders. Inderdaad: ons mag niet kapot.
Waarom citeer ik dit gedicht? Misschien omdat het onze status quo weergeeft. Het tamelijk actuele (en Europese?) idee dat ‘alles gewoon moet doorgaan, wat er ook gebeurt’. Interessant is dan ook nog dat het een Belgisch gedicht is (geschreven door Charles Ducal). België: het land waar het beleg en het brood maar niet aan elkaar willen wennen (het is niet eens duidelijk wie wat is). Maar zo krijgt dat woordje ‘ons’ nog een extra dimensie.

Gebloemleesd in Belgium BorDeLioII, waarvan de scheppers ‘vastbesloten zijn om de grenzen tussen de gemeenschappen aan flarden te scheuren en het uit te schreeuwen dat er een wereld bestaat die werkelijker is dan de wereld, een wereld waar de wortels naar de hemel kijken en het woord redding brengt’ (einde citaat), werd dit gedicht in 2017 te midden van een ‘nieuw zootje van tweeëntwintig dichters’ uitgebracht.  
Een bloemlezing is een soort dierentuin waarin vogels van allerlei pluimage gekooid zitten. Maar dat terzijde. Ik heb eigenlijk een hekel aan bloemlezingen. Maar ook dat terzijde. Er staat altijd een heleboel troep in bloemlezingen (terzijde). Wat je wel wil lezen ontdek je pas als je een heleboel hebt gelezen wat je niet wil lezen (parels zijn zeldzaam bij mosselen):

VI

Het is een hele weg van vuuridee naar metaaldaad.
De mooiste bloemen bloeien waar schaduw verkeert in
licht.
De kaalste melodieën kukelen je kinderjaren uit, waar
de dood rijmde op zichzelf.
Het is een hele weg van de naam van het niets naar het
niets van de naam.

Dit wou ik wel lezen. Véronique Bergen schreef dit als onderdeel van een reeks, die in zijn geheel is opgenomen in de bloemlezing. Dood was alleen maar (het woordje) dood in je kinderjaren, simpel toch? De laatste zin schittert door zijn eenvoud en diepzinnigheid. En er zijn meer reeksen in deze bundel:

II

De kapitein is zich ervan bewust dat de wereld om hem
heen bestaat en dat baart hem zorgen, want die hele
wereld geeft geen moer om hem. Hij zegt bij zichzelf
dat de wereld een kwade droom is, een huiveringwek-
kend hersenspinsel want de werkelijkheid. Het stelt
hem gerust dat de wereld veraf is, zo veraf nu dat hij
hem sinds lang uit het oog is verloren. De wereld is zijn
bestaan vergeten, eet, drinkt, propt zich vol en wordt
dik. Dat is de Vooruitgang. Die wereld heeft machines,
allerlei toestellen – goede en slechte (maakt niet uit) –
hij bouwt zichzelf om tot een machine, een reusachtige
machine, zo ontwikkelt hij zich, dat is de Vooruitgang.

Een fractie van de ‘goddeloze wereld’ van Philippe Lekeuche, die het ons duidelijk maakt wat we in de toekomst kunnen verwachten nu de machines het overnemen en niemand zich een moer (meer?) voor ons interesseert. Toch blijft het leuk, volgens de samenstellers van deze bloemlezing, om ‘de toekomst recht in de ogen te kijken’. Optimist als ze zijn, gaan ze er van uit dat deze, en hun vorige bloemlezing (Belgium BorDeLioI) België zullen overleven.      

Leuk voor België. En voor Nederland, want wij kunnen er ook met volle teugen van meegenieten: alle gedichten (inclusief die van de dichters uit Wallonië) zijn zowel Franstalig als in het Nederlands weergegeven.
Omdat ik binnen het korte bestek van deze recensie niet van elke dichter iets kan citeren noem ik ze maar even: Annemarie Estor, Volauvent, Lucienne Stassaert, Erik Spinoy, Véronique Bergen, Gioia Kayaga, Runa Svetlikova, Charles Ducal, Els Moors, Werner Lambersy, Pascal Leclercq, L’Ami Terrien, Mark Insingel, Yves Namur, Rose-Marie François, Inge Braeckman, Jan Lauwereyns, Philippe Lekeuche, Andy Fierens, Geert van Istendael, Stéphane Lambert en Eugéne Savitzkaya hebben allemaal hun bijdrage geleverd aan deze bundel, die zo barst van de vitaliteit, dat er een stevige kaft omheen moest worden gedaan (zo stevig zelfs, dat ik er last van had tijdens het lezen: hij klapte als een mossel, als een rechtgeaarde mmmbundel telkens dicht). Ach, elke lezer kan er – parelvisser als hij is – na enig vouwwerk zijn eigen schat in vinden.  
Ik besluit met een fragment van een gedicht van Andy Fierens dat geraffineerder in elkaar zit dan misschien op het eerste gezicht lijkt (bijvoorbeeld in de vijfde strofe, waar de regels op slimme plaatsen worden afgebroken, zodat de lezer telkens op het verkeerde been wordt gezet):

het huwelijk

getrouwde mannen leven gemiddeld
zeven jaar langer
dan vrijgezellen of mannen
die samenwonen

ze zijn gezonder verdienen meer
ze ruiken beter pulken minder in hun neus

het heeft me jaren gekost
voor ik dat zelf inzag

zoals zoveel mannen wilde ik
niet trouwen maar zij wel

ik hou niet meer van haar
blondheid en rondheid
dan voor ik haar over de drempel droeg
maar het huwelijk veranderde
mijn perceptie

het werkt

het werkt
psychologisch

vrouwen willen trouwen

(ongetrouwde vrouwen horen de hele dag
het galopperen van hun eigen hart)

(ongetrouwde mannen verspillen
hun beste jaren aan dorstbestrijding)

(ongetrouwde mannen zoeken heil
bij de schijnbewegingen van de liefde)

(ongetrouwde mannen gedragen zich vaak
niet ethisch maar als je hen daarop aanspreekt
zeggen ze the eighties dat is dertig jaar geleden!)

(ongetrouwde mannen kijken naar films
met Bruce Lee en proberen dan hun vrienden
te karateriseren)

…….

Gelukkig kent het huwelijk verschillende varianten (het huwelijk dat België heet, is er één van).  Een vrolijke uitsmijter, dit gedicht, dat tevens opvalt door de (licht ironische) touch en toon die erin zit.
Ja, die toon, daar wil ik het nog even over hebben. Sinds ik begrepen heb van iemand dat heel jonge kinderen van gesproken taal het eerste de toon onthouden, let ik wat meer op de toon van gedichten. De manier waarop dingen worden uitgesproken is in elke taal anders. Kinderen blijken in de baarmoeder al klanken op te vangen en door het horen van hun moeder(s)taal in een heel vroeg stadium, die later gemakkelijker aan te kunnen leren. Ook als ze die taal niet spreken en in een ander land opgroeien. De mal van de klank is daarbij mogelijk leidend en stuurt de grammatica en de woorden (m.a.w. de klank is het bed waarnaar de taal zich als een rivier voegt). In klank kan angst zitten, boosheid, blijdschap, eigenlijk het hele scala aan gevoelens dat we willen uitdrukken. En we hebben vermoedelijk pas later geleerd er woorden bij te maken! Dit inzicht gaf me een andere kijk op het volgende gedicht van Kurt de Boodt, dat overigens niet in de bloemlezing staat:        

MOULES BELGES

Het schaap is de mal van het lam
De schelp is de mal van de mossel
De zee is de mal van het zout
Marcel is de mal van het beeld
De pijp is de mal van de rook
De kunst is de mal van de vondst
Het idee is de mal van Chistopher
Columbus is de mal van het ei
Het ei is de mal van de kip
De kip is de mal van het ei
De mal is de mal van de mal is
De mal van de mal is de mal van
La vache qui rit.

Een geniaal gedicht! Met als (malle) klap op de vuurpijl de toon van een lachende koe. Het bloemleest in zijn mal – de mal van het woord – als het ware alle gedichten en geeft wat mij betreft het beste weer hoe deze BorDeLioII in zijn geheel kan worden ervaren (tenslotte is niet alleen de dichter een koe).

Recensie van Meridianen van de doling - Serge Delaive

De spinnende schrijver (over de poëzie van Serge Delaive)

Serge Delaive
Vertaler: Katelijne De Vuyst
Meridianen van de doling
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551162
€ 23,50
104 blz.

Taal is een web en een schrijver is een spin, die vliegen probeert te vangen. Die vliegen zijn wij, de lezers, die – als het een goed web is – blijven kleven aan de woorden, die de spinnende schrijver voor ons heeft gesponnen tot een verhaal of tot een gedicht. Zijn schrijvers immuun voor hun eigen web? Het zou kunnen, maar ik denk het niet. Een schrijver kan ook blijven kleven aan zijn eigen web. Laat ik een voorbeeld geven. Een collega-recensent beweerde nog niet zo erg lang geleden in een bespreking van Tonnus Oosterhoffs nieuwste bundel het volgende:

‘Een heldere tekst, wat echter niet altijd het geval is. Neem nu: ‘Ik uitdreig verschrikvolkelijke globomspannende vloekjulienne, / geen beveiliger die me nog beveiligen wil, / ja, nee, geen hond of roofpanserdier, geen wezenheid klein of groot / niet, nee, met tallozen nog niet voor geen goud.(…)’. 
Verrukkelijke regels, al kan ik er geen touw aan vastknopen. Dat hoeft gelukkig ook niet, klank en dwaasheid kunnen soms meer raken dan betekenis en diepgang; een van de charmes van de dichtkunst.’

Geen touw aan vastknopen? Dwaasheid? Dat ben ik niet helemaal met mijn collega eens. Met dat ‘uitdreig’ (wat een soort anglicisme is, vgl. ‘outrun’ ) en ‘geen beveiliger die me nog beveiligen wil’ is er wel degelijk een touw aan deze regels vast te knopen. Ze hebben een vrij hoog (anti) Geert Wilders gehalte.
Maar wat ik zeggen wilde: Tonnus Oosterhoff lijkt mij bij uitstek een schrijver die aanleg heeft om in zijn eigen web te blijven hangen. Zijn ongewone taalgebruik is persoonlijk en zeer herkenbaar, maar loopt door de opvallendheid ervan ook sneller gevaar vervelend en irritant te worden. Brood heeft niet zo’n sterke smaak: het is iets gewoons, we eten het elke dag. Maar we kunnen het op den duur beter verdragen dan iets wat een sterke smaak heeft, zoals kaviaar. Werkt het ook niet zo met taal? Een woord als ‘globomspannende’ associeert met ‘globalisering’ en ‘bom’, maar doet intussen ook al denken aan eerdere versprekingen (verspellingen) die de dichter met zijn ‘hersenmutor’ maakte. En omkeringen als: ‘We zitten aan ons steeltje vast, we zitten vast aan ons steeltje’ (uit WARE GROOTTE) en bijvoorbeeld die in het gedicht ‘Transport’ (uit LEEGTE LACHT) geven mij als lezer een gevoel van herhaling. Alsof er een soort taaltrukendoos bestaat, waarvan de dichter gebruik maakt wanneer hem dit zo uitkomt.
Niet dat ik wil zeggen dat Tonnus Oosterhoff niet goed schrijft. Dáárover gaat dit niet. Maar hij is een voorganger van een trend waarin taalgebruik dreigt door te schieten van kunst naar gekunsteldheid. Het omgekeerde van wat Martinus Nijhoff in zijn tijd voorstond, die een meer natuurlijk taalgebruik nastreefde. Nijhoff wordt nog steeds gelezen. Hoe zal dat met Tonnus Oosterhoff over 100 jaar zijn? Nog steeds 14 lezers? Toegegeven: het lijkt vandaag de dag moeilijk om origineel te zijn zonder de ‘gewone’ taal geweld aan te doen. Helder schrijven over moeilijke onderwerpen is een beetje ‘uit’, en moeilijk schrijven over alledaagse onderwerpen ‘in’. Maar dat kan natuurlijk niet zonder consequenties blijven. Wanneer we er als lezer na een tijd puzzelen eindelijk achter zijn wat er zou kunnen staan (niemand behalve – waarschijnlijk – de schrijver zelf weet wat er wordt bedoeld) valt dat qua betekenis niet zelden tegen. En om nou na elke ‘aha-erlebnis’ de oneliner ‘is that all there is?’ weer van stal te moeten halen… Nou ja, gelukkig valt het ook weleens mee.

Waar wil ik naartoe? Misschien naar een nieuwe tweedeling. En nu eens niet tussen ‘modern en ouderwets’, of ‘vorm en vent’ en zelfs niet tussen ‘goed en slecht’, maar tussen dichters met een korte golflengte, en dichters met een lange. Tonnus Oosterhoff reken ik tot de dichters met een korte golflengte. De dichter wiens bundel ik in deze recensie (is het nog wel een recensie?) wil bespreken reken ik tot de dichters met een lange golflengte: Serge Delaive.
Serge Delaive is, zoals de achterflap van zijn nieuwe bundel Meridianen van de doling vermeldt, een Luiks dichter, romancier en fotograaf. Hij publiceerde tot op heden meer dan twintig werken in alle literaire genres, waaronder 4 romans en 13 dichtbundels. Zijn nieuwe roman Nocéan, poëtisch mozaïek van een onmogelijke liefde, verscheen in 2016 bij de Brusselse uitgeverij Maelström.
Normaal gesproken sla ik de info op de achterflap van een bundel liefst zo snel mogelijk over (ik wil me door die verkooppraatjes niks laten wijsmaken). De geïnteresseerde lezer kan het trouwens zelf allemaal terugvinden: ook in deze bundel, die ‘een onbestendige cartografie, een neerslag van een jaar uit een dichterleven’ wil zijn, zoals de achterflap verder vertelt. Maar nu maak ik een uitzondering omdat eruit blijkt dat Delaive ook (en misschien zelfs in de eerste plaats) een romancier is, en dus niet alleen ervaring heeft met poëzie. Aha, hoor ik iemand denken: dus die tweedeling van een korte en een lange golflengte is op niets anders gebaseerd dan de oude controverse tussen poëzie en proza!
Ja, zou kunnen. Maar toch niet helemaal. Ik kom hier later op terug. Eerst een voorbeeld van een gedicht van Delaive:

Onze schaduw

De lage zon zweeft op onze schouders
aan het eind van een leeg strand zeg je ‘kom’
en neem je mijn hand tussen je vingers
we zien onze lange schaduw snellen en
zweten hij holt voor het volle licht uit
wanneer we buiten adem neerstorten
in de rollende neergestorte golven
in het tegenlicht strooit je gebalde vuist het zand uit
de korrels stromen tussen je zandlopervingers
je zegt ‘haast je weldra is de tijd
over onze gestorven schaduw gerold
en vergat je alweer van mijn ontwrichte
in profiel gelegde lijf te genieten’
terwijl je praat blinken mijn ogen
ik luister en trek aan de draad die leidt
naar je zo ongehoorzame vliegerende lijf.

(51°51’39’’N, 4°03’25”E)

Onder elk gedicht in de bundel staan de coördinaten waar het tot stand kwam (in dit geval dus ergens in Engeland). Maar dit is geen absoluut gegeven (verzekert ons het voorwoord), want er worden ook plaatsen beschreven waar Delaive alleen in zijn verbeelding is geweest (niets bijzonders bij een doling, denk ik).

Het gedicht zelf behoeft niet veel uitleg. Een eigenschap van dichters die met een lange golflengte dichten: je denkt vaak dat je ze bij eerste lezing al begrijpt. Maar dit terzijde. Ik haal dit gedicht (in de vertaling van Katelijne De Vuyst, zoals alle gedichten van de bundel) niet alleen aan als een voorbeeld van de stijl van Delaive, maar ook om de term ‘zandlopervingers’. Net als ‘verschrikvolkelijke’ of ‘globomspannende’ ook een onbestaand woord. Maar wat een verschil! Men zou er haast overheen lezen, zo natuurlijk als dit woord komt aanwaaien. De oorzaak is – meer dan waarschijnlijk – te danken aan het feit dat het ‘onbestaande’ woord van Delaive (of zijn vertaler) simpelweg is samengesteld uit twee al bestaande woorden, terwijl bij Tonnus Oosterhoff de ‘onbestaande’ woorden een ingewikkelder indruk maken. Oosterhoff gebruikt een ander soort taal, die om meer aandacht vraagt. Een taal die we langzamer en preciezer moeten lezen dan we normaliter gewend zijn. Alsof de contouren van zijn poëzie, die zich zeer scherp aftekenen, vooral bepaald worden door kleine details (op letterniveau).
Hoe anders is dat bij Serge Delaive! Romanschrijver van nature, kunnen zijn contouren nooit haarscherp zijn. Zijn poëzie moet stromen: ‘bewegen om stil te staan’, zoals hij het zelf zegt. Geheel in lijn daarmee gebruikt hij ook zo weinig mogelijk leestekens. Die zouden de lezer immers alleen maar ophouden. Ja, zijn lezers mogen eigenlijk nooit stilstaan, want dat zou hetzelfde effect opleveren als het stilzetten van een film: een onscherp beeld; een beeld dat minder nauwkeurig, en met een grovere golflengte tot stand lijkt gekomen.
Een tamelijk paradoxaal plaatje, wat deze vergelijking oplevert: Delaive, die naast zijn literaire bezigheden ook nog actief is als fotograaf, lijkt in zijn taalgebruik op een filmmaker; en Tonnus Oosterhoff, die op het computerscherm ‘woorden liet bewegen’, blijkt in zijn poëzie toch meer overeenkomst te vertonen met een fotograaf…

Nogmaals: het gaat hier niet om een waardeoordeel. Enkel om een verschil met consequenties voor de inhoud van een tekst, die er nog altijd óók moet zijn (al willen enkele lieden dat ontkennen). Sommige zaken laten zich nu eenmaal beter afbakenen dan andere. Ik citeer nog één gedicht van Delaive om e.e.a. toe te lichten:

Episch

De blinde Homerus had alles gezien
de bard dichtte in een taal
allegorische bron van de gulden
keten die geen einde kent
wat miljarden mensen als Odysseus
moeten verdragen tijdens hun arme
en verheven schier dagelijkse epen
initiële maar al met al niet zo
romaneske avonturen van ons leren
wij die onze penelope’s moe zijn
gebruiken de uitvlucht van de zee
en zeilen op haar omschrijvend schuim
om zeven jaar bij kalypso’s te schuilen
bij kirke’s rijk aan toverlisten
bij nausikaä’s ontzet door onze wanstaltigheid
of sirenen die onze zinnenlust kastijden
voor we beduusd in de spinnenarmen belanden
op het eiland van een gestage weefster
die ons vergeeft en opneemt
in de stugge stof van haar weefsel
tenzij een onderschepte sms of mail
ons wegstuurt eenzaam en verlaten
smachtend naar ongewisse afrodite’s
op amper mythologische kusten.

(36°44’57”N, 24°25’13”E)

Dit is het gedicht van een doler. Delaive identificeert zich met Odysseus, die andere doler, die zo lang van huis zich door geen enkel ding liet tegenhouden om toch weer thuis te komen. En dit brengt me op de lange en korte golven terug: van lange golven is bekend dat ze zich niet door obstakels laten tegenhouden. Ze buigen overal omheen. Een goed voorbeeld zijn geluidsgolven die achter een gebouw of muur toch nog te horen zijn. Geluidsgolven zijn veel langer dan lichtgolven. Een muur maakt een duidelijke schaduw en houdt licht tegen, maar geluid meestal niet. En zo is het ook met de dichter-doler Delaive: obstakels houden hem niet tegen. Precies waarom hij ook altijd een doler zal zijn! Zijn vele vrouwen kunnen hem niet blijvend vasthouden, want het zit in zijn natuur, en in die van zijn gedichten, om te bewegen, te reizen.
Vanzelfsprekend zijn mensen geen golven, maar er is iets in hun manier van benaderen van dingen, in de manier waarop hun aandacht werkt, dat golfeigenschappen lijkt te hebben.
En met diezelfde aandacht worden gedichten geschreven, die met een korte golf-, of met een lange golf-aandacht geconcipieerd lijken te zijn. Niet zo zwart-wit natuurlijk, maar met de klemtoon op één van beide. En in dit verband durf ik te beweren dat Tonnus Oosterhoff van nature géén doler of reiziger is. Wat toevallig door zijn poëzie bevestigd wordt, want hij blijft al schrijvend vaak ‘dichter’ bij zichzelf (zijn huis, zijn lichaam).

Blijft over het geheim van Penelope. De enige vrouw die de doler Odysseus echt aan de haak heeft weten te slaan (en die dus in zekere zin als een onneembaar obstakel is op te vatten). Delaive heeft het in zijn gedicht over ‘de stugge stof van haar weefsel’ (karakteristiek voor hem: dolers waarderen het niet als de stof te stug is, waarin ze worden opgenomen). Stugge weefsels zijn niet soepel, ze hebben iets weerbarstigs. Net als weerbarstige taal. Taal, zoals die wordt geschreven door Tonnus Oosterhoff en enkele andere (spinnende) dichters, die een ‘dolende lezer’ willen vasthouden. Maar er moet een evenwicht zijn. Een goed gedicht is geen glijbaan, en ook geen puzzel (want anders is er zelfs geen sms of mail meer nodig om onze aandacht weg te sturen). Kunst: was dat niet iets wat onze dolende aandacht vasthoudt?

Ik kijk naar de foto op het omslag van Meridianen van de doling. Een foto die door Serge Delaive zelf gemaakt is. Hij is erop te zien, of liever: zijn schaduw is erop te zien, vermoedelijk terwijl hij een camera vasthoudt. Maar het beeld is niet helemaal scherp. Wazige contouren laten het nodige te wensen over en doen vermoeden, vermoeden wat zijn poëzie me ook vermoeden deed: dat er een hand is die dit deed, dit maakte, en me mee laat tasten in het schemerduister dat geen obstakel kent.