Recensie van Mens Dier Ding - Alfred Schaffer

Groen uitgeslagen, maar volkomen gaaf

Alfred Schaffer
Mens Dier Ding
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023482833
€ 18,90
144 blz.


Mens Dier Ding
van Alfred Schaffer behandelt in grote lijnen de levensloop van de negentiende-eeuwse Afrikaanse leider en tiran Shaka Zoeloe. Veel harde feiten en wreedheden haalt hij uit de roman Chaka. An historical romance van de Zuid-Afrikaanse schrijver Thomas Mofolo (1876 -1948) en onder andere De geest van despotisme. Shaka Zoeloe en de psychologie van tirannieke macht, geschreven door Manfred F.R. Kets de Vries in 2004.

De feiten, voor zover ze waar en bekend zijn, vormen ankers in dit geheel van verhalende en lyrische teksten. Sjaka’s moeder speelt een rol, zijn vrouwen en kinderen, zijn korte speer, waarneming van UFO’s, maar ook zijn veronderstelde gedachtewereld en zijn genummerde dag(dromen). 

Schaffer speelt met de tijd en de invulling van zijn personage Sjaka, die ook een ik-figuur wordt met een televisietoestel en een mobieltje. Zijn lievelingsliedjes komen uit de twintigste eeuw en /soms sms’t hij TOEKOMST naar 3040./ Sjaka is naast een heerser, een zoon, een slechte minnaar en een vader ook een quizkandidaat, een journalist die de president interviewt en uiteindelijk een asielzoeker en een zwerver. In de loop van zijn leven verandert hij van een mens in een dier en in een ‘groen uitgeslagen, maar volkomen gaaf’ ding.

In de NRC gaf Arie van den Berg Mens Dier Ding vijf sterren. De recensie kopt: ‘Een poëtische belevenis van jewelste.’ Ik begrijp dat wel, al zegt zo’n kop niet heel veel. De bundel is een kunstig geheel van genres en verweven verhaallijnen. Voor zover je in een dichtbundel van verhaallijnen kunt spreken. Van den Bergs voorkeur gaat uit naar de – in zijn ogen – alledaags lyrische dag(dromen). Hierin vindt hij Schaffer het sterkst. Mij leiden die dag(dromen) juist af van de andere, krachtiger fragmenten, waarin ‘het’ allemaal gebeurt. Ik ben het meest onder de indruk van de woorden en de beelden die Schaffer daarvoor vindt.

ERGENS IN HET ZUIDELIJKE GRONDGEBIED VAN AFRIKA
wordt een daverende troonsopvolging voorbereid.
Pleinen worden schoongeveegd, journalisten
het land in gestuurd, iemand componeert
een koningslied, iemand kleit speciale bekers
met daarop de beeltenis van Sjaka, schaterlachend.
Of met een close-up van zijn hand die een speer vastklemt.
Of met een UFO – Sjaka’s logo.

Nog snel wordt er een schitterende oorlog uitgevochten
volkomen high hakt Sjaka om zich heen.
Rechte rug, lang en lenig, fraai door lelijkheid.
Het is een populaire theorie: macht maakt mooi.
Sjaka’s mond die open gaat en dicht
maar niemand hoort hem schreeuwen.
Op film ziet dat er eigenaardig uit.
Veel stof, veel chaos en veel figuranten
die natuurlijk tóch de camera inkijken
terwijl de regisseur vooraf nog zó gewaarschuwd had.
De lens richt zich op Sjaka’s handen
op zijn ogen, zijn gebit, zijn kruis.
Misschien is N op dit moment wel dronken
van bewondering.
En iedereen ziet iets anders.
De jongen die met blokken speelt ziet een held
de soldaat een kameraad
de hoer een vaste klant.
De geschiedenis herkent de duivel in vermomming.
Het dier een slimme jager.
De dood een leverancier.
 

Dit somt het op, en de verwijzing naar ons eigen koningslied en troonsopvolging en de UFO als logo zijn erg geestig. Het is niet dat de dag(dromen) minder goed zijn, het blijft deels een smaakkwestie. Om een beeld uit dag(droom) # 1.516, getiteld ‘zelfportret als 007’ kon ik niet heen: / helikopters hangen ratelend als slagroomkloppers buiten beeld./ Dit hoor en zie ik tegelijk.

Om deze bundel in al zijn aspecten te kunnen waarderen zou ik hem moeten herlezen en herlezen. Het is als een uitbundig feestmaal meer dan een keer nuttigen om alle gerechten zorgvuldig te kunnen proeven: praktisch onmogelijk. Morgen eten we weer een simpel frietje en dat is ook lekker.
Daarom sluit ik af met een flinke portie van een van de hoofdschotels.

[…]

Als Sjaka hoort dat hij een zoontje heeft gekregen
volgt hij zijn moeder in het donker naar de hut
stapt binnen, vult de hele ruimte
gaat dan voor het wiegje staan en in de vrieskou
van zijn schaduw sterft de zuigeling.
Nog geen alinea vanhier en Sjaka’s moeder
ligt voor altijd in een voetnoot languit op de grond.
Hoe afgetekend is haar bijrol nu.
De plot heeft haast, een andere vertelling is al in de maak
maar Sjaka hoort een stalen poort dichtslaan
en zet het op een hartverscheurend brullen.

Jo jo jo mijn moeder zij is dood in ieder huis
brandt licht in dit huis brandt de duisternis.
Het volk treurt eveneens al kun je onderhand niet spreken
van een volk, je vult er nog geen buurthuis mee.
Op bevel in tranen uitbarsten:
een staaltje method acting van de bovenste plank.
En wie niet treurt wordt omgehakt.
Wie niet afdoende treurt wordt omgehakt.
Wie treurt en ondertussen aan iets anders denkt 
wordt omgehakt.

Het blijft een eigenaardig mechanisme.
Zelfvernietiging.
Zelfhaat.
Zelfbeschikking.
Zelfbediening.
Dat solitaire aan de hele zaak.
En niemand die een back-up van het landschap heeft gemaakt.
een reuzenstoomwals walste alles plat.
De aarde , donkerpaars en leeg
is glad als een enorme bowlingbaan.
Daar komt de eerste bal al aangerold.
 

Recensie van Kooi - Alfred Schaffer

Poëzie Kort: Somberheid troef

Alfred Schaffer
Kooi
Uitgever: De Bezige Bij

ISBN 9789023432210

blz.

In de dikke bundel Kooi staan nieuwe gedichten en prozagedichten van de auteur van de alom geprezen bundel Schuim (2006). Bij een strofe-indeling van 4-4-3-3 zou je net als in een sonnet ergens een volta verwachten, maar bij Alfred Schaffer razen de verontrustende beelden in één flow door van regel 1 naar regel 14. Heftige poëzie is dit, waarin de lezer weinig lucht krijgt. En de vijftien prozagedichten die tussen de gewone gedichten in staan, zijn al even grimmig als hun kleinere broertjes. ‘Je maakt een vuist, je probeert een vuist te maken, alleen het resultaat telt, meer mensen stappen uit dan in: het nachttraject laat zich niets gelegen aan het toeval’, zo staat bijvoorbeeld te lezen in ‘Het wordt vast mooi als de tijd is verstreken’.

Impasse

Vertier in wissewasjes zoeken, zo blijft een mens overeind.
Toonladders oefenen. Eindeloos van iemand houden. Maar,
wat een afknapper is de mens, dweepziek, een slaaf van zijn
agenda, en zint hem iets niet, dan verbreekt hij de verbinding.

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik
me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste
bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,
iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast
neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem
naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

Mijn sleepdraad is geknapt, ik krijg me niet aan land gehesen.
Als straks het stadsgeluid bezinkt, zou ik met deze nachtkijker
meer moeten zien. Voor alle zekerheid. Maar meer is er niet.

De Bezige Bij, 72 blz., € 16,50. ISBN 9789023432210