Gedichten

Truus Roeygens (1964)

Poëzie is het bevoelen van de gravure, het omsingelen van letters, het vormen van groepen, het infiltreren, het vechten en tegelijk het onzedig paraderen op het witte blad. Niets is meer ambigu of sluit beter aan bij wie ik ben.

Ook de ziel moet je oefenen

(1)
Als, de wind hijgt van het harde waaien
duikt een mus in haar veertjes

de zon gaat uit, de spiegelkast draagt jouw kleren,
het bed slaapt de hele nacht door

alles wijst erop dat je overspellig bent,
dus, verwijst de dichter door voor verhandeling

of, je staat in de roze reflecterende driehoek,
loopt gevaar op de 100 meter

dan is dit de juiste trap
zelfs de donkerste wolk komt

in druppels naar beneden

en, er is nog altijd de andere zij
waarop men zich kan keren:

(2)
Nu heb je mij, en het lukt beslist,
zegt ze,
waarbij haar tong zich tot de punt strekt
in het lenig wereldje van mond,
haar rijstblauwe ogen
vallen ons niet af, de balk in evenwicht

Gelijk het laken overvliegt,
als een witte pelikaan,

duiken naar het begin, doe je het best,
doet ze,
van een licht verouderde rug,
delven van longen
uit zwarte bezwete gangen
een mond die in sporen openspat

Onze vermande hand,

Liefde is meestal
de conditie

(3)
er is geen bezemwagen
voor wie –zoals wij– achterloopt
op het hart

ook de ziel moet je oefenen

zonder botten te breken:
de harde kaft van brein
–wervelende midden–
uitademen langs de lange ribbenkast

met water en brood
kunnen we al de honger stillen
van het rosé kuiken in onze hand

 

Liesbeth Aerts (1970)

Poëzie is een unieke vorm van communicatie.
Een noodzakelijke vorm van communicatie.

tweesprong

Ik maak me zorgen om de tuin die gekrompen is, het huis dat soms dichtklapt, dan weer open, zeeanemoon. We halen gierend de lucht naar binnen.

Je houdt van rechte hoeken en een zuivere draaibeweging met constante snelheid en trekkracht.
Als je me de kamer uitslingert, is dat slechts perceptie, zeg je,
een gevoel dat jij loslaat en ik maar door tuimel.

Misschien ben ik het die zich achterover gooit,
het touw uit je vuisten rukt
tot het zich een weg sliert door je vlees.
Je gooit je handen open, hinkt me achterna
met vooruitgestoken nek.

Zie hoe de kamer vertraagd in vrije val stort.

optie a

Wij hangen in het luchtledige,
losgekoppeld en absoluut vrij
en kijken niet begrijpend achterom
alsof het lichtjaren geleden
en niemand zich nog de warmte herinnert.

optie b

Met geklauw van oude leeuwen
weerstaan we het absolute, zuigende
niets en besteden lichtjaren aan het
terugvinden van stukken verhaal,
verloren gewaande avonden
en in het diepste wormgat verstopte plukjes hoop.

We drijven alles naar een afgesproken punt
– onze toewijding aandoenlijk
en te midden het puin stappen we
opnieuw een kamer af,
bepalen diepte en hoe breed
mijn vertrouwen vanaf nu zal zijn.
Haast even lang als jouw liefde.

Karim Schelkens (1977)


Net als iedereen schrijf ik dagelijks, en graag: van winkellijstjes, academische bijdragen, biografieën tot haastige kattebelletjes. Alleen met verzen ligt het anders, is het wat lastiger ook, wellicht omdat daar altijd weer het einde van de taal zelf op de loer ligt, en daarmee de rafelrand van het samenleven, dat ongemakkelijke ogenblik waarop het witte blad meer te melden heeft dan woorden.

Dochter/Parijs

Zandkorrels slijten
de ogen van tijd
en triomf in de stad
gaat gebukt onder bogen.

’s Nachts wordt het killer
dan dromen de kinderen
het landgoed van morgen
nog zonder geraas.

Ik zink door de lakens
de vloer in de nacht
tel uren van waken
haar krullen
en staar.